De bekrompenheid van Peter de Waard

Misschien is het een idee voor Geert Wilders (uit Venlo) om samen met Frans Timmermans (uit Maastricht) het btw-gat te vullen door carnaval te verbieden. Een mooie polonaise Hollandaise.” Met die woorden eindigt de column Is carnavalseconomie een lust of een last?van Peter de Waard in de Volkskrant. Een bijzondere vraag in een om meerdere redenen bijzonder artikel.

De Waard begint met de constatering dat: “half februari 1975 (…) maar liefst zeven carnavalshits,”in de top -40 stonden en dat: “Die platen (…) ook massaal (werden) verkocht boven de grote rivieren.”De Waard geeft een opsomming van enkele van die ‘hits’ en vervolgt met: “Een hit was verzekerd, hoe stompzinnig de tekst ook was. Dat laatste is niet veranderd. ‘Een goed carnavalslied heeft een onzintekst’, zei het duo Pap en Pudding vorig jaar in deze krant. … Maar scoren…ho maar. Geld wordt er niet meer mee verdiend. In de huidige top-40 staat eigenlijk geen enkele carnavalshit meer, of je zou het nummer Blikkendag (een ode aan de Volendammer kermis) daartoe moeten rekenen. Voor de muziekindustrie is carnaval inmiddels een non-event.” En dan komt hij bij zijn punt: “ook voor de nationale economie wordt de economische waarde van het drink- en hosfeest betwist. SEO Economisch Onderzoek berekende in 2018 dat carnaval de Nederlandse economie elk jaar tussen de 1 en 2 miljard euro kost. …Volgens SEO gaat hierdoor in Limburg en Noord-Brabant 2,5 productiedag verloren – inclusief het ziekteverzuim door katers. Dat is voor die dagen een verlies van tussen de 15 en 30 procent van het bbp.”

En nu even voor De Waard. Als eerste, het nummer Blikkendag. Dat nummer is een cover van een echt Vastelaovesleedje met als titel Vandaag van het Venlose trio W-Dreej. Het zou De Waard sieren als hij de tekst van dat nummer eens zou lezen. Dan zou hij meteen zien dat een Vastelaovesleedje alles behalve een stompzinnige onzintekst heeft’. Niks geen ‘worstjes op de borstjes’ en ‘Willempies’. Het beste voorbeeld daarvan is het Vastelaovesleedje As de sterre dao baove Straoledat ook een ‘Nederlandse vertaling’ heeft gekregen. Het nummer is geschreven door Frans Boermans, een van de grootste Venlose liedjesschrijvers en vader van regisseur Theu Boermans. In de rest van Nederland is het nummer bekend als Als de sterren daar boven stralen uitgevoerd door Duo Onbekend of door Marianne Weber. Zowel in de Venlose als de Nederlandse versie betreft het een liefdeslied. De Venlose versie heeft echter veel meer lagen dan de Nederlandse.

Als de sterren daarboven stralen. En als de maan hoog aan de hemel lacht. Wil ik elke keer weer herhalen. Wat ons voorgoed, toen samen heeft gebracht. Dan denk ik terug aan onze eerste prachtige uren. Dat jij beloofde, dat dit een eeuwigheid zou duren. Als de sterren daarboven stralen. Weet dat de maan, dan altijd naar ons lacht” Aldus her refrein van de Nederlandse versie. Stralende sterren en een lachende maan, dit kan zich overal op de wereld afspelen. In de Venlose versie is dat anders. “As de sterre dao baove Straole,en as de maon dao baove Haerunge hingk. En dan örges in’t greun verschaole, de nachtegaal ein leefdesleedje zingk. Dan wil ik wandele nao Schandele mit mien maedje. Zitte kösmoele beej de Venkoele naeve ’t paedje. As de sterre dao baove Straole,en as de maon dao baove Haerunge hingk.” Dat kan niet over al. De, in de Nederlandse versie lachende maan, hangt hier op een specifieke plek, Namelijk boven het naburige Duitse dorp Herongen, in het dialect Haerunge. En ja, de sterren stralen ook in deze versie, zo blijkt uit de openingszin. Maar ze stralen op een specifieke plaats, namelijk boven het naburige Duitse stadje Straelen, in het dialect Straole, een waaord dat ook stralen betekend. De twee geliefden zitten op een specifieke plek namelijk bij de een gebied dat het Zwarte water heet en in Venlo en omgeving de naam Venkoele draagt. Die plek ligt aan de weg tussen het Venlose buurtschap ’t Ven en het buurtschap Schandelo. Op die plek zie als de omstandigheden gunstig zijn, links boven sterren stralen boven Straelen en rechts de maan boven Herongen hangen. En met nog meer geluk zingt dan de nachtegaal die ergens in het groen verscholen zit, een liefdeslied. Tot zover ‘stompzinnig onzinteksten. Het ware goed dat iemand die zich een mening vormt over Vastelaovend zich er ook eens in verdiept in plaats van vanachter de Hollandse Waterlinie onzin te debiteren.

Dat is echter nog niet het meest storende aan de column van De Waard. Hij rept over ‘de kosten’ die tussen de 1 en 2 miljard bedragen en de verloren tweeënhalve productiedag die op die dag leiden tot tussen de 15 en 30 procent verlies aan bruto binnenlands product. Zou hij zich realiseren dat die tweeënhalve verloren productiedag gewoon opgenomen vakantiedagen zijn? Dagen die ook besteed hadden kunnen worden aan bijvoorbeeld ‘lange latten met skihut’. Iedere vakantiedag is productieverlies wanneer die ook wordt opgenomen. Ik hoor De Waard echter niet pleiten voor het afschaffen van vakantie. En als hem die ‘verloren productiedagen’ zo aan het hart gaan, dan kan hij zijn blik beter richten op Koningsdag. Die ene dag komt qua productieverlies op ongeveer eenzelfde bedrag uit als twee dagen Vastelaovend. En daar staan geen mooie liedjes tegenover.

Het meest stompzinnige aan De Waards column is het wereldbeeld dat eruit blijkt. In dat wereldbeeld leeft een mens om te werken. Niet werken is immers productieverlies. Een erg bekrompen en beperkte kijk op het leven. Als dat de wereld achter de Waterlinie is, dan heb ik nog een extra reden om blij te zijn dat ik in Venlo woon en vastelaovend kan vieren zonder me zorgen te hoeven maken over ‘verlies aan bbp’.

X en de vrijheid van meningsuiting

“Als er één gouden regel is voor het behoud van de democratie, is het wel dat de controle op informatie nooit in handen mag zijn van de macht.” Daar ben ik het van harte mee  eens. Maar dat is dan ook de enige zin in het hele betoog van Maaike van Charante bij De dagelijkse Standaard waar dat voor geldt. Volgens Van Charante is onze vrijheid en dan vooral de vrijheid van meningsuiting, in gevaar. Gelukkig, aldus Van Charante, is daar Elon Musk die gaat de strijd aan. Oorlog tegen Musk’s X bedreigt onze vrijheid, zo luidt de titel van haar schrijven. Musk en de vrijheid van meningsuiting?

bron: Flickr

“In het ideale geval zouden de media de macht moeten controleren,“ aldus Van Charante. “(I)n de praktijk weet de macht vaak de media te controleren,” zo vervolgt ze. En: “Dit geldt zeker voor de oude media, waarvan het grootste deel op een ongezonde manier verweven is met het establishment, en alleen over de ‘juiste’ onderwerpen – zoals klimaat, racisme, LHBTIQ+ – opstandige geluiden laat horen. Alleen al de voorkeursbehandeling die deze ‘rebellen’ krijgen, zegt genoeg.”  Maar: “De komst van internet maakte dat ons establishment minder controle op de informatiestromen had. De ‘verkeerde’ opstandige geluiden – zoals over stikstof, corona, immigratie – kregen meer aandacht dan de gevestigde orde leuk vond.” Als ik naar de Nederlandse journalistieke media kijk, dan zie ik op tv een keur aan omroepen met ON als ene uiterste en Zwart als andere, die allemaal hun eigen geluid laten horen. Hetzelfde geldt in iets mindere mate voor de geschreven pers.

Als ik kijk naar ‘de verkeerde opstandige geluiden zoals over stikstof, corona en migratie’, dan is er een keur aan geluiden en tegengeluiden te horen. Dit laatste tot in het absurde. Zo besteedde de Volkskrant in 2022 vijf pagina’s aan Michel Reijinga’ een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken en de drijvende kracht achter Nederland in Verzet een club die zich stevig roerde rond corona. En ook ander ‘voorvechters’ van andere geluiden, zoals Maurice de Hond en de onvermijdelijke Willem Engel konden op veel aandacht rekenen. En via de verslagen van de vele protesten kwam hun boodschap bijna dagelijks tot ons. Voor wat betreft stikstof en immigratie vraag ik me af wat  het ‘verkeerde opstandige geluid’ is dat de media zouden moeten brengen? ‘De grenzen moeten dicht’ kan dat niet zijn, die boodschap kun je bijna dagelijks horen. Dat is tegenwoordig , om een oude term te hergebruiken, de politiek correcte mening. Voor zaken rond stikstof en milieu is dit in iets mindere mate het geval. Elk journalistiek medium heeft tegenwoordig een lezerspannel en een rubriek waarin de ‘gewone mens’ aan het woord komt. 

“Hoe bent u bij dit artikel terecht gekomen?,” die vraag stelt Van Charante in haar artikel en ze geeft als antwoord: :”Grote kans dat u het hebt gevonden via X, voorheen Twitter. Hoe komt u verder aan uw nieuws? Voor hoe langer hoe meer mensen geldt: via internet. Natuurlijk volgen velen (ook) nog de oude media – kranten, tijdschriften, radio en televisie – maar internet wint steeds meer terrein.”  X  en andere sociale media vergelijken met de Volkskrant of het NOS journaal is echt vergelijken van appels met peren. Mensen die dat doen proberen je knollen voor citroenen te verkopen. Ik geloof, nee ik weet het zeker, dat is die combinatie van uitdrukkingen die ik al vaker heb gebruikt.

