Verbod op verheerlijken terrorisme?

Wat is terrorisme? En wat is een terroristische organisatie? Twee interessante vragen. Ik stel die vragen omdat minister van Justitie en Veiligheid, David van Weel, het Wetsvoorstel strafbaarstelling verheerlijking van terrorisme en openbare steun aan terroristische organisaties ter consultatie heeft gelegd. Nog tot 16 augustus 2025 kun je je zienswijze op dit wetsvoorstel geven. Bij het lezen van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting erbij kwamen die vragen bij mij op. En als een wetsvoorstel met die naam dergelijke vragen oproept, dan klopt er, naar mijn mening, iets niet.

Voor eenieder die het niet weet. In het proces om te komen tot een nieuwe wet wordt er sinds een aantal jaren een internetconsultatie gehouden. Via die consultatie kan eenieder zijn steun, bezwaren op- en aanmerkingen over beoogde wetsvoorstellen geven. Die consultatie vindt plaats voordat de regering het wetsvoorstel door de regering wordt vastgesteld en naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Terug naar de inhoud.

Dat is terrorisme en het wetsvoorstel van Van Weel. Het wetsvoorstel wijzigt het Wetboek van strafrecht. Het voegt er de artikelen 132 a,b en c en 138 b,c en d aan toe. Artikelen die het ‘verheerlijken van’ en ‘steun betuigen aan’ een terroristisch misdrijf of een terroristische organisatie strafbaar stellen. Word je er schuldig aan bevonden dan kun je maximaal drie jaar achter de tralies verdwijnen.

Laat ik beginnen bij het begin. De eerste zin van de memorie van toelichting: “Terrorisme vormt een bedreiging voor de democratische wereld en daarmee ook voor de Nederlandse samenleving.” 1 Dit is onzin. Terrorisme is geen bedreiging voor een democratische samenleving. In haar DWDD college van 12 maart 2016 noemde terrorisme expert Beatrice de Graaf terroristen ‘early adapters’, ze zijn snel met nieuwe technieken en ontwikkelingen. Maar ook de ‘klunzen en de losers van de geschiedenis’ die liever een shortcut nemen dan gebruik te maken van de trage molens van de democratische besluitvormingsprocessen’. Terroristen zijn geen existentiële bedreiging voor onze open, inclusieve samenleving. Sterker, die inclusieve samenleving is volgens haar het beste wapen tegen iedere vorm van terrorisme. Nederlands grootste voetballer aller tijden, Johan Cruijff deed een legendarische uitspraak over Italië als voetballand en Italiaanse clubs: “Ze kennen niet van je winnen, maar jij ken wel van ze verliezen.” Met mensen die zich van terrorisme bedienen is het precies hetzelfde Ze kunnen niet winnen maar jij kunt wel van ze verliezen. Verliezen door je eigen kracht te verzwakken en dat is waar dit voorstel aan bijdraagt. Het draagt eraan bij omdat het een slecht en overbodig voorstel is en angst aanwakkert. En angst is, zoals het spreekwoord zegt, een slechte raadgever.

Dat er: “ Verschillende bewegingen met radicale ideologieën, die omverwerping van onze democratische rechtsstaat nastreven … aan kracht gewonnen,”2 hebben, wil ik best geloven. En dat rapportages van de Nationaal coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV): “laten zien dat terroristische denkbeelden op steeds grotere schaal openlijk worden uitgedragen en dat met name jongeren zich gevoelig tonen voor die denkbeelden en zich kunnen ontwikkelen van sympathisant tot aanhanger van dat gedachtegoed,” wil ik best geloven. Deze ideeën verdwijnen echter niet door de aanhangers ervan maximaal drie jaar in de cel te stoppen. Rosa Parks liet zich bij haar ‘radicale daad’, het niet opstaan voor een blanke, die was gebaseerd op haar ‘radicale ideologie’ niet afschrikken door een eventuele gevangenisstraf. Het bestraffen van slechte ideeën is de verkeerde manier. Slechte ideeën bestrijd je door goede ideeën in de praktijk te brengen en door te laten zien dat de slechte ideeën tot slechte resultaten leiden. Dit wetsvoorstel is een slecht idee.

Een slecht idee om meerdere redenen. Zo wordt in het wetsvoorstel nergens duidelijk gemaakt wat terrorisme is. Het wetsvoorstel en ook de 24 pagina’s van de memorie van toelichting, bevatten geen definitie van terrorisme. Het Wetboek van strafrecht dat met dit artikel wordt gewijzigd, ook niet. Daarin wordt wel iets geregeld over het financieren van terrorisme (Titel XXXI) maar het bevat geen definitie van terrorisme. Ook de Wet coördinatie terrorismebestrijding en nationale veiligheid bevat geen definitie van dat wat er volgens deze wet bestreden moet worden. Wat mag ik, als minister Van Weel zijn zin krijgt, niet meer verheerlijken? Welke organisaties mag ik steunen? Dat wordt niet duidelijk gemaakt. Dit wetsvoorstel laat dat in het ongewisse. Dat is nogal cruciaal want wat voor de een een terrorist is, is voor de ander een legitiem verzetsstrijder.

Na lang zoeken vond ik op de site van de NCTV een definitie van terrorisme: “ Het uit ideologische motieven (voorbereiden van het) plegen van op mensenlevens gericht geweld, of het veroorzaken van maatschappij-ontwrichtende schade, met als doel (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen, maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen en/of politieke besluitvorming te beïnvloeden.” Maar, zoals ik hiervoor liet zien, heeft deze definitie geen wettelijke grondslag. Het is, zoals de NCTV het schrijft, een definitie: “gebruikt in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. Het gaat hierbij niet om definities in juridische zin maar werkdefinities.” Bovendien een bijzondere definitie. Niet het deel voor wat betreft het plegen van op mensenlevens gericht geweld. Dat is duidelijk. Dat is moord en als je het plant, moord met voorbedachte rade. Daarvoor hoeft het Wetboek van strafrecht niet te worden aangepast. Dat is al strafbaar. Dubieus wordt het als er wordt gesproken over ‘het op ideologische motieven plannen en uitvoeren van acties die maatschappijontwrichtende schade veroorzaken’. Want wat is maatschappijontwrichtend? Daarover kun je van mening verschillen. Bovendien laat de geschiedenis zien dat maatschappijontwrichtende acties aan de basis kunnen staan van ontwikkelingen ten goede. Toen Rosa Parks in de bus niet wilde opstaan voor een blanke was er sprake van ontwrichting van de maatschappij. Zwarte mensen behoorden gewoon hun plaats af te staan aan een blanke. Een staking van NS personeel ontwricht de maatschappij en kan ideologische motieven hebben.

Dit wetsvoorstel en het wettelijk kader waarbinnen dit wetsvoorstel haar beslag moet krijgen is dermate vaag dat, net zoals bij de roep om het demonstratierecht te bepreken waarover ik recentelijk schreef, willekeur in de lucht hangt. Partijen die het demonstratierecht willen beperken hebben allemaal groepen en thema’s voor ogen die in hun ogen hinderlijk zijn en waarvan ze het demonstratierecht willen ontnemen. Als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, dan ligt de weg open voor de partijen aan de macht om hun tegenstanders en te criminaliseren en mensen die hun steun betuigen aan deze groep te vervolgen. Benoem ze tot een terroristische organisatie en je kunt de overheidsmacht op ze loslaten. Een organisatie is terroristisch, zo is als er een bindend besluit in het kader van het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid van de Europese Unie is en de minister vervolgens besluit dat er sprake is van een terroristische organisatie. Dan is steun aan die organisatie strafbaar. Zonder een fatsoenlijke definitie van het cruciale begrip terrorisme, is dit een gevaarlijk wetsvoorstel. Gevaarlijk omdat invulling van wat terrorisme dan afhankelijk is van de waan van de dag.

Het is niet alleen gevaarlijk maar vooral ook overbodig. Het ‘verheerlijken’ van terrorisme dat dit voorstel beoogt, is al strafbaar. In de toelichting wordt beschreven hoe we ‘verheerlijken’ moeten verstaan: “Bij verheerlijken gaat het niet alleen om het goedpraten of goedkeuren van een misdrijf, maar het prijzen daarvan, op een zodanige wijze dat mensen daardoor kunnen worden beïnvloed, geïnspireerd of ideologisch rijp gemaakt voor het ondersteunen of – uiteindelijk – deelnemen aan dergelijke misdrijven.”3 Dit verschilt in niets van opruiing dat op grond van artikel 131 en 132 van het Wetboek van strafrecht al strafbaar is. Het tweede lid van artikel 131 en het derde lid van artikel132 regelt al dat: “indien het strafbare feit waartoe bij geschrift of afbeelding wordt opgeruid een terroristisch misdrijf dan wel een misdrijf ter voorbereiding of vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf inhoudt,” de strafmaat kan worden verhoogd. Dit, zoals we zagen, zonder dat het begrip terrorisme is gedefinieerd.

1 Memorie van toelichting, pagina 1

2 Idem, pagina 2

3 Idem, pagina 20

De onopgevoede BBB

“Wie écht bezorgd was over dit onderwerp, had kunnen anticiperen. Toen het PVV-amendement werd aangenomen, had men het amendement van BBB kunnen én moeten steunen. Dan hadden we deze onnodige discussie over een kop soep niet hoeven voeren.” Aldus een bericht van de BBB op LinkedIn. Een bericht waarin de BBB het CDA verwijt verkeerd te hebben gehandeld rond een van de nieuwe vluchtelingenwetten die de Tweede Kamer op de laatste dag voor het zomerreces 2025 goedkeurde. Ik schreef er al eerder een Prikker met als titel Soep zooitje over Toen ik dit las moest ik denken aan een uitspraak van de Romeinse filosoof Epictetus: “Het is het werk van een onopgevoed mens anderen de schuld te geven wanneer hij zelf de oorzaak van het onheil is.”

Epictetus was een stoïcijnse filosoof die leefde van het jaar 50 tot 130 CE. Epictetus was een Griekse slaaf die naar Rome werd gebracht en die filosofie onderwees. Met Seneca en keizer Marcus Aurelius wordt hij gezien als een van de leidende figuren uit de stoa of stoïsche school. Een hellenistische filosofische stroming opgericht zo rond 300 BCE door Zeno van Citium. Uitgangspunt van de stoa is dat de ware vervulling van het leven wordt bereikt door in overeenstemming met de natuur te leven. Volgens de stoa is alles wat er gebeurt van tevoren bepaald. Iets gebeurt dus omdat het moest gebeuren, niet omdat iemand het wilde of er in vrijheid voor koos. Wel is de mens vrij om te kiezen hoe het gebeurde te beoordelen en in de keuze hoe vervolgens te handelen. Maar terug naar de BBB.

