De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
Zoals in tweeeerdere twee prikkers toegezegd, een reeks over economisch denken. Dat doe ik aan de hand van belangrijke denkers over economie en het kapitalisme uit de moderne geschiedenis. Deze behandeling is niet uitputtend. Er zijn meer denkers die zich in de moderne tijd over de economie hebben gebogen en ook in de pre-moderne tijd werd er al over de economie nagedacht.
De economische wetenschap is een bijzondere soort wetenschap. Een bijzonder soort wetenschap waarvan een van haar beoefenaren, de Koreaan Ha-Joon Chang in zijn boek 23 Dingen die ze je niet vertellen over het kapitalisme zegt dat het (pagina 16): ”…voor 95 procent gezond verstand dat ingewikkeld gemaakt is, en zelfs voor de resterende 5 procent geldt dat de essentie van de redenering, zo niet alle technische details, in eenvoudige termen kan worden uitgelegd.” Een bijzondere uitspraak voor een econoom omdat veel van zijn vakgenoten het juist doen voorkomen dat het anders ligt. Zij schermen met ingewikkelde wiskundige modellen waarover ik al eerder schreef.
Eigen foto
In de economie staan menselijke beslissingen centraal. Beslissingen van ons allemaal individueel maar vooral beslissingen van diegenen die de regels kunnen bepalen. Beslissingen leiden niet altijd tot de gewenste resultaten. En zoals bij alle beslissingen zijn, en waren, er ook andere keuzes mogelijk. Andere keuzes die tot andere gewenste of ongewenste resultaten leiden. Bij het nemen van die beslissingen worden wij mensen en dus ook degenen die de regels bepalen, geleid door onze visie op de werkelijk. Niet iedereen is zich bewust van zijn visie op de werkelijkheid. Bij dit weten hoort kennis hebben van het verleden, de keuzes die onze voorouders hebben gemaakt en de achtergronden bij die keuzes. Hierbij moeten we die keuzes proberen te zien met de ogen van mensen uit die tijd. Daarbij is inzicht in het denken over onze economie en het kapitalisme onontbeerlijk.
Het klassiek economisch denken
Als we het over economie en het kapitalisme hebben dan kunnen we niet om Adam Smith en John Stuart Mill heen. Bij het schrijven over Smith baseer ik me voornamelijk op De Utopie van de Vrije Markt van Hans Achterhuis en van Wat als de markt Faalt van John Cassidy.
Adam Smith schreef over de voordelen van specialisatie: het toeleggen op het maken van eerst één product of productsoort en in toenemende mate zelfs alleen maar een deel van een product. Smith gebruikt het voorbeeld van de speld. Een speldenmaker kan er slechts een beperkt aantal per dag maken. Door het werk te verdelen in kleinere stappen, een persoon knipt de draad, een tweede maakt de speldenknop, de derde zet de knop op de speld en een vierde slijpt de punt, kunnen er veel meer dan vier keer zoveel spelden worden gemaakt. Deze specialisering leidt tot een toename van de totale productie. Het surplus wordt verkocht op de markt. Met het geld dat daarmee wordt verkregen, kunnen producten worden gekocht. De prijs van die goederen en diensten wordt bepaald door vraag en aanbod. In een notendop beschrijft hij hier de moderne markteconomie. Smith gaat verder. De markt bepaalt niet alleen de prijs, hij zorgt er ook voor dat de producenten producten van goede kwaliteit leveren. Niet omdat hun het belang van de kopers van hun product zo aan het hart gaat. Ze doen dit uit welbegrepen eigen belang. Smith (de Utopie van de vrije markt pagina 181): “Het is niet vanwege de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker dat wij onze maaltijd verwachten, maar vanwege hun eigenbelang. Wij doen geen beroep op hun menslievendheid, maar op hun eigenliefde en spreken nooit over onze noden, maar hun belangen. Alleen een bedelaar kiest ervoor om voornamelijk van welwillendheid van medeburgers afhankelijk te zijn.” Als de bakker of slager slechte kwaliteit levert, dan verliest hij immers zijn klanten dus het is in zijn eigen belang om goede kwaliteit te leveren.
Als iedereen maar kiest voor zijn welbegrepen eigen belang dan komt het allemaal goed. De taak voor de overheid is hierbij beperkt tot het zorgen dat de wetten worden nageleefd, de landsverdediging, het wegnemen van zaken die de werking van de vrije markt belemmeren en het uitvoeren van publieke werken en publieke instituties.
Smith is hiermee de grondlegger van de klassieke economie, een filosofie die ook wel Laisser Faire wordt genoemd. De klassieke economen wilden dus een vrije markt maar waren niet helemaal blind voor gebreken van volkomen vrijheid op deze markt. Zo erkende John Stewart Mill, een andere bekende klassiek liberaal, dat de samenleving het recht heeft om het individu te beperken in zijn vrijheid (zie J.S. Mill, Over de vrijheid pagina 126-127) Als eerste noemt hij de geldende wetten waaraan het individu zich moet houden en die door de overheid afgedwongen moeten kunnen worden. Een tweede beperking van de vrijheid van het individu betreft: “… dat iedereen een deel op zich moet nemen (dat volgens billijk principe moet worden vastgesteld) van de inspanningen en opofferingen die nodig zijn om de samenleving of leden daarvan tegen aanvallen of toegebrachte schade te verdedigen. De samenleving heeft het recht deze voorwaarde tot elke prijs af te dwingen van mensen die ze trachten niet na te komen.” Hoe zou Mill de huidige praktijk van belastingontwijking beoordelen? Dat zou een interessante discussie worden. Aan de ene kant de belasting ontwijker die zegt alles binnen de bestaande wet- en regelgeving te doen (en daar hebben ze wellicht ook nog gelijk in ook) en aan de andere kant Mill die de ontwijken zal aanspreken op de morele plicht om de samenleving te ondersteunen. Mill ziet nog een derde beperking van de vrijheid van het individu: “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” Deze laatste mogelijkheid biedt aanknopingspunten voor overheidsingrijpen.
Eigen foto
De filosofische basis van de klassieke economie bevat daarmee twee vooronderstellingen die tezamen tot een derde leiden. Als eerst dat de mens op rationele wijze kiest en besluit en als tweede dat de som van alle rationele keuzes die mensen maken het beste resultaat is voor de maatschappij als geheel. Deze twee combinerend levert dit een derde vooronderstelling op en dat is de vooronderstelling dat markten zoveel mogelijk vrij moeten zijn van overheidsingrijpen. We zullen later zien dat deze vooronderstelling bij de neoliberalen dogma’s worden. De klassieke liberalen hadden wel oog voor de imperfecties. Zie bijvoorbeeld de laatste beperkende mogelijkheid die Mill benoemt maar ook het feit dat zowel Mill als Smith verder keken dan de economie alleen. Zo was Smith een moraalfilosoof en schreef hij zijn belangrijkste werk ook op dat terrein en was Mill een filosoof en politiek theoreticus.
