Irritatie

“Wat zou het toch fijn zijn als, zodra het over dit thema gaat, mensen éven bewust hun irritatieknop zouden uitzetten. Wat zou het fijn zijn als zij niet onmiddellijk in verweer zouden komen, maar zouden luisteren en lezen.” Want: “Vergeleken met de winsten die de Nederlandse Staat uit de slavernij heeft gehaald, is die 200 miljoen euro voor het bewustwordingsfonds nog een schijntje. Dat zullen toekomstige onderzoeken nog meeren duidelijker aantonen.” Aldus Marisa Monsanto in een opiniërend artikel in de Volkskrant. Nu vraag ik me af of ik ook tot degenen behoor die de irritatieknop uit moeten zetten.

Eigen foto

Waarom ik me dat afvraag? “Er wordt gepleit voor herstelbetalingen voor het aangedane leed van de slavernij en slavenhandel en hup: daar zijn de verongelijkte reacties. Wat te denken van de kinderarbeid en andere vreselijke arbeidsomstandigheden in de negentiende eeuw, zoals de uitgebuite Drentse veenarbeiders, Groningse landarbeiders en fabrieks- en havenarbeiders. Laten wij er nog de Limburgse mijnwerkers, de Scheveningse vissers en de aardappelrooiers van Van Gogh aan toevoegen.” Monsanto schrijft dit naar aanleiding van reactie op een eerder, in haar woorden genuanceerd, opiniestuk van Peter M. Wolff dat centraal stond in mijn vorige prikker. Nu kwam mijn ‘irritatie’ niet voort uit Wolffs pleidooi voor ‘herstelbetalingen’ maar uit zijn bijzondere versie van de geschiedenis van Nederland.

Nee ik ga mijn vorige prikker niet herhalen. Sterker nog als ik niet juist een interessant boek had gelezen dan had ik Monsanto’s bijdrage waarschijnlijk gewoon laten passeren. Een boek van de filosoof Susan Neiman met als titel Left Is Not Woke.  En ik schrijf bewust filosoof en niet filosofe omdat dit Neimans keus is: “Als autochtone Engelse spreker verafschuw ik het huidige Duitse voorstel dat door een regeringsdecreet wordt ondersteund, dat iedereen die zich verzet tegen woorden als ‘burgers en burgeressen’ onverbeterlijk seksistisch is. (schrijvers en schrijveressen. Bakkers en bakkeressen. Ad infinitum). Mijn eigen taalkundige intuïties vallen de andere kant op: als beroepen genderneutraal zijn, laat het afdwingen van iemands beroep een seksistische noot achter.[1]

Neiman over woke: “wakker blijven voor onrecht, op zoek zijn naar tekenen van discriminatie- wat kan daar verkeerd aan zijn?[2] Daar is niets mis mee  maar wel de kant waarop het is gegaan: “Het begint met de zorg voor gemarginaliseerde personen en eindigt met het reduceren van elk tot het prisma van haar marginalisatie. Het idee van intersectionaliteit zou de nadruk hebben gelegd op de manier waarop we allemaal meer dan één identiteit hebben. In plaats daarvan leidde het de focus op die delen van identiteiten die het meest gemarginaliseerd zijn, en vermenigvuldigt ze tot een woud van trauma’s.”  Dit leidt er toe dat Woke: “benadrukt de manieren waarop bepaalde groepen geen recht hebben gekregen en probeert de schade te herstellen en te herstellen. In de focus op ongelijkwaardigheid van macht wordt het concept van rechtvaardigheid vaak aan de kant gelaten.” En voor deze prikker belangrijker, woke: “eist dat naties en volkeren hun criminele geschiedenis onder ogen zien. Daarbij komt vaak tot de conclusie dat de hele geschiedenis crimineel is.[3]

De hele geschiedenis en dan vooral de hele Westerse geschiedenis. Als die hele geschiedenis crimineel is, dan kan er ook geen sprake zijn van vooruitgang. Dit terwijl vooral de geschiedenis van het Westen vooruitgang laat zien. En nee, dat maakt niet dat alles in het westen goed is. Dat iemand met een donkere huidskleur vaker uit de rij wordt gepikt bij het vliegveld of staande wordt gehouden door de politie is niet goed te praten. Het is echter een hele vooruitgang in vergelijking met de situatie van voor de afschaffing van de slavernij.

Dat de slavernij überhaupt bijna wereldwijd is afgeschaft is überhaupt een gevolg van westerse vooruitgang. Het is een gevolg van wat we nu de Verlichting noemen. Denken dat de bestaande, toen als goddelijk en dus onveranderbare orde, ter discussie begonnen te stellen. Die ‘orde’ was die van de zondeval, de verleiding van Eva door de slang waardoor ze van  appels van de boom plukte en die samen met Adam opat.  Voor de protestantse christenen is die zonde zo groot en de macht van god zo enorm: dat Hij ieder van ons tot de eeuwige verdoemenis kan veroordelen voordat we iets hebben gedaan om te suggereren dat we het verdienen.”  Voor de katholieke konden hieraan ontsnappen via boetedoening: “Maar of verlossing uiteindelijk mogelijk was of niet, kon alleen van de hand van God komen.[4] Een wereld waarin menselijk handelen er niet toe deed. Dit ter discussie stellen betekende dat je inging tegen de door god gegeven orden. Twijfelen aan orde en zeker aan de almacht van god was voldoende om na een flinke foltering op de brandstapel te belanden. Dat kunnen we ons tegenwoordig met het in de Grondwet verankerde recht op vrije meningsuiting en godsdienstkeuze niet meer voorstellen, maar dat waren wel de omstandigheden waarmee de Verlichte denkers te maken hadden en waarbinnen ze moesten opereren. We kunnen hen met de onze huidige normen en waarden beoordelen en dan vinden we voldoende zaken om hen te beoordelen.

Of zoals Neiman het schrijft: “Misschien ligt het probleem met het herkennen van vooruitgang in het concept van vooruitgang zelf. Per definitie vooruitgang is niet wat we hebben. Het is niet iets dat al is bereikt, maar iets dat in de toekomst moet worden bereikt – liefst morgenochtend. Het is moeilijk om de prestaties van de vorige generatie als vooruitgang te erkennen, juist omdat de vorige generatie ernaar streefde om die prestaties er net zo normaal uit te laten zien als ze altijd hadden moeten zijn.[5] met deze passage beschrijft Neiman precies waar mijn frustratie bij artikelen als die van Wolff en Monsanto. De impliciete verwijten aan voorouders. Impliciete verwijten die verpakt liggen in vragen als: ‘waarom duurde het zolang voordat Nederland slavernij verbood? Én ‘waarom was het verzet tegen slavernij niet veel massaler?’ Het verwijt aan de huidige generatie waarom die niet massaal de beurs trekt om alle onrecht uit het verleden te compenseren.

Ja slavernij was verschrikkelijk maar dat slavernijverleden moet niet de reden zijn dat er nu iets specifiek voor een bepaalde groep, in dit geval nazaten van slaven, moet gebeuren. Rechtvaardigheid verlangt van ons dat we mensen die nu leven rechtvaardig behandelen. Als daarbij iets niet goed gaat en dan moeten we daar iets aan doen. Een slavernijmonument of -museum of herstelbetaling helpt een kind dat wordt onder geadviseerd niet vooruit. Het helpt niemand aan een stage, behalve dan misschien een enkeling die stage kan lopen bij dat museum. Niet de nazaten van slaven maar ook niet anderen die te maken hebben met onder advisering  en moeite hebben met het vinden van een stageplek. Dat wil niet zeggen dat een slavernijmuseum of -monument een verkeerd idee is. Het is geen oplossing voor onze huidige problemen met rechtvaardigheid.


[1] Susan Neiman, Left Is Not Woke, pagina 139. Eigen vertaling.

[2] Idem, pagina 4. Eigen vertaling

[3] Idem, pagina 5. Eigen vertaling

[4] Idem, pagina 104. Eigen vertaling.

[5] Idem, pagina 124. Eigen vertaling

Herstelbetalingen

Het eerste wat ik dacht na het lezen het artikel  in de Volkskrant van econoom en beleggingsexpert, Peter M. Wolff was: ‘hopelijk heeft hij meer verstand van beleggen.’ Zijn kennis van de geschiedenis laat te wensen over. Wellicht een gevolg van, zoals hij het zelf schrijft: “het feit dat er slechts summier over deze periode is onderwezen in Nederland.” De periode waarop Wolff doelt is de periode van de trans-Atlantische slavenhandel. In zijn artikel pleit Wolff voor herstelbetaling. Niet in de vorm van een persoonlijke uitkering maar een ontwikkelingsfonds om: “de ontwikkeling, opbouw en heling van en in Suriname en het Caribische deel van het koninkrijk te initiëren,” en om te investeren: “ in het onderwijs in Suriname, in Caribisch Nederland en in Nederland, om het slavernijverleden nou eindelijk de plek te geven die het verdient.”

Volgens Wolff ligt het aan: “het gebrek aan onderwijs en kennisdeling over de echte geschiedenis van Nederland” dat er “binnen de autochtone Nederlandse gemeenschap …  aversie en onbegrip bestaat over het excuus en het slavernijverleden.” Aan welke negatieve gevolgen we dan moeten denken: “Denk hierbij aan hedendaags institutioneel racisme, dat soms moeilijk te bewijzen is. De ‘black tax’ waarbij iemand met een kleurtje twee keer harder zijn best moet doen om hetzelfde te bereiken als een autochtone Nederlander. Denk hierbij aan de kwetsende invloed en polarisatie die de sinterklaasviering met Zwarte Pieten, jaarlijks veroorzaakt binnen de Nederlandse gemeenschap. Denk hierbij aan eerdere voorbeelden van etnische profilering door de politie, de inzet van het omstreden controlesysteem Syri door gemeenten en de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst.” Dat algoritmes die aan de basis liggen van Syri, politie acties en de toeslagenaffaire verkeerd uitwerken en hoe dat kan, daar heb ik al eerder over geschreven. Dit koppelen aan het slavernijverleden is, om Wolff te citeren: “moeilijk te bewijzen.” Bewijzen is tegenwoordig echter van minder belang. Het zeggen is al voldoende om het veel mensen uiteindelijk te laten geloven. Maar hier gaat het mij nu niet om.

Het gaat mij om de geringe kennis van de geschiedenis die Wolff de ‘autochtone Nederlander’ verwijt. Door dat gebrek aan onderwijs weet die ‘autochtone Nederlander, zo betoogt Wolff,  niet dat hij: “de eeuwenlange opbrengsten van de slavernij, ook zijn geherinvesteerd in aandelen, vastgoed, infrastructuur en allerlei andere sectoren in Nederland. Al deze financiële injecties hebben ervoor gezorgd dat Nederland zich zo uitmuntend heeft kunnen ontwikkelen tot wat het vandaag is.” Want: “Een niet te verwaarlozen deel ervan is afkomstig van de offers die met het bloed, zweet en tranen van de tot slaaf gemaakten is opgebracht. Die hebben al die eeuwen nooit salaris, overwerktoelagen, vakantiegelden, pensioen- of ziekengeld uitgekeerd gekregen. Deze tegoeden zijn aantoonbaar succesvol geherinvesteerd in de Nederlandse samenleving. Zo hebben het koningshuis, De Nederlandsche Bank en andere grootbanken hun opbrengsten uit de slavernij in de Nederlandse maatschappij gestoken. Deze tegoeden vormen heden ten dage nog steeds de basis van het rijke Nederland van vandaag, waar wij allemaal gebruik van maken in de vorm van sociale zekerheden die hieruit voortvloeien.”

