Uitgelicht

Van uithoek tot hoeksteen

“De vergetelheid waaruit die machtige Republiek waarop je als Nederlander ook ‘trots’ moet zijn was opgekomen. Daarover meer in een volgende Prikker.” Zo schreef ik de Prikker met als titel Trots op je land. Die volgende Prikker is nu. Hoe die vergetelheid eruit zag? “Omstreeks het jaar 1000 krioelden ook hier ten lande allerlei min of meer feodale gebieden naast en door elkaar. Een duidelijk patroon ontbrak.[1] Zo omschrijft de historicus Peter W. Klein de politieke situatie in het gebied dat nu Nederland heet.

Het gebied lag aan de rand van het continent Europa en uit niets kon je opmaken dat het 600 jaar later zou zijn uitgegroeid tot het centrum van Europa. Sterker nog, geheel Europa lag in die tijd waar het altijd al had gelegen en dat was ‘aan de rand van de wereld’. Het centrum van de wereld dat was het gebied met aan het ene uiteinde wat we nu het Midden-Oosten of de Levant noemen en aan de andere kant het China langs de Yangtze. Het gebied, waarnaar Peter Frankonpan zijn bekende werk De zijderoutes heeft genoemd. De Romeinen waren erin geslaagd om ‘aan te haken’ bij dat centrum en zo het gebied wat te vergroten. Omdat het zuidelijke deel van het huidige Nederland vanaf het begin van onze huidige jaartelling bij dat Rijk behoorde, was het verbonden met het centrum van de wereld. Met de val van Rome en het afzetten van de laatste West-Romeinse keizer Romulus Augustulus op 4 september 476, kwam daaraan weer een einde.

File:Slag bij Vlaardingen.JPG
Het naspelen van de slag bij Vlaardingen. De slag die Dirk III in zijn voordeel besliste. Foto: ErfgoedZH

De ‘Nederlandse’ verbinding met ‘de wereld’ was al eerder verbroken, omdat de val van het Romeinse Rijk een geleidelijk proces was. Het verval van het ooit machtige Romeinse Rijk zette al veel eerder in en de wereld van na die val kondigde zich al meer dan twee eeuwen eerder aan. Germaanse en andere stammen begonnen te knibbelen aan de Romeinse macht. Een maaltijd begint met de eerste hap, niet met de laatste. Als we die metafoor op de scheiding tussen Oudheid en Middeleeuwen toepassen, dan kun je met recht en rede betogen dat de Middeleeuwen begonnen met de eerste Germaanse hap in het Romeinse Rijk. Een derde-eeuwse Romein zou bij die eerste hap aan de grenzen van het Rijk niet meteen spreken van een ‘nieuw tijdperk’. Er werd wel vaker ‘geknabbeld’ maar dat werd later wel weer hersteld. Voor de Germaan Odoakar stelde het afzetten van die laatste keizer niet zoveel meer voor. De macht van de keizer reikte niet veel verder dan de poorten van zijn paleis. Tenminste sinds de Visigotische leider Alarik I in 410 Rome plunderde, stelde het westelijk deel van het Romeinse Rijk al niet meer veel voor. Niemand kon zich zo rond het begin van onze jaartelling een wereld zonder Romeinse Rijk voorstellen. Net zo onvoorstelbaar was het in het jaar 1000 dat die uithoek van Europa tot het ‘centrum van de wereld’ zou uitgroeien.