We noemen bijvoorbeeld X en Facebook sociale media. De Volkskrant, NRC en de NOS noemen we ook media. Het zijn ook allebei media in de zin dat ze dienen: “tot overdracht van informatie.” Een van de drie betekenissen die de digitale Van Dale geeft voor het woord. Het zijn, om de eerste betekenis aan te halen “hulpmiddelen.”  De tweede betekenis, een “persoon door wie een geest zich uitspreekt,” laat ik hier even als niet relevant, buiten beschouwing. Bij het zijn van ‘een hulpmiddel dat dient tot de overdracht van informatie’ houdt de vergelijking tussen de sociale media en het Algemeen Dagblad, de Telegraaf en de RTL nieuws op. Het zijn met alle respect voor hun bedrijfsmodellen, digitale prikborden waar iedereen een bericht op kan achterlaten en anderen die berichten kunnen lezen. Ja, het zal best dat regeringen zich ergeren aan de bagger en halve waarheden en onwaarheden die mensen op dat ‘prikbord’ plaatsen.

Leugens en halve waarheden kunnen leiden tot werkelijke ellende. Neem de vermeende kindermoorden van Pizza-gate en dichterbij huis de Bodegravenzaak. Berichten waarvan ik me zeer goed kan voorstellen dat iemand wil dat ze verwijderd worden en waarvan voorkomen wordt dat iemand ze in de toekomst nog op die ‘prikborden’ hangt. Dat heeft echter niets te maken met het beperken van iemands vrijheid in het algemeen en de vrijheid van meningsuiting in het bijzonder. Zo kan ik mij ook goed voorstellen dat een overheid in tijden van bijvoorbeeld een pandemie liever ziet dat berichten waarin ondeugdelijke en zelfs gevaarlijke middelen als remedie worden aanbevolen, worden verwijderd. Liever nog, niet worden geplaatst. Als overheden dat niet doen en er sterven mensen door het gebruik van die gevaarlijke middelen, dan zou het spreekwoordelijke huis te klein zijn.

Facebook en X bedrijven in tegenstelling tot de genoemde kranten en Nieuwsrubrieken geen journalistiek. Ze hebben geen journalisten in dienst die verslag doen van gebeurtenissen, die op zoek gaan naar achtergronden en oorzaken bij gebeurtenissen en die zo in perspectief proberen te plaatsen. Iemand plaatst er zijn idee dat er kinderen worden misbruikt onder een pizzeria. Omdat het om kinderen gaat en het zo absurd lijkt, wordt het veel gelezen en omdat het veel wordt gelezen wordt er waarde aan gehecht.  Een ontkenning door de eigenaar van de pizzeria, de politie, eventueel een burgemeester en echte journalisten die dit onderzoeken wordt niet geloofd. Die zitten immers in het ‘complot’. Ze horen bij ‘de elite’ en die is per definitie niet te vertrouwen. Dit geheel in de doorgeschoten postmoderne traditie. Voor postmodernisten is de realiteit een sociale constructie is, een verhaal in een bepaalde taal, tijd en plaats. Als je hierin doorschiet dan is ieder verhaal even ‘waar’ en geldig. Of makkelijker gezegd: dat iedereen zijn eigen waarheid heeft en dat wetenschap ook maar een mening is[1].

“Wij beseffen vaak te weinig hoe cruciaal deze vrijheid(van meningsuiting) is. We maken ons druk om allerlei zaken, maar zonder vrijheid van informatie weten we niet eens wat er fout gaat, en zonder vrijheid van meningsuiting kunnen we geen steun voor verandering verwerven. Vraag u even af wat het zou betekenen voor de zaken die u belangrijk vindt als de EU erin zou slagen om X onder controle te krijgen.” Zo schrijft Van Charante. Inderdaad is de vrijheid van meningsuiting cruciaal. Maar… . Zonder X wordt niemand belemmerd bij het uiten van zijn of haar mening. Want ook voordat er X was, hadden we de vrijheid van meningsuiting. Er vervalt alleen een van de ‘prikborden’ waar je je mening op kunt uiten. Er zijn echter nog voldoende andere manieren. Er is nog een keur aan andere ‘digitale prikborden’. Maar je kunt ook net zoals de Ballonnendoorpikker een eigen site beginnen en daar je mening uiten of een podcast beginnen. Je kunt naar Speakers corner gaan in het Londense Hyde Park of een soortgelijke plek in een ander land en daar je verhaal doen. Je kunt brieven en artikelen naar kranten, politici en naar iedereen die je wilt, schrijven. X verzorgt geen inhoud, geen mening. Dat zou heel anders zijn als De Telegraaf of de Volkskrant aan banden zouden worden gelegd. Die verzorgen inhoud, meningen. Die aan banden leggen, beperkt de vrijheid van meningsuiting.

Digitale prikborden dus waar je gratis gebruik van kunt maken en als het gratis is, ben jij het product. Ooit begonnen met een ‘verheven ideëel doel’, zoals bij Facebook het makkelijk contact onderhouden met vrienden, is het doel nu geld te verdienen door reclame te verkopen. Reclame die vervolgens door jouw strot wordt geduwd. Het zijn daarmee als ‘prikbord’ vermomde ‘digitale reclamemasten’. Het aan banden leggen van X is geen aanslag op onze vrijheden en in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting. Het is niets meer en niets minder dan het aan banden leggen van een bedrijf. Maar dan wel een bedrijf dat informatie van haar gebruikers  beheert en manipuleert. X bepaalt via haar algoritmes welke informatie van anderen jij ziet op het ‘prikbord’. Het stuurt informatie en sinds de overname door Musk is het vooral Musk die stuurt.

In aanvulling op de Gouden regel waarmee ik begon en Van Charante haar artikel eindigde: Als er één gouden regel is voor het behoud van de democratie, is het wel dat de controle op informatie nooit in handen mag zijn van de macht. Ook niet in de macht van bedrijven.


[1] Voor meer over het postmodernisme zie: https://filosofie-blog.nl/postmoderne-filosofie-de-impact-op-waarheid-en-realiteit/#wat_is_postmodernisme_in_het_kort

Brainrot

Nee, nee en nog eens nee!!! We gaan NIET over tot de orde van de dag. Want als dit tegenwoordig de orde van de dag is, dan vraagt dat om verstoring van die orde. Dat is wat ik dacht toen ik hoorde dat de Tweede Kamer een motie van VVD Kamerlid Bente Becker heeft aangenomen. Een motie die duidelijk maakt hoe rot politiek Den Haag is. Een discriminerende en stigmatiserende motie die vraagt om aangifte bij de politie en dan verder onderzoek door justitie. Helaas is dat niet mogelijk want in de Kamer mogen politici zeggen wat ze willen. Alleen de voorzitter kan hen corrigeren en eventueel schorsen.

In die aangenomen motie wordt de regering verzocht: “om gegevens over culturele en religieuze normen en waarden van Nederlanders met een migratieachtergrond bij te houden, bijvoorbeeld door het SCP te vragen dit (periodiek) te onderzoeken.” Dit omdat, aldus de indiener: “data over de normen en waarden en mogelijke acties die hieruit voortvloeien in (gesloten) religieuze gemeenschappen van overheidswege weinig bestudeerd worden,” en dat: “data over normen en waarden inzicht kan bieden in de culturele integratie van Nederlanders met een migratieachtergrond en behulpzaam is om gericht problemen aan te pakken en lessen te trekken uit positieve ontwikkelingen.” Dat klinkt mooi ‘positieve ontwikkeling’. Dat is het echter niet. Deze motie pleit voor etnisch profileren. Dit is niet het enige voorbeeld van discriminerende voorstellen vanuit de partijen die nu de regering vormen. Ik schreef er al eerder over.

Er is echter nog meer dat problematisch is met deze motie. Volgens Becker en de partijen die de motie ondersteunen ligt het probleem bij ‘(gesloten) religieuze gemeenschappen. Om dit te kunnen ‘bestuderen’ en dan vooral de ‘acties’ die uit de ‘normen en waarden voortvloeien’, moeten gegevens van alle Nederlanders met een migratieachtergrond worden bijgehouden. Daarmee wordt gesuggereerd dat alleen migranten  religieuze opvattingen kunnen hebben die tot ‘verkeerde acties’ kunnen leiden. Alsof mensen zonder migratieverleden geen lid kunnen zijn van een ‘(gesloten) religieuze gemeenschap’ en ‘verkeerde acties’ in de zin kunnen hebben.

Een stap verder. Alsof alleen ‘(gesloten) religieuze gemeenschappen’ tot verkeerde acties in staat zijn. Varkenskoppen en vuurwerk om te voorkomen dat asielzoekers worden opgevangen, de gewelddadige acties tegen anti-zwarte-piet-demonstranten en het storten en verbranden van afval door boeren als vorm van protest, zijn voorbeelden dat in niet (gesloten) religieuze gemeenschappen iets schort aan normen en waarden. Sterker nog, het indienen en aannemen van deze motie laat zien dat er zelfs bij de meerderheid van de Tweede Kamerleden iets schort aan de ‘normen en waarden’.