Nu even voor Wolff. In dezelfde periode dat de slaven geen: “salaris, overwerktoelagen, vakantiegelden, pensioen- of ziekengeld uitgekeerd,” kregen de Nederlandse arbeiders dat ook niet. Tenminste, op salaris na. Dat kregen ze maar daar werkten ze, man, vrouw en kinderen, een uur of zestien per dag, kinderen als ze een jaar of zes waren tussen de twaalf en veertien voor. In al die uren kregen ze net voldoende bijeen om het hoofd boven water te houden. Hadden ze een dag geen werk of waren ze ziek, dan hadden ze geen inkomen en geen eten. Waren ze werkloos dan hadden ze ook geen woning. ‘En pak preugel’ zoals mijn vader het zou noemen, behoorde bij de managementtools. Die woning had de keuterboer en zijn gezin wel al was het vaak niet veel meer dan een plaggenhut. Het harde werken was er ook voor die voorvaderen niet minder om. Het arbeiden van kinderen tot twaalf jaar werd pas in 1874, met het Van Houtens beroemde Kinderwetje afgeschaft. Echter niet voor ieder kind, de kinderen van die keuterboer mochten gewoon verder werken.

Als ze het geluk hadden om oud te worden en niet meer konden werken, dan was er geen pensioen maar armoe, overleven van de bedeling of creperen van ellende. Pas na de Tweede Wereldoorlog met de Noodwet van Drees kreeg je na je 65ste een basispensioentje. Met een gemiddelde levensverwachting voor mannen van 70 en vrouwen van 72 haalden velen, vooral zij die zware arbeid moesten verrichten bijvoorbeeld in de mijnen, nooit hun pensioen. Ziekengeld werd pas in 1929 ingevoerd en vakantie vierde de arbeider in de negentiende eeuw zeker niet, daar had hij geen tijd voor want er moest worden gewerkt. Geleidelijk kwam er tijd voor iets anders omdat de werkdag en de werkweek werden begrensd. Het Kinderwetje was een eerste stap hierin. Tijd alleen maakt nog niet dat je vakantie kunt vieren. Vakantie werd in 1929 in de CAO opgenomen waarbij de werknemer vakantiebonnen kreeg.

De opbrengsten uit de slavernij werden inderdaad geïnvesteerd in vastgoed. In die fraaie grachtenpanden, niet in huizen voor het gewone volk. En nu we het toch over panden hebben. Daar waar je Suriname en de Antillen de woon- en leefomstandigheden van de slavenhouders en de slaven nog met elkaar kunt vergelijken en schande kunt spreken van het verschil, kan dat in Nederland niet. De krotten en plaggenhutten zijn er niet meer. Hier resten alleen de mooie (grachten)panden in de binnensteden. Dit maakt die vergelijking hier onmogelijk. Maar voor wie er een beeld van wil krijgen kan ik de achtste aflevering van Het verhaal van Vlaanderen aanbevelen. In die aflevering wordt inzichtelijk gemaakt hoeveel krotten er in een Belgische stad stonden en hoeveel mensen er in die krotten woonden.

Waar de opbrengsten zeker niet in werden geïnvesteerd is in die sociale zekerheid waar we, zoals Wolff nu terecht constateert, allemaal gebruik van maken. Die hele sociale zekerheid is van na de afschaffing van de slavernij. Die begon met dat Noodwetje van Drees die in 1947 in werking trad en die in 1957 werd vervangen door de Algemene ouderdomswet. Wat onze gehele sociale zekerheid kenmerkt, is dat deze wordt betaald uit belastingen en premies. De werkenden betalen via die belastingen en premies de AOW van de gepensioneerde, de ww van de werkloze en de bijstand van de bijstandstrekker. Daar komt geen ‘slavengeld’ aan te pas.

Dit laat onverlet dat investeren in de woon- en leefomstandigheden vooral op de Antillen maar ook in Suriname, net zoals trouwens in andere landen waar mensen het minder goed hebben, niet verkeerd is. Dat was ook het idee bij de onafhankelijkheid van Suriname. Het land kreeg na gesteggel over de hoogte ervan 3 ,5 miljard gulden aan ontwikkelingshulp toegezegd. Omgerekend naar nu is dat meer dan € 6,27 miljard. Dat is meer dan het Surinaamse BBP, dat bedroeg in 2022 $ 2,9 miljard. Het Surinaams BBP heeft  tot nu toe in geen enkel jaar de omvang van dat bedrag bereikt.

Dat laat onverlet dat de ongelijke behandeling van onze Bonairiaanse landgenoten die de bijstand die slechts 1/3 bedraagt van de Nederlandse een schande is die moet worden aangepakt. Net zoals de pensioenproblemen van Surinamers om een rechtvaardige oplossing schreeuwen. Dat iemand ‘met een kleurtje’ twee maal zo hard zijn of haar best moet doen, moet aanleiding zijn om hier wat aan te doen. Daarbij maakt het niet uit of die ‘een erfenis is van het slavernijverleden’ zoals Wolff betoogt of dat er sprake is van ‘nieuwkomers nadeel’ zoals ik het eerder heb genoemd.

En ja, ook investeren in het (geschiedenis)onderwijs is een goed idee. Daarbij zou het niet verkeerd zijn, te investeren in het volledige historische beeld. Daarbij hoort de trans-Atlantische slavenhandel en de behandeling van slaven maar daar horen zeker ook de woon- leef-, en werkomstandigheden van voorouders in Nederland bij die ik hierboven in het kort heb geschetst. Daar hoort ook het ontstaan van onze democratie bij. Toevallig las ik in dezelfde Volkskrant een artikel van Remieg Aerts over het ontstaan van het modern koningschap en de rol van Thorbecke hierin. Immers met de Grondwet van 1848 werd het koningschap ceremonieel. Daarvoor was de koning het hoofd van de regering en sturend en dwingend. Die sturende en dwingende koning: “leidde bijna tot een staatsbankroet, fnuikte de civil society en maakte het land slecht bestuurbaar. De koningen voerden een niet-omschreven ‘opperbestuur’ over de koloniën,” aldus Aerts. Daar waar de koning voor 1848 boven de wet stond, werd hij met die Grondwet van 1848 gebonden in de wet. Gebonden in die ceremoniële rol terwijl de macht bij het parlement, de vertegenwoordiging van het volk, kwam te liggen. Vrij snel na de aanname van de Grondwet van 1848 werd de slavernij afgeschaft. Dit ondanks het gegeven dat het overgrote deel van het volk, onder andere die arbeiders en keuterboeren, geen enkele invloed op hun vertegenwoordiging had. Zij hadden geen kiesrecht omdat ze geen of niet voldoende belasting betaalden.

Bestudering van de geschiedenis laat  een veel ander beeld zien dan Wolff in zijn artikel schetst. Zou de ‘aversie en het onbegrip over het excuus en het slavernijverleden’ niet ook worden veroorzaakt door de karikatuur die mensen als Wolff van de geschiedenis maken? Voor mij geldt dat in ieder geval wel.

Keti koti

Als je nu nog niet weet dat we op 1 juli herdenken dat de slavernij de jure 160 geleden werd afgeschaft, dan heb je onder een steen gelegen. Onder een steen gelegen omdat de media het afgelopen jaar en culminerend in de laatste week voor de 1ste juli 2023, veel aandacht hieraan hebben besteed. Op de dag voor die 1ste juli las ik bij De Correspondent een artikel van Karin Amatmoekrim dat aandacht vraagt voor deze herdenking en waarom die ons allen aangaat. Terecht want dit was een belangrijk moment in de geschiedenis en het moet aanleiding zijn om de schijnwerpers vol te richten op hedendaagse slavernij. Want nog steeds leven zo’n 40 miljoen mensen in slavernij. Dus op 1 juli herdenken en de rest van het jaar bestrijden. Toch knelt er iets in haar betoog.

Bron: flickr

Natuurlijk kan het dat je denkt ‘het is toch 150 jaar?’ En ja het is de facto 150 geleden dat aan de arbeidsplicht die bij de afschaffing aan voormalige slaven werd opgelegd een einde kwam. Die arbeidsplicht werd door de overheid opgelegd om de voormalige slavenhouders te compenseren in het verlies dat ze leden omdat hun ‘bezit’ werd afgenomen. Een vergoeding aan de voormalig slavenhouders klinkt ons vreemd in de oren toch was en is het nog steeds heel gebruikelijk dat je wordt gecompenseerd als je bezit wordt afgenomen door een overheidsmaatregel. De Britten compenseerden nog ruimer. De slavenhouders kregen in totaal 20 miljoen pond (vergelijkbaar met nu € 19 miljard) en de status van de voormalige slaven werd zonder hun instemming omgezet in een contract als ‘leerknecht’. Dit betekende dat ze nog zes jaar onbetaald hetzelfde werk moesten blijven doen. Dit even terzijde. Terug naar Amatmoekrim.

Volgens Amatmoekrim, en dat kan ik alleen maar ondersteunen, moet iedereen: “lezen over de Surinaamse schrijver en verzetsheld Anton de Kom, de Amerikaanse, Nederlandssprekende abolitionist Sojourner Truth  en al die andere tot de verbeelding sprekende voorouders. Er moeten romans  en films over komen, die ons onderwijzen in belangrijke lessen, die ons kippenvel geven en handvatten bieden voor een betere toekomst, zodat iedereen zich aan hen kan spiegelen en zich in hen kan herkennen.” Bijzonder wordt als ze haar betoog vervolgt: “Vandaag, op de drempel van Keti Koti 2023, wil ik aan iedereen die aarzelt om samen met bruin en zwart Nederland het slavernijverleden te herdenken, omdat hij denkt dat het niet zijn plek is, zeggen: onze helden zijn óók jullie helden. Ja, zij stonden ooit recht tegenover de Europese mens, maar door hun leven te vieren, vieren we onszelf zoals we nu, in dit heden zijn: een samenleving die tegen wil en dank versmolten is met een uiterst pijnlijke en schaamtevolle geschiedenis.” Hier gebeurt iets bijzonders.

Hier wordt een verkeerd perspectief geschetst. ‘Zij’ stonden niet tegenover de ‘Europese mens’. ‘Zij’ stonden, net als de overgrote meerderheid van de ‘Europese mensen’ tegenover de machtigen die hun leven bepaalden. Door het te stellen zoals in het citaat wordt miskend dat het overgrote deel van de voorouderlijke Europese mensen part nog deel hadden aan slavernij en de slavenhandel. Slavernij was niet iets van ‘…’ tegenover de ‘Europese mens’. Het was iets van mensen met macht tegenover machtelozen. Net zoals het nu nog steeds iets is van mensen met macht tegenover machtelozen. De ‘vrije’ Europese arbeider werd niet beter en soms nog slechter behandeld dan iemand in slavernij. De overgrote meerderheid van de toenmalige ‘Europese mensen’ en ook de bewoners van het gebied dat nu Nederland is, hadden totaal geen invloed op de acties en besluiten van de koninkrijken en steden waar ze woonden. Pas in 1917 konden alle Nederlandse mannen van 25 en ouder gaan stemmen, twee jaar later ook alle vrouwen. In andere Europese landen zijn de jaren wat anders, maar wat ze allemaal gemeen hebben is dat dit ver na de afschaffing van de slavernij was.

Het is nogal cru om de ‘nazaten’ van die uitgebuite ‘Europese mens’ nu op één hoop te vegen met de toenmalige machtigen en van hen ‘deemoed, bescheidenheid en schaamte’ te verwachten voor iets waar zelfs hun voorouders part nog deel aan hadden anders dan dat ze door dezelfde personen werden uitgebuit.

Holdomor

“De hongersnood in Oekraïne van de jaren 30 zou door de Tweede Kamer kunnen worden bestempeld als genocide ‘naar hedendaagse maatstaven’. Dat adviseert de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) in een rapport over de Holodomor, zoals de hongersnood wordt genoemd.” Zo lees ik op de site van de NOS. Geïnteresseerd, zocht ik het genoemde rapport erbij en sloeg aan het lezen. Het blijkt toch net wat anders te liggen.

