Uitgelicht

Modern en anti-modern

Al weer Afghanistan? Ja, deze Prikker gaat alweer over Afghanistan en toch ook weer niet helemaal. Op Joop verschenen in korte tijd twee artikelen van Sahar Noor, manager Diversiteit en Inclusie bij BNNVARA. Noor is, zoals ze het zelf zegt, sinds 1994 Afghaanse-Nederlander. En zoals ze in haar eerste artikel schrijft, kijkt ze: “Gedesillusioneerd (…)  toe hoe mijn mensen weer een hoop ellende staat te wachten.”  In haar tweede artikel staat het ontbreken van Afghaanse geluiden tegen de machtsovername door de Taliban centraal. Volgens Noor moeten: “de media niet langer bang zijn dat ze de standpunten en berichten niet door ‘Westerse’ journalisten kunnen laten verifiëren en dit alternatieve narratief overbrengen. De Afghaanse activisten, journalisten en gewone moedige burgers verifiëren die wel. Misschien is het tijd om ook naar hen te luisteren.” Dat klinkt aannemelijk maar toch knaagt er bij mij iets.

Doesburg: faith in God | Old wall sign: "Die op God vertrouw… | Flickr
Bron: flickr

In haar eerste artikel maakt Noor zich druk over het gemoed van de Afghanen. Die leven volgens haar niet in chaos: “Dit is de wanhoop nabij zijn. Het is overleven. En desnoods sterven. Niemand had de Afghanen gevraagd of ze bereid waren hun mensen- en kinderrechten op te offeren in ruil voor veiligheid. Als dat laatste tenminste nog waar blijkt.” De Afghanen, haar mensen aldus Noor: “zijn keer op keer de grote verliezers. Ze verliezen en blijven verliezen. Hun bestaansrecht, hun menselijkheid, hun waardigheid en hun trots worden van hen afgepakt bij iedere politieke omwenteling. Ze gaan door de zoveelste worsteling tussen lijden en dood. Tussen opgeven en de moed bij elkaar rapen om met vrees voor eigen leven het land te ontvluchten, desnoods zich uit wanhoop vast te klampen aan vliegtuigwielen om halverwege dood uit de lucht vallen, terwijl wij hier nog steviger de poorten dichttrekken.” Verzuchtend vraagt ze zich daarop af: “Beseffen wij dit eigenlijk wel? Horen wij de schreeuw van de Afghanen en hun onvermogen om uit deze eeuwige cocon van misère te komen? Hebben wij eigenlijk wel door wat dit met hun eigenwaarde doet?

Nu is het niet mals wat er zich de afgelopen vijftig jaar in Afghanistan heeft afgespeeld. Laten we even terug gaan in de tijd. In 1973 een staatsgreep waarmee Mohammed Daoud Khan zijn neef koning Mohammed Zahir Shah afzette en zelf president werd van de nieuwe republiek Afghanistan. Die staatsgreep verliep zonder bloedvergieten maar dat had anders kunnen lopen. Om een burgeroorlog te voorkomen trad de koning, die op het moment van de staatsgreep in het buitenland was, af. Nu was Daoud al sinds 1953 minister-president en in die hoedanigheid was hij de drijvende kracht achter de pogingen om het land te moderniseren[1] en zette hij zich in voor de emancipatie van vrouwen.

De staatsgreep van Daoud kon naast militairen ook op de steun van communisten rekenen. Die kwamen echter bedrogen uit en werden in 1975 aan de kant geschoven en vervangen door conservatieven en vooral door familieleden. Daoud stapte over van het ‘moderne kamp’ naar het ‘anti-moderne. In 1977 werd het land, door de Loya Jirga (de vergadering van oudsten) omgevormd tot een eenpartijstaat. En die partij was geen communistische. De sharia werd tot de hoogste wet verklaard. Dit was tegen het zere been van de communisten en die pleegden een jaar later een staatsgreep waarbij Daoud en zeventien van zijn familieleden werden geëxecuteerd. De communisten streden voor een communistisch modern Afghanistan. De macht van de communisten werd meteen bestreden door de conservatieve stamhoofden met hun machtsbasis op het platteland en daar woonde en woont het gros van de Afghanen. Daarmee dreigde het anti- moderne het pleit in haar voordeel te beslechten en daarop greep in 1979 de Sovjet Unie in. De Sovjets kregen, zo zeiden ze, een verzoek van het socialistische Afghaanse broedervolk en zetten zich weer in voor het moderne Afghanistan. Die inval maakte ook dat de Verenigde Staten geïnteresseerd raakten in het gebied. Het bood immers een mogelijkheid om de Sovjets dwars te zitten en het hen lastig te maken. Dit leidde tot Amerikaanse steun aan de Mudjahideen.

De Sovjets hielden het 9 jaar vol en zorgden ervoor dat de communisten in het zadel bleven. Uiteindelijk waren de kosten in mensenlevens en geld te hoog en in 1988 verlieten de laatste Sovjetmilitairen het land. Die terugtrekking leidde niet tot het einde van het communistische bewind. Dat bleef met financiële en materiele steun van de Sovjets nog tot 1992 aan de macht. Na het exploderen van de Sovjet Unie viel de Sovjet steun weg omdat het Rusland onder Jeltsin die Sovjeterfenis niet overnam. Hierdoor viel het communistisch bewind en kwamen de Mujahideen aan de macht.