Als Becker en haar collega’s die instemden met deze motie dan toch iets willen onderzoeken, dan stel ik een grondig zelfonderzoek voor. Een onderzoek waarbij ze hun denken en handelen eens langs hun eigen zo hoog geachte ‘normen en waarden’ leggen. Hoe ‘liberaal’ is deze motie en is hun handelen? Hoe verhoudt zich dit tot het vodje met de ‘basislijn over rechtsstatelijkheid’? En als ik ze een idee aan de hand mag doen, wellicht kunnen ze eens onderzoeken of ze lijden aan brainrot? Dat Engelse woord van het jaar. Dus naar de mogelijke ‘negatieve psychologische en cognitieve effecten’ veroorzaakt door ‘internetinhoud van lage kwaliteit’. 

Bezint eer ge begint!

In een artikel bij Wynia’s Week gaat Feike Reitsma te raden bij de Duitse filosoof en socioloog Max Weber. De titel van het artikel geeft de portee van zijn betoog: Max Weber zag in dat in een noodsituatie het parlement gepasseerd mag worden. De achtergrond van het artikel zijn de plannen van de huidige Nederlandse regering, of in ieder geval de partijen die deze regering vormen, om af te wijken van de Vreemdelingenwet door een asielnoodwet in te voeren. Een bijzonder betoog.

Even Reitsma’s betoog. “Tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 18 en 19 september komt de asielnoodwet ter sprake. Van Vroonhoven, plaatsvervangend fractievoorzitter van NSC, verdedigt een plan dat het mogelijk maakt om een deel van de Vreemdelingenwet tijdelijk buiten werking te stellen.”  En dat zorgt ervoor dat: “In de huidige situatie, zoals geschetst in de persconferentie van koning Willem-Alexander en het antwoord van Marjolein Faber op een Kamervraag (…) duidelijk (wordt) dat ambtenaren onder druk staan om zich aan te passen aan politieke veranderingen. Volgens Weber moeten ambtenaren loyaal zijn aan de politiek, ongeacht hun persoonlijke opvattingen.” Het lijkt hier alsof Reitsma betoogt dat ambtenaren moeten doen wat is besloten. Zoals ik in mijn vorige prikker al liet zien, is dat de basis maar ligt het toch iets genuanceerder en het gevolg van die nuancering vatte ik samen in de titel van die prikker: Befehl ist niet altijd Befehl.” Het beeld dat Reitsma schetst is dat ambtenaren zich verzetten. Zoals ik in die Prikker betoogde doen die ambtenaren slechts hun werk. Dat werk is het schetsen van de (on)mogelijkheden van het idee voor een asielnoodwet.

Volgens Weber, zo betoogt hij en daar heeft hij een punt, moeten: “Politici (…)een zekere ethische verantwoordelijkheid hebben, vooral als het gaat om geweld en macht. Politici dienen te balanceren tussen ‘de ethiek van overtuiging’ en ‘de ethiek van verantwoordelijkheid’. De ethiek van overtuiging is gericht op principes en idealen, terwijl de ethiek van verantwoordelijkheid zich richt op de gevolgen van politieke acties.” Dan maakt hij de stap naar het heden: “De politieke discussie over de inzet van noodwetgeving in het kader van de asielcrisis benadrukt de spanningen tussen juridische verplichtingen en de noodzaak van politiek leiderschap. Terwijl ambtenaren wijzen op de juridische onmogelijkheid van de inzet van noodwetgeving, stelt het kabinet dat zich wel degelijk een asielcrisis voordoet. Weber wijst op de noodzaak voor politici om controversiële besluiten te nemen, zelfs als dit juridisch ingewikkeld kan zijn.” En ook dat klopt. Het is, alles afwegende, aan de politiek om in deze te besluiten, om verantwoordelijkheid te nemen.

Iets verder in zijn betoog: “Weber stelde dat politiek leiderschap, vooral in tijden van crisis, moet worden geleid door de noodzaak om maatschappelijke stabiliteit en rechtvaardigheid te waarborgen.” En vervolgt dan met een bijzondere passage: “In 1918 was Weber betrokken bij de totstandkoming van de grondwet van de Weimar-republiek. Artikel 48 bood de mogelijkheid voor de president om in dringende gevallen noodmaatregelen te nemen zonder voorafgaande goedkeuring van de Reichstag.” En hier wordt het bijzonder.

Ja, Weber speelde een rol in de Duitse politiek na de Eerste Wereldoorlog. Hij was echter niet de grote man achter de grondwet van de Weimarrepubliek. Dat was de rechtsgeleerde Hugo Preuss. En die grondwet was, zo betoogt Patrick Dassen in zijn De Weimarrepubliek: éen compromis tussen progressief liberaal-democratisch denken en een meer traditionele en conservatieve politieke cultuur waarin gevestigde belangen werden beschermd.[1]Weber zien als degeestelijk vader van die Grondwet gaat enkele stappen te ver. Het toeschrijven van het ‘noodrecht artikel’ zien als onderdeel van Webers denken, gaat nog veel verder. Dassen: “De rijkspresident kreeg in de grondwet grote bevoegdheden, niet voor niets werd hij wel de ‘Ersatzkaiser genoemd: hij was staatshoofd, hoofd van het leger, hij benoemde de leden van de regeringen hij kon, net als vroeger de keizer, de Rijksdag ontbinden en nieuwe verkiezingen uitschrijven.” De bijnaam van de rijkspresident laat zien welke zijde van het compromis hier aan het woord is: de traditioneel conservatieve zijde. Weber behoorde niet tot die zijde. Hij behoorde, net als trouwens Preuss, tot de liberale Duitse Democratische Partij

Dassen gaat verder: “Het meest controversiële punt van de macht van de rijkspresident was ongetwijfeld artikel 48: in tijden ‘dat de openbare veiligheid en orde in gevaar’ waren, kon hij buiten het parlement om noodverordeningen uitvaardigen en desgewenst het leger inzetten om de orde te handhaven; bepaalde grondrechten, zoals vrijheid van meningsuiting en vereniging, kon hij tijdelijk buiten werking stellen.” Grote probleem van dit artikel was: “dat er geen ingebouwde garanties waren tegen misbruikvan artikel 48. Immers, als de Rijksdag een presidentieel decreet verwierp, kon de president volgens artikel 25 de Rijksdag alsnog ontbinden. Bovendien bleef onduidelijk wat er precies verstaan moest worden onder een ‘uitzonderingstoestand’.[2]

Met die laatste zin zijn we bij de cruciale vraag aangekomen. De cruciale vraag die in de Weimarrepubliek niet vooraf werd beantwoord. In Nederland bepaalt artikel 103 van de Grondwet: “in welke gevallen ter handhaving van de uit- of inwendige veiligheid bij koninklijk besluit een door de wet als zodanig aan te wijzen uitzonderingstoestand kan worden afgekondigd.” De wet die dit regelt is de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden. Die wet, of beter gezegd, de toelichting erop, geeft antwoord: “ingeval buitengewone omstandigheden zulks noodzakelijk maken ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid, bij koninklijk besluit op voordracht van de Minister-President, de beperkte of de algemene noodtoestand worden afgekondigd. Met de term «buitengewone omstandigheden» wordt aangegeven dat, voordat een noodtoestand kan worden afgekondigd zich feitelijke gebeurtenissen moeten voordoen die tot toepassing van noodwettelijke bevoegdheden nopen omdat de normale wettelijke bevoegdheden te kort schieten.” Van een buitengewone omstandigheid is sprake als de normale wettelijke bevoegdheden tekort schieten. Een antwoord, maar geen echt duidelijk antwoord.

Schieten de normale wettelijke bevoegdheden rond asiel tekort? Dat is de vraag die moet worden beantwoord. De ambtenaren gaven in hun notitie aan dat dit niet het geval is. Als het kabinet het anders ziet dan staat het hen vrij de minister-president een beroep te laten doen op de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden en vervolgens een asielnoodwet aan de Kamer voor te leggen. De vier partijen moeten zich hierbij wel realiseren dat toekomstige kabinetten ook op andere terreinen de ‘noodtoestand’ kunnen uitroepen. Bijvoorbeeld een ‘klimaatnoodtoestand’ of een ‘mestnoodtoestand’. Voor een van de vier partijen, de BBB, zou  een ‘mestnoodtoestand’ een middel kunnen zijn om meer mest uit te kunnen rijden. Maar de ‘mestnoodtoestand’ zou ook gebruikt kunnen worden om de veestapel te halveren.

De vraag is of we deze kant op willen met onze democratie? Bij het nadenken is de Weimarrepubliek een te bestuderen waardig voorbeeld. De diverse Rijkspresidenten zagen namelijk zeer vaak ‘noodsituaties’: “Artikel 48 zou in de Weimarrepubliek in totaal 254 keer gebruikt worden: door Ebert (1919-1925) niet minder dan 136 keer, gedurende de stabiele fase 1925-1929 slechts 9 keer, maar in de periode 1930-1932, toen de Weimarrepubliek steeds meer autoritair werd geregeerd weer veel meer en per jaar snel oplopend naar 109 keer in totaal in deze drie jaren.[3]  Per jaar gemiddeld 18 noodtoestanden. Dit lijkt mij een hellend vlak waar we niet op moeten willen. Bezint eer ge begint!


[1] Patrick Dassen, De Weimarrepubliek 1818-1933. Over de kwetsbaarheid van de democratie, pagina 87

[2] Idem. Pagina 88

[3] Idem, pagina 89

De bok van Van Bokhoven

‘De pot verwijt de ketel dat hij zwart ziet’ een spreekwoord dat betekent dat iemand een ander iets verwijt waaraan de verwijter zichzelf ook schuldig maakt.. Daar moest ik aan denken bij een artikel van Ines van Bokhoven bij Opiniez. Daaraan en aan de splinter die je in het oog van de ander ziet terwijl je de balk in je eigen ogen niet opmerkt.