“Feitencheck: Het CDA en de strafbare ‘kop soep’, staat er boven het bericht. Dat ‘het’ in deze korte zin met kleine letter geschreven moet worden, daar zal ik niet over vallen. En dus toch wel, want ik begin erover. Wat zijn die feiten volgens de BBB? “Door het aangenomen PVV-amendement maakt de wet illegaliteit strafbaar en het is nog onduidelijk of humanitaire hulp zoals een kop soep uitdelen is uitgezonderd. In de toelichting staat namelijk dat ook hulp aan illegalen strafbaar kan zijn.” Even voor de BBB-ers de wet en de uitleg is duidelijk: zoals de tekst van de wet nu luidt, is het kopje soep strafbaar als de soepschenker weet dat de soepontvanger illegaal in Nederland verblijft. Dat zijn de feiten die blijken uit het aangenomen amendement in combinatie met artikel 48 van het Wetboek van strafrecht. Dan is de soepschenker namelijk opzettelijk behulpzaam bij het plegen van een misdrijf. Dat zijn de feiten en die zijn toch net iets anders dan de BBB hier voorspiegelt. Kwalijk voor een politieke partij.

Het bericht gaat verder: “Uit voorzorg diende BBB-Kamerlid Claudia van Zanten een eigen amendement in dat dit expliciet zou uitsluiten. In de toelichting staat helder: “Dit amendement heeft een uitzondering voor niet-commerciële activiteiten die humanitaire hulp bieden aan mensen.”” Om de kwalijke gevolgen van een mogelijk amendement te voorkomen, dient de partij zelf een amendement in. Bijzonder, maar daar kom ik dadelijk op terug. Helaas, aldus de BBB: “Het CDA stemde tegen ons voorstel. Ondanks hun woorden over het belang van hulp, stemden zij niet voor de wettelijke zekerheid die ons amendement bood.” Het is de vraag of het BBB-amendement zoden aan de dijk zet. Als de soepschenker een horeca-ondernemer is die willens en wetens een illegaal in Nederland verblijvend persoon tegen betaling een kopje soep serveert, dan is die ondernemer strafbaar. Dat geldt ook voor de supermarktondernemer die een illegaal een blikje soep verkoopt. Of de boer die de illegaal die zelf soep wil maken, wat groenten verkoopt.

Gevolg, aldus de BBB: “Hierdoor blijft de juridische onduidelijkheid bestaan. Terwijl het meteen opgelost had kunnen worden.” Zoals hierboven al aangegeven, is er geen juridische onduidelijkheid. Er zijn alleen politieke partijen die deze duidelijkheid in mist willen hullen om hun eigen falen te verbloemen.

En met dat verbloemen kom ik bij wat de BBB de conclusie van haar bericht noemt: “Wie écht bezorgd was over dit onderwerp, had kunnen anticiperen. Toen het PVV-amendement werd aangenomen, had men het amendement van BBB kunnen én moeten steunen. Dan hadden we deze onnodige discussie over een kop soep niet hoeven voeren.” Beste BBB: NEE, NEE en nog eens NEE. Jullie stemden in de Tweede Kamer volmondig in met de PVV-motie. Als jullie werkelijk de door jullie gewenste uitzondering hadden willen maken: “niet-commerciële activiteiten die humanitaire hulp bieden aan mensen,” dan hadden jullie tegen het PVV-amendement moeten stemmen. Dat deden jullie niet. Jullie en ook jullie collega’s van de NSC en SGP. Jullie stemden allemaal in met het PVV-Amendement. Daarvan anderen de schuld in de schoenen schuiven is, om met Epictetus te spreken, het werk van een onopgevoed mens.

Election Files 6: het vlak helt over

“Een zichzelf respecterende democratische politieke partij gaat niet in gesprek over een “gezamenlijke basislijn voor het waarborgen van de Grondwet, de grondrechten en de democratische rechtsstaat”. … Een zichzelf respecterende democratische politieke partij zegt NEE tegen partijen die aan de grondrechten willen tornen.” Dit schreef ik op 13 december 2023 in een Prikker. Een Prikker met het door toenmalig verkenner Plasterk uitgebrachte advies als aanleiding. Plasterk adviseerde een informateur te benoemen met als opdracht: “te onderzoeken of er overeenstemming is of kan worden bereikt tussen de partijen PVV, VVD, NSC en BBB over een gezamenlijke basislijn voor het waarborgen van de Grondwet, de grondrechten en de democratische rechtsstaat.” Zo’n gesprek is een hellend vlak, zo betoogde ik. VVD, NSC en BBB dachten er anders over. Onder leiding van toen informateur Plasterk gingen zij in gesprek met Wilders. Samen kwamen ze een verklaring over zo’n basislijn overeen. Uiteindelijk leidde dit tot het kabinet Schoof dat inmiddels is gevallen. Tijd om bestand op te maken en te onderzoeken of het vlak helt.

Bestand opmaken begint met het teruggrijpen op de gemaakte afspraken met betrekking tot die gezamenlijke basislijn. De vier partijen spraken af dat: “ze zich in hun plannen en activiteiten zullen bewegen binnen de grenzen van de democratische rechtsstaat. Dat betekent dat men zich houdt aan de Grondwet (inclusief algemene bepaling), wetten, verdragen, Europees en internationaal recht en rechtsbeginselen. Tijdens de bespreking is toegevoegd dat de partijen onderstrepen dat voor hen vaststaat dat de democratische grondrechten, die in de Grondwet zijn vastgelegd in hoofdstuk 1 artikelen 1-23), een essentiële waarborg vormen voor de democratische rechtsstaat, waarbinnen grondrechten kunnen botsen.” Ook kwamen ze overeen dat: “Rechterlijke uitspraken worden uitgevoerd en nageleefd.” Een uitspraak kan aanleiding zijn om wetgeving aan te passen. Daarbij dient: “een materiële toetsing op grondrechten en rechtsbeginselen plaats te vinden.” Ook constateerden de partijen dat: “Voor het goed functioneren van de democratische rechtsstaat (…) onafhankelijke instituties, zoals rechtspraak, wetenschap en media, van groot belang” zijn en dat ze: “met concrete voorstellen komen.” De partijen vonden: “het van belang een open, feitelijk en fel debat te kunnen voeren, maar houden elkaar en anderen daarbij heel. Voor democratie zijn hoge integriteitsnormen en transparantie bij politici belangrijk om vertrouwen te winnen en te behouden. Bewindspersonen en Kamerleden vervullen een voorbeeldfunctie door integriteitsnormen ten volle na te leven.” Ze sloten deze passage af met de woorden: “Partijen zien het belang van democratische waarden en spreken af dat het door de partijen en hun vertegenwoordigers gewetensvol zal worden ingevuld. Men zal bijdragen aan een bestuurscultuur die een constructieve bijdrage levert aan het landsbestuur en aan een positief bestuurlijk klimaat. De instituties die de rechtsstaat dragen zullen gerespecteerd en beschermd worden.”

Dat zichzelf respecterende democratische politieke partijen dergelijke afspraken niet moeten en hoeven te maken, daar gaat het mij nu niet om. Dat heb ik in de hierboven genoemde Prikker al gedaan. In deze Prikker onderzoek ik de woorden en daden van het kabinet Schoof en de vier partijen die het vormden en leg dit naast de afspraken die ze samen hebben gemaakt en die ik hierboven heb beschreven. Ik ga dus van de theorie naar de praktijk. Omdat dit een lange Prikker is, begin met met de conclusie. De verklaring die de vier partijen onder leiding van informateur Plasterk opstelden, is niet meer dan een schaamlap en is zelfs dat nog niet. De erin gemaakte afspraken werden en worden schaamteloos overtreden en genegeerd.

Die praktijk begon al met het selecteren van bewindslieden. Verschillende PVV-bewindslieden bleken de van oorsprong nazistische omvolkingstheorie aan te hangen. De theorie dat er een plan is om ‘het echte Nederlandse volk’ te vervangen door migranten. Een theorie waarvoor geen enkel wetenschappelijk bewijs is. Ernaar gevraagd, kwamen de beoogde bewindslieden niet terug op hun uitspraken. Sterker nog Reinette Klever, was het geen theorie maar een: “feitelijke beschrijving van een demografische ontwikkeling.” Haar collega Faber constateerde dat er: “zorgelijke demografische ontwikkelingen,” zijn. Ze realiseerde zich tijdens haar hoorzitting dat: “het gebruik van de term onjuist en ongewenst is, vanwege de verschrikkelijke connotatie met het verleden die het met zich meebrengt.” Ze zou het woord niet meer gebruiken. Dit alles bleek geen beletsel om beiden tot minister te benoemen. Je kunt je afvragen hoe zich dit verhoudt tot de ‘hoge integriteitsnormen’.

Op de dag van de regeringsverklaring leek de complete rechtsstatelijke verklaring vergeten. Het ‘positief bestuurlijk klimaat’, de ‘voorbeeldfunctie’ en de ‘hoge integriteitsnormen werden op een wel heel bijzondere manier ingevuld. Wilders nam ‘zijn’ premier Schoof onder vuur. Schoofs reactie op het verwijt dat er ‘racisten en aanhangers van de omvolkingstheorie in zijn kabinet zaten, vond hij ‘slappe hap’. PVV-minister Agema viel premier Schoof tijdens het debat in de rug aan met een twitterberichtje. Bijzonder was de bijdrage van VVD-leider Yeşilgöz. Zij verweet haar collega’s dat ze zich van de: “slechtste kant laten zien. Aan de ene kant een deel van de oppositie dat zichzelf overschreeuwt. En aan de andere kant Wilders die zijn rol als leider van de grootste partij net onverantwoord heeft ingevuld. … Ik mag hopen dat het vanmiddag wél over de inhoud gaat.” Inhoudelijk misschien een redelijk accurate constatering. Yeşilgöz deed deze uitspraak echter niet in de Kamer maar via een twitterberichtje. Goed voorbeeld doet goed volgen, aldus een bekend gezegde. Zou dat ook voor een slecht voorbeeld gelden?