In het jaar 1000 bestond Nederland nog niet. Van de later machtigste van de Verenigde Provinciën was ook nog geen sprake en zelfs ‘Holland bestond nog niet. Holland was vooral Fries. “Reeds vanaf de vroege middeleeuwen was de Maas-, Rijn-, en Schelde regio de operatiebasis van de Friezen voor hun verre handel tussen West-Europa en Scandinavië.[2] Toch gebeurde er in 1018 iets bijzonders. Een van de graven in West-Friesland Dirk III behaalde, zo beschrijft Klein het, de eerste militaire ‘Hollandse’ overwinning. Een ‘Hollandse’ overwinning avant la lettre want: “Deze Dirk was en bleef zijn leven lang namelijk niets anders dan een graaf ín (West)-Friesland. Zelfs tot graaf ván (West-)Friesland heeft hij het niet kunnen brengen.[3]  Dirks oorspronkelijke ‘rijk’ bestond uit: “twee losse West-Friese gebieden (…)  Kennemerland en Rijnland.” En Dirks prestatie bestond eruit dat hij daaraan: “bij stukjes en beetjes Neder-Maasland,” aan toevoegde. Tegenwoordig een zeer rijk gebied, in die tijd: “niet veel anders dan de moerassige zilte gronden aan de mond van de samenvloeiing van Maas en Merwede.[4] Uiteindelijk mocht een van zijn nazaten, Floris II, zich in 1101 echt graaf van Holland noemen. Dat had hij te danken aan de bisschop van Utrecht die bereid bleek om hem als leenman te aanvaarden. Daarmee zijn we honderd jaar verder in de tijd. Ook toen wees er niets op het succes van dat ‘Holland’. De eerste graaf van Holland, graaf van drassig land langs de monding van de Rijn en de Maas, ‘onderknuppel’ van de bisschop van Utrecht was iets meer dan niets en daarmee is alles gezegd.

Nu ontwaakte Europa zo rond de tijd van Dirks avonturen uit de donkere slaap die het met de val van West-Romeinse Rijk begon. Europa, en dan vooral Italiaanse steden zoals Genua en Venetië begonnen weer te handelen met de Levant, ze herstelden de verbroken verbinding met de Zijde route. “By the end of the tenth century, Venice was shipping grain, wine, and Lumber to Constantinople and receiving in return fine silken cloth that they sold to their north Italian Neighbors. Also by that time merchants from Amalfi had established extensive trading contacts with Cairo. The inland towns of northern Italy began to have some industry of their own, notably weaving of woolen cloth, but markets for this cloth were very limited at first.[5]Zo beschrijven Palmer en Colton in hun A History of the Modern World het Europa dat zich weer langzaam aansloot bij het centrum van de wereld.

Dirks’ gebied was nog niets maar iets ten Zuiden van zijn moerassige zilte gronden werd het al iets. Die opleving in Italië had zijn uitwerking op ‘staatjes’ die enkele eeuwen later de 17 provinciën werden genoemd. Voor de Friezen betekende ze een ‘nagel aan hun doodskist’ als dominante macht omdat: “De Friese handel (…) niet bij machte (was) op deze opleving in het zuiden in te haken.” Anderen wel: “De kooplieden van de Maas- en Scheldevallei daarentegen, die als stedelingen een meer moderne handelstechniek hadden ontwikkeld en die vanouds contacten met de het continentale achterland onderhielden, grepen de geboden kansen. Ze brachten een systematische verbinding tussen Noord-West Europa en het Middellandse-Zeegebied tot stand.” Die handel liep niet over zee en dan via de rivieren het land in met Rotterdam[6] als schakelpunt, zoals in onze tijd. “Het werd een overlandse handel op het zuiden, die steunde op het uitwisselen van luxe producten uit Italië, Noord-Afrika, de Levant en het Verre Oosten enerzijds en van industriële fabricaten uit eigen streek anderzijds[7].”

De Zuidelijke Nederlanden vervulden in toenemende mate een stapelmarktfunctie voor Noordwest Europa. Zo zie je maar weer dat de winnaars de geschiedenis bepalen want voor de Friezen, die al in de Romeinse tijd een belangrijke macht waren in het gebied dat grensde aan de Noord- en de Waddenzee, restte slechts een bijrol in de ‘trotse’ geschiedenis van het koninkrijk Nederland. De Graaf van Holland was echter niet de enige ‘onderknuppel’. Er waren er veel meer zoals de graaf (later hertog) van Gelre, de hertog van Brabant, de graaf van Zeeland die allemaal hun eigen rijkje stichtten en knibbelden aan de macht van de Friezen. Allemaal gebieden die niets met elkaar hadden. “The northern provinces felt no tie with each other and no sence of difference from the south. Each of the seventeen provinces was a small state or country in itself,[8]aldus Palmer en Colton in hun A history of the Modern World over de relatie tussen de verschillende provinciën in het midden van de zestiende eeuw en dat was in de eeuwen daarvoor niet anders.  Sterker nog, zelfs binnen een zo’n rijkje hadden mensen vaak al niet veel met elkaar behalve dan dat ze eenzelfde ‘onderknuppel’ boven hen hadden. Niets gezamenlijks.