Bron: Wikipedia

Van Bokhoven gebruikt een tweet van een uitspraak van terrorisme-expert Beatrice de Graaf om haar punt te maken. In een reeks twitterberichten schreef Van der Graaf het volgende: “maandag heb ik blijkbaar bij @JinekLive geheel radicaalrechts in Nederland diep gekwetst. Ze voelen zich massaal geraakt over een item over de dreiging van extreemrechts in Duitsland, waar AfD geradicaliseerd is (volgens veiligheidsdiensten daar), en mee doet met neonazi’s.” In een tweede bericht gaat Van der Graaf verder: “Alle bekende en onbekende trollen, guurrrechtse “journalisten”, @DDStandaard, @wierduk, @NiniForNews hebben onthuld waarmee ze zich identificeren: met de extreem rechtse Duitse onderbuik.”

Van Bokhoven vindt het gebruik van radicaal rechts onnodig generaliserend en het wordt vooral gebruikt om: “zich achter te verschuilen.” Ook het gebruik van de woorden diep gekwetst bevallen haar niet: “Nou denk ik dat dat wel meevalt, maar stel dat het wel zo was: waarom daar dan zo laatdunkend over doen? Waarom daar de spot mee drijven? … Waarom zo stampen op de emoties van mensen waar je een samenleving mee deelt? Welk nut dient dat, naast jezelf het gevoel geven dat je zo ont-zet-tend veel beter bent – een volslagen misplaatst gevoel, want onderbouw het maar eens overtuigend na dat soort woorden.”   Van Bokhoven gaat verder: “De Graafs onderbuik: die van haar is prima, haar scheldpartijen en generalisaties en verwijten zijn de redelijkheid en rationaliteit zelve, en de rest van ons is een soort primaat als wij eens eerlijk zeggen, net als zij, op wie we zo kwaad zijn en waarom.”

Hiermee wordt, zo betoogt Van Bokhoven, onnodige verdeeldheid gezaaid in de samenleving. Daarom stelt ze de vraag: “wat verwachten ze toch? Wat denken ze dat er gebeurt als ze elke dag duidelijk maken zich niet verbonden te voelen met een steeds groter deel van de samenleving waar ook zij deel van uitmaken, net als wij? Waar hopen ze op? Dat we weggaan? Want we zijn hier, we delen die samenleving nu eenmaal met de De Graafjes van deze wereld, hoe onvoorstelbaar ze dat ook vinden – en we gaan nergens heen. We blijven gewoon hier en erger nog: we hebben exact dezelfde rechten en maken er gebruik van.”

Van Bokhoven heeft een punt. Het uitschelden van mensen is niet bevorderlijk voor het gesprek en dus ook niet voor het samen met elkaar leven van mensen die verschillend over zaken denken. Als ik jullie uitscheld dan zal dat jullie bereidheid om verder te lezen niet ten goede komen en is de kans dat mijn boodschap jullie bereikt klein.

Van Bokhoven heeft dus een punt. Alleen helpt ze dat punt vervolgens vakkundig om zeep door precies dat te doen waar ze De Graaf terecht van beschuldigd: “Willen mensen als Beatrice nog wel deel zijn van onze samenleving? Want terwijl zij het recht claimen onze wereld te mogen duiden, deze wereld als eigendom te behandelen, wordt de groep die zich van deze deugpronkers afkeert met de dag groter. Deze deugers moeten uitkijken: straks staan ze zelf buitenspel en het is nog maar de vraag of wij een samenleving willen delen met mensen die niet verder komen dan hun eigen bevooroordeelde, misplaatst verheven onderbuik waarmee ze deze samenleving zo ongelofelijk veel schade toebrachten en zo ontzettend veel kloven groeven.”

Nu, aan het einde van deze Prikker viel me, na de pot en de ketel en de splinter en de balk nog een spreekwoord in: heeft van Bokhoven met dit artikel niet een bok geschoten?

In defence of democratic politics

“Many forms of Government have been tried and will be tried in this world of sin and woe. No one pretends that democracy is perfect or all-wise. Indeed, it has been said that democracy is the worst form of government except all those other forms that have been tried from time to time.” Aldus Winston Churchill. Ik moest aan deze uitspraak denken toen ik las dat verzet bieden binnen ons huidige politieke systeem niet genoeg is. Waaraan moet ik denken bij verzet ‘buiten het systeem’? Ik krijg er in ieder geval geen prettig gevoel bij.

“In elk geval is het niet genoeg om binnen het systeem verzet te bieden. Ik schreef hier eerder al dat een politiek systeem met vierjarige verkiezingen en partijen die vastomlijnde belangen en het grote geld vertegenwoordigen niet bestendig is, in een tijd van ecologische crisis en extreemrechtse macht. We hebben alternatieven nodig, zoals burgerberaden, luisterpraktijken en nieuwe publieke ruimtes. De taal kan ons hierin helpen, in gesprekken met elkaar en omdat we andere verhalen kunnen vertellen. Waarschijnlijk gaan we evengoed ten onder. Maar wel met opgeheven hoofd.” Woorden van Eva Meijer die ik las in een post op LinkedIn. Woorden die, zo las ik, afkomstig zijn uit een column van Eva Meijer bij de NRC. Weet Meijer wel waar ze over spreekt?

Ik kan de column niet lezen. Die is alleen voor abonnees toegankelijk. Dus het zou kunnen dat ik daardoor iets mis. ‘Het politieke systeem’ is volgens Meijer iedere vier jaar verkiezingen en partijen die vastomlijnde belangen en het grote geld vertegenwoordigen. In het kort staat hier democratie = verkiezingen. En dan ook nog verkiezingen waarbij het grote geld de uitkomst bepaalt. En ja, als er is gekozen dan staan we vier jaar aan de kant. Dit is wel een erg magere definitie van ons ‘democratische politiek systeem’.  Daarom deze verdediging van democratische politiek aan de hand van de Franse denker Pierre Rosanvallon

Democratie is een bijzonder politiek systeem. Een systeem dat, zoals Pierre Rosanvallon constateert, zich doet kennen als zowel een belofte als een probleem: “De belofte van een stelsel dat afgestemd is op de behoeften van de samenleving die gebaseerd is op de verwerkelijking van de dubbele imperatief van gelijkheid en autonomie. En het probleem van een realiteit die deze nobele idealen verre van ingelost heeft.” Democratie is te vergelijken met de tiende symfonie van Beethoven, ze is om het op z’n Duits te zeggen ‘ein unvollendetes Werk’. “Het democratisch project (…) zelfs daar waar het was geproclameerd steeds onvoltooid (is) gebleven, of het nu ruw geperverteerd, subtiel versmald of als vanzelf tegengewerkt is. In zekere zin hebben we, in de sterkste betekenis van het woord, nooit volledig ‘democratische’ regimes gekend.[1]

In 2012 gaf Rosanvallon de Spinozalezing. In die lezing constateert hij ‘democratische onbepaaldheid’ een begrip dat hij als volgt definieert: “het subject van de democratie, haar doel en procedures (gaan samen) met spanningen ambiguïteiten, paradoxen, aporieën, asymmetrie en overlappingen die de definitie en het begrip ervan  problematisch maken en derhalve ook een bron zijn van de vele vormen van ontgoocheling.[2] Rosanvallon onderscheidt er vijf spanningen.

Als eerste zijn er structurele spanningen. Die openbaren zich bij de keuze van de volksvertegenwoordigers. In een volksvertegenwoordiger zoeken we twee kwaliteiten. Als eerste ‘nabijheid’ kan ik me herkennen in de volksvertegenwoordiger of zoals Rosanvallon het beschrijft: “de vertegenwoordiger als valoriserende stand-in, getrouwe uitdrukking en stem van de vertegenwoordigde.”  Het pleidooi van Pieter Omtzigt om een deel van de Kamerleden ‘regionaal’ te laten verkiezen kan worden gezien als een manier om invulling te geven aan ‘nabijheid’. De tweede kwaliteit die we zoeken in een volksvertegenwoordiger is ‘geschiktheid’: “de vertegenwoordiger als vertrouwensman, geïnformeerde afgevaardigde,” aldus Rosanvallon. Twee kwaliteiten die: “elkaar vaak uitsluiten en moeilijk in één vertegenwoordiger te verenigen zijn.” En, zo vervolgt hij: “Bovendien verwijzen ze vaak naar de waardering van twee verschillende politieke momenten: dat van de verkiezingscampagne en dat van de regeringsdaad.[3]Daar komt een ander probleem bij en dat is dat een vertegenwoordiging nooit een afspiegeling van het gehele volk kan zijn.

De tweede ambiguïteit vloeit, volgens Rosanvallon: “voort uit het niet overlappen van twee constitutieve definities van hetzelfde object.” Dat object is ‘het volk’. “Het volk is zowel het korps van burgers, dat naar een idee van eenheid, een vorm van totaliteit verwijst, als een sociale vorm, die diversiteit, pluraliteit en zelfs verdeeldheid impliceert.[4] Tegenwoordig spelen politici als Wilders met die ambiguïteit. Spelen door te spreken over ‘het volk’ als die eenheid terwijl ze slechts een klein deel van de diversiteit van de ‘sociale vorm’ bedoelen. Het volk in de sociale vorm spreekt nooit met één stem en bij onze besluitvorming moet een meerderheid worden gevonden door zoveel onderdelen van de ‘sociale vorm’ achter een voorstel te verzamelen dat er een meerderheid ontstaat. 

Als derde constateert Roasanvallon ‘functionele asymmetrieën: “Als we in aanmerking nemen dat de democratie het dubbele doel heeft de bestuurders te legitimeren en de bestuurden te beschermen, dan moeten we wel vaststellen dat die twee functies elkaar niet kunnen dekken. De legitimering berust op het vormen van een vertrouwensband tussen bestuurders en bestuurden, terwijl de bescherming van de bestuurden juist uitnodigt tot het organiseren van het wantrouwen[5] De coronapandemie bracht deze asymmetrie duidelijk naar voren. Maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, roepen veel verzet en wantrouwen op en de legitimiteit van de maatregelen wordt ter discussie gesteld.