Mill was, in navolging van zijn leermeester de filosoof Jeremy Bentham, een van de grote pleitbezorgers van het utilitarisme. Voor Bentham was de mens een zelfzuchtig schepsel dan zijn eigen belang nastreeft dit door steeds te kiezen voor dat wat hem op dat moment het grootste genot, of geluk bracht. Of in de negatieve zin, de minste pijn. Verlaten we het individuele niveau en trekken we dit denken door naar het landsniveau dan geeft Mill aan dat het de taak van de overheid is om te zorgen voor het grootst mogelijke geluk voor het grootste aantal mensen. Het Het Bruto Binnenlands Product (BBP) zoals dat tegenwoordig wordt gebruikt, kun je zien als een utilitaristische manier van bekijken hoe het met een samenleving (land) is gesteld. Utilitarisme kan niet zonder een instantie die ervoor zorgt dat die stappen worden gezet die het meeste geluk of genot brengen.
Dit denken bevat de kiem van politiek gericht op meer solidariteit en bekommering om elkaar. Die bekommering om elkaar, die solidariteit met elkaar kreeg een grote boost door een andere denker en groot kenner van het kapitalisme: Karl Marx. Marx beschreef de werking van het kapitalisme en de ‘gebreken’ ervan. Die gebreken kwamen in de loop van de negentiende eeuw aan het licht. In een volgende deel staat Marx centraal.
“Ut is ok noeit good of ut deugd neet,” zei mijn moeder vaak. Aan die uitspraak moest ik denken toen ik een artikel van Tim Engelbart bij De dagelijkse Standaard las. Wat is er aan de hand? “Ondanks dat Nederland als geheel flink naar rechts getrokken is, blijkt het onderwijs als geheel nog een uitermate links bolwerk waar Karl Marx tevreden op kan neerkijken vanaf zijn wolk. Van alle leraren is namelijk 33% (!) van plan op GroenLinks te stemmen in maart. Nog eens 17% wil voor de PvdA gaan, terwijl SP (12%) en D66 (13%) het ook zeer goed doen. In totaal halen linkse partijen maar liefst 80% van alle stemmen onder onderwijzers.” Zetten al die ‘linkse gekkies’ zich in voor de kinderen van Engelbart en andere ‘rechtse ballen’, is het nog niet goed.
Volgens Engelbart is er: “Voor GeertWilders en Thierry Baudet (…) dus nog een wereld te winnen op zowel de basis- als de middelbare school. Niet alleen voor zichzelf en hun zetelaantallen, maar ook voor de evenwichtigheid van het onderwijs zelf zou het goed zijn als leraren wat gelijkmatiger over het politieke spectrum verdeeld zijn.”
Wel beste meneer Engelbart, wat let u om zich te laten omscholen tot leraar en met u de hele redactie van uw De dagelijkse Standaard. Sluit u aan bij die ‘linkse gekkies’ die voor een habbekrats en veel gezeik van u als ouder uw kinderen wat bij proberen te brengen. Immers de ‘linkse dominantie’ van het lerarencorps kan alleen worden doorbroken door een flinke instroom van ‘rechtse rakkers’ zoals u. En zolang dat niet gebeurt blijven, zoals u schrijft: “scholen toch een klein beetje de vooropleiding van de Jonge Socialisten en DWARS”
Maar pas op meneer Engelbart. Zorg dan wel dat u beter ‘indoctrineert’ dan dat door ‘linkse gekkies’ overheerste lerarencorps. Die ‘vooropleiding voor Jonge socialisten en DWARS’ bakt er niet veel van. Dat lerarencorps zorgt er immers al decennia voor dat Nederland wordt gedomineerd door een rechtse meerderheid. Dat partijen zoals die van Wilders en Baudet het goed doen. Pas op want uw loopt het risico dat die jeugdigen die u dan gaat opleiden verworden tot ‘linkse gekkies’.
Misschien kunt u zich beter stil en afzijdig houden en in uw vuistje lachen met die ‘linkse gekkies’ die voor een habbekrats en veel gezeik, de Nederlandse jeugd opleiden. Die zorgen immers voor een gestage aanwas van ‘rechtse rakkers.’
“Taxes, taxes, taxes. The rest is bullshit.” Deze uitspraak van Rutger Bregman van De Correspondent galmt door de media. Bregman was te gast op het jaarlijkse feestje van hotemetoten in Davos, het World Economic Forum. In een artikel bij De Correspondent een toelichting van Bregman op zijn denken. Een manier van denken die aanhaakt bij het eerste van mijn drie recente artikelen met als titel Homo economicus en belastingen.
In de Volkskrant een interview met Anand Giridharadas die eenzelfde ervaring als Bregman. Hij sprak op een soortgelijke bijeenkomst ‘ De Aspen-consensus’ over filantropie met als gedeelde opvatting: “de winnaars van onze tijd moeten worden uitgedaagd om meer goede dingen te doen.” Giridharadas voegde daaraan toe: “Maar vraag ze nooit en te nimmer om minder schade te berokkenen. Schade zoals belasting ontwijken, geld wegsluizen naar tropische eilanden, risico’s afwentelen op werknemers en speculeren in plaats van waarde creëren – allemaal foefjes waardoor de inkomens van de rijkste 1 procent Amerikanen sinds 1980 verdrievoudigd zijn, terwijl de 50 procent armste Amerikanen er amper een dollar op vooruit is gegaan, hield hij zijn publiek voor.” Toen ik dit las, moest ik denken aan het boek Doing Good better van William Macaskill. Op de kaft van het boek wordt de auteur geïntroduceerd als “Co-founder of the Effective Altruism movement.”
eigen foto
Een interessant boek dat ik in 2016 las en waar ik een recensie over schreeft. Omdat het onderwerp nu actueel is, nogmaals deze recensie. Als begin van een reeks over economisch denken en vervolg op de af genoemde drie artikelen Homo economicus en belastingen.
Minder t-shirt voor meer geld
Goed doen is makkelijk. Er zijn zoveel goede doelen die vragen om je geld. Geef je €100 aan de Hartstichting of aan het Rode Kruis? Allebei de doelen zullen zeer blij zijn met je bijdrage. Maar welke organisatie komt het verst met je €100? Als de ene organisatie 40% van het geld gebruikt voor ‘bureaukosten’ waaronder het riante, meer dan Balkenende salaris van de directeur en de andere heeft 5% ‘bureaukosten’ met een vrijwilliger als directeur, dan zal bijna iedereen voor de tweede organisatie kiezen. Maar… Wat als de eerste organisatie een bewezen zeer effectief programma heeft en de tweede niet? Moet je je geld dan nog steeds aan die tweede organisatie geven?
In zijn boek Doing Good Better. A Radical New Way to Make a Difference, geeft William Macaskill een leidraad voor een altruïstisch leven. Een leven waarbij je zoveel mogelijk probeert andere mensen te helpen. Zoveel mogelijk voor andere mensen te doen. Hij biedt een interessante manier om naar hulp te kijken. Een manier die hij aan de hand van voorbeelden toelicht. Centraal in het boek staan de vragen, hoe kan ik zoveel mogelijk effect bereiken voor het geld wat ik inzet? En hoe kan ik mijn leven en carrière zo inrichten dat die het meeste effect hebben?
