Inburgeringsexamen

Het rijbewijs, dat was in mijn jeugdige jaren het bewijs dat je erbij hoorde. Bij de ‘onafhankelijke’ mensen van de wereld die zomaar ergens naar toe konden gaan als er maar een weg naar toe liep. Natuurlijk moest je dan wel een auto hebben, want met een rijbewijs alleen kun je niet rijden.

Rijbewijs_1928

Foto: Wikimedia Commons

Om zo’n bewijs te krijgen moet je het rijexamen met goed gevolg afleggen en dat bestaat uit een theorie- en een praktijkdeel. Bij het theoriedeel leer je de regels en in het praktijkdeel moet je die toepassen. Als ik me goed herinner heb ik een keer of drie, vier examen moeten afleggen alvorens ik het begeerde papiertje bezat. Vooral de eerste keer staat mij nog goed bij. Op een mooi tijdstip zo rond tien uur moest ik me melden. Ik was er helemaal klaar voor alleen het weer niet, zeer dichte mist en daarop werd mijn examen verplaatst naar een andere dag. Op die dag werd ik rond vijf uur verwacht, na een zware schooldag, werd dat geen succes. De tweede poging maakte ik een fout en ook de derde poging ging in twee keer omdat sneeuw met ijzel maakten dat ook die poging moest worden verplaatst. Maar uiteindelijk kreeg ik het begeerde bewijs en toen ik het papiertje in bezit had, kon ik zo instappen en rijden. Ik hoorde erbij.

Ik moest hieraan denken toen ik bij Binnenlandsbestuur las dat minister Koolmees van Sociale Zaken heeft besloten om het eindgesprek over de arbeidsmarkt te schrappen uit het inburgeringsexamen. Niet om inhoudelijke redenen, maar omdat er te weinig examinatoren zijn. Je kunt je afvragen of dat eindgesprek dan wel belangrijk was als je het ook zonder kunt? Waarom is het ooit onderdeel geworden van het examen als het niet zo belangrijk is?

Als dat onderdeel niet zo belangrijk is, zouden er dan nog meer onderdelen zijn die niet zo belangrijk zijn? Het examen kent ook een onderdeel Kennis van de Nederlandse Maatschappij. Een onderdeel waar vragen worden gesteld en de kandidaat moet kiezen uit een aantal mogelijke antwoorden. Vragen zoals: Is Nederland vaak droog of nat? Volgens de toets is ‘nat’ het goede antwoord terwijl het aantal uren zonder regen het aantal met regen ver overschrijdt. Of de vraag hoelang de Nederlandse staat al bestaat, vijftig of vierhonderd jaar? Dit terwijl het koninkrijk der Nederlanden in 2014 haar tweehonderdjarig bestaan vierde. Daarvoor bestond er geen centraal gezag en dus geen Nederlandse staat.

Sterker nog en daarom moest ik aan het rijbewijs en het rijexamen denken, als je het inburgeringsexamen met goed gevolg aflegt en je hebt het diploma, ben je dan ingeburgerd? Ben je dan Nederlander? Hoor je er dan echt bij?

Van de muis en de olifant

“De situatie in Afrin is vreselijk, maar een veroordeling zal niets oplossen. Het klinkt misschien prachtig maar de moraal werkt hier contraproductief. Wij zijn een muis die praat tegen een olifant. Erdogan veroordelen zou geen effect hebben. Militair maken Erdogan en Rusland daar de dienst uit.” En uitspraak van Arend Jan Boekestijn in de Volkskrant. Boekestijn geeft de Minister van Buitenlandse Zaken Zijlstra gelijk dat hij Turkije niet scherp veroordeelt. Immers: “Er zit achter dat iedereen met Erdogan in gesprek wil blijven in de hoop hem te bewegen om niet nog meer gebied te bestoken. Het helpt dan niet als je hem eerst veroordeelt. Dat is een diplomatieke wet. Als de VS en de EU vanuit een moreel standpunt zeggen: wij veroordelen dit, dan heb je geen enkele invloed meer op Erdogan.”

mouse-1974360_960_720

Foto: pixabay.com

Een muis die een olifant aanspreekt, ja waarom zou die olifant luisteren? Eén tikje met zijn slurf en de muis ligt een paar honderd meter verderop. Eén poot van de olifant op de muis en de muis is een dooie muis. Waarom zou de olifant in een gesprek de muis wel serieus nemen als het weet dat de muis toch niet van zich afbijt als de olifant zich misdraagt? Waarom zou het Turkije van Erdogan zonder een veroordeling wel naar ons luisteren en verdere gebieden meer binnenvallen?