Als vierde moeten we democratie zien in haar tijd en ruimte. Volgens Rosanvallon: “is er een duidelijk verschil tussen een democratie op het moment van haar constitutie en een permanente democratie.” Wat democratisch is en welke instituties er nodig zijn verschilt in de tijd. Rosanvallon geeft een voorbeeld: “Op het moment van de Franse Revolutie leek het ondenkbaar om vertegenwoordigers te kiezen voor de duur van meer dan een jaar; bovendien werd er elke week een nieuwe voorzitter van het parlement gekozen!” Naast ‘tijd’ kan ook ‘ruimte’ variëren. Met ‘ruimte’ bedoelt hij dat wat de kern is van de democratie. Rosanvallon: “lange tijd heeft men gedacht dat het gezin de werkelijke school van de democratie was, omdat men in het gezin er het duidelijkst vorm aan geeft. Anderen zeiden dat het lokale niveau de school van de democratie is, omdat de vanzelfsprekendheid van de gemeenschap zich niet hoeft uit te drukken door middel van de oprichting van een institutie. De groep bestaat er direct als gemeenschap.[6] De recente decentralisatie van verantwoordelijkheden naar gemeenten werd onderbouwd met argumenten in deze lijn. Sinds het midden van de negentiende eeuw is de natie echter dé, om Rosanvallons woord te gebruiken, school van de democratie. Tegenwoordig ondervindt die school concurrentie van een nieuwe supranationale, namelijk de Europese Unie maar ook van het lokale. Bij het aanpakken van de klimaatproblematiek speelt ‘ruimte’ een belangrijke rol. Klimaat trekt zich immers niets aan van door de mens verzonnen ‘fictionele feitelijkheden’ als landsgrenzen.

Als laatste kent democratie, zoals Rosanvallon het noemt: “pluraliteit van vormen en domeinen.” Wat moeten we hieronder verstaan? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.[7] Een wereld van gelijken waarbij iedereen betrokken is, iedereen het woord kan nemen, zich kan informeren.

Volgens Rosanvallon is het: “verkeerd begrijpen van de structuur van die onbepaaldheden (…) de motor van de democratische ontgoocheling. … Van die onbepaaldheden kan men zich op twee manieren rekenschap geven: ze reduceren door simplificerende definities van de politiek en de democratie, of juist door de democratie te compliceren.” Deze vijf punten maken, zo betoogt Rosanvallon dat: “de democratie (…) structureel problematisch en derhalve structureel onvoltooid is.[8] Misschien is dit ook wat de Britse staatsman Winston Churchill bedoelde toen hij de uitspraak deed waarmee deze prikker begon.

 Om met dat structureel problematische en onvoltooide om te kunnen gaan wordt er vooral gezocht naar ‘vereenvoudiging’ of zoals Rosanvallon het schrijft naar: “Pathologiën (die) kunnen begrepen worden als reducerende vormen van de complexiteit, van polarisatie of het vergeten van de structurele spanningen van haar verschillende figuren.” Rosanvallon ziet hierbij aan de ene kant versimpelingen: “van de vertegenwoordiging, berustend op een zogenaamde versimpeling van de relatie macht/samenleving.” Versimpeling die: “het handelen van de macht de adequate uitdrukking van de algemene wil maken … die het kamp dat als winnaar uit de stembus tevoorschijn komt gelijkstellen aan de stem van het volk; waan voorstellingen van één volk.” Deze versimpelingen kunnen in milde en extreme vorm (“Alleenheerschappij, populisme, totalitarisme”) voorkomen. Aan de andere kant ziet hij versimpelingen zoals: “De reductie van de democratie tot verkiezingen, de reductie tot haar liberale dimensie of de reductie tot haar institutionele definitie. [9]

Het is menselijk om een complex en zeer moeilijk te omvatten probleem te versimpelen en terug te brengen tot behapbare brokken. Het terugbrengen van democratie tot ‘verkiezing’ of ‘referendum’ maakt het eenvoudig. Net zoals een beperking van ‘het volk’ tot de winnaar van de verkiezingen een versimpeling is. Zeker als die winnaar, zoals in Nederland de afgelopen decennia het geval is, nooit meer dan dertig procent van de stemmen kreeg. En sterker, de winnaar (grootste partij) ook wel tot de verliezers (minder zetels dan na de vorige verkiezingen) kan behoren. ‘Versimpeling’ is volgens Rosanvallon niet de manier. Volgens hem moet we: “De democratie compliceren om haar te voltooien.”

“Als het volk in de democratie structureel nergens te vinden is, hoe dan de structurele crisis van de vertegenwoordiging te boven te komen die eruit voortvloeit en onze gevoelens van in de steek gelaten zijn aanwakkert, die de ontgoocheling en het wantrouwen tegenover de instituties voeden?” Deze vraag stelt hij zich op het eerste gebied dat hij verder wil compliceren, het gebied van dat belangrijke begrip dat op meerdere manieren gedefinieerd wordt. Hij ziet vijf dimensies van het volk. Als eerste het ‘rekenkundige volk’, dat bezit : “een beslissende, zowel sociale als procedurele consistentie.” Immers: “We kunnen eindeloos discussiëren over de definitie van het algemeen belang, over wat de beste politiek is om op dit of dat gebied te voeren, maar het feit dat 51 meer is dan 49 maakt een einde aan alle discussies. … Maar het volk manifesteert zich ook als een historische constructie,” en daarmee zijn we bij de tweede dimensie van het volk.

De principes van deze dimensie zijn vooral vastgelegd in de grondwet: “Dit volk/principe laten leven betekent dus een juridisch volk laten leven, en niet slechts een electoraal of rekenkundig volk. Vandaar de rechtvaardiging van de superioriteit van de constitutionele orde boven de orde van de kortstondige meerderheid.” Als we in onze huidige wereld om ons heen kijken dan zien we dat op verschillende plekken wordt getornd aan de superioriteit van de constitutionele orde. De extreme politisering van de benoeming van rechters in de Verenigde Staten en de politisering van de rechtspraak in Hongarije en Polen onder de PiS regering, zijn hiervan voorbeelden.

Een derde dimensie van het begrip ‘volk’ is: “de figuur van de verwachtingen, ontgoochelingen, betwistingen of beproevingen van het gemeenschappelijke leven, dat op een gegeven moment over een stuk uit het collectieve leven vertelt of het tot uitdrukking brengt.” Dit volk bestaat volgens, Rosanvallon: “ofwel via instituties die handelen leiden – bijvoorbeeld syndicaten -, ofwel via zijn directie manifestatie in de revolutionaire momenten die verlengd worden door het verhaal dat ze vergezelt.” 

De vierde dimensie: “is het volk bestaande uit ‘willekeurige individuen’.” Dit volk drukt zich uit: “via peilingen of van het toeval afhangende uitingen, waarderingsmechanismes van de een of ander.” 

De laatste dimensie is: “het volk zowel als belofte als herinnering, het volk als bouwer van een toekomstige geschiedenis en als erfgenaam van een traditie.” Dit volk wordt vertegenwoordig door: “de kunst, de literatuur, de sociale wetenschappen, de onderzoeken en allerlei getuigenissen.

Daarmee is de vraag naar het te boven komen van de structurele verantwoording nog niet beantwoord. Dat antwoord begint met het accepteren van de complexheid: “We moeten het volk dus begrijpen als een structureel onbepaald object, maar een waarvan de bepaling benaderd kan worden door vergroting van de erkenning van zijn verschillende vormen.” Accepteren want: “in deze vermeerdering ontstaat het leven, en niet simpelweg in het zoeken naar een enkel principe dat alle mogelijkheden ervan uitputtend zou bevatten. [10] ‘Het volk’ spreekt zich op zeer veel verschillende manier uit. Zeer veel verschillende manieren, met veel verschillende stemmen en veel verschillende inhouden. Daar moet ruimte voor zijn, dat moeten we koesteren en niet versimpelen.  

Een tweede vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op het gebied van de soevereiniteit. Hij wil: “van de idee van directe volkssoevereiniteit over (…) stappen op de idee van een complexe soevereiniteit. De complexe soevereiniteit bestaat in het gelijktijdig vormgeven van de verschillende manieren waarop ze uitgeoefend wordt, namelijk de benoeming of de keuze, de beslissing, de controle en het toezichtde evaluatie en het oordeel.[11] Op dit punt komt hij met het begrip ‘tegendemocratie’. ‘Tegendemocratie’ omschrijft hij als volgt: “Deze tegendemocratie is niet het tegendeel van de democratie; zij is eerder de vorm van de democratie die de andere als een steunboog versterkt, de democratie van de in het sociale lichaam verstrooide indirecte machten, de permanente democratie van het wantrouwen tegenover de wisselende democratie van de electorale legitimering. Deze democratie vormt op die manier één geheel met de wettige democratische instituties.[12] De media, onderzoekcollectieven, wetenschappers, vakbonden, actiegroepen enzovoorts die elk vanuit hun belang en interesse controleren, toezicht houden en evalueren. Die naar de rechter stappen om iets af te dwingen zoals Urgenda. Die aandacht vragen voor groot en klein recht en onrecht. De luizen in de pels van bestuurders en politici maken deel uit van deze voor de democratie onmisbare tegendemocratie. Tegendemocratie als: “institutionalisering van het begrip wantrouwen.” Diecomplexheid moeten we koesteren, niet versimpelen. Zij houdt ons scherp en zorgt ervoor dat het volk in al zijn verschillende dimensies uit de vorige alinea, zich kan uitspreken.