Echter, niet alleen de PVV schoof bewindspersonen naar voren. De BBB schoof Mona Keijzer naar voren. In een uitzending van Jeroen en Sophie betoogde deze latere minister dat: “veel asielmigranten komen uit landen met een islamitisch geloof. We weten dat daar jodenhaat onderdeel is bijna van de cultuur.” Zij herhaalde hierbij bijna letterlijk de woorden die Van der Plas, de voorvrouw van de BBB, een paar weken eerder deed. Van der Plas: “ Ik denk dat een heel goed idee is om dat in Nederland te doen omdat we zien dat de groepen mensen die hier het meest asiel aanvragen dat zijn landen als Syrië, Eritrea, Jemen dat zijn wel echt landen die een joden haat hebben die tot diep in hun ziel zitten. Ik zeg niet alle mensen.” Twee leden van een partij die de rechtsstatelijke verklaring hebben ondertekend die hier al discriminerend en generaliserend hele landen wegzetten als antisemitisch. Een ‘ activiteit’ die niet helemaal, of beter gezegd helemaal niet, passen binnen de grenzen van onze democratische rechtsstaat.

Op het voor de PVV belangrijkste onderwerp, lijkt het al na een paar maanden spaak te lopen. Minister Faber moest aan een ‘dragende motivering’ werken om staatsnoodrecht te gebruiken op het gebied van asiel. Noodrecht biedt de overheid de mogelijkheid om in noodsituaties zoals een ramp, epidemie of bij het uitbreken van een oorlog, snel te kunnen optreden. Optreden waarbij de gebruikelijke procedures en regelgeving opzij worden gezet. Ook kunnen, zoals tijdens de coronapandemie, vrijheden van burgers tijdelijk worden beperkt. Een redelijk geïnformeerd iemand, weet na deze korte beschrijving van het noodrecht al, dat asiel geen noodsituatie of crisis is. Dat dus een beroep op noodrecht om maatregelen te nemen te vergelijken is met een kanonschot om een mug te doden. De problemen in de asielketen zijn een gevolg van bestuurlijke onwil. Hiervoor noodrecht inzetten, vloekt met ‘hoge integriteitsnormen’ en is een voorbeeld van wat ‘democratische waarden’ juist niet inhouden. Een schending van de rechtsstatelijke verklaring die de vier partijen al in hun Hoofdlijnenakkoord overeen waren gekomen1.

Medio oktober 2024 betoogt Minister Faber dat deze gereed is en bij de fractievoorzitters ligt. Die geven aan ‘niets te hebben ontvangen’ en de eerste kabinetscrisis is geboren. Een crisis hoeft niet automatisch te betekenen dat de rechtsstatelijke verklaring wordt geschonden. De uitkomst van deze crisis zou je kunnen zien als een voorbeeld dat de verklaring werkt. De partijen herstellen hun eerdere overtreding van hun verklaring door af te zien van staatsnoodrecht.

Maar nu ik het toch over asiel en minister Faber heb. Het optreden van minister Faber was het tegendeel: “een bestuurscultuur die een constructieve bijdrage levert aan het landsbestuur en aan een positief bestuurlijk klimaat.” Alle bij het asielvraagstuk betrokken partijen beklaagden zich voor en achter de schermen over de onbereikbaarheid, de eigengereidheid en de eigenwijsheid van deze minister. Haar omgang met gemeenten, uitvoeringsorganisaties en adviesorganen konden op weinig ‘respect en bescherming’ rekenen. De woorden waarmee ze het advies van het hoogste adviescollege, de Raad van State parkeerde, waren daarvan een stuitend voorbeeld. Dat advies zou:“hooguit punten en komma’s,” wijzigen want: “Het advies is niet bindend, ik kan ermee doen wat ik wil.” De overige ministers maar ook de Kamerleden van de vier partijen traden niet op tegen deze overtredingen van de rechtsstatelijk verklaring.

Terug naar november vorig jaar. Op donderdag 7 november speelt Ajax een Europese wedstrijd tegen Maccabi Tel Aviv. Qua supportersgroepen geen risicowedstrijd maar vanwege het Israëlische optreden in Gaza en de protesten tegen dat optreden is het een ander verhaal. De dag voor de wedstrijd zijn er verschillende incidenten met Maccabi supporters. Zo trekken ze een Palestijnse vlag van een gevel en vallen ze taxi-chauffeurs aan. Op de dag van de wedstrijd kwam het tot gevechten. De eerste bestuurder die op de rellen reageert is de Israëlische premier Netanyahu en daarna vallen politici en bestuurders over elkaar heen in hun verontwaardiging. Vooral bestuurders en politici van de regeringspartijen. Premier Schoof spreekt van: “volstrekt onacceptabele antisemitische aanvallen op Israëliërs’.” VVD-staatsecretaris Nobel spreekt van een: “groot integratieprobleem.” Volgens Nobel onderschrijft een groot deel van de islamitische jongeren de Nederlandse normen en waarden niet. Volgens VVD-leider Yeşilgöz vond er een jodenjacht plaatst en kwam dit niet uit de lucht vallen: “Onder deze uiting van haat, ligt een patroon. Een patroon van toenemende onverdraagzaamheid ten opzichte van de normen en waarden, de vrije manier van leven, die onze samenleving kenmerkt.” Wat verderop in haar verklaring spreekt ze over: “antisemitisch geweld uit extreemlinkse en extreemrechtse hoek komt. En ook uit delen van de Islamitische gemeenschap.” BBB-leider Van der Plas weet ook waar ze de schuldigen moet zoeken: “Marokkaanse en Noord-Afrikaanse jongeren met een islamitische achtergrond.” Weer koppelt Van der Plas ‘antisemitisme’ aan ‘ een islamitische achtergrond’. Let wel, al deze uitspraken werden gedaan voordat de toedracht van de gebeurtenissen goed was onderzocht en wetende dat de Maccabi-suporters zich in de dagen en uren voorafgaand aan de wedstrijd, behoorlijk hadden misdragen.

Het kabinet zinde op harde maatregelen. Maatregelen zoals het intrekken van de Nederlandse nationaliteit bij antisemitisch geweld. Een straf die alleen mensen met twee paspoorten kan treffen en daarmee in strijd is met de Grondwet. Het verbieden van sites en organisaties die ergens anders over denken, een aantasting van de vrijheid van meningsuiting. Hogere straffen voor antisemitisme waarmee de ene vorm van discriminatie zwaarder kan worden bestraft dan de andere. Het aanscherpen van het demonstratierecht. Een eufemistische uitspraak waarmee men bedoelde het recht op demonstratie wil beperken. Allemaal zaken die zeer moeilijk te rijmen zijn met de rechtsstatelijke verklaring. PVV-leider Wilders ging nog een stapje verder. Hij twitterde: “ Het land uit met dat tuig en Halsema mag mee’,” en daarmee oproepend tot het ontslag van de burgemeester. Iets waar hij als Kamerlid niet over gaat. Wilders betoont zich weinig respectvol naar de burgemeester en de gemeenteraad van Amsterdam, de bestuursorganen die er wel over gaan.

In de nasleep van de hierboven beschreven gebeurtenissen diende VVD-Kamerlid Bente Becker een motie in waarin de regering wordt verzocht: “ gegevens over culturele en religieuze normen en waarden van Nederlanders met een migratieachtergrond bij te houden, bijvoorbeeld door het SCP te vragen dit (periodiek) te onderzoeken.” Alle vier de regeringspartijen stemden voor deze motie. Net als de gehele rechtse kant van het politieke spectrum inclusief de ChristenUnie en de SGP. Deze motie pleit voor etnisch profileren. Volgens Becker en de partijen die de motie ondersteunen ligt het probleem bij ‘(gesloten) religieuze gemeenschappen. Om dit te kunnen ‘bestuderen’ en dan vooral de ‘acties’ die uit de ‘normen en waarden voortvloeien’, moeten gegevens van alle Nederlanders met een migratieachtergrond worden bijgehouden. Daarmee wordt gesuggereerd dat alleen migranten religieuze opvattingen kunnen hebben die tot ‘verkeerde acties’ kunnen leiden. Alsof mensen zonder migratieverleden geen lid kunnen zijn van een ‘(gesloten) religieuze gemeenschap’ en ‘verkeerde acties’ in de zin kunnen hebben. Alsof alleen ‘(gesloten) religieuze gemeenschappen’ tot verkeerde acties in staat zijn. Varkenskoppen en vuurwerk om te voorkomen dat asielzoekers worden opgevangen, de gewelddadige acties tegen anti-zwarte-piet-demonstranten en het storten en verbranden van afval door boeren als vorm van protest, zijn voorbeelden dat in niet (gesloten) religieuze gemeenschappen iets schort aan normen en waarden. Sterker nog, het indienen en aannemen van deze motie laat zien dat er zelfs bij de meerderheid van de Tweede Kamerleden iets schort aan de ‘normen en waarden’. Wat het in ieder geval laat zien is dat de rechtsstatelijke verklaring niet veel meer waard is dan het papier waarop ze is geschreven.

Dan naar een ander onderwerp. Stikstof. Alweer meer dan zes jaar geleden zette de Raad van State een streep door het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Het PAS betekende dat je op basis van de te verwachten toekomstige positieve gevolgen voor beschermde natuurgebieden, nu mocht gaan vervuilen. Of zoals het op de Site van de Raad van State wordt uitgelegd: “Het PAS loopt daarbij dus vooruit op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden en geeft daarbij ‘vooraf’ toestemming aan nieuwe activiteiten.” Een soort beleggen met geleend geld. Enige verschil met beleggen is dat niet de uitvoerder van die activiteit het risico draagt maar het natuurgebied. De hoogste rechter zette hier dus een streep door. Die streep zorgde voor een tweede verliezer naast het natuurgebied. Door die uitspraak moeten alle bedrijven die zich onder deze regeling hebben gemeld en toestemming hebben gekregen, een vergunning aanvragen. Krijgen ze die vergunning niet of niet volledig, dan moeten ze hun activiteiten sluiten beëindigen of inkrimpen en dat brengt flinke kosten mee.