Daily Express 6 augustus 1934. Bron: Wikipedia

Voor dat anders hoef je niet ver te lezen: “Voorop wordt gesteld dat de CAVV niet aan feitenonderzoek doet. Dit betekent dat de CAVV niet nagaat of de gebeurtenissen in 1932-1933 als genocide kunnen worden gekwalificeerd,” aldus de eerste zin van de tweede alinea. De Commissie heeft dus niet onderzocht of er in het betreffende geval sprake is van genocide. Wat heeft ze dan wel onderzocht? Het volgende: “De Tweede Kamer heeft de CAVV gevraagd de tijdsdimensie te onderzoeken en daarbij in te gaan op het toepasselijk recht ten tijde van de Holodomor, in het licht van de omstandigheid dat het Genocideverdrag pas in 1948 is aangenomen.” Deze zinnen volgden op die eerste zin. De Commissie heeft onderzocht of je een gebeurtenis die plaatsvond voordat het woord genocide bestond, genocide kunt noemen. Daarop kwam het antwoord dat je iets in het verleden een ‘genocide naar hedendaagse maatstaven kunt noemen. Of zoals de Commissie het formuleert in haar advies: “Hoewel genocide ten tijde van de Holodomor nog niet als internationaal misdrijf was erkend, kan de Tweede Kamer zich op het standpunt stellen dat de Holodomor naar hedendaagse maatstaven als genocide (dan wel misdrijf tegen de menselijkheid) kan worden beschouwd, voor zover de Holodomor inderdaad aan de vereisten van deze misdrijven voldoet.” Een cruciale stukje tekst ontbreekt in de berichtgeving van de NOS en dat is de tekst vanaf ‘voor zover’.

Genocide, een woord dat we te danken hebben aan de Pools-joodse rechtsgeleerde Raphael Lemke en dat in het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide als volgt is gedefinieerd als: “een van de volgende handelingen, gepleegd met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen door het doden van leden van de groep, het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep, het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging,het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen en  het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep.”  Als hier in het geval van de Holdomor sprake van is, dan zou je dit, zo adviseert de commissie als genocide ‘naar hedendaagse maatstaven’.

Wat gebeurde er in de Sovjetrepubliek Oekraïne? Waarom vielen er in de periode 1932-1933 miljoenen doden door honger? Dat is eigenlijk de verkeerde vraag. Want wat er gebeurde, gebeurde niet alleen in de Sovjetrepubliek Oekraïne maar in de gehele Sovjet Unie. De leiders van de Sovjet Unie wilden  in het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw, de boeren, het grootste deel van de inwoners van het land was boer, naar het socialisme toe laten groeien door ze er de voordelen van te laten ervaren en ze wilden de landbouwproductie verhogen. Dit met de hongersnood van 1922 en het terugvallen van de graanoogst tot slechts twee derde van wat het voor de Eerste Wereldoorlog was. Dat toegroeien betekende ze te bewegen in de richting van coöperatieve organisatievormen. Echter, om de voedselproductie niet in gevaar te laten komen mochten boeren eigen bedrijfjes hebben en na betaling van belasting in nature, mochten ze het overschot op de markt verkopen. Hierbij bepaalde de markt de prijs van de producten. De belangrijkste koper van de landbouwproductie was echter de staat. Die kocht in 1925 55% en twee jaar later zelfs 85% van de oogst op.

Midden jaren twintig werd de markt echter weer losgelaten en werd de graanprijs met 20-25% verlaagd. Daarop gingen de boeren minder voor de markt produceren en meer als veevoer. “De graanproductie ten behoeve van staatsaankopen zakte eind 1927 met dertig procent in. Stalin cum suis namen alleen dat laatste gegeven serieus en concludeerden ten onrechte dat de boeren het weer lieten afweten,”  aldus Ditrich en van Goudoever in hun boek de geschiedenis van de Sovjet Unie. Stalin cum suis: “gingen tot de aanval over en lieten graan net als in de tijd van het oorlogscommunisme in beslag nemen.”  De graanproductie daalde hierdoor nog verder en daarop koos de partijleiding: “voor de grootschalige landbouw, de collectivisatie. Was in 1928 en 1929 al op enige schaal gecollectiviseerd, vanaf eind 1929 geschiedde dit massaal. De boeren werden gewelddadig en collectieve eenheden samengedreven door tienduizenden arbeiders en partijfunctionarissen. De meesten kwamen in collectieve boerderijen, de kolchozen, een klein deel in staatslandbouwbedrijven, de sovchozen, terecht. Wie zich verzette heette een koelak te zijn en werd gedeporteerd.” Dit leidde tot: “tussen de een en twee miljoen slachtoffers. Op korte termijn leidde de collectivisatie tot ernstige productievermindering, massale vee slachting en uiteindelijk in 1932-1933 opnieuw tot een vreselijke hongersnood die acht à tien miljoen mensenlevens vergde. Daartegenover stond het papieren succes van een schier totale collectivisatie. [1]

Ja, slachtoffers van de collectivisatie van de landbouw ondervonden ‘ernstig lichamelijk of geestelijk letsel’. De collectivisatie van de landbouw in de Sovjet  had niet  tot doel ‘om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen door het doden van leden van de groep’.  Nationale etnische groepen en rassen waren tijdens de Holdomor zowel dader als slachtoffer en ook godsdienst speelde geen hierin geen enkele rol. De leiders van de Sovjet Unie waren Rus zoals Molotov en Kamenev, Georgiër zoals Stalin en Beria en ook Oekraïner zoals Zinovjev en Trotski. De slachtoffers van de collectivisatie waren Rus, Georgiër, Oekraïner, Litouwer, Kazach, Armeniër. De ‘nationale etniciteit’ was niet de reden van hun slachtofferschap van de collectivisatie. Een verschrikking die Oekraïne hard trof maar dat had niets met hun nationaliteit of etniciteit te maken. De reden was hun verzet tegen de collectivisatie. In Oekraïne was die groot omdat het gebied pas in 1922 onder Sovjet controle kwam en daarmee de verplichte graanlevering onder het oorlogscommunisme niet hadden meegemaakt en dat had in de rest van het land al tot die hongersnood van 1922 geleid. Er is daarmee ook met de huidige maatstaven geen sprake van genocide.

Dat de Oekraïense ambassade, zoals is te lezen in een bericht van een jaar geleden bij de NOS: “ hoopt dat ook Nederland “deze belangrijkste stap zal zetten,”  omdat, zo betoogt die ambassade:  “Juist nu (…) de internationale erkenning van historisch belang (is), omdat Oekraïners opnieuw heldhaftig de vrijheid verdedigen ten koste van hun eigen leven,” doet daarbij niet ter zaken. Ja, wat Oekraïne nu overkomt is verschrikkelijk. En ja wat de slachtoffers van de collectivisatie overkwam was ook verschrikkelijk. Die collectivisatie was en is, hoe graag de Oekraïense regering het ook wil, geen ‘heldhaftige strijd van Oekraïners voor hun vrijheid.’ Het zo willen zien is het herschrijven van de geschiedenis voor gebruik in het heden. Dat is iets waar deze historicus grote moeite mee heeft.


[1] Z.R. Ditrich en A.P. van Goudoever, de geschiedenis van de Sovjet Unie, pagina 63

Busting the mythbuster

 “Nergens staat dat vluchtelingen in Europa moeten worden opgevangen. Evenmin staat in een verdrag dat de opvangende landen keurige democratieën moeten zijn. Vluchtelingen moeten veilig zijn, adequate zorg, huisvesting en onderwijs krijgen. Dat staat in de verdragen en kan in Tunesië of Rwanda.” Aldus Martin Sommer in zijn column in de Volkskrant. In die column ‘prikt’ hij vier mythen rond het migratie en asiel door met het boek Asielloterij van Ruud Koopmans als leidraad. Dit citaat is het antwoord op de derde mythe dat asielaanvraag afwachten in zo’n ‘hotspot’ in bijvoorbeeld Tunesië, onmenselijk is en in strijd met de verdragen. Als ‘mythbuster’ begeeft Sommer zich op mijn terrein dus laat ik eens kijken of hij goed ‘bust’.

De eerste mythe die Sommer aanstipt is dat de doden die vallen allemaal te wijten zijn aan ‘fort Europa’. Dat fort dwingt vluchtelingen om grote risico’s te nemen. Dat ‘fort’ is volgens Sommer de helft van de waarheid: “de andere helft van die waarheid is dat wie eenmaal Europa heeft bereikt, feitelijk niet meer teruggaat. Vluchteling of migrant, uiteindelijk zal het overgrote deel een status bemachtigen.”  Dit zorgt ervoor dat vluchtelingen blijven komen. “De progressieve denkfout die Koopmans bestrijdt, is dat het recht op asiel in Europa zelf moet worden uitgeoefend. Dat is ogenschijnlijk barmhartig en hoogstaand, maar komt neer op de bestendiging van de huidige, perverse gang van zaken. De boten zullen blijven komen zolang één voet op Europese grond inderdaad betekent: blijven.”

De tweede mythe is dat maatregelen om boten tegen te houden niet werken en open grenzen de enige remedie zijn. Sommer: “Als de Turkijedeal van 2016 één ding heeft geleerd, is dat het goed mogelijk is om ongewenste migratie tegen te gaan. Nadat duidelijk werd dat migranten niet zouden worden toegelaten, was het van de ene dag op de andere afgelopen met de bootjes naar Lesbos. Het huidige plan om aan de randen van Europa Ter Apel-achtige centra in te richten, lijkt inderdaad op het idee van de ‘hotspots’ van jaren geleden, dat niets opleverde. Dat kwam doordat Italië asielzoekers meteen doorstuurde. Beslissend voor succes is of het lukt om kansloze asielzoekers linea recta terug te sturen, in dit geval naar Tunesië. Als migranten weten dat ze meteen teruggaan, verdwijnt de lust om op de rubberboot naar Lampedusa te stappen.”

De vierde en laatste mythe: “we hebben migranten nodig als arbeidskrachten; tegenhouden is niet alleen slecht maar ook dom.” Sommer hierover: “Dat erkende vluchtelingen de premies voor de pensioenen gaan betalen is een sprookje. Van hen werkt een laag tot zeer laag percentage, om de simpele reden dat zij niet zijn uitgezocht op hun bekwaamheid. Daar komt bij dat de meesten afkomstig zijn uit patriarchale samenlevingen, met als gevolg dat de overgrote meerderheid van de vrouwen helemaal niet aan werken toekomt.”

Dat weinig statushouders betaald werk hebben en dus premies betalen, klopt. Bij een deel ervan zal dat best te maken hebben met de patriarchale samenlevingen vanwaar ze zijn gevlucht. Al kan ik me ook zomaar voorstellen dat juist dat patriarchale voor vrouwen een reden is om te vluchten. Vluchten omdat ze hun eigen leven willen vormgeven. Dat weinig statushouders betaald werk hebben, zou wel eens meer een gevolg kunnen zijn van de lange procedures tot een status. De eerste zes maanden dat zijn aanvraag in behandeling is mag een asielzoeker niet werken en daarna maximaal 24 weken per jaar. Niet echt uitnodigend voor een werkgever om iemand aan te nemen. Dat het anders kan, laat de omgang met Oekraïense vluchtelingen, door het Rijk eufemistisch ‘ontheemden’ genoemd, zien. Die mochten meteen werken en dan blijkt het percentage werkenden ineens flink hoger.  

Inderdaad kwamen er na het ingaan van de ‘Turkije-deal’  ineens geen bootjes meer. Zou dat het resultaat zijn geweest van de ‘dreiging’ dat je meteen werd teruggestuurd of zou het een gevolg zijn van de gekochte Turkse inspanningen om ze het vluchten te belemmeren? Toen de Turkse president Erdogan de Europese Unie onder druk wilde zetten om steun te verwerven voor zijn ‘Syriëpolitiek’, stopte hij met het tegenhouden, kwamen veel vluchtelingen vast te zitten in het niemandsland tussen de Turkse en de Griekse grens. De Turkije-deal laat zien dat dergelijke maatregelen kunnen helpen. De deal laat ook zien dat de Europese Unie zich hiermee chantabel maakt als ze haar grensbewaking uitbesteed aan andere landen. Ook de ‘hotspots’ in derde landen waar asielzoekers de uitslag van hun aanvraag moeten afwachten, maakt de Europese Unie chantabel. Dergelijke deals ‘nationaliseren‘ de mensensmokkel.