Soevereiniteit moet nog op een andere dimensie complexer worden gemaakt. Er moet, zo betoogt Rosanvallon, “een steeds groter onderscheid gemaakt (…) worden tussen verkiezing en stemming. In het gewone taalgebruik verwart men deze woorden vaak. Terwijl het heel verschillende zaken zijn. de verkiezing heeft tot doel personen te benoemen, de stemming heeft tot doel een positie tegenover een te nemen beslissing uit te drukken.” Volgens Rosanvallon staat: “de moderne democratie steeds minder aan de kant van de verkiezing (…), enschuift ze steeds meer: “naar de kant van de stemming, het referendum.” Dit levert problemen op: “de democratie kan niet alleen een stelsel van beslissingen zijn. Zij moet tegelijkertijd een stelsel van de wil zijn, van het toezicht en het oordeel.[13]  Democratie gaat over veel meer dan het nemen van beslissingen. Ze bestaat vooral uit het opbouwen van een gemeenschappelijke ruimte.

Een derde vlak waarop Rosanvallon de democratie complexer wil maken is op de scheiding der machten. Die is nog steeds gebaseerd op de Montesquieu en zijn drie te onderscheiden machten: de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht. Volgens Rosanvallon is die driedeling niet meer steekhoudend voor onze huidige tijd. Rosanvallon: “In alle moderne samenlevingen wordt het begrip ‘macht’ voortaan steeds in het enkelvoud opgevat. Er is overal maar een werkelijke sturende macht: de uitvoerende macht. Aan deze komen alle initiatieven en wezenlijke beslissingen toe.” Als we naar de Nederlandse praktijk kijken, dan zien we dit ook. We hebben een wetgevende macht, de Tweede Kamer, maar hoeveel initiatieven van wet komen er vanuit die Kamer en halen de eindstreep? De overgrote meerderheid van alle wetten en voorstellen daartoe worden opgesteld door de regering, de uitvoerende macht. Zelfs de begroting, een belangrijk ‘machtsinstrument’ van het parlement, wordt opgesteld door de regering waarna het parlement nog wat in de marge kan schuiven. De uitvoerende macht bindt de wetgevend al bij de kabinetsformatie omdat de coalitiepartijen zich binden aan een regeerakkoord en daarmee alle wezenlijke discussie beslechten waarna de kamer het kan ‘afstempelen’.

Volgens Rosanvallon bestaat ook de derde, de rechterlijke, macht: “als zodanig allang niet meer… Omdat zijn rol voortaan uitsluitend de contentieuze jurisdictie is.”  Hij concludeert: “De term ‘scheiding der machten’ volgens de oude driedeling is dus niet meer gegrond.” Toch is het: “noodzakelijker dan ooit om in te gaan tegen de voortdurende neiging van de (uitvoerende)macht in het algemeen om zich zonder tegenwicht uit te oefenen en zich op te werpen als enige legitieme macht.” Het complexe evenwicht van drie machten is versimpeld tot een dominante (uitvoerende) macht. Dit moet, zo betoogt hij, weer complexer en dat kan op verschillende manieren. Als eerste: “moeten we de uitdrukkingsvormen van de algemene wil vermeerderen. De huidige politieke macht ontleent haar legitimiteit aan verkiezingen. Daarbij worden twee verschillende dimensies vermengt: ‘een rechtvaardigheidsprincipe en een beslissingstechniek.” Een beslissingstechnische uitspraak (51 -49) valt niet automatisch samen: “met het idee van een legitimering die naar een grotere maatschappelijke consensus verwijst.” Voor dit laatste zijn andere instituties nodig. Instituties: “die vereenzelvigd worden met de principes van onpartijdigheid (de onafhankelijke autoriteit, het recht) en reflexiviteit (de constitutionele gerechtshoven die het volk/principe in de tijdsduur uitdrukken). Als democratisch geldt dan een stelsel dat die drie samenwerkende en complementaire uitdrukkingsvormen van de algemene wil in zich verenigd.”  Hierbij spelen handelen (regering) en controle (oppositie) een onderscheidende rol waarbij met name de positie van ‘controle’ versterkt moet worden. Compliceren betekent niet verzwakken maar: “voortdurend dwingen uitleg te geven, rekenschap af te leggen, te evalueren en te controleren. Compliceren betekent ook afscheid nemen van de idee van simpele en directe democratie. De belangen van de macht en de samenleving zijn op de volgende manier met elkaar verbonden: om sterk te zijn zal een macht voortaan democratischer moeten zijn.[14]

Een vierde vlak waarop we de complexiteit moeten aanvaarden betreft wat Rosanvallon noemt de ‘verschillende figuren van de democratie’: “Want er zijn vier complementaire definities van democratie: zij is een burgeractiviteit, een politiek stelsel, een samenlevingsvorm en een politieke kwaliteit.” Als burgeractiviteit impliceert zij het openbare debat en: “Ze vereist ook de organisatie van onafhankelijkheid van de macht, publiek, toezicht, kritiek, de uitdrukking van burgers in al haar vormen.” Als politiek stelsel is zij: “een verzameling van procedures en instituties.[15]” Ook is zij de manier waarop het gemeenschappelijke wordt ingericht, de democratie als samenlevingsvorm. Als politieke kwaliteit definieert zij de handelswijzen en het gedrag. Het ‘politieke stelsel’ van Meijer is maar één onderdeel van onze democratie.

Een laatste complexiteit betreft de democratie in de tijd. De democratie moet: “plaats bieden aan de verschillende ritmes van het sociale leven, de banden tussen het evenement en de geschiedenis, de herinnering en het bouwen aan een toekomst.” We moeten: het democratische gemeenschappelijke steeds onderscheiden van simpele homogeniteit. Identiteit is nooit alleen een erfenis, een natuurlijk gegeven, maar tekent zich af in de vele ervaringen van het probleem een gemeenschappelijke wereld in te richten.[16]

Het lijkt mij dat er ‘binnen het systeem’, ook al is het ‘ein unvollendetes Werk’ meer dan voldoende mogelijkheden zij om ‘in verzet’ te komen. Verzetten kan door een gang naar de rechter, door onderzoek te doen naar en te schrijven of filmen over wat er in jouw ogen anders moet. Je kunt een actiegroep oprichten en jezelf vastlijmen aan de weg en zelfs, zoals de agro-industrie recentelijk deed, een politieke partij op te richten. Niemand let Meijer om een burgerberaad, luisterruimtes of nieuwe publieke ruimtes te beginnen. Ons politieke systeem biedt daar alle ruimte voor. Ik ken geen ander politiek systeem dat al deze mogelijkheden biedt. “All those other forms that have been tried from time to time,” waarover Churchill sprak boden minder mogelijkheden om invloed uit te oefenen.


[1] Pierre Raosanvallon, Counter-Democracy. Politics in an age of distrust, pagina 2 (eigen vertaling)

[2] Pierre Rosanvallon, Democratie en tegendemocratie, pagina 70-71

[3] Idem, pagina 71-72

[4] Idem, pagina 72

[5] Idem, pagina 73

[6] Idem, pagina 74-75

[7] Idem, pagina 76

[8] Idem, pagina 77

[9] Idem pagina 77-78

[10] Idem, pagina 79-82

[11] Idem, pagina 82

[12] Idem, pagina 99

[13] Idem, pagina 83-84

[14] Idem, pagina 84-87

[15] Idem, pagina 87-88

[16] Idem pagina 88

Ratio en emotie

Afwijzing van een kabinet met de PVV is puur emotioneel en maatschappelijk onverantwoordelijk aldus de titel van een artikel van Arie Graafland bij Wynia’s Week. Een bijzondere titel voor een bijzonder betoog.

In het artikel schetst Graafland een beeld van de Nederlandse politiek aan de hand van twee manieren van politiekbedrijven die hij ontleent aan Max Weber. Aan de ene kant: “overtuigingsethiek, (Gesinnungsethik), een persoonlijke ethische opvatting over wat wel en wat niet toelaatbaar en wenselijk is.” En aan de andere kant: “‘verantwoordelijkheidsethiek’(Verantwortungsethik). Dat betreft je verhouding tot de maatschappij en daarbij gaat het niet langer alleen over wat jij persoonlijk verantwoord vindt. Dan gaat het om de consequenties van de te verwachten effecten van je handelen voor de maatschappij. En dan is het niet langer puur subjectief.”  Hij constateert dat: “De politiek (…) overtuigingsethisch (is) geworden en (weg) gaat (…)van verantwoordelijkheid voor de toekomstige vaak negatieve gevolgen van het politieke handelen.” Gelukkig lijkt daar: “nu verandering in te komen met het nieuwe kabinet.”

Het is, zo betoogt Graafland: “nu weer actueel (..) en het niet alleen de ambtenaren betreft maar, net als bij Weber, ook de politiek. De oppositie bij monde van Frans Timmermans, wil de PVV-leden Faber en Klever van het nieuwe kabinet naar huis sturen. Hun uitspraken ziet hij als ‘fascistisch’. Niet het probleem van de immigratie is voor Timmermans relevant, maar de woorden die gebruikt worden. En zijn oppositie is niet gebaseerd op de aanpak van het probleem, maar op het verbieden van de woorden.”  Voor degenen die niet zo blij zijn met dit kabinet, heeft hij het volgende advies: “Weber beschrijft hoe je kunt reageren als je een oorlog hebt verloren. ‘In plaats van als een stelletje oude wijven naar de “schuldige” te zoeken, terwijl de structuur van de maatschappij de oorlog veroorzaakte’, kun je ook op de vijand afstappen en zeggen: wij hebben de oorlog verloren, jullie hebben hem gewonnen. Laten we het er nu over hebben welke consequenties daaruit getrokken moeten worden, gelet op de verantwoordelijkheid voor de toekomst.”