Een uitspraak waar de Nederlandse politiek sindsdien mee in haar maag zit. Een oplossing is nog steeds niet gevonden. Dat is niet vreemd want bij het zoeken naar die oplossing wordt geprobeerd de kool en de geit te sparen. Ongeveer een kwart van alle stikstof wordt door de landbouw uitgestoten in de vorm van ammoniak. De landbouw dat zijn dan de kippen, varkens en vooral de koeien en het is vooral deze ‘geit’ de veeteeltbedrijven die de achtereenvolgende regeringen willen sparen. Veel van deze bedrijven moeten nu een vergunning aanvragen. Dat aanvragen is niet het probleem. Het probleem is dat de aanvraag in het gros van de gevallen tot het afwijzen van de aanvraag leidt en dus tot het weigeren van de vergunning. Tot nu toe wordt deze situatie, vooruitlopend op nieuwe beleid, gedoogd. Dat nieuwe beleid moet toekomstperspectief bieden voor de lange termijn. Met dat perspectief als vergezicht, kunnen de boeren dan bepalen welke kant ze opgaan met hun bedrijf en kunnen kredietverstrekkers daarvoor het benodigde geld verstrekken. Na veel getraineer en geruzie vond het kabinet Rutte 4 eindelijk een oplossingsrichting. Die richting werd door minister Wiersma echter weer bij het grofvuil gezet en wil nog enkele jaren langer gedogen. Zij en haar partij BBB, richtten zich vooral op het aanpassen van de normen en voerden een strijd tegen modellen en hun wetenschappelijk onderbouwing en voorspellend vermogen. Die strijd bestond er vooral in deze in twijfel te trekken. Niet bepaald het uitvoeren en naleven van rechterlijke uitspraken noch van onafhankelijke instituties zoals de rechtspraak en de wetenschap.

Een verwant probleem betreft het mestprobleem. Nederland nam binnen de Europese Unie (EU) al jaren een uitzonderingspositie in, dit wordt derogatie genoemd. De Nederlandse boeren mochten al jaren lang meer mest over hun land uitrijden dan hun Europese collega’s. En mest is een van de oorzaken van slechte waterkwaliteit. In 2022 verleende de EU voor het laatst derogatie. Gevolg hiervan is dat de Nederlandse boeren vanaf 2026 aan dezelfde regels moeten voldoen als hun Europese collega’s. In 2023 was, zo is bij Follow the Money te lezen, was de Europese Commissie: “al ‘zeer behulpzaam’ (…) geweest bij het verlenen van de laatste ontheffing, ‘ondanks zorgen over de waterkwaliteit’. De Commissie was ‘extreem teleurgesteld’ dat de in 2022 gelanceerde stikstofaanpak ‘gestagneerd’ was.” En: “ Als Nederland niet met ‘doortastende’ maatregelen zou komen (…) dan zou het de voorwaarden van de laatste derogatie schenden. En als de waterkwaliteit niet snel zou verbeteren, kon er ‘geen sprake zijn van een nieuwe derogatie of het herzien van de bestaande derogatie’.” Die ontheffing uit 2022 was: “ in feite een ‘stapsgewijze afschaffing’ van de uitzondering geweest, op basis van Nederlandse beloften.” Maar zo constateerde de Europese vertegenwoordigers later, beloften: “die uiteindelijk ‘niet uitgevoerd of geschrapt’ waren.” Geschrapt door minister Wiersma. Wiersma zet vooral in op aanpassing van de Europese regels. Regels waar het overgrote deel van Europa zich aan moeten houden en zich aan houdt. De hele gang van zaken getuigt van weinig ‘integriteit’ en ‘ respect voor instituties die de rechtsstaat dragen’. Want ja, ook de Europese Unie is een van die instituties die onze rechtsstaat dragen. Bovendien draagt dit handelen niet bij aan een ‘ positieve bestuurlijke cultuur’ in Europa.

Met de Maccabi-rellen raakten we al aan de al meer dan honderd jaar durende oorlog in het voormalige mandaatgebied Palestina. De laatste slag in deze oorlog begon mop 7 oktober 2023. Hamas pleegde een grote aanslag in Israël. Onze regering, het toen demissionaire kabinet Rutte 4, schaarde zich meteen achter Israël. Dat land had het recht om zich te verdedigen. En het klopt dat landen het recht hebben zich te verdedigen tegen een aanval door een vreemde mogendheid. Israël werd echter niet aangevallen door een vreemde mogendheid. Gaza was en is geen mogendheid, het is geen land. Het was op 6 oktober en is nu nog steeds, door Israël bezet gebied. Dat er geen Israëlische troepen in Gaza aanwezig waren, doet daar niets aan af. De Israëlische reactie was en is buiten elke proportie en is gericht op het verdrijven van Palestijnen uit de door Israël bezette gebieden. Niet alleen uit Gaza, ook uit de Westelijke Jordaanoever. Verdrijven door het leven er voor Palestijnen onmogelijk te maken.

Als we kijken naar de manier waarop Israël in Gaza handelt dan doodt het extreem veel Palestijnen en brengt anderen veel lichamelijk en geestelijk leed toe. Twee handelingen die het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide schaart onder de definitie genocide. Van een derde handeling: “het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging,” lijkt ook sprake. Israël drijft de inwoners van Gaza steeds verder samen in een klein gebied. Een gebied waaruit de enige uitweg is om Gaza te verlaten. Het zet daarbij voedsel en water in als een middel om dat te bereiken. Daarnaast vernietigt Israël de complete Gazaanse gezondheidszorgstructuur door ziekenhuizen en klinieken te bombarderen en door medisch personeel te doden en gevangen te nemen. Het doden en vervolgens met ambulances begraven van de gedode hulpverleners is daarvan een voorbeeld. Verder worden buitenlandse journalisten niet toegelaten en Gazaanse journalisten maken een onevenredig groot deel uit van de dodelijke slachtoffers van het Israëlische geweld.

Iets minder zichtbaar, maar niet minder erg en opzettelijk, is de manier waarop Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever van huis en haard worden verdreven. Zo zijn de 40.000 inwoners van de vluchtelingenkampen Jenin, Tulkarem en Nur Shams van huis en haard verdreven. Hun voormalige woonplaats vertoont gelijkenissen met het huidige Gaza: kapotgeschoten huizen en vernielde infrastructuur. Mensen waarvan de voorouders in 1948 vluchtten uit Israël. Hun kinderen worden nu op de vlucht gejaagd. Ook neemt het aantal illegale nederzettingen toe: “Vóór de oorlog waren er 181 buitenposten en 150 officiële nederzettingen. Sindsdien zijn er 89 buitenposten bijgekomen op de Westoever, blijkt uit cijfers van Peace Now, een Israëlische organisatie die landroof op de Westoever documenteert.” Zo is te lezen op de site van de NOS. Vanuit al die oude en nieuwe illegale nederzettingen worden de Palestijnse bewoners geterroriseerd en van hun land verdreven.

Dit alles is voor de vier partijen die de rechtsstatelijke verklaring hebben opgesteld, nog steeds geen reden om het Israëlische handelen te veroordelen terwijl dit handelen de internationale rechtsorde schaadt. Een rechtsorde die de regering, zoals is opgenomen in artikel 90 van de Grondwet, moet bevorderen. Sterker nog, er worden nog steeds wapens en onderdelen van wapens aan Israël geleverd. Daarmee is Nederland op grond van artikel III onder e van het Genocideverdrag, medeplichtig aan genocide. En kunnen de individuele bewindspersonen van de regering worden gestraft, aldus artikel IV. Het handelen van de Nederlandse regering en de vier partijen is daarmee een grove schending van de rechtsstatelijke verklaring.

En toen moest het kabinet nog vallen. Want wie dacht dat na het opstappen van Wilders en zijn PVV uit het kabinet het beter zou worden, komt bedrogen uit. Daar waar na de val van een kabinet controversiële en gevoelige zaken in de ijskast worden geplaatst in afwachting van de uitspraak van de kiezer, wisten ze niet hoe snel ze op de oude voet door moesten gaan. De VVD wil nog snel profiteren van de ‘rechtse meerderheid’ om de asielwetten die Faber vlak voor de kabinetsval had opgeleverd er door te drukken. En omdat BBB en NSC vrezen na de komende verkiezingen slechts een marginale rol te kunnen spelen, gaan beide partijen daar graag in mee. Zo hopen ze nog een puntje te scoren en nog iets te bereiken. Dat dit op gespannen voet staat met de Nederlandse democratische mores, is nu even geen beletsel.

Dan de behandeling van die ‘niet controversiële’ asielwetten. Dat werd, zoals de titel van een Prikker die ik erover schreef, een soep zooitje. Een dubieus amendement door de PVV ingediend, werd aangenomen terwijl een meerderheid van de Kamer tegen was. In plaats van de behandeling vervolgens op te schorten en nog eens goed naar de implicaties ervan te kijken, werd de behandeling doorgezet. Er werd een ‘ geitenpaadje’ gezocht van staatsrechtelijk dubieuze kwaliteit.

Dat was echter niet het enige bijzondere wat er gebeurde. Op dezelfde dag dat er over het asielamendement werd gestemd, werd er ook gestemd over een motie van PPV-Kamerlid Mooiman. Die motie verzoekt: “ de regering zo snel als mogelijk gemeenten en woningbouwcorporaties de opdracht te geven om illegale onderverhuur van sociale huurwoningen door statushouders actief op te sporen, en ervoor te zorgen dat bij ieder vastgesteld geval van fraude verblijfsvergunningen van statushouders worden ingetrokken en een procedure tot uitzetting wordt gestart.” De PVV, BBB en VVD stemden, net zoals de rechtse kant van het politieke spectrum, voor deze motie. Een motie in strijd met onze Grondwet omdat er wordt opgeroepen om alleen onderverhuur door één specifieke categorie huurders moet worden opgespoord en niet onderverhuur in het algemeen. Bovendien wordt opgeroepen tot een straf die niet voor iedere Nederlander is weggelegd. Discriminatie dus.

Als klap op de vuurpijl nam de Kamer een amendement van hetzelfde PVV-Kamerlid Mooiman aan waarin wordt bepaald dat Statushouders op geen enkele manier in aanmerking komen voor urgentie. Of zoals de indiener het schrijft: “Voorliggend amendement moet voorkomen dat gemeenten “statushouders” als aanvullende urgentiecategorie kunnen opnemen in hun huisvestingsverordening, alsmede dat gemeenten “statushouders” in urgentiecategorieën kunnen plaatsen via de ruimte die ze hebben om de urgentiecategorieën en de criteria die bepalen wanneer woningzoekenden daaronder vallen, breder op te stellen dan de wet voorschrijft.” Een amendement waarbij discriminatie in een wet wordt vastgelegd. Tot zover de rechtsstatelijke verklaring. Met dit amendement kan een statushouder nooit tot een urgentiecategorie behoren. Het amendement werd aangenomen met steun van dezelfde groep als het asielamendement en de Mooimans’ ‘opsporingsmotie’.