Daarmee kom ik op mijn belangrijkste prik in Sommers mythen en kom ik terug bij het citaat waarmee ik begon. Het internationaal vluchtelingenverdrag: “is both a status and rights-based instrument and is underpinned by a number of fundamental principles, most notably non-discrimmination, non-penalization and non-refoulement. Convention provisions, for example, are to be applied without discrimination as to race, religion or country of origin.” Het regelt dat: “no one shall expel or return (“refouler”) a refugee against his or her will, in any manner whatsoever, to a territory where he or she fears threats to life or freedom.” Het legt ook: “ basic minimum standards for the treatment of refugees, without prejudice to States granting more favourable treatment. Such rights include access to the courts, to primary education, to work, and the provision for documentation, including a refugee travel document in passport form.” Inderdaad staat nergens in dat verdrag dat vluchtelingen in Europa moeten worden opgevangen. Er staat ook niet dat de opvangende landen keurige democratieën moeten zijn. In de praktijk wordt de overgrote meerderheid van de vluchtelingen niet opgevangen in Europa noch in een ‘keurige democratie’. Ze worden opgevangen in wat ‘de regio’ wordt genoemd, direct aan het probleemgebied grenzende landen maar daar gaat het me nu niet om. Het gaat mij om ‘niet in Europa’. Er staat ook in geen enkel verdrag dat vluchtelingen ‘in de regio’ moeten worden opgevangen. Sterker nog, er ‘staat nergens’ wie vluchtelingen op moet vangen. Maar wat gebeurt er als alle ondertekenaars van het verdrag zich er, net zoals Sommer doet, op beroepen dat nergens staat dat zij vluchtelingen moeten opvangen?  Dan wordt het een dode letter en is het verdrag waardeloos. Dan wordt vluchten onmogelijk. Dan wordt dat wat het verdrag wel regelt, de veiligheid, adequate zorg, huisvesting en onderwijs onmogelijk. Dat is het cynische gevolg van Sommers ‘het staat nergens’.

Lichte identiteit

“Wat doen sociale media met het zelfbeeld van meisjes? Wat betekent het om voortdurend in contact te staan met een wereld vol onrealistische ideaalbeelden.”  Met die woorden opent een artikel bij De Correspondent van Veerle van Herk. Want: “Het gaat niet goed met de mentale gezondheid van meisjes.” Een artikel met als titel Wat meisjes in de spiegel zien. Eigenlijk is het geen artikel maar een fotorapportage van een groep van meisjes tussen de 11 en 14 waarbij Ven Herk een tekstuele toelichting geeft. Ik moest bij het lezen van de vragen denken aan de tegenwoordige fascinatie met ‘identiteit’. Zou de nadruk op ‘identiteit’ en dan vooral de ‘eigen’ variant ervan een van de oorzaken van de ‘geestelijke gezondheidsepidemie’ zijn? zo vroeg ik me af.

Aanpassen

Een paar jaar geleden schreef ik een Prikker over ‘misgenderen’. Dit naar aanleiding van een klein artikeltje op de site OneWorld. Zelfs na die Prikker liet één zin in het artikel me niet los. De zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Als ik die zin en de context waarin de zin wordt gebruikt goed begrijp, dan is identiteit gelijk aan je eigen genderkeuze. ‘Identiteit’ een woord dat tegenwoordig zeer veel wordt gebruikt: de ‘Nederlandse identiteit’,  de ‘moslim identiteit’ en hier dus de ‘gender identiteit’. Eenzelfde woord dat wordt gebruikt in zoveel verschillende contexten, dat moet wel tot verwarring leiden. Wat is ‘identiteit’ en waarom maken we ons er druk om? En waarom zou je er onzeker van worden

Ik begin waar ik vaker begin, de Van Dale. Die geeft twee betekenissen: gelijkheid: je identiteit bewijzen bewijzen dat je de persoon bent voor wie je je uitgeeft’ en als tweede: ‘eigen karakter’. De eerste verklaring heeft te maken met je paspoort: is iemand de persoon die hij zegt dat hij is. Over het gebruik van het woord in deze betekenis gaat het hier niet. Als we het over de ‘… identiteit’ hebben, dan hebben we het over de tweede betekenis: karakter. Maar wat is karakter? De Van Dale geeft vier betekenissen. De eerste, figuur of letterteken’, valt af dan resteren er nog drie. Als eerste ‘iemands eigenschappen, aard, inborst’. Als tweede ‘goede eigenschappen’. De laatste ‘het eigenaardige, typische’. Van Dale gebruikt de betekenis vooral gericht op individuen. Hoe komen we van het individu naar een groep?

Dan maar even Wikipedia geraadpleegd. “ Identiteit is de eenheid van wezen, volkomen overeenstemming en gelijkheid. Het beeld dat iemand van zichzelf heeft, is het zelfbeeld of zelfconcept.”  De trans persoon die niet met het juiste voornaamwoord wordt aangesproken stemt niet overeen met het door de ander opgemerkte beeld. Met zijn imago of image, om die reclameterm te gebruiken, de: “indruk die de buitenwereld heeft van iemand of iets.” Die kunnen verschillen. Wikipedia gaat verder: “Er zijn verschillende soorten van het begrip identiteit te onderscheiden, zoals persoonlijke, genetische, sociale, culturele en nationale identiteit.” En daarmee komen we van het individu bij de groep: de culturele en nationale identiteit.

We komen er, maar het wordt er niet duidelijker op. “Een culturele identiteit ontstaat als een samenleving kiest voor een groepsverbondenheid die deze zelf definieert op grond van gemeenschappelijke waarden en normen en op grond van een gemeenschappelijk verleden. Culturele identiteit is een toeschrijvingsproces dat wortelt in een historisch continuïteitsbesef.” Zoals het hier is geformuleerd lijkt het alsof er sprake is van een bewuste keuzeproces waarbij men kiest welke normen en waarden er wel bij horen en welke niet. Een soort ‘vergadering’ van alle leden van de samenleving die gaan stemmen wat wel en niet tot die ‘culturele identiteit’ behoort. Maar wat als ik dan een minderheidsstandpunt vertegenwoordig? Hoor ik dan niet meer bij die culturele identiteit?

Als een culturele identiteit ontstaat door een keuze van een samenleving, waarin verschilt die culturele identiteit dan van de nationale identiteit. Een nationale identiteit is: “de collectieve identificatie met de natiestaat. De nationale identiteit is onderdeel van de sociale identiteit.” De sociale identiteit: “is het bewustzijn van een persoon tot een bepaalde groep te behoren en door anderen als zodanig behandeld te worden. Die groep heeft een gewenst zelfbeeld en wordt door anderen als uniek onderscheiden. Het zelfbeeld hoeft niet overeen te komen met het beeld dat buitenstaanders van een groep hebben, dat vaak gekenmerkt wordt door stereotypes.” Tot zover gaat het nog wel, maar dan: “De sociale identiteit is opgebouwd uit de identiteit van groepen waartoe iemand kan behoren, zoals de nationale, culturele, geslachts-, politieke of stedelijke identiteit.” Alle mogelijke andere identiteiten bepalen de sociale identiteit van een persoon. Daarbij de aantekening dat ‘identiteit’, zoals de Van Dale aangeeft, een zelfbeeld is. Dat zelfbeeld hoeft niet overeen te stemmen met het beeld dat anderen hebben van de persoon, cultuur of natie.

Identiteit lijkt daarmee, zoals de Vlaamse psycholoog Paul in zijn boek Identiteit schrijft: “het verschuivende beeldscherm van de buitenwereld, die steevast als spiegel voor die identiteit fungeert.[1]” Dus de vraag hoe het ‘ik’ zich verhoudt tot de ‘buitenwereld’. Daarmee kan identiteit niet los worden gezien van imago. De trans persoon die ‘anders’   wordt waargenomen dan gewild, kijkt in Verhaeghes beeldscherm en moet daar iets mee. Een steen door dat beeldscherm werpen is dan een weinig succesvolle strategie. Identiteit is, volgens Verhaeghe niet statisch: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.[2]” Zou een onveranderlijke nationale of culturele identiteit dan niet even twijfelachtig zijn?

Een paar bladzijden verder, schrijft Verhaeghe iets waarmee we de stap maken naar het waarom ‘we’ ons zo druk maken om de ‘identiteit’. Verhaeghe ziet “twee fundamentele gerichtheden die vermoedelijk typerend zijn voor al wat leeft: we willen deel uitmaken van grotere gehelen en tegelijk streven we naar onafhankelijkheid.[3] Voor het bij een groep horen hebben we de ‘culturele’ en ‘nationale’ identiteit’, die we onderdeel laten uitmaken van onze individuele ‘sociale identiteit’. Onze individuele identiteit maakt echter ook deel uit van die sociale identiteit en door die individuele identiteit: “kan men zich onderscheiden binnen een groep”, om Wikipedia aan te halen. 

Zou die grote belangstelling voor ‘identiteit’ te maken hebben met wat er in het ‘verschuivende beeldscherm’ te zien is? Dat beeldscherm laat ons steeds meer van de buitenwereld (dichtbij en veraf) zien. Steeds meer ‘beelden’ waartoe je je als individu moet verhouden. Maar ook omgekeerd, steeds meer ‘buitenwereld’ die jou via een beeldscherm ziet en zich ook weer tot jou moet verhouden. En op collectief, cultureel- of nationaal niveau, gebeurt precies hetzelfde. Francis Fukuyama lijkt ook in die richting te denken in zijn recente boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek. Volgens Fukuyama staat Maarten Luther aan het begin van het begrip identiteit of zoals hij het zelf schrijft op pagina 48: “Luther is dus verantwoordelijk voor het (in identiteitskwesties centrale) idee dat het innerlijke zelf diep is en vele lagen heeft die alleen door persoonlijke introspectie aan het licht gebracht kunnen worden.”  Luther was, zo betoogt hij, de eerste die het innerlijke en uiterlijke scheidde en de nadruk legde op het innerlijke. De keus die de (innerlijke) mens had en die zijn identiteit bepaalde: had slechts één dimensie,” zo betoogt Fukuyama, en dat was: “de aanvaarding van Gods genade. Er waren maar twee keuzemogelijkheden: je was vrij om al dan niet voor God te kiezen. [4]

 Dat het onderscheid tussen het innerlijke en het uiterlijke in Europa ontstond was volgens Fukuyama geen toeval: “De Europese samenleving maakte een reeks ingrijpende economische en sociale veranderingen door, die leidden tot de materiële omstandigheden waardoor zulke ideeën zich konden verbreiden.[5] Welke veranderingen dat waren: “Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat : “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën. [6] 

Om het wat duidelijker te maken, het voorbeeld dat Fukuyama geeft: “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.” Fukuyama vervolgt met een beschrijving van de ‘nieuwe wereld’ van Hans die naar het, in de negentiende eeuw snel industrialiserende, Ruhrgebied verhuisde. In die nieuwe wereld is alles anders. Hans komt mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.[7]” Hans ziet in zijn ‘beeldscherm’ een hem onbekende wereld. Een onbekende wereld die bij hem de vraag oproept: hoe verhoud ik me tot die wereld? Wie ben ik en welke rol speel ik in deze nieuwe wereld? Die vraag stelden zich vele mensen in Europa.