Nu moeten we ons daar niet te veel bij voorstellen want die Mudjahideen waren geen echte eenheid. Ze waren een zolang toen ze een gezamenlijke vijand hadden. Toen die wegviel begonnen ze elkaar te bestrijden om de macht. Toen die wegviel, viel trouwens ook de Amerikaanse interesse in het gebied weg. De machtsovername in 1996 door een nieuwe antimoderne club, de Taliban, interesseerde op dat moment niemand. Dat de sharia weer werd ingevoerd leidde tot minder verontwaardiging dan de vernietiging van de beelden van Bamiyan. Die eerste machtsovername door de Taliban kon op steun, actief en passief, rekenen van een groot deel van de Afghaanse bevolking. Die was na bijna dertig jaar de oorlog en strijd moe en de Taliban brachten, zoals ik in mijn vorige Prikker schreef orde en gezag op islamitische grondslag en in die grondslag kon het gros van de Afghanen zich wel vinden.

Die desinteresse zou waarschijnlijk nog steeds bestaan als er op 11 september 2001 geen aanslagen waren gepleegd. Helaas gebeurde dat wel en vielen de Verenigde Staten het land binnen om Bin Laden te pakken te krijgen. Dat lukte niet en het duurde nog tien jaar voordat Bin Laden in Pakistan werd gevonden. Vreemd genoeg werd dat land niet gevraagd om Bin Laden uit te leveren, noch werd het binnengevallen. Na de inval startte het Westen onder leiding van de Verenigde Staten als een stel opiumoptimisten zoals ik ze in een eerdere Prikker noemde, een nieuw moderniseringsoffensief. Dit keer geen communistisch maar een liberaal democratisch.

En nu, weer tien jaar verder trekken de Amerikaanse en NAVO-troepen zich terug en heeft de Taliban het heft weer in handen, wordt de anti-moderne weg weer ingeslagen en de sharia weer ingevoerd. Nou ja ingevoerd, die staat al sinds 2004 in de Afghaanse grondwet. Alleen kun je die op verschillende manieren toepassen. Afghanistan is niet het enige land waar dat zo is. Gerespecteerde Westerse bondgenoot Saoedi Arabië en Iran passen ook de sharia toe en in dat land is de positie van de vrouw qua rechten niet veel beter. Dit lukte de Taliban zonder al te veel strijd en oorlogsgeweld. Dus ja, de afgelopen vijftig jaar hebben de Afghanen veel ellende en misère ondergaan en daar hebben andere mogendheden een flinke steen aan bijgedragen. En inderdaad zullen de Afghanen uit de misère willen komen en ja, wellicht zijn er die in hun eigenwaarde zijn aangetast.

En daarmee kom ik bij Noors tweede artikel waarin zij oproept Afghaanse activisten, journalisten en gewone moedige burgers aan het woord te laten en naar hen te luisteren. Mensen waar Noor, zo eindigt ze haar eerste artikel, achter staat, want het: “is onze gezamenlijke strijd voor menselijkheid.” Zou Noor daar niet een punt hebben? Maar dan wel op een andere manier dan zij denkt? Uit Noors artikel begrijp ik dat we meer moeten luisteren naar de Afghanen die zich verzetten tegen de Taliban, die strijden voor gelijke rechten voor vrouwen en die zich inzetten voor democratie. Voor de moderne Afghaanse krachten. Inderdaad verdienen deze mensen, naar mijn mening, onze steun en moeten we luisteren naar wat zij nodig hebben. Wat zij daarbij nodig hebben, moeten we vooral van henzelf horen, want inderdaad zijn: “Representatieve bronnen in de media (…) belangrijk voor het schetsen van een evenwichtig beeld van de situatie,” zoals Noor terecht schrijft.

Maar is er voor een evenwichtig beeld van de situatie niet veel meer nodig dan alleen luisteren naar de activisten, journalisten en moedige burgers? Is er om Afghanistan te begrijpen en te ontdekken wat er in het land omgaat niet veel meer nodig? Het gros van de Afghanen bevindt zich in het spectrum tussen de Taliban en die activisten. Voor een evenwichtige beeld is het juist van belang om te weten welke verschillende beelden en opvattingen er onder deze groep leven Zou voor een groot gedeelte, misschien wel het overgrote deel, van de Afghaanse bevolking niet kunnen gelden dat ze blij zijn met deze politieke omwenteling? Dat ze blij zijn dat die westerlingen eindelijk en met de staart tussen hun benen de biezen hebben gepakt? Zou het niet kunnen dat een groot deel van uw mensen er trots op is dat ze na de Britten en de Sovjets nu ook de Amerikanen en de NAVO aan hun zegekar kunnen binden? Dat ze er trots op zijn dat hun gezamenlijke strijd voor hun manier van menselijkheid heeft gezegevierd? Dat ze blij zijn dat de democratische chaos en corruptie van de westerlingen eindelijk tot een einde behoort en dat ze eindelijk weer zelf kunnen bepalen wat ze willen? En dat wat ze in overgrote meerderheid willen een islamitische samenleving is met islamitische gebruiken en islamitisch recht? Een anti-moderne samenleving dus.