In het begin van de zestiende eeuw werd het onrustig in het gebied van die zeventien provinciën. Trouwens ook in een groot deel van de rest van West-Europa. Drie ontwikkelingen kwamen samen. De eerste ontwikkeling heb ik hierboven al genoemd: de aantrekkende handel en het streven om de tussenhandel uit te schakelen. De handel en de ermee gepaard gaande nijverheid zoals de wol en lakennijverheid zorgde voor toenemende rijkdom waardoor er in steden een rijke burgerlijke bovenklasse ontstond. Een bovenklasse die de oude adel qua rijkdom in haar schaduw stelde. De tweede ontwikkeling: centraliseringsdrang van de vorsten en koningen. De strijd om de macht. Een strijd tussen de vorst, de hoge adel en die rijke burgerlijke bovenklasse. Vorsten die de macht naar zich toe wilde trekken stootten op verzet van de hoge adel en die burgerlijke bovenklasse. Wie er aan het langste eind trok, dat verschilde per gebied. De derde ontwikkeling die een rol speelde was het geloof.

Op 31 oktober 1517 spijkerde Maarten Luther zijn toen nog 93 stellingen op de deur van de slotkerk van Wittenberg. Dat is tenminste het populaire verhaal, alleen is niet te achterhalen of het ook werkelijk is gebeurd. Wel zeker is dat Luther op die dag zijn 93 stellingen verspreidde en dat daarmee een belangrijke stap werd gezet in wat we nu de Reformatie noemen. Later werden er nog twee stellingen een toegevoegd. Met die stellingen bond Luther de strijd aan met de kerk en vooral de paus. De strijd draaide vooral om de aflaten, kwijtscheldingen van straffen voor zonden. Die straffen zouden eerst moeten worden ondergaan voordat de zonde wordt vergeven. Met een aflaat was de zonde zonder straf vergeven. De kerk en de paus gebruikten aflaten om de kerkelijke kas te spekken. Een doorn in het oog van Luther. De paus antwoordde door Luther te excommuniceren. Achteraf kunnen we constateren en concluderen dat dit het welbekende lont in het kruitvat was. Dat kruitvat explodeerde en leidde tot een godsdienstoorlog die pas in 1648 met de Vrede van Westfalen werd beëindigd en naar sommigen menen eindigde die oorlog pas aan het einde van de zeventiende eeuw.

Die religieuze perikelen vermengden zich met de strijd tussen de vorst en zijn ‘onderknuppels’ en steden. Wilde je als ‘onderknuppel’ van je vorst af en zocht je naar ‘de zegen van boven’, dan werd je ‘protestants’. Die ‘godsdienstoorlog’ kun je zien als het laatste hoofdstuk in de investituurstrijd tussen de paus en de vorst met betrekking tot wereldlijke zaken. Door de reformatie kreeg een vorst de mogelijkheid om een ander ‘geloof’ te kiezen en met dat geloof ook de volledige macht op zijn grondgebied. Voor wie een ietwat geromantiseerd beeld wil krijgen van de periode van de godsdienstoorlogen en de vermenging van het politieke en religieuze, kan ik de trilogie van Hillary Mantel over het leven van Thomas Cromwell aanbevelen[9]. Die strijd om centralisatie, modernisering, het recht, het vormgeven van verantwoordelijkheid en de strijd tussen de vorst en de kerk, speelde al vanaf het begin van de elfde eeuw en kent eigenlijk eenzelfde oorzaak als waarom er op Indië werd gevaren: het uitschakelen van de tussenpersoon. En de strijd van die ‘tussenpersoon’ om de positie te behouden. En culmineerde in de zestiende eeuw tot die godsdienstoorlog waarbij het dus veel meer draaide om macht dan om het geloof.