Boekestijn iets verderop in het artikel: “Ik heb het gevoel dat Erdogan weer een betere relatie met Nederland wil. Turkije heeft namelijk belangrijke economische handelsbetrekkingen met Nederland, er wonen veel Turken in ons land en bovendien heeft Erdogan bondgenoten nodig. Zijn buitenlandse politiek in het Midden-Oosten is namelijk vastgelopen nu Assad aan de winnende hand is.” De olifant die de muis nodig heeft? Als die olifant bondgenoten nodig heeft, zou hij zich dan niet anders, meer ‘muiselijk’ moeten gaan gedragen? Als dat zo is, zou de muis dan geen ‘eisen’ kunnen stellen, harde voorwaarden waaraan de olifant moet voldoen voordat hij van de diensten en de steun van de muis gebruik kan maken? Het citaat lezen kun je je zelfs afvragen of de muis aan het groeien is en de olifant aan het krimpen?

Wat fundamenteler. Zou de muis niet duidelijk moeten aangeven dat een bondgenootschap met de olifant er niet inzit zolang die olifant zijn ‘eigen kinderen’ terroriseert en opsluit omdat ze vragen stellen en zijn handelen ter discussie stellen?

Continuum

“We leven nu in de toekomst (zoals voorspeld in scifi-klassiekers) – is het echt zo somber?” De titel van een artikel in de Volkskrant waarin de volgende vraag centraal staat: “Het is 2018, we leven nú de toekomst van scifi-klassieker Rollerball. En 2019 is het jaar waarin Blade Runner zich afspeelt. Hebben we iets gehad aan al die sombere voorspellingen over ons huidige tijdperk?” Nu heb ik een voorliefde voor sciencefiction films omdat ze iets zeggen over hoe de makers ervan, naar hun eigen tijd kijken. Het is een uitvergroting van iemands kijk op het heden.

Continuum-TV-logo

Illustratie: Wikimedia Commons

De Volkskrant geeft een korte beschrijving van de film Rollerball uit 1975: “Het bedrijfsleven heeft de planeet overgenomen en monopolisten verdelen en heersen. Om het volk rustig te houden, gaan teams elkaar te lijf in het spel rollerball, een soort dodelijke combinatie van American football, stayeren achter een motor en freefighten.” Als we even afzien van het spel rollerball dat in de film een belangrijke rol speelt, is die ‘rollerballwereld’ werkelijkheid geworden? De film geeft geen gedetailleerd beeld van het ‘Rollerball 2018’ dat maakt het lastig om het alledaagse leven van nu te vergelijken met de film. Op een wat abstracter niveau zijn er aardig wat overeenkomsten. Het bedrijfsleven heeft op onze planeet inderdaad een zeer grote vinger in de pap. Je zou kunnen beweren dat in de Verenigde Staten een bedrijf de staat heeft overgenomen. Trouwens Italië heeft daar met Berlusconi ook al de nodige ervaring mee opgedaan. Als we kijken naar de Googles, Facebooks, Apples enzovoorts van deze wereld, zou je dan kunnen verdedigen dat ‘monopolisten verdelen en heersen’? De belangrijkste sporten (de rollerballteams in de film) zijn afhankelijk van zakentycoons.

Voor liefhebbers van het genre, de serie Continuum kent een vergelijkbaar scenario. Deze serie is een paar jaar oud en speelt in 2012 en in 2077. In 2077 hebben bedrijven de regering overgenomen en hebben te maken met een verzetsbeweging die ‘vrijheid’ wil en om die vrijheid te bereiken, geweld gebruikt. Die strijd speelt zich ook af in 2012 omdat de hoofdpersonen terugreizen in de tijd om er in 2077 voordeel van te hebben. Kijk vooral zelf.