Goed doen door te geven
In de eerste helft van het boek gaat hij in op de vraag hoe je het meeste effect voor je geld krijgt. Deze vraag valt uiteen in vijf deelvragen. Als eerste hoeveel mensen profiteren ervan en hoe groot is het profijt? Bij het beantwoorden ervan staat het begrip QALY centraal: Quality-Adjusted Life-Year. Mijn goede daad kan ervoor zorgen dat iemand langer leeft, maar het kan ook dat de kwaliteit van zijn leven verbetert. Deze maatstaf combineert beiden. Stel er is een persoon die, als we niets doen, 60 jaar leeft met een tevredenheid van 70%. En nu kan ik iets voor hem betekenen en dat kan op twee manieren. Als mijn actie ervoor zorgt dat iemand 10 jaar langer leeft, ook met 70% tevredenheid, dan voegt mijn daad 7 QALY’s toe (10 jaar x 70%). Als mijn actie ervoor zorgt dat de kwaliteit van leven van 70% naar 90% gaat in de 60 jaar dat hij leeft, dan voegt die daad 12 QALY’s toe (60 jaar x 20%). Ik zou dan voor het laatste moeten kiezen, omdat mijn daad dan het meeste resultaat oplevert.
De tweede deelvraag luidt: is dit het meest effectieve wat ik kan doen? Er zijn vele manieren om te helpen. Macaskill pleit ervoor om die manier te kiezen die het meeste QALY’s per geïnvesteerde euro oplevert. Als ik €10.000 te besteden heb en ik kan daarvoor 2.000 malarianetten distribueren die per 1.000 netten één persoon het leven redden en die persoon leeft gemiddeld 30 jaar langer met 80% tevredenheid, dan voegt die actie 2.000 : 1000 = 2 en vervolgens 2 x 30 x 80% = 48 QALY’s toe. Dat is €10.000 : 48 = €208 per QALY. Als ik voor dat bedrag één AIDS patiënt van medicijnen kan voorzien waardoor de kwaliteit van dat leven gedurende de 40 jaar die hij nog leeft toeneemt met 25%, dan voegt die actie 40 x 25% = 10 QALY’s toe. Dat is €10.000 : 10= €1.000 per QALY. Ik zou dus netten moeten kopen.
Als derde de vraag of het terrein of werkveld wordt verwaarloosd. Even doorbordurend op de netten. Stel dat er zoveel geld is voor netten, dat ieder bed in malariagebied kan worden ‘behangen’ met twee netten? We zagen dat de netten veel meer QALY per euro opleveren, maar als er voldoende geld is voor netten, wat voegt mijn bijdrage dan nog toe?
Als vierde de vraag wat er zou gebeuren als we niets doen op het gekozen terrein? Macaskill geeft hier het voorbeeld van een TV-programma waarbij jonge crimineeltjes een tour door een echte gevangenis krijgen. Een tour waarbij de grote criminelen hen toeschreeuwen wat ze allemaal met hen gaan doen als ze ook in het gevang komen. Dit met als doel de crimineeltjes op het rechte pad te brengen. Dit Amerikaanse programma heet Scared Straight en is in Nederland ook te zien via FOX te zien. Omdat er altijd wel een kind is dat afziet van verdere criminele activiteit en vertelt welke indruk het op hem heeft gemaakt, lijkt dit een zeer goede en succesvolle methode. Onderzoek toont echter aan dat het programma recidive niet voorkomt en alleen mooie tv oplevert. Sterker nog, de recidive kans wordt zelfs wat groter na zo’n gevangenisbezoek. Soms levert niets doen dezelfde resultaten op als wel iets doen en dan is niets doen te prefereren. Het is immers goedkoper.
Als laatste de vraag wat de kans op succes is en hoe goed zou dat succes is? Kans maal succes is effect en hoeveel effect krijg je per euro? Dat is de vraag die als laatste moet worden beantwoord. En met deze vraag beantwoord, moet je een keus kunnen maken voor de meest effectieve manier om goed te doen met je geld.
Dan de vraag hoe je je leven en carrière zo in kunt richten dat je maximaal goed doet? Wat word je? Dokter, wetenschapper, leerkracht in Afrika of toch politicus? Hoe kun je het meeste goed doen? Als arts in Afrika kun je natuurlijk veel levens redden en dat lijkt een goede keus. Maar is dat wel zo? Stel ik ga en daardoor kan een andere arts niet gaan? Voeg ik dan die waarde toe? Ja, als ik veel beter ben dan alle andere, maar wat als dat niet het geval is? Wat als die andere arts veel beter zou zijn? Vraag je af: hoe goed ben ik? Kan ik het verschil maken? Ook bij het kiezen van een filantropische carrière adviseert Macaskill je, dezelfde vragen te beantwoorden als bij het kiezen van een goed doel.
Maar er is meer. Als je net van school komt, zal je impact veel minder groot zijn dan later in je carrière. Macaskill adviseert jongeren om dát werk te kiezen dat hun vaardigheden en/of hun netwerk fors vergroot. Want dat netwerk en die vaardigheden komen later in je carrière goed van pas en vergroten je impact bij het goed doen. Ook als je die ervaring op doet op een terrein dat ver af staat van het goede doel dat je voor ogen hebt.
Het boek lezend, is het advies dat voor de meeste mensen het meest passend is: zoek werk waar je zoveel mogelijk verdient, omdat je dan zoveel mogelijke kunt geven aan dat effectieve en efficiënte doel. Kies alleen voor een ander pad als je exceptionele kwaliteiten bezit en je in de gelegenheid bent die op de juiste plek in te zetten.
Liefdadigheid met haken en ogen
Maximaal rendement uit je geld halen en in dit geval zo maximaal mogelijk goed doen voor je geld is een voorbeeld van utilitarisme. Utilitarisme, het maximeren van nut (welzijn) stelt, om Michail J. Sandel te citeren: “… dat de morele kwaliteit van een handeling uitsluitend afhangt van de gevolgen van dat handelen. Juist handelen is datgene doen waar, alles bij elkaar genomen, de beste situatie uit voortkomt.“ (Michael J. Sandel, Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze? pagina 42). Het utilitarisme gaat ervan uit dat een mens streeft naar zoveel mogelijk genot en zo min mogelijk pijn. Geluk is datgene wat tot genot leidt en pijn vermijdt. En als we dat voor een samenleving willen bepalen dan moeten we de individuele gelukssommen optellen. De intentie waarmee je handelt doet er niet toe, het resultaat wel. Als door mijn handelen, bijvoorbeeld het stelen van een zak appels, het totale geluk toeneemt, dan is dat stelen rechtvaardig. Een verdeling is, volgens het utilitarisme, rechtvaardig als die zorgt voor het grootste totale geluk.
Maar wat is geluk? Hoe meet je geluk, genot of pijn? Dit is het grote probleem van het utilitarisme. Met andere woorden, hoe meet je hoeveel geluk een kopje koffie brengt? En brengt een kopje koffie iedere keer evenveel geluk? Soms weet je van te voren wat de gevolgen ervan zijn, vaak ook niet. Ook het meten van pijn is problematisch. Hoeveel pijn iets veroorzaakt kan per persoon verschillen. Neem migraine. Als samenleving moeten we kiezen tussen een middel waarbij de patiënt minder aanvallen heeft maar wel zwaardere en langere en een ander middel waarbij die patiënt meer maar wel lichtere en kortere aanvallen krijgt. Welk middel wordt gekozen? Zou dat niet per patiënt verschillen?
