Objectiveren van subjectiviteit

Vandaag kreeg ik de volgende bijzondere formule onder ogen: aantal maanden behandeling x aantal weken per maand x aantal behandelingen per week x kilometers enkele reis afstand x 0,25. Deze formule wordt gebruikt om te berekenen of een kind dat moet reizen naar een aanbieder van jeugdhulp in aanmerking komt voor een ‘vervoersvoorziening’ door de gemeente. Als de uitkomst 250 of hoger is, dan kan een vervoersvoorziening worden toegekend, dan drukt die last te zwaar op kind en ouders.

werkmierenillustratie: puur.cc

Bij een eerste blik stelde ik me de vraag of die formule niet eenvoudiger kan. Als je het goed beschouwt, staat hier gewoon: totaal aantal behandelingen x aantal kilometers enkele reis x 0,25. De weken en maanden doen niet ter zake, die zijn alleen maar nodig om het totaal aantal behandelingen te bepalen. Zijn bovendien die  x 0,25 wel noodzakelijk? Als je die weglaat en de uitkomst van het aantal behandelingen maal de kilometers enkele reis is groter dan of gelijk aan 1.000, dan bereik je hetzelfde. Bovendien, waarom enkele reis? Zou de terugreis niet ook een ‘last’ kunnen zijn? Dan zou de formule moeten luiden: aantal behandelingen x aantal reiskilometers en als dat 2.000 of meer is, dan zou een vervoersvoorziening worden toegekend.

Bij een tweede blik vroeg ik me af of die formule wel meet wat er gemeten moet worden, namelijk de draaglast. Hangt draaglast bij reizen  alleen af van het aantal kilometers dat gereisd moet worden, want dat is waarmee in de formule wordt gerekend? Zou draaglast niet ook te maken hebben met de reisduur? Een dagelijkse file-rijdende reis waarbij in een halfuur vijftien kilometer wordt afgelegd, zou wel eens veel zwaarder kunnen voelen dan een reis waarbij in een halfuur veertig kilometer wordt afgelegd. Een maal per maand naar Den Helder (266 kilometer) voelt toch anders dan iedere dag 10 kilometer in een slakkengangetje over achterafweggetjes.

Hangt de draaglast niet ook af van het tijdstip waarop gereisd moet worden? Als je als ouder met drie kinderen er twee ‘aan hun lot’ moet overlaten om de derde op tijd naar de zorg te brengen, dan voelt dat anders dan wanneer de andere twee al op school zijn. Als je door die reis met je kind niet je contractueel afgesproken uren kunt werken en het gaat van je verlof af, dan voelt dat anders dan wanneer je daar geen omkijken naar hebt.

Is de last die iemand kan dragen niet afhankelijk van de persoon en daarmee subjectief? Probeert deze formule iets subjectiefs te objectiveren?

Fruitmand

Voor een overleg dat ik vandaag moet bijwonen, zat ik gisteren wat stukken door te lezen. Het overleg gaat over de inkoop van jeugdzorg en in één van de stukken werd geschreven over het streven om tot ‘objectieve tarieven’ te komen. Die tarieven moeten in het overleg tussen de gemeenten en de zorgverleners worden vastgesteld. Dit riep bij mij de vraag op wanneer een prijs objectief is en wie dat bepaalt?

rot fruit

Foto: Micropia

Tarief is volgens Van Dale: (bij doorlopende of herhaalde levering van dezelfde zaak) het bedrag dat voor iedere eenheid betaald moet worden.” Aan tafel zitten zorgverleners met zeer verschillende specialismen en werkmethoden. Banken vinden hun zaak ‘betaalrekening’ anders dan dezelfde zaak van een andere bank en dat anders vertaalt zich in een ander tarief. Zou dat bij hulpverleners anders zijn? Neem twee psychologen, een algemene en een trauma-specialist, ze leveren allebei psychologisch advies, is dat daarmee ‘dezelfde zaak’? Is de dienst van twee trauma-specialisten die verschillende methoden hanteren, met elkaar te vergelijken?

Objectief wordt in dezelfde Van Dale omschreven als: “zonder zich door eigen voorkeur te laten beïnvloeden; onbevooroordeeld, onbevangen.” Welke van de zorgverleners is onbevooroordeeld en laat zich niet door de eigen voorkeuren beïnvloeden? De zorgverlener zit daar juist aan tafel vanwege de expertise die hij of zij op een specifiek gebied bezit. De expertise waarmee die hulpverlener de belegde boterham moet verdienen. Hoe objectief zouden deze hulpverleners zijn? Je vraagt toch niet aan de appel of die peren lekkerder vindt dan appels?

Dezelfde vragen kun je ook stellen bij de gemeenten die bij dat proces betrokken zijn. Ze missen de specifieke kennis van de hulpverlener, maar maakt dat hen objectief, zonder eigen voorkeur, onbevooroordeeld? Zij zitten aan tafel als ‘inkopende partij’ en wil die niet net als iedereen die boodschappen doet zo min mogelijk betalen voor een kwalitatief zo goed mogelijk product? Zouden ze niet een kwalitatief goede en gevarieerde fruitmand willen voor de laagst mogelijke prijs en dus de appels tegen de peren uitspelen?

Naar het inkoopvraagstuk van de jeugdzorg kijkend met de bril van de definities uit de Van Dale, is dan twijfelen aan het succes en het streven om ‘ objectieve tarieven’ vast te stellen dan niet gerechtvaardigd? Zou zo’n proces leiden tot een mand goedkoop en beurs fruit?