Een film uit 1975 en een serie uit 2012. Zo ‘erg’ als Rollerball 2018 schetste, is het nu niet. toch zou je kunnen beweren dat we een heel eind in die richting zijn opgeschoven. Het 2077 uit Continuum is nog een eind weg, ook hiervan kun je zeggen dat we al een eind op weg zijn. Het 2012 uit Continuum lijkt wel verdacht veel op ons heden en met dat 2077 voor ogen, bekijk je het heden toch vanuit een ander perspectief.

Beste Tahir Ramdjan,

Met veel interesse heb ik uw brief in de Volkskrant gelezen. Uw oproep om: “elkaars opiniestukken lezen, ons verdiepen in elkaar, oprechte interesse en empathie tonen naar elkaar,” onderschrijf ik van harte. Als ik u goed begrijp, dan verschilt ons doel niet. Ik streef naar een wereld waarin iedereen gelijkwaardig is en ook op een gelijkwaardige manier wordt behandeld en gelijke kansen heeft. Volgens mij is dat ook uw doel.

beach-14119_640

Foto: Pixabay

Zoals u aangeeft heeft een: “beschaafde dialoog (…) nog nooit slachtoffers, ordeverstoring en leed veroorzaakt.” Die dialoog wil ik met u aangaan. In uw brief signaleert u twee fouten. Over die eerste van die twee fouten wil ik het met u hebben. Zoals u schrijft is voor de wet iedereen gelijk, de wet maakt geen onderscheid. Terecht constateert u dat we er daarmee niet zijn. Dat komt, volgens u, door het: “institutioneel racisme: een onbewust racisme dat zich heeft vastgeroest in ons doen en laten, van zowel witte als donkere mensen.” Door hier de term ‘racisme’ aan te koppelen, geeft u het een zware lading. Een lading die mensen als een oordeel of beter nog een veroordeling kunnen opvatten. Een lading waarvan je je kunt afvragen of die wel terecht is. Bent u bereid om hier op een andere manier, met een ander frame dan het frame van het ‘institutioneel racisme’ naar te kijken? Mag ik een ander ‘frame’ met u delen?

Gelijkwaardig worden behandeld en gelijke kansen krijgen is lastig te realiseren. Volgens mij is het zeer menselijk om mensen die op een punt anders zijn, anders te behandelen en te benaderen. Dat is niet iets van een specifieke kleur mensen, het is iets van alle mensen. Ik ben de eerste om toe gegeven dat die menselijke eigenschap tot maatschappelijk ongewenste resultaten leidt. Als we ons hier allemaal van bewust zijn, dan kunnen we dat ‘menselijke gedrag’ veranderen, ter discussie stellen en zo maatschappelijk wenselijkere resultaten bereiken.

Een frame waarin we hetzelfde constateren, maar er geen oordeel of veroordeling op plakken. Zou zo’n frame tot een constructiever gesprek en tot betere resultaten kunnen leiden? Belangrijker nog, zou zo’n frame een bredere gemeenschappelijke basis bieden om die maatschappelijk ongewenste resultaten aan te pakken? Zou zo’n frame de tweede, door u geconstateerde, fout kunnen voorkomen? De fout dat: “de donkere mens (…) deze machtsstructuren eerder door (heeft), omdat die daar dagelijks feller mee geconfronteerd wordt, en beschuldigt vervolgens de witte mens van racistisch, fout handelen. Maar laatstgenoemde heeft zichzelf nooit als racist gezien. Zijn intuïtieve reactie: terugvechten.”

Morele saus

Dat Turkije buurland Syrië is binnengevallen, zal u niet zijn ontgaan. Turkije wil, zo lees ik bij NRC, een ‘veiligheidszone’ creëren van zo’n dertig kilometer. Onze minister van Buitenlandse Zaken, Halbe Zijlstra zo lees ik bij Elsevier, wil er geen oordeel over vellen, maar wil wel bewijs zien dat het een actie van zelfverdediging is. Kind van de rekening zijn de Koerden en: “De Koerden kennen een lange geschiedenis van verraad,” zoals Arnon Grunberg het in een Voetnoot in de Volkskrant schrijft. Grunberg eindigt met het cynisch definiëren van samenwerken: “degenen helpen die je morgen zal tegenwerken.”