Van de vier partijen die de rechtsstatelijke verklaring ondertekenden stemde alleen de NSC-fractie tegen deze motie en de twee amendementen. Die stem tegen veranderde twee dagen later in een stem voor de wet waarvan de aangenomen moties nu een integraal onderdeel uitmaken. Daarmee gaf de partij, die zich voor de verkiezingen van 2023 profileerde met alsnog haar zegen aan deze wetten en verloochende de staatsrechtelijke verklaring.

Op basis van de voorgaande voorbeelden kunnen we constateren dat het vlak behoorlijk over helt naar de niet rechtsstatelijke en niet grondwettelijke kant. De verklaring die de vier partijen onder leiding van informateur Plasterk opstelden, is daarmee niet meer dan een schaamlap en is zelfs dat nog niet. De erin gemaakte afspraken werden schaamteloos overtreden en genegeerd. Een partij als NSC die zich voor de verkiezingen profileerde met rechtstatelijkheid en goed bestuur, liet zich er weinig tot niets aan gelegen liggen. Het beëindigen van de samenwerking met Wilders veranderde niets aan de houding en het gedrag van de andere drie partijen.

1 Zie hiervoor het Hoofdlijnenakkoord, pagina 3

Soep zooitje

“Ook VVD-secretaris Van Aartsen (Openbaar Vervoer en Milieu) vindt dat “er geen soeppolitie moet komen”’ Zo is te lezen op de site van de NOS. Hij deed deze uitspraak in het kader van de behandeling van Asielnoodmaatregelenwet waarmee de Tweede Kamer op de laatste dag en bijna de laatste minuut voor het zomerreces instemde. Soep is wel een mooi gerecht om alles rondom deze wet te schetsen1.

In dat debat speelde een ‘ kommetje soep’ een hoofdrol. De Asielnoodmaatregelenwet bevat een artikel, artikel 108A dat illegaliteit strafbaar stelt. Dat artikel is opgenomen nadat de Tweede Kamer instemde met een door PVV-Kamerlid Marina Vondeling ingediend amendement. “De meerderjarige vreemdeling die in Nederland verblijft terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf niet rechtmatig is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie.”2 Zo luidt dit artikel. Over dit aangenomen amendement is veel te doen omdat het illegaliteit strafbaar stelt. En als iets strafbaar is, zijn burgers die weet hebben van de illegaliteit van iemand anders en daar niets tegen ondernemen, strafbaar.

Een amendement van BBB-Kamerlid Claudia van Zanten dat expliciet over het helpen van illegalen ging werd niet aangenomen. Maar daarmee is het helpen van een illegaal persoon nog steeds strafbaar. Daarvoor moeten we naar het Wetboek van strafrecht artikel 48. Dat regelt dat iemand die opzettelijk behulpzaam is bij het plegen van een misdrijf of opzettelijk gelegenheid, middelen of informatie verschaft tot het plegen van een misdrijf, strafbaar is. Als je weet dat iemand illegaal is en je helpt die persoon, dan ben je strafbaar. En daar kwam het ‘kommetje soep’ om de hoek kijken: het kon toch niet zo zijn dat iemand een ‘ kommetje soep’ aanbieden tot straf zou leiden. Voordat ik me nader op dat ‘kommetje soep’ richt. Terug naar het begin.

Naar de val van het kabinet Rutte IV. Dat kabinet viel over het asielbeleid en specifiek over de ‘nareis op nareis’. De bewering van de huidige VVD-leider Dilan Yeşilgöz die op dat moment minister van Justitie was, dat Nederland te maken had met duizenden mensen die nareisden als nareiziger van een nareiziger. Yeşilgöz’ soep bleek echter de kool niet waard. In werkelijkheid ging het om nog geen 200 aanvragen per jaar waarvan er gemiddeld 70 werden ingewilligd. Maar ja, het kwaad was geschied, het kabinet gevallen en de campagne begon.

Asiel werd het thema van de campagne. Yeşilgöz, die tussen de soep en de aardappelen tot VVD-lijsttrekker werd benoemd, dacht met dit thema stemmen te trekken. Het is echter linke soep om campagne te voeren op een thema dat het pièce de résistance is van een andere partij. Want laten we nu wel wezen voor Wilders is asiel als soep eten met een vork. Toen Yeşilgöz de deur open zette voor samenwerking met de VVD was het hek helemaal van de dam. Wilders schepte zijn soep goed uit en trok de hele campagne naar zich toe. Zijn partij werd de grootste. Het plan Yeşilgöz en de VVD was in de soep gelopen.

Wilders was aan zet om een nieuw kabinet te vormen. Yeşilgöz deed in eerste instantie alsof ze er geen soep mee had gegeten en paste voor deelname aan een kabinet. Dat duurde niet erg lang want door haar eigen handelen zaten we met z’n allen in de soep. Een beetje een kabinet vormen was bijna niet mogelijk. De partijen verzonnen echter een list: een extra parlementair kabinet. Daarvoor zochten ze een minister-president in wiens soep ze het konden doen. Die vonden ze in Dick Schoof.

Die ging aan de slag met het door de vier partijen opgestelde regeerakkoord. Dat beloofde ‘het strengste asiel beleid ooit’. Dat ‘strengste asielbeleid ooit’ moest voorkomen dat alles in de soep zou lopen. Immers aan alle ellende in Nederland zou een einde komen met dit ‘strengste asielbeleid ooit’. Dat moest gebeuren via een noodwet, zo hadden de partijen afgesproken. Helaas liep dat plannetje in de soep. Want ook voor deze klus zochten ze iemand. Wilders schoof Marjolein Faber naar voren maar zij bleek al snel geen goeie in de soep. Ze communiceerde slecht tot niet, stemde met niemand af en als ze haar mond open deed had ze meteen ruzie met anderen.

Het kabinet ging aan de slag. Echter, voordat ze goed en wel begonnen waren, was vet het al van de ‘samenwerkingssoep’. De partijen vlogen elkaar om niets in de haren en strompelden van crisis tot crisis. Zo ook op het asieldossier. De Asielnoodwet liep in de soep omdat de ‘nood’ ontbrak. Dan maar een gewone wet met ‘nood’ in titel: de Asielnoodmaatregelenwet. Maar nog voordat die wet in de Tweede Kamer werd behandeld liet Wilders het hele kabinet in de soep lopen. De kabinetssoep was zuur geworden. De eigenbijdrage in de zorg is leuk als je er stemmen mee kunt trekken. Er iets aan doen, boeide hem niet. Daar heeft hij geen soep mee gegeten. Nee, het ging om asiel en hij vond het strengste beleid niet streng genoeg. De andere drie regeringspartijen vonden de asielnood zo hoog, dat de Asielnoodmaatregelenwet nog voor de verkiezingen behandeld moest worden. Er lag nu immers iets en na de verkiezingen zou het er wel eens heel anders uit kunnen zien. Nu was er nog die ‘rechtse meerderheid’ en die wilden ze toch nog gebruiken om hun asielsoep goed uit te scheppen.

En daarmee komen we bij de gebeurtenissen van de laatste dag voor het zomerreces 2025. Of beter gezegd, een week eerder, op 25 juni 2025. Denk-fractievoorzitter Van Baarle dient op die dag een verzoek in om de stemmingen van een week later, de 1e juli, uit te stellen. Als verschuiven naar een andere dag niet zou gaan, dan in ieder geval de stemmingenronde in tijd naar achteren verschuiven zodat Kamerleden Keti Koti konden bijwonen en nog op tijd voor de stemming terug konden zijn. De stemmingen zouden namelijk beginnen op het moment dat de viering op z’n einde liep. Helaas wilde een Kamermeerderheid aangevoerd door Caroline van der Plas daar niet aan: “ Stemmingen zijn namelijk onze core business (waarvoor wij gekozen zijn en als fractie kan je gewoon bekijken wie er wel en wie niet naartoe gaat’” aldus Van der Plas. Dat klopt natuurlijk maar dat wil niet zeggen dat stemmingen niet verschoven kunnen worden naar een ander dag of tijdstip. Een blik op de agenda van de Plenaire Vergaderingen van die dag, maakt dat duidelijk dat er best wat geschoven had kunnen worden. Van der Plas en met haar de andere partijen van de voormalige coalitie wilden daar niet aan. Saillant detail is dat ook de NSC-fractie niet van uitstel wilde weten. Hadden ze toen maar geweten dat hun soep hierdoor een week later aardig dun zou worden.

Op die eerste juli werd gestemd over verschillende amendementen bij het wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet. En dat waren er nogal wat. Bij één ervan, het hierbovenbeschreven amendement, gebeurde iets bijzonders. Die werd tegen de verwachtingen in aangenomen. De partijen PVV, VVD, BBB, SGP, Forum voor Democratie en JA21 stemden voor terwijl deze partijen samen geen Kamermeerderheid hebben. Maar omdat enkele Kamerleden Keti Koti bezochten en het spel met het wegstrepen van afwezigheid bij alle andere amendementen bij dit voorstel goed werkte, deed het dat bij die amendement niet. De afwezige leden van GroenLinks/PvdA hadden ‘ weggestreept’ met NSC-leden maar beide partijen waren tegen dit amendement. Daarom liep hun afspraak bij dit amendement in de soep.

Twee dagen later, op donderdag de derde juli, werd dan uiteindelijk de volledige wet behandeld. Bij die behandeling speelde een spreekwoordelijk ‘kommetje soep’ een hoofdrol. Vooral de NSC zat in de soep. De partij was voor de Asielnoodmaatregelenwet maar tegen het aangenomen amendement alleen maakte dat amendement nu onderdeel uit van de wet en er kon alleen maar vóór of tegen de wet worden gestemd. Vóór stemmen betekent dat illegaliteit strafbaar wordt en dat het serveren van een kommetje soep aan iemand die illegaal in ons land verblijft, ook strafbaar is.