Het tijdperk van ‘Hans’ werd gekenmerkt door grote sociale en maatschappelijke verandering. De samenleving veranderde van een agrarische naar een industriële. Nieuwe ‘banen’, andere maatschappelijke verhoudingen, nieuwe onzekerheden en het wegvallen van bestaande zekerheden. Iets wat ook voor het huidige tijdsgewricht lijkt op te gaan. Voor velen is niet duidelijk of het werk dat ze nu doen er over vijf jaar nog is. Een robot kan het zomaar overnemen of er ontstaat ineens een ander alternatief voor je werk en dan ben je net zo overbodig als de ‘hoefsmid’. De vraag op wie je kunt terug kunt vallen bij pech is ook weer actueel. Die was vanaf de jaren vijftig beantwoord: op sociale regelingen. Alleen zijn die sinds de jaren tachtig flink ingekrompen en van karakter veranderd. Net als Hans zien we mensen uit andere streken met een andere taal en gebruiken. En net als Hans zien we nu politici, zelfs van over de hele wereld, die ons allemaal voor zich proberen te winnen maar waarvan we ons afvragen of ze werkelijk met ons lot zijn begaan. 

Uiteindelijk kreeg Hans een antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’ Fukuyama haakt bij dat antwoord aan bij de negentiende-eeuwse socioloog Ferdinand Tönnies die de ontwikkelingen omschreef als een overgang van ‘Gemeinschaft’ naar ‘Gesellschaft’. Fukuyama: “De psychologische ontregeling als gevolg van de overgang van Gemeinschaft naar Gesellschaft vormde de grondslag voor een nationalistische ideologie, die gebaseerd was op een intense heimwee naar het denkbeeldige verleden van een sterke gemeenschap, waarin verdeeldheid en verwarring van een pluralistische moderne samenleving niet bestonden.” Het antwoord dat Hans kreeg luidde daarmee: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[8]” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts.

Het antwoord dat Hans kreeg wordt door politici als Wilders en Baudet nog steeds gegeven: ‘je bent een trotse Nederlander met een oude cultuur en geschiedenis enzovoorts’. Het bijzondere hierbij is dat Baudet terug lijkt te verlangen naar de periode waarin Hans in onzekerheid verkeerde. Alleen lopen er tegenwoordig veel Nederlanders rond die zich hierin niet herkennen. Je kunt je bovendien afvragen of een antwoord uit het verleden past bij de uitdagingen van het heden. Of, om een citaat van Verhaeghe dat ik hierboven al gebruikte te herhalen: “De aanname dat we een eeuwig, onveranderlijk ik zouden hebben, is hoogst twijfelachtig.” 

Naast dit ‘oude’ antwoord op de vraag ‘wie ben ik’, is er tegenwoordig een andere manier van beantwoorden van deze vraag. In de eerste zin van een artikel bij Oneworld benoemde Saeda Nourhussen die manier: “In-ter-sec-tio-na-li-teit.” Dat woord liet ze volgen door: “Het klinkt ingewikkeld, onbekend en academisch.” Om het vervolgens uit te leggen: “Intersectionaliteit erkent de macht of onmacht die de verschillende assen van identiteit met zich meebrengen.” Ze legt het uit: “Zo ben ik vrouw (geslacht), zwart (ras), migrant en heb ik een islamitische achtergrond (religie). Deze zaken stellen mij achter in een samenleving gedomineerd door witte mannen. Maar ik ben ook cis (mijn seksuele identiteit komt overeen met het geslacht waarin ik ben geboren), hetero (seksualiteit), theoretisch opgeleid en hoofdredacteur (klasse). Op dat vlak geniet ik weer meer privileges dan iemand die zich als non-binair persoon identificeert, praktisch opgeleid en financieel arm is.” Je identiteit is dus een optelling van al die zaken.

Als ik het goed begrijp ben ik dan een man en blank. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben ook cis, zo begrijp ik nu, al vraag ik mij af of dat wat over mijn identiteit zegt omdat het begrip mij niets zegt en ik me afvraag wat het nut van dit begrip is. Ik ben een theoretisch opgeleide hetero die als zzp’er actief is in overheidsland en schrijf stukjes op mijn eigen site. Hoe verhouden mijn ‘privileges’ zich nu tot die van Nourhussen? Omdat onze wereld, zo schrijft Nourhussen, wordt gedomineerd door ‘witte mannen’ zou ik meer privileges hebben. Zij is immers een zwarte vrouw met een migratie verleden. Qua opleiding scoren we gelijk. Zij is hoofdredacteur en trad en treedt geregeld op in andere media. Die vragen mij nooit. Haar stem rijkt daardoor verder dan de mijne. Wie van ons tweeën heeft de meeste privileges?

Volgens Nourhussen is dat kruispuntdenken essentieel: “Wanneer je vecht tegen klimaatverandering, maar geen oog hebt voor racisme is je strijd niet inclusief en dus ook niet effectief. En als je strijdt tegen seksisme, maar geen oog hebt voor validisme (discriminatie van mensen met een functiebeperking) doe je alsnog aan uitsluiting. Een gebrek aan kruispuntdenken kan onderdrukking zo bestendigen bínnen bewegingen die vooruitgang pretenderen.” Volgens Nourhussen moeten we aan al die ‘kruispunten’ aandacht besteden als we de wereld beter willen maken en achterstelling van mensen bestrijden. Ze constateert dat: “de frontlinies van progressieve bewegingen nog zo ver uit elkaar liggen.”  Gelukkig zijn er mooie voorbeelden: “In de ballroom culture in New York bijvoorbeeld, waar queer mensen van kleur hun eigen magische wereld creëren, waar ze beschermd zijn tegen de uitsluiting en onderdrukking van zowel de witte gay scene als cis hetero’s.”  Ik vraag me af wat er zo mooi aan een ‘eigen eiland’ is? Zo’n eiland dat anderen uitsluit omdat ze wit en gay of zwart en cis zijn.

Volgens Nourhussen komt alles samen op die verschillende kruispunten: “Daar moeten we elkaar zien te ontmoeten,” zo sluit ze haar artikel af.  Ik zie door al die kruispunten het bos niet meer. Bovendien zijn er kruispunten waar ik helemaal niet kan komen omdat ik niets heb met de betreffende ‘assen van identiteit’. Een bijzondere theorie die eerst de wereld en vooral de mens in kleine stukjes hakt en vervolgens iedere mens een aantal van die stukjes toedeelt en die toedeling ‘identiteit’ noemt. Stukjes die niet kunnen worden veranderd. Stukjes waaraan waarde en eigenschappen worden toegerekend. Die je worden toegedicht ook al herken je je zelf er niet in. Eigenschappen die via digitale kanalen worden bevestigd. Kanalen die je verketteren, of om het hedendaags uit te drukken, ‘cancellen’ als je er niet aan voldoet

Ik begon met het verwijzen naar de vorige Prikker en de zin: “Je wilt iemand, die zelf nog niet voor hun identiteit uitkomt, niet outen.” Ik hoop dat de trans persoon zich veel meer voelt dan trans persoon. Dit terzijde. Er is meer. De regering werkt aan een vereenvoudiging van de Transgenderwet en rond die nieuwe wet wordt flink gediscussieerd door voor- en tegenstanders. “Het meest gehoorde argument is dat mannelijke verkrachters zich straks toegang kunnen verschaffen tot vrouwen-wc’s en -kleedkamers.”  Zo lees ik in een artikel van Valentijn de Hingh bij De Correspondent. De discussie draait om zelfidentificatie en de gevolgen hiervan. Ik moest daarbij denken aan een cursus public relations die ik ooit heb gevolgd en daarmee kom ik bij het meer.

Het was in die cursus dat ik voor het eerst kennis maakte met het begrip ‘identiteit’. Het kwam in de titel voor van een boek van C.B.M van Riel. Een boek met als titel Identiteit en Imago. Een inleiding in de corporatie communication. Wat ik me nog van het boek herinnerde was dat ‘identiteit’ dat is wat je zelf vind dat je bent en ‘imago’ is hoe anderen je waarnemen. Ik stipte het hierboven al even aan. Maar om het zeker te weten zocht ik het boek. Dat moest ergens op de vliering in een doos of kist liggen. En even later stond ik met het boek in mijn handen op zoek naar de betekenis van de twee begrippen. Van Riel: “Imago en identiteit zijn veelvuldig gebruikte begrippen geworden als het gaat om het vaststellen van de communicatiestrategie van een onderneming. Geleidelijk aan is het algemeen geaccepteerd dat imago ‘het beeld is van een organisatie in de perceptie van de doelgroepen’, terwijl identiteit veelal wordt geassocieerd met ‘de wijze waarop het bedrijf zich profileert ten opzichte van haar doelgroepen.[9]” Mijn herinnering had mij niet in de steek gelaten. ‘Identiteit is wat je wilt zijn’ en die ‘je’ kan ook een bedrijf zijn. Dit sluit aan bij de definitie die de Van Dale geeft: “eigen karakter van een persoon of groep.” In het huidige tijdsgewricht lijkt het erop dat ‘identiteit’ de betekenis die Van Riel aan ‘imago’ geeft, heeft aangenomen.

Als we naar het identiteitsbegrip van Van Riel en Nourhussen kijken, dan lijken beiden het over iets anders te hebben. Van ‘wat je zelf vindt dat je bent’ naar een verzameling van kenmerken waaraan ‘privileges’ die meer of minder ‘privilege’ opleveren, hangen. Als ik het op mezelf betrekt dan zou ik mijn identiteit op Van Riels manier als volgt beschrijven: “Ik ben een energieke creatieve vrijdenkende historicus met een zeer brede maatschappelijke interesse en een drive om de wereld te verbeteren. Te verbeteren door mensen los te laten komen van vaste denkpatronen en zo fungeer ik als luis in de pels. Ik kom met onconventionele, creatieve, goed onderbouwde en beargumenteerde plannen, ideeën voor de problemen van vandaag, gericht op de uitdagingen van morgen en goed geworteld in het verleden. Voor mij is het glas altijd vol. Ik schrijf stukjes op mijn eigen site.” Op basis van Nourhussens intersectionele manier van denken over identiteit ziet de beschrijving van mijn identiteit er heel anders uit: “Ik ben een hetero man met een blanke huidskleur. Ik ben cis-gender. Ik ben geen migrant want ik woon nog in de buurt van mijn geboorteplaats. Ik ben katholiek opgevoed maar geloof nergens in. Ik ben theoretisch opgeleid en als zzp’er actief is in overheidsland.”  Twee compleet verschillende omschrijvingen. Met de ‘Van Riel’ omschrijving zou je moeite hebben om mij te herkennen in een rij bij een kassa. Dat lukt met de ‘Nourhussen’ omschrijving beter. Terwijl als je met mij in gesprek zou willen gaan de ‘Van Riel’ omschrijving een veel beter beeld geeft wat je te wachten staat.

Het begrip ‘zelfidentificatie’ komt daarmee overeen met Van Riels identiteitsbegrip. Je identiteit is jouw kijk op jezelf en die kan niemand je afnemen. Niemand kan zeggen dat het niet klopt. Dus als ik als blanke cis-gender hetero man mezelf omschrijf als lesbische, vrouwelijke Klingon, dan ben ik dat voor mezelf. Voor degenen onder mijn lezers die het niet weten, Klingons zijn de humanoïde bewoners van de planeet Kronos. Tenminste, in de serie Star Trek[10]. Ze staan bekend om hun strijdlust en moed en hebben een uitgesproken en geribbeld voorhoofd. Als ik je dat vertel, denk je vast dat ik niet goed spoor. Je ziet immers iemand die voldoet aan de Nourhussen identiteitsbeschrijving die ik hierboven van mezelf gaf. En met dat niet overeenstemmen met mijn beschrijven van mezelf en jouw waarneming van mij, komen we bij imago. Want jouw waarneming van mij, is het imago dat jij aan mij toekent. Hoe ik jou waarneem hoeft niet hetzelfde te zijn als de hoe jij jezelf ziet. Ik kan je als mens zien terwijl jij je Klingon voelt.