[1] Ik spreek in deze prikker van modern en anti-modern. Modern staat daarbij voor denken dat uitgaat van de door de mens maakbare samenleving. Anti-modern voor denken dat uitgaat van een alles bepalende godheid.

Uitgelicht

Opiumutopisten

Trouwe lezers van mijn Prikkers zullen ondertussen wel weten dat De open samenleving en haar vijanden van de Oostenrijkse filosoof Karl Popper, een van de werken is die mijn denken heeft beïnvloed. Dit boek bevat een uitgebreide uitwerking van zijn kritiek op het historicisme. Denken dat uitgaan van een ‘voorgeprogrammeerde’ toekomst. Als je die toekomst wilt kennen, bestudeer dan het verleden en extrapoleer. Dat extrapoleren kan door te denken in vooruitgang, dan ontwikkelt de geschiedenis zich naar een hoogtepunt. Maar ook door te denken in achteruitgang, dan wordt het steeds slechter. Dan was ‘vroeger alles beter’. Bij dit denken staat het heden in dienst van die toekomst. Ik moest aan Popper denken bij het schrijven van mijn vorige Prikker, die over de gebeurtenissen in Afghanistan handelde.

Poppy Interactive - War and Organized Crime Gone Global / … | Flickr
Bron: Flickr

In die Prikker citeerde ik de volgende passage van de historicus H.W. von der Dunk: “Ik denk dat wij in onze huidige wereld de waarde van een liberale democratie boven alle andere staatsvormen gerust kunnen erkennen en vooral tegen bedreigingen moeten verdedigen zonder die democratie vanuit een triomfalistische verabsolutering als algemeen zaligmakend model ook voor de toekomstige mensheid en voor heel andere culturen te zien.” Von der Dunk schreef dit in het jaar 2000. In een tijd dat, in navolging van Francis Fukuyama, ‘het einde van de geschiedenis’ werd gepredikt. De, zoals Von der Dunk het beschrijft: “these dat de liberale democratie (volgens Westers snit) zich als de definitief superieure heeft betoond, en als het toekomstmodel voor de wereld kan worden gezien. [1] Von der Dunk dacht daar dus iets anders over.

Precies wat er volgens Von der Dunk niet moest gebeuren, heeft het Westen wel gedaan: het ‘opdringen van democratie vanuit een triomfalistische verabsolutering als zaligmakend model.’ Een model dat werd opgedrongen aan Irak en Afghanistan. In beide gevallen met weinig tot geen succes. En toen moest ik denken aan Popper omdat het Westen uitging van de ‘wenselijkheid’ en niet de werkelijkheid. Het Westen stelde een ideaal centraal: de liberale democratie. Maakte een blauwdruk van wat daartoe behoorde: een grondwet, verkiezingen enzovoorts en stippelde een plan uit: die grondwet en dan zo snel mogelijk verkiezingen, dat is immers als het toppunt van democratie enzovoorts. In zijn 1945 gepubliceerde boek De opensamenleving en haar vijanden, stelde hij tegenover deze ‘utopische sociale technologie’ zoals hij het noemt, de ‘stapsgewijze sociale technologie’. Popper: “De politicus die deze methode toepast, heeft al dan niet een blauwdruk van de samenleving in gedachten, hij koestert al dan niet de hoop dat de mensheid ooit een ideale staat tot stand zal brengen en geluk en perfectie op aarde zal verwezenlijken, maar hij zal zich ervan bewust zijn dat perfectie – als die al haalbaar is – heel ver weg is, en dat elke generatie, en dus ook de nu levende, een rechtmatige aanspraak heeft; misschien niet zozeer de aanspraak op geluk, want er zijn nu eenmaal geen constitutionele middelen om de mens gelukkig te maken, maar wel de aanspraak om niet ongelukkig te worden gemaakt wanneer dat kan worden vermeden. Zij mogen er aanspraak op maken dat ze alle mogelijke hulp krijgen wanneer ze lijden. De voorstander van stapsgewijze technologie zal dan ook de methode kiezen waarmee hij de grootste en dringendste kwalen van de samenleving kan opsporen en bestrijden, en niet zozeer het hoogste goed trachten te zoeken en daarvoor vechten.[2]De ‘grootste en dringendste’ kwaal in Afghanistan was niet dat er geen grondwet was en geen verkiezingen werden gehouden. De ‘grootste en belangrijkste’ kwaal waarvan het in 2001 net een beetje aan het herstellen was, brachten de Verenigde Staten weer terug. Namelijk wanorde, gevechten en onveiligheid.