Dat kan toch niet de bedoeling zijn, volgens NSC en de SGP. Voor die laatste partij is dat bijzonder omdat deze partij voor het betreffende amendement stemde en dus voor het strafbaar stellen van het ‘ kommetje soep’. De beide partijen probeerden het vervolgens in iemand anders zijn soep te doen. Die iemand was minister Van Weel van Justitie. Die wrong zich in allerlei bochten en beloofde de minister van justitie dat het serveren van het ‘kommetje soep’ als het aan hem ligt, niet zou worden bestraft. Bovendien, zo betoogde minister Van Weel van Justitie moeten:“ketenpartners prioriteiten (…) stellen bij de handhaving”, en die liggen bij: “mensen die crimineel gedrag vertonen”. De soep wordt, zo betoogde hij, niet zo heet gegeten als de wet haar opdiende. Een andere minister kan daar anders over denken en wel die hete soep opdienen. Iets wat hij niet kon ontkennen want de wet is de wet.

Maar omdat het hete hangijzer, het via het amendement toegevoegde artikel, tussen de soep en de aardappelen door werd opgediend, zegde de minister toe om het gedeelte dat strafbaarstelling van illegaliteit regelt, niet direct in werking te laten gaan, deed hij het bij de Raad van State in de soep en vroeg de Raad hierover een nader advies uit te brengen en dit met de Tweede Kamer te bespreken. Linke soep omdat de ervaringen uit het verleden op dit dossier leren dat adviezen niet al te serieus worden genomen. De Raad van State adviseerde in eerste instantie om: “het wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet in de huidige vorm niet in te dienen bij de Tweede Kamer.” Minister Faber had daar echter geen soep mee gegeten. Ze gaf aan: “hooguit punten en komma’s,” te wijzigen want: “ Het advies is niet bindend, ik kan ermee doen wat ik wil.”

Al met al is het nu een soep zooitje dat nu aan de Eerste Kamer wordt opgediend.

Hieronder de gebruikte soepuitdrukkingen

1. De soep wordt nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend: zo moeilijk als het wordt verteld of voorgesteld, is het meestal niet.

2. Hij zit in de soep: hij zit in verlegenheid / in de problemen.

3. Het in iemand zijn soep doen: iemand overtuigen om jouw wil uit te voeren.

4. Daar wordt de soep aardig dun van: door deze gebeurtenis wordt de situatie minder aangenaam.

5. Iets doen tussen soep en aardappels (de patatten): iets vlug doen, zonder veel zorg.

6. Hij schept zijn soep goed uit: hij profiteert van de situatie.

7. Dat is linke soep!: dat is gevaarlijk!

8. In de soep lopen: volledig mislukken (van een plan).

9. Het is een soep zootje: het is een rommeltje.

10. Soep eten met een vork: ergens geen genoeg van krijgen.

11. Het vet is van de soep: het beste is er van af.

12. Hij is een goeie in de soep: hij is onkundig.

13. Het is niet veel soeps: het is niet veel bijzonders.

1 In deze Prikker verschillende uitdrukkingen met soep, Voor de betekenissen zie: https://www.voedingonline.nl/page/Nieuws/Bericht/56/Spreekwoorden-met-soep

2 https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/plenaire_vergaderingen/details/activiteit?id=2025A05166 zie amendement 36704-74

Slaan en/of geslagen worden

Met grote en ronkende woorden geeft Keren Hirsch in een artikel in Het Parool zanger Douwe Bob onder uit de zak. Hirsch:“Als Douwe Bob echt voor verbinding was, was hij niet weggelopen. Dan had hij navraag gedaan, het gesprek gezocht, geluisterd – maar dat deed hij helaas niet.” De zanger, zo betoogt Hirsch, die bestuurslid is bij het Centrum voor Informatie en Documenten Israël (CIDI), veroordeelt: “ Iemand over een woord waarvan (…) (hij) niet de hele betekenis (…) (wwet). Enkel omdat (…) (hij denkt) de wijsheid in pacht te hebben.” En zij is niet de enige. Het CIDI blijkt zeer effectief in het bereiken van de krantenkolommen want in de Volkskrant een ingezonden brief van Nathan Bouscher van hetzelfde CIDI. Een trend want iedere keer als er kritiek wordt geleverd op Israël dan verschijnen er artikelen vanuit het CIDI in kranten. Bijzondere artikelen waarin de zanger wordt verweten door onwetendheid het verkeerde signaal te hebben afgegeven.

Eerst het betoog van Hirsch. “Kinderen stonden zondag klaar, vol verwachting, voor een optreden van een Nederlandse artiest. Kinderen die vaak naar zwaarbeveiligde scholen gaan, omdat hun Joods-zijn in Nederland al lang niet meer vanzelfsprekend veilig is. Kinderen die opgroeien met de wetenschap dat hun gemeenschappen beveiligd moeten worden bij feestdagen, culturele evenementen en uitjes. En ook Jom Ha Voetbal had beveiliging.” Helaas voor voor de kinderen: “In plaats van hen een vrolijk optreden te bezorgen, kregen ze een pijnlijk signaal: ‘Om wie jij bent, treed ik niet voor je op.’ Douwe Bob liep weg. Niet vanwege iets wat er werd gezegd of gedaan, maar vanwege een woord. Een woord dat voor veel Joden juist hun bestaansrecht uitdrukt.” Ze vervolgt: “Steeds weer worden Joodse Nederlanders verantwoordelijk gehouden voor het conflict in het Midden-Oosten. Steeds weer moeten ze uitleggen dat hun verbondenheid met Israël niet betekent dat ze voor oorlog of bezetting zijn. En steeds weer wordt hun Joodse identiteit verdacht gemaakt – via de achterdeur van antizionisme.” En: “Het wegzetten van zionisme als iets slechts draagt bij aan de dehumanisering van Joden. Het ontneemt ze hun recht op veiligheid, verbondenheid en zelfdefinitie. In een tijd van toenemend antisemitisme – online, op straat en in de politiek – is dat niet alleen schadelijk, maar ook gevaarlijk.”

Bron: Flickr

In de Volkskrant betoogt Bouscher dat Douwe Bob door: “te kiezen om überhaupt niet op te treden (…) veel olie op het vuur (heeft) gegooid; hij had er ook voor kunnen kiezen in gesprek te gaan met de organisatoren.” Maar: “het echte punt zit in hoe Douwe Bob klaarblijkelijk aankijkt tegen zionisme. Zionisme is niets meer dan het streven naar een thuisland voor het Joodse volk en het bestaansrecht van Israël als Joodse staat. Voor de meerderheid van de Joden, van uiterst links tot rechts, is zionisme onlosmakelijk verbonden aan hun identiteit.” Hij concludeert dat Douwe Bob door weg te lopen: “ de boodschap af dat Joden alleen nog mogen meedoen wanneer zij afstand nemen van Israël. Dit zal hij zo niet hebben bedoeld, maar dat is wel het kwalijke signaal dat is bijgebleven.” Om hun betoog kort samen te vatten: ‘Arme Douwe Bob, hij is onwetend en heeft door zijn onwetendheid verkeerd gehandeld. Had hij geweten wat zionisme werkelijk is, dan had hij anders gehandeld’.

Zionisme is geen religie. Het is een politieke ideologie. Een ideologie die haar oorsprong vindt in de negentiende eeuw. De eeuw van het nationalisme. De eeuw dat mensen duidelijk moest worden gemaakt dat ze toch echt Nederlander, Duitser of Fransman waren. Voor een huidige Nederlander is het wellicht moeilijk voor te stellen, maar het overgrote deel van de twee miljoen negentiende-eeuwse bewoners van wat nu Nederland is, konden zich bij Nederlander zijn, niets voorstellen. Ze woonden in een dorp of stad en zagen zich als inwoner van dat dorp of die stad, spraken de taal van dat dorp of die stad en als ze op de klok keken dan was de kans groot dat die iets anders liet zien dan de klok in een andere stad. En waar ik hier Nederlander schrijf, kun je ook Duitser, Fransman of welk huidig volk dan ook lezen.

Die identificatie als Nederlander is iets van de laatste 150 jaar. En hoe deden onze voorouders dat, iemand zich Nederlander laten voelen? Dat deden ze via een eenheidstaal en die noem je Algemeen Beschaafd Nederlands. Waarmee je iemand die een lokale taal spreekt meteen wegzet als ‘onbeschaafd’. Dat deden ze door een trots verhaal te creëren over het gebied en haar inwoners. In dat verhaal worden de Batavieren ineens Nederlanders avant la lettre. In dat verhaal word je trots op, om voormalig premier Balkenende aan te halen, ‘die VOC-mentaliteit’. Dat deden ze door er een volkslied in te stampen en andere liederen over daden van mensen die je net als de Batavieren Nederlander avant la lettre maakt. Dan wordt er gezongen over Piet Hein en de zilvervloot en wordt er trots verteld over Michiel de Ruyter en het grote wereldrijk dat die VOC-mentaliteit creëerde. En dat deden ze ook door zich tegen andere volkeren af te zetten. Die zijn anders en voor dat ‘ anders’ zoek je iets wat hen ‘anders’ maakt. En geloof is dan iets wat iemand al snel anders maakt. In de negentiende en zelfs tot het midden van de twintigste-eeuw was een Nederlander vooral Protestants en dan vooral Hervormd. Katholieken werden met de nek aangekeken want die gehoorzaamden niet Den Haag maar Rome.

Het nationalisme kende een burgerlijke en een semi-religieuze variant. De burgerlijke variant waarvan de aanhangers streefden naar een staat die al haar burgers gelijke rechten gaf. Nu wellicht lastig voor te stellen maar in de negentiende en ook de eraan voorafgaande eeuwen, waren mensen niet gelijk en werden zeker niet gelijk behandeld. En hoe verschillend dat verschilde per stad. De semi-religieuze kant van het nationalisme stelde, wat we tegenwoordig identiteit noemen, centraal. Bij deze vorm van nationalisme hoorde je bij de natie als je aan bepaalde vereisten voldeed op het gebied van taal, gedrag, gebruiken en religie. Deze laatste vorm van nationalisme zorgde en zorgt voor problemen.

Deze vorm was een groot probleem voor rijken zoals het Ottomaanse en het Oostenrijks Hongaarse waar veel echt van elkaar verschillende talen werden gesproken. En deze groepen woonden ook nog eens door elkaar. Die problemen kwamen er en zijn er nog steeds. Bijvoorbeeld in voormalig Joegoslavië. Dit is ook het nationalisme van bijvoorbeeld de PVV en andere partijen die spreken over het ‘ echte volk’ of de ‘echte Nederlander’. Deze vorm van nationalisme sluit mensen uit. Deze vorm van nationalisme speelt in op gevoelens van mensen en zet mensen tegen elkaar op. Vooral in tijden van spanning en crisis blijken mensen gevoelig voor deze vorm van nationalisme.