Koerdistan

Illustratie: Wikimedia Commons

De wereldgeschiedenis zit vol van dergelijk verraad. De Koerden zijn hierin niet de enigen. Inderdaad riep, zoals Grunberg schrijft, president Bush de Eerste de Koerden op om in opstand te komen tegen Saddam Hoessein. Toen zij dat deden liet Bush hen aan hun lot en vooral aan Saddams ‘terreur’ over. Trouwens Saddam Hoessein zou, als hij nog leefde, ook een boekje open kunnen doen over ‘helpen en tegenwerken’. Net als buurland Iran en vele andere landen en volkeren. Bekend is ook het verhaal van Osama Bin Laden. De ‘nuttige idioot’ in de strijd in Afghanistan tegen de Sovjet Unie. Alleen zette hij zijn strijd voort tegen zijn oude ‘vrienden’ en leveranciers van trainingen wapens. Dit geheel volgens de definitie van Grunberg.

Nu is ‘konkelen’ en het ‘de-vijand-van-mijn-vijand-is-mijn-vriend-denken’ iets van alle tijden. Wat knelt er dan? Waarom hebben volkeren en landen dan zo’n hekel aan het westen en veel minder aan konkelende Russen, Chinezen of Arabieren? Zou dat te maken kunnen hebben met de morele lading of ‘saus’ die het weten over haar gekonkel gooit? Het refereren aan idealen van vrijheid, democratie en zelfbeschikking? referenties die worden ‘vergeten’ zodra er financieel of enig ander gewin om de hoek komt kijken?

Zou dat het antwoord zijn op de bekende vraag  ‘why do they hate us so much?’ Zou die morele saus ‘maken dat “degene helpen die je morgen zal tegenwerken,” westerse landen zo wordt aangerekend?

Democratie meer dan verkiezingen?

“(Z)e wantrouwen ons nog altijd fundamenteel. (…) het (is) nog steeds niet de bedoeling dat wij, de kleine mensen, daadwerkelijk ingaan op het aanbod om mee te doen.” Woorden van Sheila Sitalsing in haar column in de Volkskrant. Sitalsing komt tot deze conclusie op basis van de antwoorden van minister Ollongren. In die brief geeft Ollongren antwoord op vragen gesteld door politieke partijen over de afschaffing van het raadgevend correctief referendum. “Nou daarom. Omdat het kabinet dat vindt. Of juist niet vindt, al naar gelang de vraag.” zo vat Sitalsing de antwoorden samen.

demonstratie

Foto: Flickr

Over de vragen en antwoorden wil ik het niet hebben, ik heb de brief van de minister niet gelezen. Over wantrouwen schreef ik gisteren al en eindigde met de vraag: “Is onze democratie niet gebaat bij een gezonde dosis wantrouwen?”  Wantrouwen in de politiek. Als we Sitalsing mogen geloven, dan is dat wantrouwen wederzijds. Nu het ‘niet mee mogen doen’.

“ (D)emocratie vereist burgerbetrokkenheid. De overheid heeft legitimatie nodig” Een citaat van Pieter Winsemius in het artikel en een terechte constatering. Winsemius gaat verder: “Vraag in een zaal met honderd man: wie heeft er wel eens aan inspraak gedaan? Dan gaan zo’n vijftig, zestig handen de lucht in. Vraag je daarna: wie vond het bevredigend, dan blijven er een paar handen over. In de Bijlmer, dat was wel geestig, bleef er een hand over. Dat was de stadsdeelwethouder, die vond dat het wel goed liep.” Herkenbaar? Voor mensen die in de publieke sector werken wel. Besluiten over iets is namelijk keuzes maken en daarbij zullen altijd mensen ontevreden zijn. En mijn ervaringen leren mij dat met name mensen die ontevreden zijn naar inspraakbijeenkomsten komen, het niet eens zijn met iets.

Inspraakavonden en ook dat raadgevend correctief referendum zijn middelen om die burgerbetrokkenheid te organiseren en vorm te geven. Inderdaad is de opkomst bij ‘inspraakavonden’ vaak bedroevend en voorspelbaar. De opkomst bij verkiezingen, vooral voor lagere overheden, laat vaak te wensen over, maar is dat de enige manier om betrokken te zijn bij onze democratie, ze leveren echter nog steeds legitieme vertegenwoordigers op. Vertegenwoordigers die immers volgens de democratische regels zijn gekozen.