De Taliban konden in de jaren negentig aan de macht komen omdat ze een einde konden maken aan de ‘grootste en dringendste’ kwaal, de gevechten tussen de verschillende groepen en facties. Aan wat we de burgeroorlog noemen. Naar mijn opvatting is ‘burgeroorlog’ een verkeerd woord omdat het Afghanistan neerzet als land en een natie. Als het iets niet is en nooit is geweest, dan is het land en natie. Het is een gebied waar groepen met verschillende culturele achtergronden tot in begin jaren zeventig van de vorige eeuw vreedzaam langs en door elkaar leefden. Die vrede duurde net zolang totdat ideologieën hun intrede deden en zich begonnen op te dringen. Daarbij maakten ze dezelfde fout maakten als het Westen nu heeft gemaakt. Namelijk proberen een ‘wenselijkheid’ op te dringen die niet aansloot bij de ‘werkelijkheid’. Dit leidde tot bijna twintig jaar verwoestende strijd. Eerst tien jaar samen tegen de ene ideologie vertegenwoordigd door de Sovjet Unie en daarna nog een jaar of zeven onderling omdat de oude orde was verstoord, er geen nieuwe orde was en geen groep sterk genoeg om orde te vestigen. En toen, vanaf 1994, kwam die relatief nieuwe club de Taliban en die deed iets waaraan het jarenlang had ontbroken. Ze boden een aantrekkelijk alternatief: orde, maar wel op een ideologische islamitische grondslag. En aan orde ontbrak het al twintig jaar. Met een Westerse bril zie je veel negatieve kanten aan die orde met als belangrijkste de ondergeschikte positie van de vrouw, barbaarse straffen en geen respect voor andere culturen getuige de vernietiging van de beelden van Bamiyan. Met de bril van een gemiddelde Afghaan was ‘orde’ aantrekkelijk, het sloot aan bij de ‘grootste en dringendste’ kwaal want dat was wanorde. In 1996 controleerden ze heel het gebied Afghanistan afgezien van een stuk in het noorden.

In 2001, na de aanval door de Verenigde Staten verviel het land weer in wanorde. En wat bood het Westen om die wanorde tegen te gaan? Ze begonnen geheel in de stijl van ‘utopische sociale technologen bij het einde, bij de ‘wenselijkheid’ en dan ook nog hun utopische versie van de Afghaanse ‘wenselijkheid’. Bij verkiezingen en een grondwet en niet bij een bij de ‘werkelijkheid’ aansluitend systeem van orde. Daarbij vergaten ze de ontstaansgeschiedenis van hun eigen liberale democratie. Een ontstaansgeschiedenis waarbij ze tot over hun enkels in het bloed van hun voorvaderen staan. Die gaven hun leven voor wat uiteindelijk die ‘liberale democratie is geworden. Een strijd die niet begon met het opstellen van een grondwet en vervolgens algemene verkiezingen. Die strijd begon in Europa met een strijd tussen The King, the Pope and I zoals de Prikker is getiteld waar ik aan de hand van Fukuyama inga op die strijd. Gevolgd door een strijd tussen de koning en het volk die leidde tot een verantwoordelijke overheid. En pas veel later, leidde dit tot een grondwet en een ‘liberale democratie’. Hierbij stond de uitkomst niet van tevoren vast. Voor verschillende Westerse landen duurde het nog twee Wereldoorlogen voor ze de afslag naar een liberale democratie namen.

Als utopist probeerde het Westen in wat we Afghanistan noemen iets te bereiken wat in Europa, in een heel andere culturele en historische setting meer dan duizend jaar kostte. Wellicht toch te veel van het bekendste Afghaanse exportproduct gebruikt?


[1] http://dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/21453/?sequence=2 pagina 6-7

[2] Karl Popper, De open samenleving en haar vijanden¸ pagina 188. Lemniscaat 2007

Uitgelicht

Stijfkoppigheid

Het lijkt erop alsof de hele Westerse politieke wereld verbaasd is over de snelle opmars van de Taliban en het snelle ineenstorten van de Afghaanse regering. Zouden ze werkelijk verbaasd zijn of spelen ze die verbaasdheid? Ik stel die vraag omdat de gang van zaken in dat land mij in het geheel niet verbaasd. Wat mij verbaasd is de grenzeloze naïviteit gedurende de nu zo’n twintig jaar durende Westerse bemoeienis met het land. Waarom verbaast het mij niet?

Het verbaast mij niet omdat het Westen onder aanvoering van de Verenigde Staten, zonder gedegen kennis van de situatie en de mensen in Afghanistan is binnengetrokken. Nu pretendeer ik niet dat ik precies op de hoogte was en ben van de situatie in het land. Begin jaren negentig was echter wel duidelijk dat er wellicht een land is dat Afghanistan heet, maar zeker geen natie. Voor een natie: “… is het niet genoeg om formele staatsinstellingen te creëren, ongeacht of die op ontleende of inheemse modellen gebaseerd zijn,” zo constateert Francis Fukuyama terecht, en vervolgt: “Staatsvorming moet vergezeld gaan van een parallel proces van natievorming, wil zij effectief zijn. Natievorming voegt een morele component toe van gedeelde normen en een gedeelde cultuur en ondersteunt daarmee de legitimiteit van de staat.[1] Als je iets kunt zeggen van het ‘Taliban-Afghanistan’ van rond de eeuwwisseling, dan is het dat de formele staatsinstellingen als die er al waren, niet waren gebaseerd op inheemse modellen. De zaken die staatvorming, volgens Fukuyama, moeten vergezellen ontbraken. Behalve dat ze in Afghanistan woonden en Taliban als machthebbers hadden, was en is er niets dat de inwoners deelden en delen. Afghanistan was toen en is nu nog steeds een tribale samenleving waar stamhoofden de gang van zaken in hun gebied bepalen.  