Macaskill lost dit probleem op door te kiezen voor de QALY. Een oplossing die er op papier goed en gedegen uitziet. Kies zoveel mogelijk QALY’s per euro, zo luidt zijn advies. Maar is die QALY wel zo eenduidig? Voor jou als filantroop wellicht wel, je maximaliseert immers je QALY’s. Maar hoe zit het met de ontvanger van je hulp? Als jij als filantroop kiest voor ‘minder maar zwaardere aanvallen’ omdat de gemiddelde migrainepatiënt dat als het prettigst beoordeelt, wat doe je dan de patiënt aan die dit juist het meest ellendige vindt? Meest ellendig maar wel iets beter dan geen medicijnen. Hij heeft geen keus want die heb jij voor hem gemaakt. Hoe zou jij het vinden als een ander zo’n keuze voor jou maakt? Als je er geen weet van hebt dat er een andere mogelijkheid was, dan zul je blij zijn. Maar als je het wel weet, hoe zou je je dan voelen? QALY’s zijn gemiddelden en gemiddelden ontstaan juist door een samenspel van extremen.
Er is meer. Macaskill (pagina 46): “Suppose, hypothetically, we found that providing one guide dog (at the cost of $50,000) would give a 10% increase in reported well being for one persons life over nine years (the working life of the dog). That would be 0.9 WALY (Wellbeing-Adjusted Life-Year of een QALY maar dan eentje die welzijn meet/FK). And suppose that providing 5,000 books (at the cost of $50,000) provided a 0.001% increase in quality of life of 500 people for forty years. That would be 2 WALY’s. If we knew this, then we’d know that $50,000 on schoolbooks provided a greater benefit than spending ¢50,000 on one guide dog.” Rekenkundig is hier, afgezien van de vraag hoe je de percentages bepaalt, geen speld tussen te krijgen. Nu even naar het individu. De geleidehond zou tot een flinke verbetering van het leven van een persoon leiden. Het zou dat leven redelijk radicaal verbeteren. Zou hetzelfde opgaan voor een van die 500 mensen die tien boeken kreeg? Eenduizendste procent is niet veel. Het zou het leven van die persoon niet drastisch beïnvloeden en geldt hetzelfde niet ook voor de 499 andere personen? En denk nog eens terug aan de 60 jarige met 70% tevredenheid. De ene persoon zou kiezen voor 10 jaren erbij van 70%, een ander voor zestig jaar maar dan van 90%. Wat is hier de goede keuze?
Er is nog meer. En dat betreft het carrière-advies. Macaskill pleit vooral voor ‘earn to give’. Probeer zoveel mogelijk te verdienen, want dan kun je zoveel mogelijk geven op die effectieve en efficiënte manier (pagina 202): “Earning to give enables you to start having a significant positive impact via the most cost-effective organisations right from the beginning of your career.” Hij adviseert om een baan te kiezen waar je zoveel mogelijk verdient, bijvoorbeeld in de financiële sector of in de consultancy. Maar zit hier niet ook een andere kant aan? Welke schade richt je door het werk wat je doet aan? Stel je kunt het meeste geld verdienen bij een Private Equity fonds dat veel geld verdient in de wapenindustrie? Of bij een investeringsmaatschappij die vooral investeert in teerzand olie en andere milieuvervuilende activiteiten? Of je gaat als duur betaalde wetenschapper medicijnen ontwerpen die je werkgever, een grote farmaceut, vervolgens patenteert en duur verkoopt? Of bij een van de tech-bedrijven, bijvoorbeeld Facebook, zo’n bedrijf dat haar ‘klanten’ gebruikt om ze uit te melken? Zou dat geen schade opleveren die je eerst moet compenseren? Begint je liefdadigheidscampagne dan al niet met een schuld?
Macaskills voorstel lijkt gebaseerd op de Giving Pledge van enkele miljardairs onder aanvoering van Bill Gates. Op pagina 206 verwijst hij hier ook naar. Deze miljardairs hebben beloofd om de helft van hun vermogen aan liefdadigheid te besteden en proberen andere rijken ook zover te krijgen. Maar moeten die niet ook eerst beginnen met compenseren? Want hoe komen die nieuwe miljardairs als Zuckerberg, Gates, wijlen Jobs en vele anderen aan hun geld? Dat komt van doodnormale mensen. Mensen, die in het geval van Facebook, hun ziel en zaligheid (informatie) gratis beschikbaar stellen. Een model dat onder andere ook Google hanteert. En waar de eenvoudige gebruiker alles gratis moet doen. Vragen bedrijven als Microsoft van Gates en Apple van Jobs, niet flink geld voor hun producten en buiten ze zo hun bijna monopolypositie maximaal uit? Goed werkende programma’s worden plotseling niet meer ondersteund, omdat er een ‘verbeterde’ nieuwe versie is. Een versie waarvoor weer flink betaald moet worden. Versies die er vervolgens voor zorgen dat het apparaat niet meer goed draait en dus ook vervangen moet worden.
Nog op een andere manier beginnen deze miljardairs, maar ook de gevers van Macaskill, met een achterstand. Want misbruiken zij de belastingen niet voor hun filantropische uitstraling? Misbruiken door hun vermogen aan ‘liefdadigheid’ te schenken door het in een eigen stichting of bedrijf te zetten, en zo te onttrekken aan belastingbetaling. En wie moet daardoor meer belasting betalen? Juist, de rest die mag meebetalen aan de goedgeefsheid van de filantropen.
Bijzonder cru wordt het als Macaskill spreekt over de Sweatshops. De fabrieken waar mensen onder erbarmelijke omstandigheden veel uren werken voor weinig geld. Macaskill( pagina 160): “In developing countries, sweatshop jobs are good jobs. The alternative are typically worse, such as back-breaking, low paid labour, scavenging, or unemployment. The New York Times columnist Nicholas D. Kristof illustrated this well when he presented an interview with Pim Srey Rath, a Cambodian woman who scavenges plastic from dumps in order to sell it as recycling. ‘I’d love a job in a factory,’ she said. ‘At least that work is in the shade. Here is where it’s hot.” Inderdaad zijn er slechtere plekken om te werken, maar dat doet niets af aan de erbarmelijke omstandigheden in die sweatshops. Zeker niet als het in onze macht ligt om die te verbeteren. Want zou goede liefdadigheid niet kunnen beginnen bij wat minder t-shirt voor je geld? Zou dat geen betere vorm van liefdadigheid zijn dan deze mensen eerst ziek te laten worden bij het maken van onze t-shirts en ze vervolgens via liefdadigheid medicijnen te geven tegen die ziekte? Zou het niet beter zijn een eerlijke prijs voor het t-shirt te betalen, waardoor zij voldoende geld hebben om zelf hun leven vorm te geven?
Samenvattend
Macaskills benadering past heel goed bij de moderne manier van denken. Hij wil de grote en kleine filantroop handvatten bieden om zoveel mogelijk wel te doen voor hun geld. Hij redeneert hierbij wel heel erg vanuit de gever zelf, terwijl de wereld er voor de ontvanger heel anders uitziet. Dit is hem te vergeven omdat hij wel belangrijke punten maakt. Zo wordt er veel geld verspild aan zaken waarvan het nog maar de vraag is of ze enig effect hebben. Sommigen zouden zelfs wel eens een negatief effect kunnen hebben. Ook de Nederlandse heibel om de salarissen van managers stelt hij terecht in een ander daglicht. Dure managers die succesvolle programma’s organiseren konden hun geld wel eens meer dan waard zijn. Terwijl ‘vrijwillige’ managers van slechte programma’s wel eens heel duur konden zijn.