De vraag is echter of het slecht is gesteld met die burgerbetrokkenheid? Wat te denken van de vele actiegroepen, de demonstraties, de procedures tegen besluiten van de overheid, het ‘naming and shaming’ van bestuurders en politici die hun bevoegdheden misbruiken, de diverse (digitale) media, de onderzoekers die falend beleid aan de kaak stellen, de (groepen) inwoners die initiatieven nemen waarmee ze politici en bestuurders voor het blok zetten? Zijn dat niet ook tekenen van betrokkenheid bij de democratie? Is de democratie niet veel omvangrijker dan verkiezingen alleen?

Hedendaags kolonialisme

Op de site OneWorld kaart Sander Philipse de omgang met het koloniale verleden aan. Volgens Philipse gaat de: “hele discussie (…) dan ook niet echt over het verleden, maar over wat wij nu met dat verleden doen. Straatnamen en standbeelden zijn geen geschiedenislessen, maar eerbetonen die in het heden bestaan. Zij zijn een reflectie van onze prioriteiten, van onze huidige waarden en normen.” Het gaat, volgens Philipse, dus over onze huidige normen en waarden. Daar heeft Philipse een punt, de discussie gaat over onze hedendaagse normen en waarden en hoe die worden geprojecteerd op het verleden. Iets waar ik moeite mee heb zoals ik al eerder schreef.

fabriek

Foto: Pixabay

Philipse wil de discussie over het koloniale systeem voeren. Philipse: “Een koloniaal systeem is niet slechts handel, maar gebouwd op overheersing en uitbuiting, en valt niet te rehabiliteren. De ‘goede delen’ (lees: kapitaalaccumulatie in de Nederlanden) zijn niet te scheiden van de slechte, maar een gevolg ervan. En een echte confrontatie met dat feit zou veel ingrijpender gevolgen hebben voor onze nationale musea: hun collecties zijn bezaaid met objecten van koloniale origine.” Nu is de wereldgeschiedenis bezaaid met ‘kolonialisme’, dat is echt geen Nederlandse en zelfs geen West-Europese uitvinding. Het is iets van alle grote rijken uit de wereldgeschiedenis. Allen bouwden ze een systeem dat niet slechts op handel maar ook op overheersing en uitbuiting was gebaseerd.

Sterker nog, ‘kolonialisme’ is nog steeds zeer actueel. Is de strijd tegen IS werkelijk een strijd tegen terrorisme? Zouden er werkelijk Amerikaanse, Russische en Nederlandse soldaten zijn gestuurd, als er geen olie in de grond zat? Waarom heeft China een groot deel van de haven van Piraeus gekocht? Waarom reageren de Amerikanen en ook onze Nederlandse regering zo mak op de Turkse inval in Noord- Syrië? Zijn de ‘vluchtelingendeals’ die het huidige kabinet wil sluiten met landen, niet ook een vorm van kolonialisme? Zouden de Amerikanen Afghanistan alleen maar zijn binnengevallen om de Taliban te verdrijven en Bin Laden te vangen? Of zou de strategische ligging van het land er iets mee te maken kunnen hebben? Een ligging die eerder de Britten en de Sovjet Unie verleidde tot een inval. Allemaal met pijnlijke afloop.

Als de discussie over straatnamen, standbeelden en het koloniale verleden een reflectie zijn van onze prioriteiten, liggen die prioriteiten dan niet verkeerd? Zou de discussie niet moeten gaan over hedendaags kolonialisme, hedendaagse vormen van slavernij, uitbuiting en overheersing? Lopen we, als we dat niet doen, het risico dat onze kinderen of kleinkinderen ons gaan verwijten dat we, door onze fixatie op het verleden, onze ogen sloten voor de misstanden in onze huidige tijd?

Bouwen aan de samenleving?