Het verbaast mij niet omdat machthebbers maar niet willen leren van vroegere machthebbers. Wie een beetje van de recente en minder recente geschiedenis kent die weet dat twee eerdere wereldmachten tevergeefs hebben geprobeerd om Afghanistan naar hun pijpen te laten dansen. In de negentiende eeuw ondernamen de Britten enkele pogingen en in 1979 probeerde Sovjet Unie het. Voor wie iets meer van de geschiedenis kent, die weet dat het de Mongolen wel lukte om het gebied aan hun rijk toe te voegen. Het behoorde tot het khanaat van Chatagai, de tweede zoon van Dzengis Khan. Het Khanaat werd ook wel Moghulistan genoemd. Veel rust en plezier bracht het hem echter niet omdat er een permanente strijd om de macht woedde.

Het verbaast mij niet omdat het Westen er een verheven doel naar toe ging dat erop neerkwam dat ‘we er democratie gingen brengen.’ Want, zoals historicus H.W. von der Dunk in 2000 in een artikel schreef: “Ik denk dat wij in onze huidige wereld de waarde van een liberale democratie boven alle andere staatsvormen gerust kunnen erkennen.” Nu zouden we uit onze eigen ervaring moeten weten dat democratie bevochten moet worden. Ze kan niet worden opgelegd. Democratie vraagt om democraten. Daarom vervolgde Von der Dunk met de woorden, dat we die liberale democratie: “vooral tegen bedreigingen moeten verdedigen zonder die democratie vanuit een triomfalistische verabsolutering als algemeen zaligmakend model ook voor de toekomstige mensheid en voor heel andere culturen te zien.[2] Dit realisme ontbrak waardoor een veel realistischer doel: “om een coalitie van stamhoofden, krijgsheren en andere invloedrijke figuren op de been te brengen die onderling zouden kunnen overeenkomen om de vrede te handhaven en Al-Qaida en andere terroristische groepen de kop in te drukken,[3]niet in beeld kwam.

Slechte kennis van het gebied, de mensen en de cultuur, verheven doelstellingen en vooral een grenzeloos vertrouwen in het eigen kunnen, dat past precies in de definitie van dwaasheid van historica Barbara Tuchman: “… het bedrijven van een politiek die in strijd is met het eigenbelang van de betrokken onderdanen of de staat. Eigenbelang is al wat bijdraagt aan het welzijn of voordeel van het bestuurde; dwaasheid is een politiek die in dit opzicht een averechtse uitwerking heeft.[4] Een van de voorbeelden van dwaze politiek die Tuchman in haar boek De Mars der Dwaasheid beschrijft, is de Amerikaanse bemoeienis met Vietnam alwaar dezelfde fouten werden gemaakt. Dus ook daarvan is niet geleerd. Volgens Tuchman is stijfkoppigheid bij leiders en bestuurders de belangrijkste verklaring: “Stijfkoppig zijn bestuurders die een situatie met starre vooringenomenheid beoordelen en daarbij elke aanwijzing die in een andere richting duidt negeren of verwerpen.”[5] Of zoals psychologen het met een Engelse term noemen een ‘conformation bias’ een bevestigingsvooroordeel.

En niet alleen bestuurders van landen: “En hoe komt het dat het Amerikaanse bedrijfsleven vasthoudt aan ‘groei, terwijl daardoor aantoonbaar de drie elementen van leven op onze planeet worden uitgeput: grond, water en onvervuilde lucht?[6] vroeg Tuchman zich ver voor alle klimaatrapporten van het IPCC zich in 1984 af.  


[1] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, Pagina 350

[2] http://dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/21453/?sequence=2 pagina 7

[3] Francis Fukuyama, De oorsprong van onze politiek. Deel 2: Orde en verval, Pagina 346

[4] Barbara Tuchman,De Mars der Dwaasheid, pagina 13

[5] Idem, pagina 15

[6] Idem, pagina 12

De tragedie en de klucht

  “De Taliban hebben vanmiddag een akkoord gesloten met de Verenigde Staten over het terugtrekken van troepen uit Afghanistan. Daarmee komt het eind aan de langste militaire interventie in de Amerikaanse geschiedenis in zicht.” Zo is te lezen op nos.nl. Goed nieuws voor de Afghanen. Alhoewel, als ik lees dat: “Na dit vredesakkoord (…) de Taliban met de Afghaanse regering onderhandelen over hoe nu verder, maar daar trekt de VS de handen van af,” dan zou ik me als Afghaan en zeker als lid van die Afghaanse regering toch nog eens achter de oren krabben. 

Met als aanleiding het door de Amerikaans legertop over het optreden in Afghanistan opgestelde rapport  Lessons Learned, schreef ik een tijdje geleden een Prikker. In die Prikker vergeleek ik de Amerikaanse  bemoeienis in Afghanistan met die van de Britten en de Sovjets eerder, maar ook met de het Amerikaans wedervaren in Vietnam. Dit aan de hand van wat Max Hastings hierover schrijft in zijn boek Vietnam, een tragedie 1945-1975. Het beeld dat uit die vergelijking naar voren kwam, was dat in Afghanistan dezelfde fouten waren gemaakt als in Vietnam. Dat het ‘lerend vermogen’ redelijk beperkt is. 