Zoek hier als tiener, meisje of jongen maar eens je weg in. Zou dat de oorzaak ervan zijn dat het: “niet (gaat) goed met de mentale gezondheid van meisjes,” zoals Van Herk schrijft? In een interview in de Volkskrant een paar jaar geleden, gaf de filosoof Kwame Anthony Appiah een interessante bespiegeling die een uitweg kan bieden: “Identiteit is vaak gebaseerd op leugens. Maar: we hebben die leugens nodig. Elke groep heeft behoefte aan een gezamenlijk verhaal om de leden te binden.” Daar heeft Appiah een punt. Neem het antwoord dat Hans kreeg, hoe ‘waar’ zou dat zijn? Iedereen met een beetje kennis van het verleden, weet dat een gesprek tussen een negentiende-eeuwse Duitser uit Beieren en zijn ‘landgenoot’ uit Keulen of Hamburg onmogelijk zou zijn. Hun ‘Duits’ was zeer verschillend. Net zoals een Fransman uit Parijs zijn landgenoot uit Bretagne niet zou begrijpen en ‘unne Venlonaer’ zijn Friese landgenoot niet. Hoezo gemeenschappelijke taal en cultuur? En ook op de kruispunten van Nourhussen verschillen de daar bivakkerende mensen op vele manieren van elkaar.

 “Ik vind dat je identiteit licht moet dragen…,” aldus Appiah. Een licht gedragen identiteit, is dat niet wat de tijdgenoten van Hans ook deden? Zij zochten naar een overkoepeld iets en dat werd gevonden in de Duitse, Franse enzovoorts taalfamilie. Al begrepen de verschillende ‘familieleden’ elkaar in eerste instantie niet. Bij die ‘taalfamilie’ werden vervolgens andere ‘leugens’ gevoegd en ziedaar de Duitse, Franse, Nederlandse, Italiaanse enzovoorts identiteit. ‘Leugens’ zoals een gedeelde christelijke beschaving waarbij twee eeuwen godsdienstoorlogen voor het gemak wat worden gebagatelliseerd. Maar ook leugens als ‘belangrijke’ historische gebeurtenissen, bijvoorbeeld ‘1600 slag bij Nieuwpoort’, die achteraf worden gezien als ijkpunten van die ‘nationale identiteit’. Achteraf omdat het leven vooruit wordt geleefd en achteruit verklaard. Dat antwoord was passend in een tijd waarin de economie vooral nog regionaal opereerde. Door het steeds internationaler worden van die economie werd die lichte identiteit echter steeds zwaarder. Bedoeld om mensen te binden, werd die ‘nationale identiteit’ een middel om je af te zetten tegen andere ‘nationale identiteiten’. En ja, ook op de Nourhussens kruispunten gebeurt iets bijzonders. De intersectionele theorie beoogt verschillen in macht te verklaren. Als ze wordt gebruikt om de identiteit van levende mensen te beschrijven, dan wordt ze zwaar.

Appiah: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” Maak collectieve identiteiten niet ‘uitsluitend’ maar ‘zoals Appiah het noemt, ‘productief’: “Als je een nationale identiteit bouwt die doet alsof iedereen al duizend jaar in Nederland woont, sluit je mensen uit die niet ergens anders naartoe zullen gaan. Maar het is perfectly fair om bijvoorbeeld te zeggen: Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.’” Een identiteit die: “krachtig genoeg is om betekenis te geven aan burgerschap en flexibel genoeg om gedeeld te worden door mensen met verschillende religieuze en etnische bindingen.”

Een lichte identiteit op het niveau van een samenleving, maar ook op persoonlijk niveau. Het citaat van Appiah over licht dragen van je identiteit gaat verder: “ …maar sommige van die bewegingen zijn zwaar. Ze trekken mensen in een identiteit waar ze helemaal geen zin in hebben. Ik heb er geen bezwaar tegen als mensen in een homo-enclave in de stad willen wonen, maar zelf wil ik dat niet. Ik voel me aangetrokken tot mannen, maar de laatste dertig jaar slechts tot één man, Henry. Henry is een groot feit in mijn leven, niet mijn homoseksualiteit. Laten we mensen niet in categorieën persen.” 

Deze prikker is een combinatie van drie eerdere prikkers: Hans en de vraag ‘Wie ben ik?’, Verdwalen tussen kruispunten en Identiteit, imago en de transgenderwet.


[1] Paul Verhaeghe, Identiteit, pagina 14

[2] Idem, pagina 15

[3] Idem, pagina 19

[4] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 48

[5] Idem, pagina 55

[6] Idem, pagina 57

[7] Idem, pagina 89

[8] Idem, pagina 91

[9] C.B.M. van Riel, Identiteit en imago, pagina 30

[10]  https://nl.wikipedia.org/wiki/Klingon_(Star_Trek)

Grijze cellen

Op de verschillende sociale media sturen mensen berichten de wereld in die zij belangrijk vinden. Zo bereikte mij via LinkedIn een bericht van iemand die een artikel van De Correspondent deelde. Een artikel met als titel Als de BBB haar stikstofplannen doorduwt, zullen de meeste boeren verdwijnen. Een artikel waar de auteur, Thomas Oudman, betoogt dat de ‘technische aanpak’ van het stikstofprobleem waar ook de BBB voor pleit, leidt tot verdere schaalvergroting en het verdwijnen van ongeveer een derde van de huidige boeren. Nu gaat het mij niet om dit artikel, maar om de reactie van iemand onder het bericht.

Bron: Flickr

“We blijven geloven dat het draait om de terugdringing van stikstof deposities maar dat is een jingle …..ze willen je grond en veranderen er direct de bestemmingsplannen op….agrarisch eraf en bouw of industrie erop…..grondprijs x 4 waarde toename minstens ……”  Op de vraag wie de ‘we’ zijn komt het antwoord: “Alles wat om EU en WHO hangt als vliegen om een koeien vlaai en dram fransje heeft dat absurde kasteel ook vast van zijn minister salaris gekocht.
Het is 1 grote beerput en het wordt elke dag gekker als je dat echt niet ziet of wil zien blijf dan vooral tukken dat hebben ze het liefste!”
  Een bijzonder betoog omdat ‘dram fransje’ Timmermans  nu juist de grootste moeite heeft om een Europese natuurherstelwet aangenomen te krijgen. Een wet die (economische) activiteiten in de buurt van natuurgebieden lastig tot onmogelijk maakt. Als het ‘dram fransje en de EU’ werkelijk te doen was om grond in waarde te vermeerderen en dan te verkopen, dan is zo’n wet in mijn ogen niet de beste manier om dit te bereiken.

Het kan aan mijn grijze cellen liggen dat ik het niet zie. Het kan echter ook dat het aan de grijze cellen van de persoon die deze reactie plaatste liggen. Wellicht ziet die spoken die er niet zijn. Ik denk dat dit laatste het geval is. Dat maakt dan wel meteen dat ik me zorgen maak of die aantasting van de grijze cellen ook invloed hebben in het dagelijkse werk van deze persoon. De persoon geeft aan dat hij hogere veiligheidskundige is en werkt aan ‘Safety at the highest level’. Dat geeft me dan toch een beetje een unheimisch gevoel, om een germanisme te gebruiken.

Trouwens germanisme. Van een ander, aanverwant iets voel ik me nog unheimischer. In een interview met de Volkskrant betoogt fractieleider Manfred Weber van de Europese Volkspartij, dat de Europese Natuurherstelwet waaraan Eurocommissaris Frans Timmermans werkt, naar de prullenbak moet. Een bijzonder interview. Bijzonder vanwege de logica, of beter het gebrek eraan in de redeneringen van Weber. “Het idee voor de natuurherstelwet – alsook de halvering van het gebruik van pesticiden – stamt uit het begin van deze Commissie. Dat was een andere wereld. We hebben inmiddels een pandemie gehad en een recessie en nu zitten we met de grootste oorlog sinds 1945 aan onze buitengrens. Inflatie is de grootste zorg van de burger en die inflatie wordt aangejaagd door hoge voedselprijzen, niet langer door dure energie. Daarom zeggen wij ‘nee’ tegen alle wetten die leiden tot minder voedselproductie in Europa en daardoor hogere prijzen.”  Ja, er was een pandemie en een recessie al viel die laatste behoorlijk mee. De economische coronadip is inmiddels al meer dan goed gemaakt. En ja, er is een oorlog aan onze buitengrens.

Wat niet is veranderd, is de achteruitgang van ecosystemen en de biodiversiteit. “De natuur in de EU gaat hard achteruit: meer dan 80% van de habitats verkeert in een slechte staat. Veengebieden, graslanden en duinen zijn het zwaarst getroffen. In West-, Centraal- en Oost-Europa is het aantal wetlands sinds 1970 met 50% verminderd. Tot 70% van de EU-bodems verkeert in een ongezonde toestand. Ernstig geërodeerde akkers dragen naar schatting bij tot een verlies aan landbouwproductiviteit van 1,25 miljard euro per jaar in de EU. In de afgelopen tien jaar is 71% van de vispopulaties en 60% van de amfibieënpopulaties achteruitgegaan. Er is een afname van een op de drie bijen- en vlindersoorten, en een op de tien soorten staat op het punt uit te sterven.”  Zo is te lezen op de Nederlandse EU-site. Daar wil de Natuurherstelwet iets aan doen. Herstellen van de biodiversiteit en de ecosystemen. Dit om de voedselvoorziening voor onze kinderen en kleinkinderen veilig te stellen.

Weber heeft een heilig vertrouwen in boeren: “Wij luisteren naar de boeren. Die weten wat ze doen. Zij vertellen ons: deze wet dwingt ons 10 procent minder land te gebruiken. Dat betekent 10 procent minder voedselproductie – of je moet de overige 90 procent grond intensiever gebruiken, maar dat gaat niet samen met een halvering van het pesticidengebruik.”  Zijn vertrouwen in de EU-ambtenaren is een stuk kleiner en zelfs afwezig: de EU-ambtenaren die deze wet schrijven hebben geen flauw benul van wat biodiversiteit is.” De boer als alwetende. Maar als die boeren weten wat ze doen, hoe zijn we dan in de huidige ellende terecht gekomen? Waarom verkeert dan 70% van de bodem in de Europese Unie in een ongezonde toestand? Vreemd trouwens dat bedrijven waar boeren aan leveren, bedrijven zoals Nestlé, Danone en Rémy Cointreau de wet aanbevelen met de woorden: “ The EU Nature Restoration law is a generation’s opportunity to take concrete and effective action to reverse the biodiversity and climate crises by restoring EU land and sea areas at large scale.” Zij en nog meer dan zestig andere bedrijven. Of zouden die uit zijn op die 10% grond?

Even ervan afziend dat 10% minder land niet meteen 10% minder voedsel betekent. In de Europese Unie gooien we jaarlijks 88 miljoen ton voedsel in de afvalbak. Wereldwijd is dat trouwens 1,3  miljard ton en dat is een derde van het geproduceerde voedsel. Als Weber zich zorgen maakt over de voedselzekerheid en -prijs laat hem zich daar dan op richten. Alleen zal dat aan Weber niet besteed zijn. “Ik ga niet steggelen over de precieze percentages, maar deze wet leidt tot minder voedselproductie.” Reageert hij op de constatering van de interviewer dat: “Ondanks de pandemie, de oorlog, andere keuzes van de consument en klimaatverandering, zal de voedselproductie blijven toenemen in Europa. De groei is alleen wat minder groot.”

“Ik ken die rapportage maar ze schiet tekort. Ik tast nog steeds in het duister wat de precieze gevolgen zijn.” Zo reageert Weber op de constatering dat er een effectrapportage ligt waaruit blijkt, zo geeft de interviewer aan dat: “de opbrengsten van de wet vele malen groter zijn dan de kosten. Niets doen, zoals u voorstelt, kost 1.700 miljard euro.”  Natuurlijk heeft hij een punt dat de precieze gevolgen niet bekend zijn. Precieze gevolgen zijn in geen enkele rapportage of onderzoek te vangen. Met dit argument zal de partij ook tegen het nieuwe Europese asielakkoord zijn. Over de ‘precieze gevolgen’ ervan tasten we immers in het duister. Nu zijn er goede redenen om hier tegen te zijn. We kennen de precieze gevolgen niet, wat we wel weten is dat het geen antwoord is op de vraag van de vluchteling of migrant.