Volgens historicus Willem Melching in de Volkskrant, wil ‘de kiezer’ weten waaraan hij toe is. En als ze dat weten dan zijn: “Mensen (…) in staat tot grote opofferingen om een bepaald doel te bereiken.”  Melching geeft enkele voorbeelden: “het Britse volk tijdens de Tweede Wereldoorlog, de krachttoer van de Delta-werken of de boycot van Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid. Maar in al deze gevallen ging het om projecten met een duidelijk en concreet einddoel: de ondergang van Hitler, de aanleg van dijken en de afschaffing van een verfoeilijk politiek systeem.” Ontbreekt dat einde dan vervalt de ‘opofferingsbereidheid’: “In de gevallen ‘Europa’ en ‘multi-kulti’ bestaat er een groot psychologisch probleem. Deze projecten hebben namelijk geen concreet einddoel en zo blijft volstrekt onduidelijk wanneer ze af zijn. Daarom zijn veel kiezers zo ontevreden.” 

bouwen aanFoto: Pixabay

Klinkt logisch: schets een helder doel en ga aan de slag! Net zoals je een huis bouwt. Een goede bouwtekening en dan kunnen de bouwvakkers aan de slag. Er zijn ‘ideologieën’ die een ideale samenleving voor ogen hebben. Ideologieën die het heden en alle mensen die er nu leven, zien als middel om die ‘ideale samenleving’ te bereiken.

Werkt dat wel zo met een samenleving? Is een samenleving ooit af? Als dat zo is, wat moeten de mensen die deze samenleving vormen dan doen nadat die samenleving af is? Hebben we dan het Walhalla bereikt en slaat dan het grote niets doen toe? Met welk doel moet je dan ’s morgens opstaan?

Werk of bouw je echt aan de samenleving net zoals je aan een huis bouwt? Verandert de samenleving omdat mensen eraan werken? Of is een samenleving dynamisch en verandert zij constant? Ligt het net wat anders en verandert een samenleving omdat de mensen die samen een samenleving vormen, samen leven, samen dingen doen?

Moeten we niet oppassen voor mensen die een ‘ideale samenleving’ voor ogen hebben en daaraan willen bouwen? Samenlevingen die naar zo’n ideaal toewerken, zijn niet de meest prettige om in te wonen. Die zien mensen als een middel dat kan worden ingezet om een doel te bereiken.

Moeten we niet kiezen voor ‘leven in’ in plaats van ‘bouwen aan’ de samenleving?

Middeleeuws Irak

In de Volkskrant een interessant interview met econoom Bas van Bavel. Van Bavel heeft een boek geschreven met als titel De onzichtbare hand. Een boek over hoe markteconomieën  opkomen en neergaan, zo valt in de krant te lezen. Die neergang was: “niet op de eerste plaats het werk (…) van bemoeizuchtige overheden, buitenlandse rivalen of verwende werknemers. Het verval komt van binnenuit: de markt helpt zichzelf om zeep.” Van Bavel heeft hiervoor economisch historisch onderzoek gedaan en het wedervaren van de Italiaanse stadstaten, onze eigen pruikentijd en het Middeleeuwse Irak bestudeerd: “Stuk voor stuk zijn het markteconomieën. En elk vielen zij na een indrukwekkende bloeiperiode ten prooi aan de onvermijdelijke stagnatie.”

Sykes_picot

Illustratie: Wikimedia Commons

Ik heb het boek (nog) niet gelezen, dus een oordeel kan ik niet vellen over het onderzoek en de conclusies. Wat ik wel kan is mijn verbazing uitspreken over zijn onderzoek naar Middeleeuws Irak. Menig ‘islamhater’ zal betogen dat Irak, net als alle islamitische landen nog steeds in de Middeleeuwen verkeert, maar dat is een hele andere discussie die ik hier niet wil voeren. Van Bavel bedoelt het Irak ten tijde van het Europees historische tijdvak de Middeleeuwen. De periode van grofweg 500 tot 1500. Een Irak in die periode? Ja, de stad Bagdad kende een gouden periode. Het was een belangrijk knooppunt van handelsroutes vanuit China, het Indisch subcontinent en het eilandenrijk dat nu Indonesië heet, aan de ene kant en het Middellandse zeegebied en West- Europa aan de andere kant. In 1920 werd het de hoofdstad van het Britse mandaatgebied Mesopotamië en pas in 1921 ontstond het koninkrijk Irak, nog steeds onder Brits bewind. Pas toen ontstond Irak.