Dan terug naar het zionisme. In die negentiende eeuw kozen veel joden voor bijvoorbeeld de Franse, Duitse of Nederlandse nationaliteit en maakten gebruik van de rechten die ze, net als de andere inwoners van deze landen, kregen. Ze gingen meedoen in het zakenleven, de wetenschap en het bestuur van de landen waar ze woonden. Een ander deel wilde iets anders. Die vonden dat die emancipatie van joden was mislukt omdat zij geen eigen staat hadden in Europa. Ze wilden een joodse staat waar de religie geen rol speelt gebaseerd op de Hebreeuwse taal en de joodse cultuur. Omdat staatsvorming in Europa was mislukt, zochten de zionisten een andere plek en die plek werd Palestina. Dit is het zionisme van Hirscher en Bouscher. De seculiere variant.

Echter, net als bij alle vormen van nationalisme, kent ook het zionisme semi-religieuze varianten in verschillende gradaties. Deze varianten kennen veel aanhangers en onder de bewoners van de illegale kolonistennederzettingen op de Westelijke Jordaanoever zijn veel aanhangers van de meest extreme vormen te vinden. De aanhangers van Smortrich en zijn Religieus Zionistische Partij en van Ben-Gvir en zijn op religieus zionistische snit gebaseede partij Otsma Jehudit. Een heel ander zionisme dan Hirsch en Bouscher ons willen voorspiegelen. Zionisme is toch iets anders, of beter gezegd veel meer dan Hirsch en Bouscher ons willen voorspiegelen.

Ik begon deze uiteenzetting over het zionisme met de opmerking dat het zionisme een politieke ideologie is. En op politieke ideologieën mag je kritiek hebben. Ze zijn niet neutraal, ze politiseren en polariseren. Dat gebeurt binnen de verschillende varianten van het zionisme. Het zionisme van Smotrich en Ben-Gvir bekritiseert de neutrale variant van Hirsch en Bouscher. En het zou zomaar kunnen dat deze beide auteurs ook kritiek hebben op het religieus zionisme van Smotrich en Ben-Gvir. Maar ook van buiten mag je kritiek hebben op een politieke ideologie. Socialisme, liberalisme, politiek islamisme, nationalisme, trumpisme ze mogen allemaal bekritiseerd worden. En het is het goede recht van iedere muzikant om niet op te willen treden als er reclame wordt gemaakt voor een politieke ideologie. Zeker als vooraf is aangegeven dat de artiest niet optreed als er sprake is van politieke reclame. Beide briefschrijvers verwijten Douwe Bob dat hij daarover niet het gesprek is aangegaan. Na zo’n gesprek, zo suggereren ze, had hij gewoon kunnen spelen want hun politieke reclame was ‘ goede’ politieke reclame. Daarmee vragen ze de zanger om te marchanderen met zijn principes en vooral met de gemaakte afspraken. Politieke reclame is politieke reclame.

Dat weigeren wil niet zeggen dat de artiest de politiek waarvoor reclame wordt gemaakt, als ‘slecht’ wegzet, zoals Hirsch beweert. Het zegt niets over die stroming en de mensen die haar aanhangen. Het geeft alleen aan dat de betreffende artiest geen politieke reclame wil maken. Dat Douwe Bob, na lang aandringen in een talkshow aangaf dat hij zich niet kon vinden in het ‘zionisme’ dat de huidige Israelische regering voorstaat, doet daar niets aan af. Deze artiest vervolgens woorden in de mond leggen dat hij: “Om wie jij bent, (…)ik niet voor je op(treed),” zoals Hirsch of dat de zanger: “ de boodschap af (geeft) dat Joden alleen nog mogen meedoen wanneer zij afstand nemen van Israël,” zoals Bouscher het verwoordt en door verschillende politici in soortgelijke en nog walgelijkere bewoordingen, is beneden alle peil. Dat is: “niet alleen schadelijk, maar ook gevaarlijk,” om Hirsch’ eigen woorden te gebruiken.

Voor “ Joden, van uiterst links tot rechts (…) zionisme onlosmakelijk verbonden aan hun identiteit,” schrijft Bouscher. Dat dit zo is, maakt echter nog niet dat joods en zionisme aan elkaar gelijk zijn. Dat het ene woord zo de plaats van het andere kan innemen. Veel joden, vooral orthodoxe, zien dat heel anders. Volgens deze groep heeft zionisme niets met hun identiteit te maken. Zij verwerpen het zionisme in welke vorm dan ook. Toch identificeren zij zich als joods. Brengen deze orthodoxe joden dan ook de: “veiligheid, verbondenheid en zelfdefinitie,” om de woorden van Hirsch te gebruiken, in gevaar? Of klopt haar stelling dat voor joden zionisme onlosmakelijk aan hun identeit is verbonden, niet?

“Keer op keer wordt ‘zionisme’ gebruikt als stok om de Joodse gemeenschap te slaan,” schrijft Hirsch. Dat zal in sommige gevallen best zo zijn. Maar of het werkelijk zo is? In een tijdsgewricht waar iemand zijn identeit steeds meer verbindt aan één kenmerk, is kritiek op dat kenmerk meteen existentieel. Als ‘zionist’ je hele identiteit is, dan zie je het besluit van Douwe Bob als een aanval op jou. Als zionist maar een onderdeel is van hoe je jezelf ziet, als het in welke vorm dan ook, alleen maar iets zegt over het politieke deel van je identeit, dan zou dat wel eens heel anders kunnen liggen.

Maar wie slaat er dan en wie wordt er geslagen? Zijn het in dit geval niet Hirsch en Bouscher die de stok hanteren? Ze hanteren een rammelend betoog en ongefundeerde beschuldigingen om zanger Douwe Bob mee te slaan en zij zijn daarin niet de enigen. Zij krijgen hierbij steun van politici en mediapersoonlijkheden. Dat heeft ertoe geleid dat de zanger wordt bedreigd en met zijn gezin het land uit is gevlucht. Ik hoop dat ze zich realiseren dat deze manier van handelen wel eens op hen kan terugslaan. Door iedere kritiek of andere mening meteen antisemitisch te noemen, wordt echt antisemitisme afgedekt. Om Trumpfluisteraar Steve Bannon aan te halen, door de zone met nepshit te overspoelen, wordt echte shit onzichtbaar. De kans is groot dat dergelijk geschreeuw een groot deel van de mensen imuun maakt voor antisemitisme.

Election files 5: demonstratierecht

“Want ja: er is een demonstratierecht. Maar er is géén recht op chaos, overlast en misbruik van politiecapaciteit. Het is tijd dat het gezag weer gezag wordt.” Met die woorden sluit een artikel van Mark Jongeneel bij De Dagelijkse Standaard. Jongeneel schrijft zijn artikel naar aanleiding van een berichtje van PVV-Kamerlid Peter van Haasen. Die stelde: “Er is een demonstratierecht, maar er is ook legitimiteit voor de onderuitputting van de politie waardoor belangrijke zaken blijven liggen.” Een bijzonder artikel naar aanleiding van een bijzonder bericht, Genoeg aanleiding voor deel vijf in de reeks Election Files waarin de vrijheid van meningsuiting en in het verlengde ervan het recht op demonstratie centraal staan.

Een bijzonder artikel naar aanleiding van een bijzonder bericht. Het eerste bijzondere aan het bericht van Kamerlid Van Haasen is het kromme Nederlands dan hij gebruikt. Dat is zorgwekkend maar daar gaat het mij nu niet om. Volgens Jongeneel is: “Het demonstratierecht (…) heilig in een democratische rechtsstaat. Maar wat links Nederland er inmiddels van gemaakt heeft, is een vrijbrief voor blokkades, intimidatie, bezettingen en structureel politie-inzet misbruik.” Hier begint het bijzondere. Jongeneel wijst een schuldige en dat is links Nederland: “Elke keer opnieuw moeten agenten in Den Haag opdraven omdat radicale klimaatactivisten of anti-Israël-betogers weer een kruispunt, gebouw of doorgaande weg bezetten.” Ik vraag me af of iemand die tegen het optreden van Israël in Gaza of de manier waarop de Nederlandse regering hierin acteert, demonstreert of iedereen die zich inzet voor het klimaat automatisch links is.

Met de voorbeelden die Jongeneel noemt en dit ‘links’ noemen vergeet hij dat er andere voorbeelden zijn van demonstreren waar agenten bij moeten opdraven. Zo kan ik me boeren herinneren die wekenlang snelwegen en kruispunten bezetten en rommel zoals hooi, mest, autobanden en asbest op wegen deponeerden en dat soms ook nog in brand staken. Die distributiecentra van supermarkten blokkeerden. Ook kan ik me demonstranten tegen de komst van asielzoekerscentra herinneren die varkenskoppen en -poten ophingen, met vuurwerk gooiden, gemeentehuizen min of meer bestormden en raadsleden lastigvielen. Ik kan me ‘woedende Katwijkers herinneren die demonstranten belaagden. Ik kan me zwarte-piet-activisten herinneren die een snelweg blokkeerden en zwarte-piet-activisten belaagden. Jongeneel noemt deze voorbeelden niet terwijl die ook: “structureel verstoringsgedrag van (…) beroepsactivisten (is), vaak professioneel georganiseerd en gericht op maximale ontwrichting. Niet het gesprek zoeken, maar de boel lamleggen.” In dit citaat van Jongeneel stond voor het woord beroepsactivisten het woord ‘links’. Ook bij deze activiteiten keek: “de politie machteloos toe, omdat de capaciteit volledig wordt leeggetrokken door dit soort acties. Wijkagenten? Tekort. Aangiften? Stapelen zich op. Veiligheid in de buurt? Onder druk.” Of: “Het (…) onverantwoord beleid (is) dat dit toestaat,” zoals Jongeneel betoogt, daar ga ik in deze Prikker dieper op in.