“‘Eerlijk gezegd, en dat wil ik hier graag benadrukken: ik heb niet het idee dat de Commissie beseft dat we in een nieuwe wereld leven. De EVP vraagt om een realitycheck.” Het lijkt mij dat de grijze massa van Weber en zijn partijgenoten en de partijen, waaronder het Nederlandse CDA, die samen de EVP vormen, een realitycheck nodig hebben. In de zesde aflevering van Marcel en Gijs complimenteerde Marcel van Roosmalen BBB-leider Van der Plas dat het haar was gelukt om de sores van de boeren (en dan nog niet eens alle boeren), een heel klein groepje Nederlanders, te verheffen tot een nationaal probleem. Het lijkt erop dat Weber dit kunstje op Europees niveau probeert te herhalen. En nu maar hopen dat de grijze massa van de overgrote meerderheid van de Europeanen dit doorziet. Als de reactie op de LinkedIn post hiervoor maatgevend is, dan moeten we ons zorgen maken

Wat als een Brusselse Sultan?

In januari van het jaar 49 voor onze jaartelling stak Gaius Julius Caesar met zijn leger de rivier de Rubicon over en daarmee startte hij een burgeroorlog die een einde maakte aan de Romeinse Republiek en leidde tot een rijk met aan het hoofd de keizer. Een functie die naar hem is vernoemd. Hoe zou de wereld eruit hebben gezien als Ceasar op die dag anders had besloten en de Rubicon nooit was overgestoken? Een ‘wat als’ vraag waarover je kunt speculeren en van mening verschillen.

Ottomaanse Rijk en haar verval. Bron: https://www.worldstatesmen.org/Ottoman.jpg

Geloof je dat de geschiedenis wordt gemaakt door ‘grote mannen’ dan kom je met een heel ander antwoord dan iemand die gelooft dat de geschiedenis wordt gemaakt door ontwikkelingen die mensen in een bepaalde richting sturen. Wat we weten is dat ons deel van de wereld vanaf die oversteek tot zo ongeveer de Eerste Wereldoorlog koningen en keizers regeerden, al werd hun macht steeds geringer. Bij die strijd tegen die koningen en keizers werd gezocht werden historische voorbeelden van ‘regeringen door het volk’ aangehaald zoals de Romeinse Republiek en de Atheense democratie.  Zou ons een eeuwenlange strijd tegen ‘de koning’ bespaard zijn gebleven als Ceasar in januari 49 voor onze jaartelling een andere keus had gemaakt? Hadden we dan al eeuwen in een democratisch Walhalla gewoond? Niemand die het weet.

Feit is wel dat de ‘winnaar’ de toon zet. Het Romeinse keizerrijk zette de toon en vanaf die tijd wilde iedereen ‘keizer’ zijn. Zo zette de ‘liberale democratie’ na de val van de muur en het instorten van de Sovjet Unie een tijdlang de toon. De verwachting van velen (vooral in onze Westerse wereld was dat de wereld uiteindelijk een verzameling van liberale democratieën zou worden. Pyongyang en Teheran dachten daar anders over maar dat werd als archaïsch weggezet. Maar als je nu naar de wereld kijkt, dan ligt dat heel anders en lijkt juist de liberale democratie op haar retour. Als zelfs het leiderschap van een lid van de Europese Unie, een statenbond die de liberale democratie hoog in haar vaandel heeft staan, van zichzelf zegt dat het illiberale democratie is dan is er wat aan de hand. En dat land, Hongarije, is niet het enige lid van die Unie dat de liberale democratie vaarwel lijkt te zeggen.

Een bijzondere ‘wat als’ vraag werd deze week weer actueel met het oplaaien van het conflict tussen de Serven en de Kosovaren.  Of beter gezegd tussen de Serven en de Albanezen in het gebied dat we Kosovo noemen. In haar beschrijving van het conflict gaat de Volkskrant terug naar het laatste decennium van de vorige eeuw: “de gespannen verhouding tussen Albanezen en Serviërs, die nog altijd getekend wordt door de bloedige oorlog van 1998-1999. Toen Joegoslavië in kleine landen uiteenviel, zag ook de Albanese bevolking van Kosovo, destijds een autonome provincie, haar kans schoon om onafhankelijk te worden van Servië. Servië beantwoordde die wens met geweld.”  Volgens de krant ligt: “De sleutel tot deëscalatie (…)nu vooral in politieke compromissen.” Natuurlijk zijn politieke compromissen te verkiezen boven oorlog en geweld.

Nu had de krant ook bijna tweehonderd jaar terug in de tijd kunnen gaan. De huidige ellende komt voort uit de rivaliteit tussen drie ‘keizerrijken’ en het zich ermee bemoeien van drie andere grootmachten uit die tijd. De drie ‘keizerrijken’ waren tsaristisch Rusland, de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie en het Ottomaanse Rijk. De drie andere grootmachten waren Frankrijk, het Britse Rijk en Pruissen en haar opvolger het Duitse Keizerrijk. Bij die strijd om de macht maakten de partijen handig gebruik van de Romantische tijdgeest. Een tijdgeest die de gemeenschap boven het individu stelde, voelen boven denken en het subjectieve boven het objectieve. Een tijd van opkomend nationalisme waarin mensen zich Duitser, Fransman en dus ook Serviër of Albanees gingen voelen en zich dus als een groep gingen zien. Een groep met een eigen volksgeest, religie, geschiedenis en een eigen woongebied. En dat laatste was erg lastig in een gebied zoals de Balkan. Een gebied waar van oudsher iedereen door elkaar woonde. In een dergelijk gebied is het bijna onvermijdelijk dat een ‘nationalistische’ of ‘religieuze’ trom tot grote ellende leidt. Omdat de macht van de Ottomaanse Sultan tanende was, kregen de andere keizers en grootmachten de kans om die ‘nationalistische’ of ‘religieuze’ trommen aan te wakkeren. Wat de geschiedenis van het gebied laat zien dat de druk van een grote macht, tot in de negentiende de Ottomaanse Sultan en na de Tweede Wereldoorlog de macht en het gezag van Tito, de geest in de fles kon houden. Dit even terzijde maar ook weer niet geheel terzijde want dat is de trom die nu nog steeds wordt geroerd.

Terug naar Kosovo. “Voor wie het Kosovo-conflict na 1999 uit het oog is verloren: al deze hele eeuw ijvert Kosovo, met z’n overgrote meerderheid van etnische Albanezen, voor onafhankelijkheid. Die werd in 2008 ook eenzijdig uitgeroepen. En erkend, door 101 landen inmiddels, maar niet door sleutelspelers als Rusland en China. En al helemaal niet door grote buur Servië, dat Kosovo beschouwt als de bakermat van de Servische cultuur en zich met hart en ziel verbonden voelt met de Servische minderheid daar.” Geen woord gelogen. Nou één woord wel. Slechts 98 landen hebben de onafhankelijkheid van Kosovo erkend. De andere drie verkeren in eenzelfde omstandigheid als Kosovo en zijn zelf ook niet of slechts gedeeltelijk erkend. Belangrijker echter, er ontbreken er wel een paar leden van de Europese Unie bij die 98. Het zijn precies die landen die ‘Kosovaarse toestanden’ in eigenland voorzien als zij de onafhankelijkheid van Kosovo erkennen. Landen zoals Spanje, Cyprus, Roemenië, Griekenland. Spaanse erkenning van Kosovo zou de Basken en Catalanen sterken in hun onafhankelijkheidsstreven. Die zullen de Spaanse regering dan de vraag stellen: ‘waarom zij wel en wij niet?’

Met die EU ben ik waar ik wil zijn. Slovenië en Kroatië zijn al lid van de statenbond, de andere, Noord-Macedonië, Montenegro, Bosnië-Herzegovina en Servië hebben het kandidaat-lidmaatschap aangevraagd en ook Kosovo zit al in de procedure in die richting. Bijzonder. Bijzonder omdat al deze volkeren niet bij elkaar willen horen en toch weer wel. Daarmee kom ik bij de ‘wat als’ vraag. Wat als de Europese Gemeenschap (zo heette de Europese Unie toen) al in 1990/1991 had gezegd: ‘jullie mogen lid worden van onze club, maar dan wel als één Joegoslavië, als onafhankelijke staatjes komen jullie er niet in’. Zou een ‘Brusselse sultan’ de oorlog en ellende die met het uiteenvallen van Joegoslavië gepaard ging en gaat hebben kunnen voorkomen?

Premiersverkiezingen

Eind vorig jaar startte er een actie met als doel om de kiesdrempel te verhogen. Inmiddels hebben 42.000 mensen de petitie ondertekend, zo is op de betreffende site te lezen. De initiatiefnemers willen een kiesdrempel van 3 zetels wat betekent dat een partij ongeveer 2% van de kiezers achter zich moet krijgen om in de Tweede Kamer te komen. De initiatiefnemers en ondertekenaars verwachten dat hiermee het vertrouwen in de politiek wordt vergroot en omdat ze van mening zijn: “dat de huidige versplintering in de Tweede Kamer afbreuk doet aan de kwaliteit van de besluitvorming voor de langere termijn.” In zijn column van 20 mei in de Volkskrant betoogt Frank Kalshoven dat een kiesdrempel wel zou helpen maar er toch niet gaat komen. Het zou helpen omdat versplintering tot slechte kabinetten leidt. Een bijzondere discussie.

Bron: Oncyclopedia

De verkiezingen van 2021 zorgde voor 17 partijen in de Tweede Kamer en dus 17 fracties. Inmiddels zijn dat er door wat afsplitsingen alweer enkele meer. Als we met die ‘3 zetelnorm’ naar de uitslag van 2021 kijken, dan zouden alleen BIJ1, 50PLUS en BBB niet in de Kamer zijn gekomen. Dan waren er 14 partijen verkozen en zouden de drie zetels van de drie partijen die het niet hebben gehaald, zijn verdeeld over de 14 andere. Zou dat werkelijk tot ‘kwalitatief betere besluitvorming’ leiden? Wel zou dit besluit waarschijnlijk een zeer grote invloed hebben gehad op de talkshows en de provinciale verkiezingen van maart dit jaar. Dit omdat BBB voorvrouw Van der Plas dan niet met de trekker haar opwachting had gemaakt bij haar installatie. Ze was dan niet interessant geweest waardoor de talkshows een andere ‘vaste gast’ hadden moeten zoeken. Zonder al die publiciteit had de partij naar alle waarschijnlijkheid niet zo goed gescoord bij de recente provinciale verkiezingen en dus nu geen 16 zetels in de nieuwe Eerste Kamer. Dus ja, zo’n drempel heeft invloed. Het bemoeilijkt de toegang tot het politieke Walhalla voor nieuwkomers. Maar daar gaat het niet om. Het gaat erom of een drempel de ‘kwaliteit van de besluitvorming’ verbetert en tot betere kabinetten leidt zoals Kalshoven betoogt.

Volgens Kalshoven veroorzaakt versplintering slechte kabinetten: “hoe meer deelnemers aan een kabinet, des te groter het aantal compromissen dat gesloten moet worden. Met een goed compromis is niets mis, maar er zijn ook slechte compromissen, en die tieren weliger.”  Als tweede dwingt versplintering, zo betoogt hij: “partijen tot profilering, ook in de Kamer, en vermindert de capaciteit voor inhoudelijk Kamerwerk.” Als laatste: “politieke versplintering veroorzaakt houtrot binnen de overheid. Steeds meer beleidsambtenaren moeten de minister ‘beschermen’ en ‘uit de wind houden’. En de uitvoering is het kind van de rekening.”  