De grenzen van dat mandaatgebied werden bepaald via koehandel tussen de Britten en de Fransen. Koehandel tijdens de Eerste Wereldoorlog waarbij de Britten en Fransen het Ottomaanse rijk verdeelden alvorens het was verslagen. Namens de Britten speelde Mark Sykes en namens de Fransen Georges Picot hierbij een hoofdrol.

Hoe kun je de economie van een land bestuderen dat nog niet bestond? De Abbasiden waren er de baas, de Seltsjoeken, de Mongolen en daarna het Ottomaanse Rijk. Allemaal rijken die veel groter waren dan het huidige Iraakse gebied. Hoe kun je dan spreken over Irak? Net zoals je ook niet kunt spreken over Nederland in de Gouden Eeuw. Wellicht doet het aan de economische conclusies van Van Bavel geen afbreuk. Historisch rammelt het.

Plek in de geschiedenis

Nepnieuws, er gaat bijna geen dag voorbij of er is weer iemand die het woord gebruikt om een ander te beschuldigen. Het lijkt wel of het een uitvinding is van de afgelopen twee jaar. Dat mensen elkaar proberen te beïnvloeden door zaken net wat anders voor te stellen dan ze in werkelijkheid zijn, dat ze zichzelf in een gunstig daglicht willen plaatsen, is echter niets nieuws. Het is van alle tijden, daarover schreef ik al eerder.

Peppi en Kokki (1974)

Foto: Wikimedia Commons

Jan Roos, de voormalig verslaggever van PowNed, of was hij nu entertainer want tijdens een verkiezingsdebat ontkende hij dat hij journalistiek bedreef. De Peppi, of was het Kokkie, die samen met zijn vriend Thierry (Baudet) het land doortrok om te voorkomen dat de Europese Unie een associatieverdrag met Oekraïne zou sluiten. Beiden gingen na deze campagne de politiek in als lijsttrekker van een partij. Roos met weinig succes en nu schrijft hij zijn gal iedere week van zich af in een column bij De Dagelijkse Standaard. In zijn column schrijft hij deze keer over nepnieuws.

De met publieke geld betaalde media krijgen er flink van langs: “Blijkbaar komen de dictaten uit Brussel eerst terecht op de burelen in Hilversum om het nodige kneedwerk te verrichten voordat het totalitaire denken als oplossing wordt verspreid. En allemaal in de zogenaamde strijd tegen nepnieuws uit Rusland.” Dit terwijl Rusland de ‘verkeerde vijand’ is. Volgens Roos is de strijd tegen nepnieuws: “een rookgordijn om de grip op burgers te vergroten.” Wie wil die grip vergroten? De Europese Unie natuurlijk, de ‘oude vijand’ uit zijn glorietijd als campagneleider Peppie, of was het Kokkie? De Europese Unie wil de rechten van vrije burgers schenden: “Niet nepnieuws uit Rusland is het startsein geweest voor deze schending van vrije rechten, maar het Oekraïnereferendum.” Immers: “juist toen zag de bestuurlijke elite het gevaar van internet in. Want zo is dat hele referendum er natuurlijk gekomen.”

Ik begrijp dat Roos zich zorgen maakt over vrijheden in het algemeen en op het internet in het bijzonder. Over ‘sleepwetten’ en andere aantastingen van mijn privacy en vrijheid, maak ik me ook zorgen. Het gemak waarmee privacy en vrijheid worden geofferd onder de vlag van ‘veiligheid’ en de ‘strijd tegen het terrorisme’ baart mij zorgen.

Die strijd is echt niet begonnen met Peppie (of toch Kokkie) die de strijd aanbond. Die strijd is al zo ‘oud als de weg naar de Peel’, zou mijn moeder zeggen. Het internet is echt niet het eerste middel dat aan de stoelpoten van machthebbers zaagt. Verhalen, liederen, toneelstukken, boeken, kranten, radio, televisie en nu vergeet ik vast nog wel iets, gingen het internet al voor.

Maar ja, wie kan het Roos kwalijk nemen dat hij probeert zijn eigen (plek in de) geschiedenis zo belangrijk mogelijk te maken?