Waar hij echt uit de bocht vliegt, is bij zijn carrière-adviezen en dan vooral zijn advies om dan maar een baan te zoeken waar je heel veel kunt verdienen. Hij heeft hier in het geheel geen oog voor de schade die je kunt aanrichten in je jacht naar een zo hoog mogelijk inkomen.
Al met al biedt Macaskill een interessante manier om naar liefdadigheid te kijken. De vijf deelvragen die hij stelt als hij zoekt naar het antwoord hoe je het meeste waar voor je geld krijgt, zijn goede en terechte vragen. Alleen zou je bij het beantwoorden ervan verder moeten kijken dan de utilitaristische QALY-neus lang is. Het is één manier om te kijken, niet de enige. De keuze voor goede liefdadigheid ligt waarschijnlijk in de combinatie. Maar zou de beste keuze niet kunnen zijn, om zaken te doen met bedrijven die hun personeel goed behandelen en goed betalen? Betekent dat voor ons als consument niet het betalen van een eerlijke en rechtvaardige prijs voor producten? Is dat niet de manier om mensen in de ontwikkelingslanden zelf te laten kiezen hoe ze zich willen helpen? Dan kunnen ze zelf bepalen of ze een malarianet kopen, ontwormingspillen of schoolboeken.
Soms lees ik iets en dan denk ik: wat staat daar nu? Zoiets overkwam mij vandaag. Als jullie dit lezen is dat in ieder geval gisteren. Wat las ik? Bij TPO las ik een artikel over een man die in augustus vorig jaar in Naaldwijk politieagenten met een mes zou hebben belaagd. De man was, zo bleek, ontoerekeningsvatbaar en heeft meerdere psychische stoornissen. Tot zover is er niets bijzonders. Behalve dan voor de betreffen man. Maar dan: “Aanvankelijk werd gedacht dat Al S. mensen belaagde met een terroristisch oogmerk, onder meer omdat hij ‘Allahu akbar’ zou hebben geroepen.”
Dat was het moment dat ik dacht: wat staat daar nu? Mensen belagen met een terroristisch oogmerk? Van Dale omschrijft terrorisme als: “het onder druk zetten van een regering of bevolking door daden van terreur.”Terreur is, volgens dezelfde Van Dale “georganiseerd politiek geweld.” Door met een mes te zwaaien wordt de regering of de bevolking van een land onder druk gezet? En datzelfde zwaaien is georganiseerd politiek geweld? Hoe panisch ben je als je in dergelijke woorden spreekt over iemand die met een mes zwaait?
Maar wat belangrijker is, is dat de man met dat mes zwaaide met een terroristisch oogmerk. Was terrorisme zijn doel? Laten we er voor dit betoog eens van uitgaan dat de man niet verward was maar echt geloofde in de heilige oorlog van zijn geloof tegen anderen. Zou hij werkelijk met terrorisme en terreur als doel met dat mes zwaaien? Nu kun je van IS en vroeger ook van de ETA en de IRA veel zeggen, maar niet dat zij streden met terrorisme en terreur als doel. Hun doel was wat anders. Hun doel lag op het politieke vlak. Na een aanslag volgt steevast een verklaring waarin de dader of de groep die hij vertegenwoordigd uitspreekt dat de aanslag is gepleegd in de strijd tegen de ongelovigen, de bezetters van het land of voor het dichterbij brengen van ‘gods paradijs op aarde’ of de onafhankelijkheid van het eigen volk of land. Geen enkele strijder zal roepen: ik heb de daad gepleegd voor terreur of terrorisme.
Terreur is een middel dat kan worden ingezet om iets te bereiken. Een middel dat haar, zoals ik in Terrorisme schreef, te danken heeft aan een korte periode tijdens de Franse revolutie. Een middel dat door zowel de overheid als allerlei strijdgroepen kan worden gebruikt. In de strijd tegen de ‘paniek en angst’ zou het geen kwaad kunnen om zorgvuldig na te denken voordat we woorden als terreur, terrorisme en terrorist gebruiken
“Ik kijk uit naar de excuus/flauwekulverhalen van de pc-crowd. Want ze zullen iets moeten verzinnen nu Turkije doet waar verstandige mensen als ik al jaren om roepen — de creatie van een veilige zonein Syrië, waar Syriërs veilig kunnen leven.”Met deze passage beëindigt Michael van der Galien bij De dagelijkse Standaard een artikel over de Turkse president Erdogan die met Amerika een veilige zone van dertig kilometer in Syrië overeen schiet te zijn gekomen. En omdat die afspraak er is kunnen alle Syriers weg uit Turkije en volgens Van der Galien ook uit Europa en Nederland. Ondanks dat ik niet tot die ‘pc-crowd’, behoor, zie ik wel wat haken en ogen.
Als eerste kunnen de Verenigde Staten en Turkije wel iets afspreken met betrekking tot het grondgebied van Syrië? Zijn zij bevoegd om besluiten te nemen over het grondgebied van een ander land? Waarin verschilt het creëren en garanderen van een ‘veilige zone’ op het grondgebied van een ander land, van een bezetting? Met een beetje creativiteit kan Poetin de bezetting van de Krim dan ook wel verkopen als het ‘creëren van een veilige zone’. En wie belet Assad, als hij daartoe in staat zou zijn, om een veilige zone voor Koerden in Turkije te creëren. Of Mexico om een ‘veilige zone’ voor migranten in de Verenigde Staten te creëren? Zijn landsgrenzen en soevereiniteit alleen heilig als het in ons voordeel is?
Vervolgens het gemak waarmee ervan wordt uitgegaan dat we dat gebied vervolgens vol kunnen plempen met vluchtelingen. Hoe zit het met de bewoners van die zone? In die dertig kilometer wonen vooral Koerden en laat dat, volgens Erdogan, nu net terroristen zijn die moeten worden bestreden. Hoe goed zou die Turkse ‘veiligheidsgarantie’ voor hen uitpakken? Nee we ‘garanderen’ dat de vluchtelingen niets overkomt. Als Koerd die in die zone woont, zou ik er niet gerust op zijn als Erdogan met zijn leger mijn veiligheid kwam garanderen. Sterker nog, menig Turk voelt zich niet veilig in het Turkije van Erdogan.
Moeten die bewoners van dat gebied het maar gewoon slikken dat anderen vinden dat er meer dan vier miljoen mensen in hun leefgebied worden gevestigd? Een gebied dat door het oorlogsgeweld danig is verwoest en waar zij moeten sappelen om rond te komen.
Is ook aan Assad gevraagd of hij die ‘zone’ zal respecteren? Hoe moet ik me het samenspel voorstellen tussen de Syrische politie, het Syrische leger en die ‘garanderende troepen’? Of mogen er geen Syrische troepen in dat gebied komen? Is dat dan niet niet gewoon sprake van annexatie? Van hedendaags imperialisme?
Ik vraag me af of we blij moeten zijn met zo’n oplossing. Een oplossing die naar alle waarschijnlijkheid weer nieuwe ellende oproept.
Vooruitgang. “Het steeds beter worden van de toestand,” volgens Van Dale. Eeuwenlang speelde vooruitgang geen rol in het leven van mensen. Sterker nog, men dacht dat de zaak er alleen maar slechter op werd.