Net zoals in Afghanistan, waren de Amerikanen de oorlog in Vietnam al lange tijd moe. Enige probleem was, net zoals nu in Afghanistan, het ‘beëindigen’ ervan met ‘opgeheven hoofd’. Of beter gezegd, hoe je ‘verlies’ te verkopen als een ‘soort van overwinning.’ Als ik nu lees hoe dat in Afghanistan gebeurt, dan kan ik een gevoel van déja vu niet onderdrukken. Ook in Vietnam sloten de VS een overeenkomst met de ‘vijand’, de Noord-Vietnamese communisten. De derde partij, de Zuid-Vietnamese regering, of wat daarvoor door moest gaan, zat niet aan tafel. Die kreeg de ‘vredesakkoorden van Parijs’ door de strot geduwd en moest het daarna maar zelf uitzoeken met de communisten uit het Noorden.

“De Verenigde Staten erkennen de huidige regering van de Republiek Vietnam (Zuid Vietnam) nog altijd als enige rechtmatige regering van Zuid-Vietnam. Binnen de voorwaarden van het akkoord zullen we hulp blijven verlenen aan Zuid-Vietnam en het Zuid-Vietnamese volk ondersteunen bij zijn pogingen voor het vinden van een vreedzame oplossing voor zijn problemen.” Deze woorden sprak president Nixon uit op 23 januari 1973 in een toespraak tot het Amerikaanse volk.  Zo is te lezen in Hastings boek op pagina 703.

Waar die hulp uit zou bestaan, is iets verderop op de bladzijde te lezen als zijn veiligheidsadviseur Kissinger zijn angst uitspreekt dat het communistische Noord-Vietnam al binnen het half jaar het Zuiden zal binnen vallen. Nixon zegt dan iets later tegen zijn stafchef Ben Haldeman: “Weet je Henry heeft helemaal gelijk. We moeten er voorlopig alles aan doen om ervoor te zorgen dat (de Parijse vredesakkoorden) voorlopig overeind blijven. Als we eenmaal een paar jaar verder zijn, zal het iedereen een rotzorg zijn wat er met dat verrekte Vietnam gebeurt.” Alleen liep het zo niet. De gevechten gingen vrijwel onmiddellijk door. De enige steun die Zuid-Vietnam kreeg was in de vorm van wapens en munitie. Alleen werd het bedrag dat de Amerikanen daaraan besteedden al in augustus 1973 teruggebracht van $1 miljard naar $ 700 miljoen. Dat in tijden van stevige inflatie.

‘l’Histoire se répète’, zeggen de Fransen de filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel na. Karl Marx vulde Hegel aan met de woorden: eerst als tragedie en daarna als klucht’. Of zou Afghanistan de welbekende ‘uitzondering op de regel’ worden? 

Historische bijziendheid

Het einde van een jaar is voor veel ‘meningenmensen’ een moment om terug of vooruit te blikken. Nu eindigt er een decennium en is die verleiding nog groter. Eigenlijk loopt er geen decennium af, dat gebeurt pas aan het einde van 2020. We begonnen immers te tellen bij het jaar één en dan eindigt een decennium met een jaar met een nul aan het einde. Dit even terzijde. Bij Elsevier maakt columnist Afshin Ellian ook van de gelegenheid gebruik. Hij blikt terug op de eerste twee decennia van deze eeuw. Een terugblik met een bijzondere kijk op de geschiedenis. 

Bron: Wikipedia

“Het eerste decennium van deze eeuw verliep gewelddadig. Het terroristische geweld werd naar het westen gebracht.” Inderdaad was het eerste decennium niet vrij van geweld. Als we de geschiedenis van de mensheid bekijken, dan was er waarschijnlijk nog geen enkel decennium dat geweldloos verliep. Of het eerste decennium van de 21ste eeuw gewelddadiger was dan andere, daar valt het nodige over te zeggen. Daar kom ik later op terug. Nu eerst de tweede zin, het terroristische geweld dat naar het Westen werd gebracht. Bijzonder omdat terrorisme, zoals ik een Prikker van bijna een jaar geleden al schreef, de naam ontleent aan een periode uit Franse revolutie. Een periode met de naam la Terreur. In die Prikker beschreef ik de bijzondere omkering van het begrip terreur en terrorisme.  Van de staat als dader naar de staat als slachtoffer.

Sindsdien heeft terreur en terrorisme Europa en het Westen nooit verlaten. Zo vreest men dat het terroristische geweld  in Noord-Ierland na de Brexit weer hervat kan worden. Dat de tijden van The Troubles weer terugkeren.  In Spanje ligt het terrorisme van de ETA nog vers in het geheugen. Net als de RAF in Duitsland de Rode Brigades in Italië. Vanuit het Westen vond het terrorisme zijn weg naar de rest van de wereld. Al zal er ook in de rest van de wereld, net als in het Westen, wel terrorisme avant la Lettre zijn geweest. In eerste instantie vooral als verzet tegen de koloniale overheersing door het Westen. De strijders voor onafhankelijkheid kregen het stempel ‘terrorist’ opgeplakt. De neiging om iedereen die tegen het leiderschap van een land is ‘terrorist’ te noemen, bestaat nog steeds. Onder andere Erdogan, Poetin en Xi Jinping maken er nog graag gebruik van. 