Beste gemeente Rotterdam

In de NRC lees ik dat de gemeente Rotterdam af wil van de plicht om de: “lokale inkoop van kleinschalige zorg, kinderbescherming en wijkteams Europees aan te besteden.” De gemeente moet deze zorg dit jaar opnieuw aanbesteden en in totaal gaat het om vierhonderdmiljoen euro aan zorg per jaar. En dat is geen kleine klus: “In Rotterdam zijn meer dan honderd medewerkers bezig met de aanbesteding.” 

Rotterdam

Foto: Rotterdam – Holland.com

Een beetje vreemd om zorg in Rotterdam Europees aan te besteden, zou er een bedrijf uit Spanje of Polen zijn dat kinderbescherming in Nederland kan verzorgen? Zeker als je bedenkt dat een bedrijf dat deze zorg wil leveren ‘gecertificeerd’ moet zijn en dat zijn alleen Nederlandse bedrijven. Daarom adviseert Wethouder De Jonge: “als het kabinet het ‘sociale domein’ gaat uitzonderen voor aanbesteding. Daarvoor is een wetswijziging nodig, maar het kost niets.” Een terecht pleidooi dus van de Rotterdammers. Zeker als daardoor wijkteams waaraan de stad sinds 2015 heeft gewerkt en die net op elkaar ingespeeld en ingewerkt raken, uit elkaar dreigen te worden getrokken.

Beste gemeente Rotterdam, en u bent niet de enige zo weet ik uit ervaring, waarom staart u zich blind op ‘ marktwerking’? Waarom moet er aanbesteed of ingekocht worden? Ook bij niet Europees aanbesteden kunnen die mooie teams uit elkaar worden getrokken. De Jeugdwet schrijft niet voor dat het een markt moet zijn. Die bepaalt in artikel 2.6 onder 1: “Het college is er in ieder geval verantwoordelijk voor dat er een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod is,” om aan de taken die de wet stelt, te kunnen voldoen.

Als die teams zo goed werken en je wilt dat de investering erin niet verloren gaat en nog jaren rendement gaat opleveren, waarom zoek je dan niet een andere oplossing? Waarom neemt de gemeente die teamleden niet gewoon in dienst? Dan hoeft er niet te worden ingekocht, hoeven er geen contracten te worden afgesloten, beheerd  en gemanaged. Dat scheelt flink wat ambtenaren en externe adviseurs die zich met inkoop bezig houden. Dat geld kan dan worden ingezet voor extra zorg voor de kinderen.

Zou het in dienst nemen bovendien niet een blijk van waardering voor die teams en hun leden zijn? Zou dat geen mooie oplossing zijn? Let er dan wel op dat u er geen ‘ ambtenaren’ van maakt.

Logica van de koude grond

Bij Trouw een kritisch artikel over de zorg voor onze kinderen. Sinds 2015 zijn de gemeenten hiervoor verantwoordelijk en verschillende belangenorganisaties hangen de kat de bel aan. Gemeenten maken er een potje van en steken: “vooral veel tijd en geld in randzaken en controle, oftewel bureaucratie.”  De belangenorganisaties krijgen bijval van kinderombudsman Margrite Kalverboer die een flinke toename ziet van crisisplaatsingen in de gesloten jeugdzorg en onder toezichtstellingen. Volgens Kalverboer is dit een gevolg van bezuinigingen die aanbieders dwingen om voor lagere prijzen te werken. Vreemd is dan wel dat die bezuinigingen juist tot hogere zorguitgaven leiden. Een gesloten plaatsing van een kind is immers een van de duurste vormen van jeugdzorg.

logica

Daar wil ik het echter niet over hebben. Waar ik het over wil hebben is de logica achter de decentralisatie van de jeugdzorg naar de gemeente. Al eerder schreef ik dat die decentralisatie is gebaseerd op aannames, deze keer over een bijzondere vorm van logica.

Vóór 2015 waren de verantwoordelijkheden verdeeld onder gemeenten de provincies, de ministeries van Veiligheid en  Justitie en Volksgezondheid Welzijn en Sport en de zorgverzekeraars. Dit zorgde voor verdeelde verantwoordelijkheden en gecompliceerde, uit achttien stromen bestaande financiering. De Kamerwerkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg  rapporteerde in 2010 over stand van zaken in de jeugdzorg en deed aanbevelingen. een van die aanbevelingen luidde: “Er moet één financieringsstroom komen voor het huidige preventieve beleid, de huidige vrijwillige provinciale jeugdzorg, de jeugd LVG en jeugd GGZ. De komende jaren moeten worden benut om de gescheiden geldstromen te bundelen. De werkgroep realiseert zich dat het bijeenbrengen van de financieringsstromen voor de verschillende sectoren geen sinecure zal zijn, maar acht dit desalniettemin van groot belang.” In eenvoudig Nederlands staat hier: er moet één opdrachtgever zijn, één baas.

Eén overheid moest verantwoordelijk worden en dat werd de gemeente, de overheid die het ‘dichtst bij de burger staat’ want die zou dat het beste op maat kunnen doen, de aanname waarover ik al eerder schreef. En iedere gemeente kreeg grote vrijheid bij het inrichten van die zorg. Maar, zijn er in Nederland niet ongeveer driehonderdtachtig van die overheden? Werd zo achttien niet één maar driehonderdtachtig financiële stromen, opdrachtgevers, inkopers, administratiekantoren en werkwijzen? Welke logica hanteerde de wetgever?