Dat dieper ingaan begint met een laatste opmerking over het gebruik van ‘links’ en het selectieve benoemen van voorbeelden door Jongeneel. Jongeneel heeft een ander wereldbeeld dan de demonstranten en actievoerders waar hij zich tegen verzet. Dat mag. Dat wereldbeeld mag hij uiten in woord en schrift maar ook in een demonstratie. Dus als hij pleit voor: “Verwijderen. Beboeten. Vervolgen. Zoals het hoort in een rechtsstaat waarin de wet geldt voor iedereen – óók voor wie denkt boven de samenleving te staan omdat hij een protestbord vasthoudt,” dan geldt dat ook voor hem. Dan kan het niet zo zijn dat de ene groep wel op straat mag demonstreren en de andere groep niet. Dan moeten niet alleen de milieuactivisten worden verwijderd, beboet en vervolgd, maar ook de boeren en demonstranten tegen een AZC. De overheid mag dit niet bij de ene groep wel doen en bij de andere niet puur omdat het ene in het straatje van de overheid past en het andere niet. Dat is in strijd met het eerste artikel van onze Grondwet. Dat stelt dat: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld,” en dat: “Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, (…)niet (is) toegestaan.”

Met onze Grondwet komen we ook meteen bij de basis van het recht op demonstreren en dat is de in artikel 7 van de Grondwet opgenomen vrijheid van meningsuiting. Dat artikel stelt dat niemand voorafgaand: “verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Van dit recht maakte de ‘rote Fahne’ gebruik. Hoe de man werkelijk heette wist bijna niemand, maar zo ongeveer iedereen wist in Venlo in de jaren tachtig over wie je het had als je ‘rote Fahne’ noemde. Een man die in de Venlose winkelstraten vol passie reclame stond te maken voor het communisme en daarbij de Duitse communistische krant Die Rote Fahne aanprees. Als een goed marketeer wist hij dat een groot deel van het winkelend publiek in Venlo in die tijd bestond uit Duitse fabrieksarbeiders. Ook Arnol Kox, de Eindhovense straatprediker maakte van dit recht gebruik. De wet geeft ons allemaal het recht om in de openbare ruimte onze mening te uiten. Daarvoor is geen toestemming, of zoals de Grondwet het zegt voorafgaand verlof, van wie dan ook nodig.

Deze vrije meningsuiting is de basis onder het demonstratierecht. Een demonstratie is niets meer en niets minder dan een van de manieren om een mening te uiten, een manier waarbij mensen in groepsverband hun mening kenbaar maken. Een bijzondere manier die ook in onze Grondwet is opgenomen in artikel 9: “Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend.” Juist vanwege het groepsverband is dit aparte artikel opgenomen. Want grote groepen die hun mening uiten zijn van een andere orde en dynamiek dan een individu zoals ‘ rote Fahne’. Vanwege die mogelijke dynamiek is het tweede lid van artikel 9 opgenomen: “De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”

Een demonstratie vindt plaats in de publieke of openbare ruimte. De ruimte waar mensen elkaar ontmoeten en met elkaar omgaan. De ruimte waar ik wil demonstreren, jij naar je grootmoeder wilt reizen en weer iemand anders zijn geld probeert te verdienen met een foodtruck of krantenkiosk. Daarom moeten demonstratie van tevoren worden aangemeld. Daarom kan de overheid regels stellen. Maar dan alleen maar ter bescherming van de volksgezondheid, het belang van het verkeer en het bestrijden en voorkomen van wanordelijkheden. Dus niet omdat de inhoud van de demonstratie niet bevalt. Basisuitgangspunt hierbij is dat de demonstratie doorgaat.

Drie redenen om regels te stellen en regels te stellen om de openbare orde te waarborgen. Verbieden is daarbij de meest vergaande vorm van regels stellen. Uitgangspunt hierbij is dat demonstreren geen verstoring van de openbare orde is. Het uiten van een mening is immers bij uitstek onderdeel van een democratische openbare orde. Een cruciaal onderdeel. Een afspraak kan zijn dat een stuk van een snelweg bezet mag worden gedurende een bepaalde periode. Op die manier krijgen de actievoerders de gelegenheid hun punt te maken. Blijven ze daarna de weg nog bezetten, dan kan en moet de politie optreden want dan verstoort dezelfde demonstratie wel de openbare orde. Een demonstratie kan verboden worden als de kans groot en reëel is dat een demonstratie tot wanordelijkheden leidt, de derde reden voor het stellen van regels aan een demonstratie. Daar moet de overheid echter zeer terughoudend mee omgaan want de rechten van burgers worden erdoor aangetast.

“Legitimiteit voor de onderuitputting van de politie,” is daarbij geen onderdeel dat in de afweging een rol speelt. Of in beter Nederlands want dat van Van Haasen is gebrekkig: het beschikbaar hebben van voldoende politieagenten is geen argument om een demonstratie te verbieden. Van “misbruik van politiecapaciteit” is al helemaal geen sprake. Een groep die wil demonstreren vraagt niet om politiecapaciteit. Die vraagt om te demonstreren op een bepaalde plek op een bepaald tijdstip. Dat het bevoegd gezag, de burgemeester, de politie inzet om de demonstratie te begeleiden, is een keuze van de burgemeester. Niet van de mensen die willen demonstreren. Burgemeesters kunnen ook een andere afweging maken dan het inzetten van politie.

Even een klein intermezzo ter inleiding op het vervolg. Ik schrijf deze Prikker op het moment dat in Nederland het hitteplan in werking is getreden en voor de zuidelijke provincies code oranje is afgekondigd. In de weken hiervoor was het al enkele keren zeer warm wat leidde tot het aflassen en inkorten van bijvoorbeeld hardloopwedstrijden. Bij festivals worden extra waterpunten en plekken waar je je met zonnecrème factor 50 kunt insmeren, ingericht en als het regent krijgt iedereen gratis een plastic poncho. Dit allemaal om te voorkomen dat er mensen sterven van de hitte. Begin jaren tachtig bezocht ik op tweede pinksterdag enkele jaren achtereen het Burgemeester Damen sportpark om Pinkpop te bezoeken. Jan Smeets en zijn club waren verantwoordelijk voor de bands, de podia en de kraampjes met t-shirts en eten en drinken. Zelf was je verantwoordelijk voor de zonnecrème, een stuk landbouwplastic om op te zitten of je tegen de regen te beschermen en voor een parasol of iets anders wat voor schaduw kon zorgen. Van een hitteplan en code oranje hadden we nog nooit gehoord. Het kwam niet bij ons op om Smeets aansprakelijk te stellen voor een eventueel verbrande rug of door de regen vernield kapsel. In de ruim veertig jaar is er veel veranderd. En daarmee ben ik waar ik wil zijn.

In zijn boek De onvoltooide rechtsstaat laat Ybo Buruma, aldus de tekst op de achterkant van het boek: “ zien hoe de Nederlandse rechtsstaat vanaf de negentiende eeuw geleidelijk aan is ontstaan en zich steeds aanpast aan veranderende omstandigheden en opvattingen.” Hij beschrijft hierin zes periodes en doet dit aan de hand van een kinderboek dat voor hem de tijdgeest van die periode weergeeft. De periode van 1995 tot en met 2025 noemt hij de risicosamenleving. Die kenmerkt zich doordat er: “aandacht wordt gevraagd voor het lot van slachtoffers en waarin zowel van de overheid als van burgers wordt verlangd dat zij verantwoordelijkheid nemen om slachtofferschap te voorkomen.1” Een samenleving die erop is gericht om risico’s zoveel mogelijk te voorkomen en waarbij toch vooral naar de overheid wordt gekeken.

Een samenleving van risico inventarisaties en evaluaties, met rampen- en calamiteitenplannen die de opvolgers van Jan Smeets allemaal moeten hebben. En niet alleen concertorganisatoren, ook organisatoren van sportwedstrijden. En niet alleen zij maken dergelijke plannen, dat doet ook de gemeente waar de activiteit plaats heeft. Op basis daarvan wordt bekeken wat er nodig is om het evenement met een zo klein mogelijke kans op een calamiteit te laten plaatsvinden. Bij dat wat er nodig is hoort ook de inzet van politie. Dit is ook de manier waarmee naar demonstraties wordt gekeken.

Al die maatregelen hebben positieve effecten. Het aantal calamiteiten is zeer beperkt. Ze hebben ook negatieve effecten. Zo leiden al die maatregelen tot hogere kosten voor de organisatoren en dus ook hogere toegangsprijzen. Zo kon ik voor fl. 35 (net geen € 16) een dag naar Pinkpop. Dit jaar kostte een dagkaart € 155,=. Nu zal dat voor een deel ook het gevolg zijn van de gages van de bands. Het leidt ook tot een groot beslag op de politiecapaciteit. Politiecapaciteit die niet ingezet kan worden om criminaliteit te bestrijden.

Hier kunnen andere keuzes worden gemaakt. We kunnen met z’n allen meer risico accepteren. We kunnen, net zoals vroeger, meer uitgaan van de eigen verantwoordelijkheid van mensen. Ervaringen opgedaan tijdens het profvoetbalseizoen 2024-2025 laten zien dat dit best mogelijk is. Verschillende wedstrijden verliepen zonder noemenswaardige problemen ondanks dat er door een politiestaking geen agenten waren om deze wedstrijden te begeleiden.

Voor wat betreft demonstraties is dat een te rechtvaardigen keuze. Te rechtvaardigen door demonstraties te zien als wat ze zijn: meningsuitingen in groepsvorm behorende bij de openbare democratische orde. Dat accepteren kent twee kanten. Aan de ene kant moet de rest van de samenleving accepteren dat een groep demonstreert om de mening te uiten en aan de andere kant moeten de demonstranten de eventuele regels die een burgemeester stelt, accepteren. De ene kant moet accepteren dat een snelweg gedurende bijvoorbeeld 2 uur is bezet door actievoerders. Een goed functionerende democratische orde is ook in hun belang en weegt zwaarder dan een iets langere reistijd. De andere kant, de actievoerders, moeten accepteren dat ze na bijvoorbeeld twee uur weer moeten verdwijnen met al hun meegebrachte spullen. Als gezegd, politiecapaciteit is geen reden om regels op te leggen aan demonstraties laat staan deze te verbieden. Die moeten doorgaan want ze vormen een belangrijk onderdeel van onze democratie. Feyenoord-AJAX is dat niet.

Het beperken van het recht op demonstratie, waar Jongeneel, Van Haasen en andere politici voor pleiten, is een weg die we hierbij niet op moeten gaan. Degenen die voor beperking ervan pleiten moeten zich goed realiseren dat er een moment kan komen dat de rollen omgedraaid zijn. Dat een overheid die er iets anders tegenaan kijkt, hun demonstratie verbiedt. Het gezag waar Jongeneel nu om vraagt kan zich ook tegen hem keren.

1 Ybo Buruma, De onvoltooide rechtsstaat. Tijdgeest en recht 1813-2025, pagina 17