Nee ‘terroristisch geweld’ werd niet naar het Westen gebracht. Wat er wel gebeurde is dat door fundamentalistische islamitische stromingen geïnspireerde ‘fanatici’ als een soort moderne ‘Zeloten’ geweld gingen gebruiken in hun strijd tegen ‘ongelovigen’ en om een islamitisch Kalifaat te stichtingen. Voor degenen die nog nooit van Zeloten hebben gehoord. Zeloot betekent ‘ijveraar’ en zo noemde zich een groep joden die geen ander gezag dan het goddelijke erkenden. De Zeloten verzetten zich met alle middelen tegen de Romeinse overheersing. Wat dat betreft staan de islamitische fanatici in een lange traditie.

Ellian vervolgt: “De aanslagen van 9/11 en wat daarop volgde, leidde tot twee grote oorlogen: Afghanistan en Irak. In beide landen is het niet gelukt om vrede en veiligheid te brengen.” Deze woorden suggereren dat de invallen in de beide landen tot doel hadden om vrede en veiligheid te brengen. Als dit de bedoeling was, dan zou je kunnen concluderen dat het gebruikte middel, de oorlog, de situatie zelfs flink heeft verslechterd. Nee, die oorlogen hadden geheel andere doelen. Doelen die heel weinig te maken hadden met vrede en veiligheid voor de Afghanen en Irakezen. In Afghanistan draaide het om Bin Laden. Die moest en zou koste wat het kost worden gepakt. De aanslagen van 11 september moesten worden vergolden en de Taliban liepen daarbij ‘in de weg’. Over wat er daarna zou moeten gebeuren, werd helemaal niet nagedacht. Dat gebeurde ook niet in het geval Irak. Daar moest Saddam weg. De jonge Bush wilde afmaken wat zijn vader had laten liggen. Omdat er geen aanleiding voor was, werd die gecreëerd. Hiervoor werd een verhaal ondersteund met vage beelden gefabuleerd dat wereld en vooral de Amerikaans bevolking moet overtuigen. Nee, nadenken over ‘na de oorlog’ gebeurde niet. De Amerikaanse troepen zouden immers makkelijk zegevieren en daarna zou als vanzelf een ‘liberale democratie’ uitbreken. Tenminste volgens het absurde neoconservatieve geloof van de regering Bush.

Bron: WikimediaCommons

Ellian gaat verder: “Wat niemand in het eerste decennium van deze eeuw voor mogelijk hield, dreigt nu werkelijkheid te worden: de rechtstreekse onderhandelingen tussen de politieke islam (Taliban) en het Westen. Wellicht komt er binnenkort nog een sharia-regime bij, wanneer Afghanistan met de instemming van het Westen aan terreurbeweging Taliban wordt overgedragen.” Nu waren de Taliban al eens aan de macht. Namelijk voordat de Amerikanen binnenvielen. Al vanaf 1996 regeerden ze in Afghanistan op een klein gebied in het Noorden van het land na. De Taliban maakten een einde aan de oorlogen die woedde tussen verschillende stammen die sinds het vertrek van Sovjets in 1989. Het streng islamitische karakter van de Taliban was ook toen al wijd en zijd bekend. Nee, de machtsovername door de Taliban in 1996 was hooguit goed voor een klein berichtje op pagina zes van die krant. Het Westen, de Verenigde Staten voorop, stemde niet expliciet in maar deed er ook niets aan om te voorkomen dat de Taliban aan de macht kwamen. Zelfs niet toen ze in maart 2001 de twee grote in steen uitgehouwen Boeddhabeelden van Bamyan vernietigden. De Verenigde Staten hadden na het vertrek van de Sovjets haar belangstelling voor het land verloren. Nee, het Westen had het  land allang ‘overgelaten aan terreurbeweging Taliban’. Wellicht was het in 2001 verstandiger geweest om te onderhandelen over de uitlevering van Bin Laden. Toen, in dat onderhandelingsproces, had het ‘Westen’ misschien nog iets voor de Afghanen kunnen betekenen. Nu staan de Taliban sterk in de onderhandelingen omdat het Westen niet de tijd, het geld en de wil heeft om er iets van te maken. Er wordt onderhandeld om van ‘het probleem’ af te komen.