Voor de Griekse filosoof Plato die leefde in de vierde eeuw voor het begin van onze jaartelling was verandering slecht en rust goddelijk. Hij stond hierin niet alleen en borduurde voort op zijn vier eeuwen oudere voorganger Hesiodus. In zijn boek Werken en Dagen beschreef hij de geschiedenis van de mensheid in vijf geslachten. Als eerste het Gouden geslacht. Die leefden in luxe zonder al te veel te hoeven werken en waren geliefd bij de Olympische goden. Als laatste het IJzeren geslacht dat hard moest werken en verdriet kende. Ook de bijbel gaat uit van achteruitgang. Adam en Eva woonden immers in het paradijs alwaar het hen aan niets ontbrak. Dat viel allemaal weg na het eten van een appel. Vanaf dat moment moest de mens werken voor zijn levensonderhoud. Dan was je er als Boeddhist iets beter aan toe. Die gelooft in een oneindige keten van schepping en vernietiging waarbij alles zich naar verloop van tijd herhaalt. Een denken dat ook aan de film The Lion King ten grondslag ligt: ‘The cirkel of life’. Pas vanaf de zestiende eeuw, het begin van de moderne tijd, begonnen mensen te denken in termen van vooruitgang. Niet alle mensen, het denken in vooruitgang was typisch iets West Europees en met name voor de meer geletterden en die ook weer niet allemaal.
Stilstand was eeuwenlang vooruitgang. Tenminste als je het voorkomen van achteruitgang, vooruitgang noemt. Voor de conservatieve stromingen in de politiek geldt dat nog steeds. Baudet wil het liefst terug naar de negentiende eeuw, Wilders lijkt de jaren vijftig te idealiseren. Al weet ik niet of hun beeld van het leven in die tijd overeenkomt met het werkelijke leven in die tijd. Nadeel van vooruitgang is immers dat het heden steeds minder op het verleden lijkt.
In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid redeneert de historicus Yuval Noah Harari ook op z’n Plato’s om het zo te zeggen. Hij beschrijft de uitvinding van de landbouw ook in termen van achteruitgang. Hij noemt het: “De grootste zwendel van de geschiedenis.” Een zwendel omdat de mens, volgens Harari, als landbouwer veel harder moest werken, voor een veel minder gevarieerd voedselpatroon en met grotere risico’s op hongersnood.
Voor mezelf sprekend, ik zou niet willen ruilen met die jager-verzamelaar. Je hele leven rondtrekken. Wonen in hutjes en grotten. Niets voor mij, ik hou niet van kamperen. Geef mij maar de geneugten van de vooruitgang. Een huis, gezondheidszorg, technisch hulpmiddelen, een auto waarmee ik grotere afstanden kan overbruggen, alle kennis over het ontstaan van het leven. We weten nu veel meer. Maar toch. Zou ik bepakt met al die kennis overleven in de prehistorie? Ik denk dat de overlevingskansen van de prehistorische jager-verzamelaar in het heden, groter zijn.
Terrorisme is een bijzonder onderwerp. Hele volksstammen zijn bang voor een ‘aanslag’ terwijl je meer kans loopt om door een auto omver gereden te worden. Of, bij wijze van spreken want dat is bij mijn weten niet onderzocht, te overlijden door een val van een keukentrap.
Ik heb de afgelopen tijd verschillende Prikkers aan dit onderwerp gewijd. De serie Wat was en IS in vier delen alwaar ik de wereld schetste waarin IS kon opkomen en Terrorisme waarin ik de bijzondere gedaantewisseling van de overheid van dader naar slachtoffer beschreef. Vandaag weer een want je leest soms bijzondere dingen zoals een stukje van Wout Willemsen bij De Dagelijkse Standaard.
Willemsen beschrijft het door GeenStijl gelichte ‘doopceel’ van journaliste Ans Boersma die kortgeleden uit Turkije is gezet. Hij verbaast zich over het journalistenwereldje dat Boersma in bescherming lijkt te nemen. In het artikel de volgende passage: “Niet alleen geeft ze op haar blog toe dat ze, vlak voor de aanslagen op Charlie Hebdo, verliefd is geworden op een Arabier en een Syriër uit Saudie-Arabië als lifter meenam, ze schrijft ook nog eens: ‘Dat het lijntje tussen vrijheidsstrijder en terrorist zo dun is, fascineert mij. ‘t Zijn beide mensen namelijk, maar in plaats van dat onder ogen te zien, distantiëren we ons met krachttermen.’”
Over het suggestieve deel, dat het toegeven van verliefd zijn op iemand en het meenemen van een Syriër voor de aanslag op Charlie Hebdo niet hetzelfde is als instemmen met gruweldaden, wil ik het niet hebben. Het gaat mij om de verontwaardiging van Willemsen over Boersma’s uitspraak dat het lijntje tussen vrijheidsstrijder en terrorist dun is. Boersma heeft immers een punt.
Of iets als terrorisme wordt gezien, hangt af van het standpunt dat je inneemt. Neem de Vietcong. Die verzetten zich tegen het door de Verenigde Staten gesteunde dictatoriale bewind van Zuid-Vietnam. In de ogen van dat bewind én de Verenigde Staten, waren het terroristen. De Noord-Vietnamezen en vele anderen, dachten daar anders over. Saddam Hoessein kon de verzet plegende Koerden met recht en rede terrorist noemen, velen in de wereld dachten er anders over. Dat zou Assad nu trouwens ook kunnen doen.
Zou het niet verstandig zijn om het woord terrorist en terroristische organisatie niet meer te gebruiken? Laten we de mens van de daad scheiden. Daden van terreur kunnen worden begaan door mensen in de hoedanigheid van vrijheidsstrijders, fanatieke aanhangers van een geloof of ideologie, maar ook door, al dan niet gesanctioneerd, door legers, politie-agenten en andere vertegenwoordigers van de overheid. Het zijn en blijven mensen die daden van terreur begaan. De terreurdaad maakt van hen niet ineens een aparte ‘soort’.
Op weg van werk naar huis zat ik wat langer in de auto dan normaal. De sneeuwvlokken maakten dat het allemaal wat minder snel ging. In mijn autootje zat ik te luisteren naar een reportage over terugkeer van Syrische vluchtelingen. Aanleiding voor de reportage waren uitspraken van de Libanese president Aoun. Aoun vond de situatie in Syrië veilig genoeg voor de terugkeer van de vluchtelingen. In de reportage werd in twijfel getrokken of het land werkelijk veilig is. Om de eventuele veiligheid van Syrië gaat het mij niet. Het gaat mij om een uitspraak van de migratie- en vluchtelingenwoordvoerder van de VVD, Malik Azmani. Volgens Azmani is het een plicht van vluchtelingen om terug te keren en hun land weer op te bouwen.
Nu is Azmani niet de enige politicus die beweert dat vluchtelingen na een oorlog weer terug moeten om ‘hun land’ op te bouwen. Er zullen vast ook vluchtelingen zijn die graag weer teruggaan en weer aan een nieuwe toekomst in hun moederland gaan bouwen. Of dat een plicht is, waag ik toch zeer te betwijfelen. Een land waar jouw veiligheid en die van je bezittingen niet kon en nog steeds niet kan worden gegarandeerd. Een land waar een deel van de bevolking in opstand kwam tegen de heerser. Een opstand die uitmondde in een burgeroorlog. Een burgeroorlog waarbij alle westerse regeringen de kant van de opstandelingen kozen, dus tegen die heerser, maar geen enkele regering de daad werkelijk bij het woord durfde te voegen. Een keuze die mede heeft geleid tot de vluchtelingenstroom.