Een bijzonder advies. De oorlogsmetafoor in het advies maakt duidelijk dat Graafland de politiek ziet als oorlog van wij tegen zij. Hij treedt daarmee in de voetsporen van Duitse filosoof Carl Schmitt die erg negatief stond ten opzichte van pluralisme omdat dit voor verdeeldheid zorgt. Het lijkt erop dat Graafland de partijen die niet in de regering zitten adviseert om op de rug te gaan liggen met de pootjes omhoog en te accepteren dat er nu partijen aan het stuur zitten die niets van die ‘overtuigingsethiek’ moeten hebben. Partijen die wel verantwoordelijkheid willen nemen en niet van het eigen gelijk uitgaan maar handelen voor de maatschappij.

Bijzonder vooral omdat je partijen die het kabinet met de PVV afwijzen kunt verwijten dat ze ‘puur emotioneel en maatschappelijk onverantwoord’ bezig zijn. Het suggereert dat de partijen die nu de regering vormen, de PVV voorop, niet handelen vanuit ethische principes en dat emoties daarbij geen rol spelen maar gewoon dat doen wat nodig is. Of omgekeerd, dat partijen die handelen vanuit ethische principes ‘huilers’ zijn en het contact met de werkelijkheid hebben verloren. Woorden van de ene groep tegenover de daden van de andere. Zo’n verwijt maakt jou handelen daarmee niet automatisch rationeel en maatschappelijk verantwoord.  Een oneigenlijke tegenstelling dus.

 Je kunt wel afgeven op: “ De adviesorganen van de overheid zoals de Wetenschappelijke Klimaatraad, en ngo’s als Urgenda die per definitie een beperkt doel nastreven, bedrijven.” Dat ze: “ook louter overtuigingsethiek,” bedrijven omdat een rapport van de Wetenschappelijke Klimaatraad: “drieënzeventig pagina’s vol directieven, maar niet één euroteken met informatie over de kosten,” bevat. De ‘directieven’ mogen dan niet voorzien van een prijskaartje, ze duiden wel op een probleem. Op een werkelijkheid die je kunt ontkennen zoals een flink deel van de huidige coalitie, de PVV voorop, doet. Ze ontkennen het hele probleem. Ze sluiten hun ogen ervoor. Wat het bedrag achter het euroteken van die ontkenning is, maken de partijen die ‘gewoon doen wat nodig is’ niet duidelijk.

Je kunt spreken over: “zendelingengedrag bij politici op het gebied van klimaat, energie, defensie en cultuurpolitiek,” en dan wijzen naar de Duitse leider van de Groenen en via hem op een deel van het Nederlands politieke spectrum. Dat laat onverlet dat de partijen die volgens Graafland ‘gewoon doen wat nodig is’ net zo goed ‘zendelingengedrag’ vertonen. Zendelingengedrag op het gebied van migratie maar ook, net zoals andere partijen op het gebied van klimaat, energie, defensie en cultuurpolitiek. Alleen zenden ze een andere boodschap op een andere golflengte.

Beide zijden, bezien de werkelijkheid en de problemen op een heel eigen wijze en claimen hun wijze als de ultieme waarheid. Wat voor de ene kant ‘rationeel’ is, is voor de andere kant praktisch onmogelijk ‘emotioneel geneuzel’. Het betoog van Graafland is hiervan een mooi voorbeeld.

Slavernijrekening vereffenen

Maar wat is ‘het juiste doen’? En wanneer is de ‘rekening vereffend’? Die vragen stelde ik onder een artikel van Phaedra Haringsma bij De Correspondent. Een artikel met als titelExcuses voor het slavernijverleden? Herstel is niet alleen het juiste zeggen, maar ook het juiste doen.”  Haringsma eindigt haar artikel met de woorden: “Ruttes handgebaar – eerherstel zonder een concreet plan voor écht herstel – is alsof je als eregast wordt uitgenodigd op een feestje van iemand aan wie je een tijd geleden zo veel geld hebt geleend dat je zelf niet meer kunt rondkomen. Attent, zeker. Maar vereffen eerst maar eens de rekening – dan kunnen we daarna misschien allemaal een feestje vieren.” Op mijn vraag kwam het volgende antwoord: “Ik weet niet of de rekening ooit vereffend kan worden, en of het zinnig is dat te gaan ‘proberen’.”

Voor mij en volgens mij zijn betogen om rekeningen van het verleden te vereffenen niet behulpzaam en zelfs contraproductief. Pogingen om de ‘rekening ervan te vereffenen’ van in het verleden aangedaan onrecht, leiden meestal alleen maar tot ontevredenheid of nog erger. Dat zien we nu bijvoorbeeld in Oekraïne en Gaza. Als een rekening niet te vereffenen is, wordt dan de ene groep niet moreel gegijzeld door de andere en kun je je dan niet afvragen of er niet sprake is van een bijzondere vorm van slavernij?

Sporen nalaten is het enige wat het verleden doet. Die sporen kun je niet uitwissen of herstellen. Het oversteken van de Rubicon door Julius Ceasar was en is met geen mogelijkheid meer te herstellen. Columbus voer na zijn ‘ontdekking’ terug naar Spanje maar zijn heenreis werd daarmee niet teniet gedaan. Little Boy, de naam van de atoombom die op Hiroshima werd gegooid, kan nooit meer ont-ontploffen en terug de bommenwerper Enola Gay invliegen. Met de gevolgen ervan moeten we leven. Excuses en schadevergoedingen maken deze daden niet ongedaan. Om een zeer recent voorbeeld te geven. De ‘streep’ die verschillende ministers onder hun verleden poogden te zetten, maken de gedane uitspraken en acties niet ongedaan. De streep maakt geen einde aan de gezaaide angst, gecreëerde onrust en het ontwikkelde wantrouwen.

“Voor mij ligt deze column in het verlengde van de audioreportage die vandaag is uitgekomen: Ga mee naar de binnenlanden van Suriname, waar een koloniale tragedie nog altijd haar sporen nalaat.” Zo vervolgde Haringsma haar antwoord op mijn vragen. En daarmee kom ik bij het ‘juiste’ doen. Maar wat is het juiste? Voor het juiste zoek ik graag aansluiting bij de filosoof John Rawls. In zijn boek Een theorie van rechtvaardigheid formuleert hij twee beginselen van rechtvaardigheid: “Elke persoon dient gelijk recht te hebben op het meest uitgebreide totale systeem van gelijke fundamentele vrijheden, dat verenigbaar is met een vergelijkbaar systeem van vrijheid voor allen. Sociale en economische ongelijkheden dienen zo te worden geordend dat ze: (a) het meest ten goede komen aan de minst bevoordeelden, in overeenstemming met het rechtvaardige spaarbeginsel, en (b) verbonden zijn aan ambten en posities die voor allen toegankelijk zijn onder voorwaarden van billijke gelijke kansen.[1] Mijn definitie van het ‘juiste’ komt overeen met het deel dat stelt dat sociaal economisch beleid zo geordend moet worden dat het meest ten goede komt aan de minst bevoordeelden. Daarbij doet het er niet toe hoe die situatie is ontstaan. Iemand in ellende in het binnenland van Suriname help je omdat het een mens is, niet om iets wat ooit een iemand zijn voorvaderen heeft aangedaan.

Bij dat juiste doen is bestuderen van het verleden van belang. Niet om ‘schuldigen’ aan te wijzen waarbij je een rekening kunt indienen. Wel omdat het verleden ons kan leren welk menselijk denken en handelen tot ongelijkwaardigheid leidt. Het kan ons helpen gedrag dat tot vormen van uitbuiting leidt te herkennen, te adresseren en er iets aan doen. Iets aan te doen voor mensen die er nu slachtoffer van zijn of dreigen te worden.

Het einde van de slavernij herdenken is goed. En na goed de komma waar voormalig premier Rutte oversprak na de komma vervolg de zin dan met: ‘om hedendaagse vormen van uitbuiting en slavernij te bestrijden. Niets meer en niets minder. Die herdenking koppelen aan ‘een echt plan voor herstel’ of ‘vereffening van een niet te vereffenen rekening’ zorgen alleen maar voor onnodige tweespalt.  


[1] John Rawls, Een theorie van rechtvaardigheid, pagina 321

Bijzondere bitterballen?

“Ik weerspreek dat ik daarmee bewust zou hebben gelogen om de boel te ondermijnen. Ik vind het nogal wat om iemand maandenlang te beschuldigen van doelbewuste leugens.[1] Deze woorden sprak VVD-fractievoorzitter en partijleider Dilan Yesilgöz tijdens het Kamerdebat met als titel Een achtergehouden nota door de IND over gestapelde nareizen van vluchtelingen. Zou het aan de bitterballen liggen? Die vraag schoot me te binnen toen ik dat las.

Bron: Flickr

Yesilgöz had, zoals ze tijdens het debat zei, getallen verwisseld. Ze had het aantal nareizigers, vorig jaar zo’n 10.000, verwisseld met de cijfers van nareis- op nareis, dat zijn eer jaarlijks tussen de 70 en 100. Natuurlijk kan het dat je getallen door elkaar haalt. Dat je de nareiscijfers, vorig jaar zo’n 10.000 verwart met de nareis- op nareis cijfers, jaarlijks tussen de 70 en 100 eens een keer per vergissing door elkaar haalt. Het wordt anders als je die cijfers meer dan een half jaar door elkaar haalt terwijl je van alle kanten hoort dat je de verkeerde cijfers gebruikt. Dat kun je moeilijk een vergissing noemen. Zeker niet voor een politicus die als minister heel dicht bij het vuur zit. Die ‘vergissing’ meer dan een half jaar lang, en dan ook nog een halfjaar van een verkiezingsstrijd, is of bijzonder dom of een bewuste keuze omdat je een bepaald frame wilt neerzetten. Het is vervolgens, om Yesilgöz te citeren, ‘nogal wat’ om degenen die je leugen aanspreekt te verwijten dat ze je in een verkeerd daglicht proberen te zetten. Dat is allemaal zeer bijzonder en het is nog bijzonderder dat velen het voor zoete koek slikken. Maar daar gaat het mij nu niet om.