Iets verderop in zijn betoog schrijft Ellian: “Het tweede decennium werd een bloedbad: de opkomst en bloei van Islamitische Staat (IS), de reorganisatie van Al-Qa’ida en aanverwante groepen liet ook een spoor van dood en verderf achter op straten van Europa: Parijs, Nice, Berlijn, Londen enzovoort. Wat een bloedbad, wat een slachting!” En daarmee kom ik terug op de ‘gewelddadigheid’ van decennia. Inderdaad dood en verderf in Europese steden. Als we het tweede decennium van vorige, de twintigste, eeuw nemen, dan zien we pas echt een bloedbad. Dat was het decennium van de zinloze slachtingen van de Eerste Wereldoorlog. Een oorlog waarvan al met Kerst in 1914 duidelijk was dat geen van de partijen hem op het slagveld zou kunnen winnen. Dat weerhield de betrokken landen echter niet om er nog drie jaar en miljoenen doden aan vast te plakken waardoor het aantal doden op zo’n 17 miljoen uitkwam. Qua bloedbad waren er echter nog ergere decennia in diezelfde eeuw. Neem het vierde decennium, de jaren dertig van de vorige eeuw. Het decennium van de tweede Japans-Chinese oorlog met tussen de 20 en 30 miljoen doden. Die vallen weer in het niet bij de 75 miljoen doden die een decennium later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, vielen. Daarna werd het wat vreedzamer, maar toch nog steeds minstens zo bloedig als het nu aflopende decennium. Bij de oorlogen in de twintigste eeuw vallen oorlogen in Afghanistan en Irak in het niet.

De slag bij Borodino. Bron: Wikipedia

De twintigste eeuw stond daarin trouwens niet alleen. In de negentiende eeuw was het niet veel minder wreed en bloedig. Neem bijvoorbeeld het tweede decennium van die eeuw. Napoleon trok toen moest zijn Grande Armée door Europa en probeer Rusland te verslaan. In die eeuw vielen in China ook zo’n 12 miljoen slachtoffers in de Dungan Opstand en nog eens 20 miljoen in de Taiping Rebellie. In de jaren zestig van die eeuw werd de Amerikaanse burgeroorlog uitgevochten en in die gehele eeuw werden de Noord-Amerikaanse indianenvolken bijna uitgeroeid. Hierbij moeten we ons realiseren dat er in die tijd veel minder mensen op de aarde rondliepen.

Zo kunnen we doorgaan en verder de geschiedenis van de mensheid induiken. Dan kunnen we constateren dat die geschiedenis gewelddadig en bloederig was en dat de laatste twee decennia waarschijnlijk tot de minst bloederige en gewelddadige behoren. Maar ja, aangezien wij nu leven, lijkt alles wat er nu gebeurt altijd net iets groter, en belangrijker dan wat er vroeger is gebeurd. Wat dat betreft lijkt Ellian en met hem de gemiddelde mens op de Amerikaanse president Trump. Die plakt ook voor alle woorden als ‘greatest’ en ‘best’. De mens lijdt aan ‘historische bijziendheid’.

Lone Survivor

In Het geluk van een kopje koffie schreef ik over het utilitarisme. Voor het utilitarisme is iets rechtvaardig als het maximaal geluk oplevert. In die column stond de uitspraak van Einstein centraal dat niet alles van waarde te meten is en niet alles wat te meten is van waarde is. Nu een ander probleem van het utilitarisme en rechtvaardigheid. Het resultaat telt, niet je intentie.

Maar hoe weet je het resultaat? Om dit dilemma duidelijk te maken, een voorbeeld dat ik vond in het boek Rechtvaardigheid. Wat is de juiste keuze, van de filosoof Michael J. Sandel. Dit voorbeeld is echt gebeurd en is verfilmd. De titel van de film is Lone Survivor (zie trailer onder deze prikker). Ja hoor, filosofie in een oorlogsfilm.

lone survivorIllustratie: electric-shadows.com

Een viertal Amerikaanse soldaten in Afghanistan onder leiding van korporaal Marcus Lutrell komt tijdens een gevaarlijke geheime missie twee Afghaanse boeren en een kind van 14 jaar tegen. Hun missie was het opsporen en arresteren (of doden) van een Taliban-leider. Ze weten niet of de drie tot de Taliban behoorden of niet. De Taliban zat dichtbij.

Wat te doen? Ze meenemen kan niet. Hen laten lopen kan betekenen dat hun positie aan de Taliban wordt verraden en zij in gevecht zullen geraken. Het alternatief is de boeren en de jongen doden. Dat zal hun leven in ieder geval redden, maar wellicht dood je drie onschuldige mensen. Wat doe je? Wat is de juiste en/of rechtvaardige keuze?

Ze besluiten de drie te laten gaan. Dit leidt tot de dood van de drie collega’s van Lutrell en nog 16 andere Amerikanen die hen in een helikopter probeerden te redden. Hoeveel Taliban erbij omkwamen is niet bekend. Lutrell had achteraf spijt van zijn beslissing en onderbouwde die met een utilitaristische redenering: had ik de drie maar gedood, dat had veel levens gespaard.

Lutrell maakt een eenvoudige rekensom. Maar klopt die wel? Wellicht gaat het kind in de toekomst een belangrijke rol spelen in het beëindigen van de ellende in Afghanistan en de wereld of in de wetenschap? En hoe weeg je dat dan weer mee? Wegen bij zo’n keuze bekenden niet altijd zwaarder dan onbekenden? En weegt de nabije toekomst zo niet altijd zwaarder? Is dat niet ook het probleem waarmee in Parijs op de klimaatconferentie werd geworsteld?