Een land waar door de chaos die daardoor ontstond de barbaren van IS konden huishouden. Want zoals al eerder geschreven, leven groepen als IS van chaos en geweld. Die barbaren moesten natuurlijk wel worden bestreden. Daarbij koos iedere ‘macht’ zijn eigen partner. Hierdoor vielen door de regering, rebellen, Amerikaanse, Russische, Iraanse, Israëlische, Nederlandse en vast ook nog van andere landen geworpen bommen op je dak. Een land waar wereld- en regionale machten hun wedstrijdje ver plassen houden en hielden. Het Israëlische bombardement op Iraniërs in dat land is slechts een laatste voorbeeld hiervan. Een voorbeeld uit een rij waarin ook de Turkse operatie ‘Olijftak’ een prominente plek inneemt. Een land waar jij toevallig geboren bent en waar door al die partijen voor miljarden aan kogels en bommen is verschoten, daarvan heb jij de plicht om het weer te gaan opbouwen?
Het is nogal wat om als Nederlandse politicus tegen een Syriër die huis en haard moest verlaten en tegen betaling van veel geld en via al die ‘humane’ kampen in Turkije en Griekenland naar hier is gekomen, te zeggen: ga maar weer terug, wij gooien geen bommen meer dus is het veilig. Als Syrische vluchteling zou ik dan aan Azmani com suis vragen: “kan ik dan op eenzelfde bedrag voor die wederopbouw rekenen als jullie hebben besteed aan het vernietigen van mijn vaderland?”
“SCHANDALIG.” Dit woord twitterde Forum voor Democratie opperhoofd Baudet, zo lees ik bij Elsevier. Wat is er zo schandalig? Wel dat kamp Westerbork van 15 op 16 juni de start van de Nacht van de Vluchteling plaatsvindt. Ook Eddo Verdoner, de voorzitter van het Centraal Joods Overleg vindt dat geen goed idee: “Vooropgesteld, ik heb sympathie voor de Stichting Nacht van de Vluchteling, maar de nagedachtenis aan de Holocaust hoort niet te worden ingezet voor andere zaken.” een sponsor vindt hij ongepast omdat: ‘In de jaren veertig zijn Joden vergast, vermoord, terwijl veel vluchtelingen juist met open armen worden binnengehaald.” Elsevier wil graag weten wat wij ervan vinden. Bij deze.
In het artikel komt ook Dirk Mulder aan het woord, de directeur van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Mulder haalt aan dat het kamp in 1939 is geopend als opvangplek voor joodse vluchtelingen die het Deutsches Reich van Hitler ontvluchtten. Sterker nog, de bouw is betaald door joodse Nederlanders. De eerste bewoners waren dus vluchtelingen uit Duitsland en dit jaar is het zeventig jaar geleden. Maakt dat alleen al het gebruiken van het kamp om aandacht te besteden aan vluchtelingen niet een zeer goede te verdedigen keus?
Als we vervolgens de naoorlogse periode bezien dan werd het kamp direct na de oorlog gebruikt om collaborateurs met de Duitse bezetters in op te sluiten. Toen dat besluit werd genomen, zaten de joodse gevangen nog in het kamp. Daarna werd het een kamp voor militairen op doorgang naar en terugkomend uit de koloniale oorlog in Nederlands Indië. Een oorlog die in Nederland eufemistisch met ‘politionele acties’ werd aangeduid. In 1950, werd het kamp gebruikt als repatriëringkamp voor Indische Nederlanders en werd het omgedoopt tot woonoord Schattenberg. Een jaar later moesten die Indische Nederlanders gedwongen het kamp alweer verlaten voor een nieuwe groep bewoners, de Molukkers die in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) hadden gediend. Tijdelijk, zo was de idee van Nederland en de Molukkers, want ze zouden teruggaan naar een vrije Molukse staat. Alleen kwam die er niet en tot begin jaren zeventig hebben er Molukkers in het kamp gewoond.
Maakt deze hele geschiedenis van het kamp niet het juist de uitgelezen plek om aandacht te besteden aan vluchtelingen? Op de collaborateurs en de militairen na, heeft het kamp de gehele naoorlogse periode tot de sloop gediend als kamp voor vluchtelingen. Maakt zelfs de functie als concentratie en doorgangskamp in de Tweede Wereldoorlog het niet juist de geschikte plek om de Nacht van de Vluchteling te houden? Beste meneer Baudet en andere. Laat die periode immers niet zien welke SCHANDALIGE zaken er kunnen gebeuren als je niet kunt vluchten? Als grenzen ondoordringbaar worden? Als vluchtelingen niet meer welkom worden geheten?
Met een artikel waarin Johannes Vervloed pleit voor lagere belastingen als aanleiding, schreef ik twee artikelen met als titel de Homo economicus en belastingen. Het laatste artikel eindigde ik met de aankondiging dat in een volgende deel ik op zoek zou gaan naar alternatieven voor de markt.
De economie staat centraal in onze huidige samenleving. Naar mijn mening te centraal. Natuurlijk is de economie belangrijk voor de samenleving maar ze zou meer moeten zijn dan alleen de economie waartoe ze tegenwoordig beperkt lijkt te zijn. Onze samenleving is doordrenkt van de neoliberale kijk op de economie. Dat is niet altijd zo geweest en is ook niet hetzelfde in ieder land of samenleving.
Onze verre voorvaderen, de jagers en verzamelaars wisten niets van een vrije markt. Ze leefden in kleine zelfvoorzienende groepen. Groepen die de buit samen verdeelden en soms, als ze een andere groep tegenkwamen, misschien iets ruilde. Toen onze voorouders zich bedreven in de landbouw, bleven ze met name voor eigen gebruik produceren en ruilden ze spullen met anderen. In hun leven speelde de markt hooguit een heel kleine bescheiden rol.
In zijn boek The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time beschrijft Karl Polanyi een onderzoek onder traditionele samenlevingen. Uit dit onderzoek blijkt dat voor het overleven van een samenleving het onderhouden van sociale banden cruciaal is. “First, because by disregarding the accepted code of honor, or generosity, the individual cuts himself off from the community and becomes an outcast; second, because in the long run, all social obligations are reciprocal, and their fulfillment serves also the individual’s give-and-take interest best .” Volgens Polanyi (pagina 48-49) zijn de wederkerigheid en herverdeling cruciaal voor het voortbestaan van een traditionele samenleving en zijn deze principes niet primair verbonden met de economie. Deze zorgen voor tevredenheid in het dorp of binnen de stam. Wederkerigheid werkt in traditionele samenlevingen volgens Polanyi vooral: “… in regards to the sexsual organisation of society, that is family and kinship”. Herverdeling: “… is maily effective in respect to all those who are under a common chief and is, therefore, of a territorial character.” Wederkerigheid, herverdeling zijn volgens Polanyi, en daarin volg ik hem, nodig om een goed functionerende samenleving te hebben en de markt is niet bij voorbaat het meest passende instrument om hierin te voorzien. Pas via de ruil was de gemeenschap of stam verbonden met andere gemeenschappen. Dit is de manier waarop wij mensen eeuwenlang succesvol hebben ge- en overleefd. Niet door ons eigenbelang na te jagen en er het maximale voor onszelf uit te halen, maar door te geven en daardoor ook te krijgen van elkaar. Dit zowel binnen het huishouden, als binnen de stam, dorp of gemeenschap. Met het groter worden van de sociale verbanden en het toenemen van contacten tussen de sociale verbanden, is ruil steeds belangrijker geworden. En bij ruil neemt de markt een steeds belangrijkere rol in.