Het gaat mij om de bijzondere combinatie van de woorden ‘doelbewust’ en ‘leugen’ die Yesilgöz gebruikt. ‘Doelbewuste leugen’ is een pleonasme, een: “uitdrukking waarin eenzelfde begrip dubbel is uitgedrukt. Een leugen is een: “onware mededeling met het doel om te misleiden” en dus per definitiedoelbewust. ‘Doelbewuste leugen’ suggereert dat er ook andere soorten leugens zijn, bijvoorbeeld een ‘onbewuste leugen’. Haar ‘leugen’ was dan van dat soort, een onbewuste leugen, een ‘onbewuste onware mededeling met het doel om te misleiden’. Nu is mijn voorstellingsvermogen best groot, maar daar kan ik me niets bij voorstellen. Een onbewuste leugen een contradictio in terminis, een combinatie van woorden die elkaar tegenspreken.

Ik moest aan bitterballen denken omdat die altijd worden gegeten tijdens partijbijeenkomsten van de VVD en Yesilgöz is niet de eerste VVD-er die zich bij het verdedigen van een scheve schaats van deze manier van opereren bedient. Haar voorganger, Mark Rutte, verdedigde zich als hij werd betrapt op een scheve schaats met de woorden dat hij er geen ‘actieve herinnering’ aan had. Ook ‘actieve herinneringen’ is een pleonasme. Immers een herinnering is: “dat wat je je herinnert,” en herinneren is: “in het geheugen terugroepen.” Herinneren is een actieve daad, herinneringen zijn daarmee altijd actief. Het gebruik van ‘actieve herinnering’ suggereert dat er ook zoiets is als een passieve herinnering. De combinatie ‘passieve herinnering’ is, net als onbewuste leugen’ een contradictio in terminis. Zou er iets in die bitterballen zitten?

De taal-spielerei Rutte en Yesilgöz lijkt onschuldig maar dat is het niet. Het normaliseert zaken die verwerpelijk zijn, namelijk liegen. Toeval of niet, de week waarin Yesilgöz de ‘onbewuste leugen’ uitvond en daarmee liegen normaliseerde, waren we getuigen van een volgende stap in het normaliseren van het verwerpelijke. Volgens haar lopen er in die ‘nareis op nareis’ affaire zaken door elkaar. In de Kamer moest zij zich als minister verdedigen maar ze was ten tijde van die uitspraak niet alleen minister maar ook partijleider en lijsttrekker. Daarmee suggererend dat liegen in de ene hoedanigheid anders is dan in de andere. Beste mevrouw Yesilgöz, in de hoedanigheden is liegen verkeerd. Alleen de gevolgen verschillen per hoedanigheid.

Hetzelfde ‘hoedanighedenargument’ gebruikten de PPV kandidaat-ministers en -staatsecretarissen om hun verwerpelijke uitspraken weg te moffelen: ‘dat was in een andere rol waarin het wel oké was om die uitspraken te doen. Als minister zal ik ze niet doen maar ik trek niets uit het verleden terug’. De nationaalsocialistische oorsprong van ‘omvolking’  verdwijnt niet omdat ‘De ouders van je moeder’ in de Tweede Wereldoorlog onderduikers hielpen. De kandidaatsbewindspersonen blijven echter dezelfde personen die verwerpelijke uitspraken hebben gedaan. “Er zijn echt maar twee smaken, hè? Destijds waren ze waarachtig en oprecht; en dan zijn ze nu leugenachtig. Of: de stoere taal van eerder was leugenachtig (alleen bedoeld om er politiek voordeel mee te halen) en de vrome beloften van nu zijn waarachtig. Welk geval het ook is, beide PVV-bewindspersonen zijn leugenachtig.” Bij deze conclusie die Frank Kalshoven in de Volkskrant trekt, sluit ik me van harte aan.


[1] Een achtergehouden nota door de IND over gestapelde nareizen van vluchtelingen, Ongeveer 2 uur en 36 minuten ver in het debat.

De kip met de gouden, rotte eieren

“Wilders moet van de PVV nu een volwaardige politieke partij maken met een eigen verhaal.” De titel van een artikel van Bart Jan Spruyt bij Wynia’s Week. Een partij met een consistente visie, een organisatie met leden en vergaderingen en een wetenschappelijk instituut. Een bijzonder betoog.

Wilders zou dit, volgens Spruyt, om twee redenen moeten doen: “In de eerste plaats omdat, als het goed is, de partij er niet voor hem is maar hij voor de partij. Wilders is inmiddels een zestiger en kan dus nog één of twee rondes mee. Dat vraagt van hem om niet alleen zijn opvolging te regelen maar ook een stabiele partij na te laten die na zijn vertrek verder kan.” En als tweede; “omdat iedere politieke partij weliswaar populistisch begint maar daarna iets van een ideologische bedding moet vinden. Iedere nieuwe partij moet een kloof blootleggen, aantonen waarom een bepaald deel van de bevolking niet in het parlement wordt gerepresenteerd en daarmee uitleggen waarom zij als nieuwe partij nodig is.” De PVV is een eenmanspartij en dat heeft één duidelijke reden. Wilders is er niet voor die partij maar die partij is er voor Wilders.

Het vehikel PVV is er voor Wilders en voor Wilders alleen. Een partij met leden en vergaderingen daar gaat Wilders nooit aan beginnen. Dat laat Tom-Jan Meeus duidelijk zien in Duidelijkheid. Wilders: “vreest zijn eigen wantrouwen” aldus Meeus naar aanleiding van een mogelijke opstand tegen hem in 2013 waarover de NRC berichtte. Meeus citeert vervolgens uit Wilders’ correspondentie: “De inhoud van het artikel overleven we wel hoor. Het ergste is dat die journalist niet alles verzonnen heeft en met mensen heeft gesproken. Dat vind ik het ergste althans. Niet weten wie je wel en niet kan vertrouwen. Ik haat mensen die paranoïde zijn -zoals veel Arabieren die het combineren met conspiracy theorieën- en wil het zelf niet worden.[1]

Ideologische inbedding komt er ook niet. Dat betekent dat je visie en ideeën moet hebben en die moet vertalen in ambitieuze maar wel haalbare voorstellen voor beleid. Ideologische inbedding betekent dat er een einde komt aan het succesmodel van Wilders. Dat model is op basis van opiniepeilingen feitenvrij iets roepen wat stemmen oplevert. Ideologische inbedding betekent dat je de democratie omarmt. En de democratie omarmen is, zo laat Tim Fransen goed zien in zijn boek In onze tijd. Leven in het calamiteitperk¸ veelmeer dan verkiezingen. Een democratie: “vraagt om inspanningen van haar burgers. Dat is haar zwakke plek,” zo betoogt Fransen terecht en vervolgt: “Slechts wanneer die inspanning aanwezig is , wordt democratie een kracht. Ons netjes aan de wet houden is niet genoeg. Een samenleving die voornamelijk bestaat uit burgers die zich bekommeren om hun, cryptowallet, nooit een krant open slaan, genoegen nemen met desinformatie die de sociale media voorschotelt, en die zich meer betrokken voelen bij de series die ze kijken dan bij de maatschappij waarin ze leven, is weinig weerbaar.[2]Hieraan werken betekent het einde van het Wilders’ verdien model.

Hieraan werken betekent dat Wilders tegen zijn kiezers moet zeggen dat ze zelf deel van het probleem en de oplossing zijn. Want “In een gezonde democratie zou de burgersamenleving- de civil society – het hart moeten zijn. Het publieke domein is dat wat ons als privé persoon verbindt aan het politieke… . De burgersamenleving is met andere woorden nodig om te voorkomen dat ‘de politiek’ verwordt tot een vreemde macht die tegenover ons komt te staan,[3] aldus Franssen.  Dat: “Als we het over politiek hebben,” er meer bedoeld wordt dan: “‘de overheid’ of ‘de politici in Den Haag’[4]Dat als we het overpolitiek hebben: “we accepteren dat we met z’n allen eindverantwoordelijk zijn -hét cruciale uitgangspunt van democratisch zelfbestuur.[5] In zo’n samenleving heeft men geen behoefte aan een Wilders. Aan een ‘sterke leider’ die ‘zegt wat hij doet en doet wat hij zegt’ om een voorloper van Wilders aan te halen.

Dan moet Wilders gaan uitleggen dat vrijheid iets anders is dan ‘op vakantie naar waar je wil’, kiezen en zestig uit soorten boter. Iets anders dan doen wat je wilt. Dan moet hij uitleggen dat vrijheid verantwoordelijkheid betekent. Verantwoordelijkheid voor jezelf maar vooral ook voor anderen op deze wereld. Dat we samen verantwoordelijk zijn vooronze samenleving. Dat we, zoals Franssen schrijft, ons moeten: “realiseren dat we in hetzelfde schuitje zitten. (Of voor wie meer pessimistisch is aangelegd: hetzelfde zinkende schip.)” en niet, omdat: “In onze samenleving (…) de nadruk op individuele vrijheid goeddeels te (lijkt) zijn omgeslagen in maatschappelijke onverschilligheid. … in ons eigen bootje.[6] Dan zou Wilders de kip die zijn gouden, en voor de samenleving als geheel rotte eieren legt, slachten.


[1] Tom-Jan-Meeus, Duidelijkheid, pagina 12

[2] Tim Fransen, In onze tijd. Leven in het calamiteitperk, pagina187

[3] Idem pagina 222

[4] Idem, pagina 220

[5] Idem, pagina 225

[6] Idem, pagina 185