Die laatste reden zijn er eigenlijk twee, de eerste de minister uit de wind houden en ‘de uitvoering als kind van de rekening’ als tweede waarbij die tweede eerder een gevolg is de eerste reden die Kalshoven noemt. Daarover dadelijk meer. De minister uit de wind houden is in de basis geen taak van ambtenaren. Hun taak is het adviseren van de minister en de uitvoering van genomen besluiten. De minister ‘uit de wind houden’ hoort daar niet bij. Als een minister bomen met de ‘wortels naar boven’ wil laten planten, dan is het aan de ambtenaar om te adviseren en aan te geven dat bomen groeien met de wortels in de grond en dat ze kapot gaan met de ‘wortels in de lucht’ en dat dit dus geld verspilling is. Als dan toch wordt besloten de bomen met de ‘wortels naar beneden te planten’, dan wordt dat uitgevoerd en zijn de gevolgen daarvan een verantwoordelijkheid voor de minister. Dan is het niet aan de ambtenaar om voor de minister te gaan staan zodat die niet wordt getroffen door de wind. Nee, het is juist de minister die voor de ambtenaren moet gaan staan en moet zeggen: ‘dit is een gevolg van mijn besluit en hiervoor ben ik dus verantwoordelijk’.

Nu wil Kalshoven een hogere kiesdrempel. Hij wil naar een Kamer van vijf of zes partijen. Nu is ‘vijf of zes’ lastig. Als je met de uitslag van 2021 de zetels gaat verdelen over de zes grootste partijen dan wordt ongeveer 52% van de kiezers niet vertegenwoordigd. Vertalen ‘vijf of zes zetels’ naar een percentage kiezers dat je moet halen om in aanmerking te komen voor een zetel, dan hebben we het over 3,5% van de kiezers. Met dit als drempel zaten er nu negen partijen in de Tweede Kamer. Dan nog zouden er drie partijen nodig zijn om een coalitie te vormen. Een kiesdrempel van 5% zou er één partij in de Kamer minder opleveren en er zouden nog steeds drie partijen nodig zijn om een coalitie te vormen. Ja, het leidt tot iets minder ‘versplintering’ en tot iets meer capaciteit voor inhoudelijk Kamer werk. Of dit tot minder ‘slechte compromissen’ zou leiden zoals Kalshoven betoogt? Wel bijzonder trouwens dat Kamerleden tijd moeten vinden voor ‘inhoudelijk Kamerwerk’ terwijl dat toch is waarvoor ze worden gekozen.

Het meest bijzondere aan de hele discussie is dat er om de bestuurbaarheid van het land te verbeteren alleen wordt gekeken naar de manier waarop de Tweede Kamer wordt samengesteld. Waarom niet kijken of een andere manier om tot ons bestuur (de regering) te komen het probleem niet kan oplossen? Daar zijn wij als kiezer slechts indirect bij betrokken. Wij stemmen voor de Tweede Kamer en na die verkiezing wordt er een regering gezocht die op de steun van de Tweede Kamer kan rekenen. Wat als we de regering rechtstreeks kiezen? Dat zou via maximaal twee rondes kunnen. In de eerste ronde kan iedereen meedoen als kandidaat-premier met een programma en mocht dat niet leiden tot één kandidaat met meer dan 50% van de stemmen, dan volgt een tweede ronde waarin de twee kandidaten met de meeste stemmen het tegen elkaar opnemen. De winnaar vormt de regering en zit er voor vier jaar. De winnaar moet wel met het op de huidige manier gekozen parlement in de slag om een meerderheid te verwerven voor de plannen en het geld. Die regering legt haar plannen voor en zoekt. De daarvoor benodigde compromissen worden dan per onderwerp in het parlement afgesloten wat de Kamerleden voldoende mogelijkheden biedt zich te profileren maar dan wel op inhoud en zijn eigenlijke werk en niet op vorm.

Of, en dan gaan we nog een stap verder, we kiezen ook onze volksvertegenwoordigers op een andere manier. Als we dit anders willen, dan moeten we de manier waarop we Kamerleden kiezen veranderen. Dan moeten we de Kieswet veranderen. Dat is de wet waarop politieke partijen rusten. Die spreekt over ‘kandidatenlijsten’. En dat zijn nu vooral politieke partijen. ‘Vooral’ omdat de ‘bv Wilders’ geen partij is maar een ‘zelfstandige met personeel dat hij door anderen laat betalen’. Als die lijsten uit de Kieswet verdwijnen en je je als individu kandidaat kan stellen, dan zijn we de partijen kwijt. Op deze manier worden politieke partijen overbodig omdat burgers zich drempelloos verkiesbaar kunnen stellen. Dan staan er individuen op het stembiljet en komen de individuen die de meeste stemmen halen, in de Kamer. Dat zou dan ook via een districtenstelsel kunnen waarbij een Kamerlid voor een district in maximaal 2 ronden wordt gekozen. Om te worden verkozen moet de kandidaat dus minstens de helft plus één van de uitgebrachte stemmen hebben. Zo wordt het parlement min of meer als vanzelf het ‘burgerberaad’ waar menigeen nu zo voor pleit.

BBB opportunisme

Begin 2016 overleed Antonin Scalia een van de negen opperrechters in de Verenigde Staten. Volgens de regels van het Amerikaanse spel was het aan toenmalig president Barack Obama om een opvolger te benoemen. Die poging werd gefrustreerd door de Republikeinse senatoren. Zij gaven hiervoor als reden dat Obama was begonnen aan zijn laatste jaar als president en het benoemen van een rechter zou moeten overlaten aan zijn opvolger die toen nog onbekend was. Zij hielden voet bij stuk en uiteindelijk benoemde Trump Neil Gorush als opvolger. Ik moest hieraan denken toen ik las dat de BBB wil dat de oude Eerste Kamer niet meer stemt over twee wetsvoorstellen.

Het betreft hierbij een voorstel om de Wet publieke gezondheid te veranderen en zo een wettelijke basis te bieden voor een deel van de maatregelen die werden benut bij de bestrijding van de Covid-19 pandemie en de nieuwe Pensioenwet. De partij is tegen deze wetten en omdat ze succesvol was in de recente verkiezingen groeit haar gewicht in de nieuwe Eerste Kamer. “Resultaten van onderzoeken over het vertrouwen in de politiek vragen juist nu om zorgvuldige processen en volledige erkenning van de laatste verkiezingsuitslag,” zo onderbouwt de partij haar betoog. Nu wordt die verkiezingsuitslag door niemand betwist en door iedereen erkend, dus dat hoeft geen belemmering te zijn. Ook wordt de wet geheel volgens de geldende procedure behandeld. Het proces is daarmee zorgvuldig.

De partij ziet het anders: “Wij hebben bij deze gang van zaken grote bedenkingen: ingrijpende besluiten worden op de valreep genomen en bij de pensioenwet is de stemming nu gepland NA de verkiezingen voor de Eerste Kamer en VOOR benoeming van de nieuwe Eerste Kamer leden die hun eerste vergadering hebben op 13 juni 2023. Dit is ongepast en berooft onze toekomstige fractie om bij belangrijke besluiten voor Nederland het democratisch mandaat uit te oefenen. Wij verzoeken u dus de behandeling van deze beide wetsvoorstellen niet af te ronden in de samenstelling van de oude Kamer.”  En omdat het bij Tweede Kamerverkiezingen gebruikelijk is dat de: “oude Kamer na de verkiezingen geen enkel besluit van enige importantie meer,” neemt, wil de partij dit ook toepassen op de Eerste Kamer. Op het eerste gezicht een plausibel pleidooi maar is het dat ook?

Inderdaad is het gebruik dat er tijdens een verkiezingsperiode voor de Tweede Kamer geen zwaarwegende zaken meer worden voorgelegd aan de Tweede Kamer. De BBB stelt nu voor dit ook voor de Eerste Kamer te laten gelden. Er is echter één groot verschil tussen de Tweede en de Eerste Kamer en dat is de manier waarop haar leden worden gekozen. De leden van de Tweede Kamer worden rechtstreeks door de kiezer gekozen. Die verkiezingen vormen tevens de basis voor het vormen van een regering. Partijen en haar leden profileren zich in die verkiezingen met een programma waarin ze aangeven wat zij vinden dat het beste is voor het land.

De leden van de Eerste Kamer worden gekozen door de  Provinciale Staten van de twaalf Nederlandse provincies en sinds dit jaar een dertiende provincie bestaande uit kiesgerechtigde Nederlanders in het buitenland. Dit gebeurt zo’n twee maanden nadat wij als kiezers die leden van Provinciale Staten hebben verkozen. Aan die verkiezingen voor Provinciale Staten nemen andere partijen deel maar dat is nog niet eens zo belangrijk. Belangrijker is dat de aan de provinciale verkiezingen deelnemende partijen, zich profileren op provinciale thema’s, niet op landelijke thema’s. Pensioenen en publieke gezondheidszorg zijn geen thema’s voor provinciale verkiezingen simpelweg omdat de provincies hier niet over gaan. Dat zijn thema’s voor landelijke verkiezingen en dat waren het ook bij de verkiezingen van maart 2021. Zou het voor het vertrouwen in de politiek en de zorgvuldigheid van procedures helpen om de uitstel van de behandeling van wetten op te schorten?

Er is meer. BBB betoogt dat een Eerste Kamer in de periode tussen de verkiezingen van Provinciale Staten en de benoeming van de nieuwe Eerste Kamer, geen zwaarwegende besluiten meer mag nemen. Die periode is drie maanden want de nieuwe Eerste Kamer wordt in de tweede helft van juni benoemt Dit analoog aan de gang van zaken bij de Tweede Kamer. De partij heeft hierbij de klok horen luiden maar weet niet waar de klepel hangt. Kenmerkend voor Tweede Kamerverkiezingen is dat een kabinet dan demissionair is, het heeft geen missie meer. Dat kan omdat het kabinet is gevallen, de breuk niet meer te lijmen is en er geen andere regering geformeerd kan worden, maar ook omdat haar wettelijke termijn van vier jaar is verstreken en de verkiezingen zijn uitgeschreven. Dan is het gebruik dat het kabinet geen besluiten meer neemt over zwaarwegende, controversiële zaken en de Tweede Kamer eenzelfde houding hanteert. Dat ligt bij de Eerste Kamer anders. Er is nog steeds een kabinet met een missie, of het een goede missie is daarover kun je van mening verschillen maar dat doet er voor het proces niet toe. Ook is er nog steeds een rechtstreeks door de kiezer gekozen Tweede Kamer, een Kamer met missie. Er is dus geen reden om het wetgevende werk ‘on hold’ te zetten.

Belangrijkste bezwaar is dat met gehoorgeven aan de wens van BBB een hellend vlak wordt betreden. Een hellend vlak dat de bestuurbaarheid van Nederland aantast. En daarmee kom ik uiteindelijk bij de opvolging van Scalia. Bij navolging van het idee van BBB ontstaat er een tweede moment dat er in ons land niet wordt besloten. Nu is dat alleen rond de landelijke verkiezingen. Dat moment duurde na de verkiezingen van 2021 meer dan een jaar. Het kabinet Rutte 3 viel op 10 januari 2021 en de opvolger Rutte 2 stond precies een jaar later op het bordes. De BBB wil daar nu de periode tussen de provinciale verkiezingen en de verkiezing van de Eerste Kamer aan  toevoegen. Dat zijn drie maanden maar wat let een partij die er in ‘de peilingen’ goed voorstaat om die periode niet op te rekken tot de verkiezingsstrijd en zelfs nog verder?

Het hellende vlak kan ook tot andere ellende leiden. Namelijk tot opportunisme en als de oproep van BBB ergens van getuigt dan is het opportunisme en daarmee ben ik bij de opvolging van Scalia. Obama mocht niet ‘over zijn graf regeren’ door in zijn laatste jaar nog een rechter te benoemen. Een rechter die voor de rest van zijn of haar leven wordt benoemd. Iets meer dan vier jaar later op 18 september 2020 overleed Ruth Bader Ginsburg, ook opperrechter, minder dan twee manden voor de verkiezingen. Dit keer zagen de Republikeinen onder leiding van Trump geen reden om de benoeming uit te stellen tot na de verkiezingen.