Pas aan het einde van de Achttiende eeuw kreeg de markt een steeds grotere rol. Pas toen de gemene gronden, de gronden voor gemeenschappelijk gebruik. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruikmaken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het gebruik van de gemene gronden zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.
Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren. De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele Enclosure acts. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten deze graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets.
Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang, zoals de populaire theorie van Gareth Hardin. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud. De kant wordt door Karl Polanyi treffend omschreven (pagina 37): “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.” Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er zo voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en maakte zo de industriële revolutie mogelijk.
Achterhuis en Koning borduren in hun boek De kunst van het vreedzaam vechten voort op het werk van Polyani. In hoofdstuk zestien van dit boek, getiteld De vrede van de markt beschrijven zij zes vormen van toe-eigening, zoals zij het noemen. Zes manier waarop iemand iets kan verwerven en dat zijn (pagina 406-412):
1. De individuele productie. Dat wat het individu zelf maakt, produceert, jaagt of verzamelt. Aangezien de mens van nature een ‘groepsdier’ is, is deze vorm van verwerven niet zo belangrijk als we zouden denken.
2. Toedeling. Met het groter worden van de sociale verbanden, een bundeling van stammen of huishoudens, maakte een aanvullende manier van verwerven nodig. Een manier passend bij de hiërarchische samenlevingsvorm. Dat is toedeling geworden een vorm waarbij de hoogst geplaatste toedeelt aan de lager geplaatsten. Tussen hoogste en laagste kunnen meerdere niveaus zitten waarbij het hogere niveau steeds toedeelt aan het lagere. De tegenprestatie bij toedeling bestaat uit onderwerping. De auteurs zien planeconomie als een moderne variant van toedeling.
4. Schenking. Met het nog groter worden van de wereld komen deze sociale verbanden in aanraking met aangrenzende sociale verbanden. Dit kan leiden tot gewelddadige en destructieve vormen van toe-eigening bijvoorbeeld oorlogen en andere soorten van geweld. Een vreedzame manier van toe-eigening wordt gevormd door de schenkingsrituelen en bruiloften. Hiermee wordt een band gecreëerd tussen schenker en ontvanger. Met een schenking ontstaat een blijvende relatie, een verplichting, tussen de twee partijen. De relatie wordt verzwaard.
5. Handel. Kenmerk van ruil is dat de beide partijen in de ruil gelijk zijn en er geen verplichting of verzwaring ontstaat in de relatie. Handel vindt plaats op de markt.
6. Roof. Daar waar er bij de eerste vijf vormen van toe-eigening voordeel is voor alle betrokken partijen, is dat bij roof niet het geval. Roof is het verwerven ten kosten van anderen.
Een bijzondere manier van verwerven. Robin Hood die steelt van de rijken en geeft aan de armen. Bron: Geograph
De markt is tegenwoordig de dominantste vorm van toe-eigening. Dit heeft gevolgen voor alle vormen van toe-eigening (Achterhuis en Koning pagina 414-415): “De motivatie van de marktsfeer ten opzichte van de andere praktijken van behoeftevoorziening heeft ook een zekere vermenging teweeg gebracht van de mechanismen die in elke kring heersen,” en dat verandert de markt: “Markten hebben namelijk een aantal van de cruciale kenmerken van de verdrongen ordeningskringen in zich opgenomen.” Zo is de individuele productie die vroeger was gericht op de eigen behoeften, bijna volledig gericht op behoeften van anderen in ruil voor geld waarvoor de arbeider dan in zijn eigen behoeften kan voorzien. Daar komt bij dat arbeid steeds meer een intrinsieke waarde heeft voor de arbeider: arbeid moet voldoening schenken en bijdragen aan de ontplooiing van het individu. Bedrijven zijn tegenwoordig meer dan plaatsen waar wordt geproduceerd. Onderlinge relaties, gezelligheid en de bedrijfscultuur zijn belangrijk geworden, dit waren de kenmerken van het huishouden.
Zes manieren om iets te verwerven waarbij vanuit een individu geredeneerd, de afstand tot de ander groter wordt. Bij de eerste, de individuele ontplooiing is er geen andere en bij het andere uiterste, de roof, doet de ander er niet toe. In de kleine groepen waarin onze verre voorouders leefden, was er een direct band tussen de gever en ontvanger. De leider van groep deelde toe. Schenker en ontvanger kenden elkaar en het geschenk had als doel om een band te creëren. Een dergelijke persoonlijke band is in onze huidige samenleving niet meer mogelijk. De zeventienmiljoen Nederlanders kennen elkaar niet persoonlijk en de rol van het stamhoofd is door de overheid overgenomen. Belasting kun je zien als een manier om enkele van die oudere vormen van verwerving, denk aan schenking en toedeling, vorm te geven.
Achterhuis en Koning zien de grens tussen economische en sociale belangen vager worden. Het wordt niet meer geaccepteerd dat alles om winstmaximalisatie draait. Op de markt wordt meer geschonken dan we denken. Zij zien dat de markt toch elementen van verplichting en verzwaring krijgt. De andere sferen hebben ook wat van de markt overgenomen. De andere sferen zijn, in hun woorden, horizontaler geworden (meer gelijkheid en vrijheid). In mijn ogen is er meer dat de andere sferen en dan vooral de schenking en toedeling (of in de termen van Polanyi de wederkerigheid en herverdeling) van de markt hebben overgenomen. Als we ons sociaal stelsel zien als een vorm van wederkerigheid en herverdeling dan zien we dat hiervoor steeds vaker een tegenprestatie wordt gevraagd, voor wat hoort wat en dat is een kenmerk van ruil en dus de markt.
De markt vormt volgens Achterhuis en Koning (pagina 413): “… de laatste dam tegen roof, het is de maximaal haalbare vorm van exterioriteit zonder dat men ten prooi valt aan vormen van geweld.” De vormen van verwerving vermengen zich en in de eerste vier heeft marktdenken een belangrijke plek verworven. Als we kijken naar de manier waarop een groot deel van de machtige bedrijven opereren, wordt handel, de markt, dan niet steeds meer overgenomen door roof? Tot deze vorm van toe-eigening horen ook slavenhandel, dwangarbeid en kolonisatie. Dit zijn geen activiteiten uit alleen het verleden. Behoort bijvoorbeeld ook het verkopen van risicovolle financiële producten zoals woekerhypotheken aan mensen die deze niet begrijpen tot roof? Of zoals de auteur het beschrijven: “In moderne samenlevingen zijn verfijndere vormen van roof ontwikkeld, die dan worden toegepast in relatie tot mensen die er niet toe doen, mensen die als dom, lui of kortzichtig worden beschouwd door de ‘slimmeriken die hen oplichten.” Hoewel Achterhuis en Koning hier niet over reppen, kan ook milieuvervuiling van welke soort worden gezien als een vorm van roof. Hiermee wordt immers iets afgenomen van onze kinderen en kleinkinderen. Wat te denken van allerlei constructies om geen belastingen te geven te betalen? Is dat niet ook verwerven ten kosten van anderen?