In de Lage Landen, die 17 provinciën waar de handel sterk ontwikkeld was, trok die burgerlijke bovenklasse in de zeven noordelijke provincies de macht naar zich toe. In de Zuidelijke 10 provinciën lag dat anders . Daar overwon de kracht van de Spaanse vorst. De Noordelijke zeven provinciën verenigden zich en ontwikkelden wat Fukuyama verantwoordelijk bestuur noemt. Er ontwikkelde zich: “zowel een sterke rechtsorde als verantwoordelijk bestuur (…), terwijl ze tegelijk een sterke gecentraliseerde staat tot stand brachten die in staat was tot nationale mobilisatie en defensie.[10]” Dit gebeurde, zo betoogt Fukuyama, op verschillende manieren onder andere in monarchieën als Engeland, Zweden en Denemarken maar ook in Republieken zoals de Zeven Verenigde Nederlanden en de Zwitserse bondsstaat. Gebieden waar de ‘derde stand’ van handelslui en sterke lokale gemeenschappen tegenmacht boden aan de hoge adel en de ‘staatsmacht’. Tegenmacht die de staat, de vorst, dwong zich te onderwerpen aan het recht en tot verantwoording dwong. Verantwoording aan een parlement dat het volk vertegenwoordigde en wiens leden door een steeds groter deel van het volk werden gekozen en uiteindelijk het hele volk.

Nu viel het in die Republiek der Zeven Verenigende Nederlanden wel mee met die ‘gecentraliseerde staat’, of moeten we zeggen dat het tegen viel. Ja, die zeven provinciën waren verenigend in die Republiek. De Republiek blonk veel meer uit in ‘sterke lokale gemeenschappen’ met vooral ‘verantwoordelijk bestuur’. Als we de Republiek met iets hedendaags moeten vergelijken, dan komt de Europese Unie nog het meest in de buurt. Iedere ‘provincie’ kende eigen regels en bestuurlijke verhoudingen en zelfs in steden en gebieden binnen provincies waren er grote verschillen. Schöffer c.s. beschrijven het als volgt: “terwijl overal elders centralisatie en vorstenmacht zich schenen door te zetten, kende de Republiek dankzij de federatieve opbouw een sterke spreiding van macht en gezag. … Zelfs zaken van buitenlandse politiek en defensie – in het buitenland gewoonlijk de uitsluitende bevoegdheid van de vorst en zijn raadgevers – konden in de Republiek in stadhuizen en boerenhofsteden worden besproken en daarna in commissies of grotere vergaderingen beslist. Het stelsel is dan ook alleen te begrijpen wanneer het van ónderaf’ wordt beschreven: uitgaande van de stad, ambtsheerlijkheid (de bestuurseenheid op het platteland) of waterschap. Van die basis uit werden enerzijds afgevaardigden gestuurd naar gewestelijke en landelijke vergaderingen en waren anderzijds de directe bestuurscontacten met de bevolking het sterkst.[11] Alleen voor wat betreft de verdediging tegen het buitenland trokken de provincies samen op.

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw werd die vergeten uithoek een machtige hoeksteen in de wereld. Voor nu rest slechts de verwondering dat die Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden zo’n belangrijke rol vervult in het verhaal waar de Nederlander volgens menigeen ‘trots’ op moet zijn. Trots op een verleden dat staatkundig gezien moderner is dan het ‘koninklijke heden’.


[1] Peter W. Klein,  1000 jaar vaderlandse geschiedenis, pagina 33

[2] Schöffer, I c.s,  De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 15

[3] Idem, pagina 33

[4] Idem, pagina 34

[5] Brian Tierney, Sidney Painter, Western Europe in the Middle Ages 300-1475, pagina 268-269

[6] Rotterdam werd pas zo rond 1270 gesticht en haar bewoners leefden in eerste instantie van de visserij

[7] Schöffer, I cs, De Lage Landen van 1500 tot 1780 pagina 15

[8] Palmer, R.R en Joel Colton, A History of the Modern World, pagina 126

[9] De trilogie begint met Wolfhall gevolgd door Het boek Henry en wordt afgesloten met De spiegel & het licht.

[10] Idem, pagina 383 – 384

[11] I. Schöffer c.s. De Lage Landen van 1500 tot 1780, pagina 184

De schaduw van Baudet

Het Forum voor Democratie vertelt een ‘prachtige versie’ van de geschiedenis van Nederland. Je moet het Baudet nageven, op een bombastische wijze weet hij dat verhaal te vertellen. Een verhaal van ‘grootsheid’ dat bedoeld lijkt om mensen ‘trots’ te laten zijn op Nederland. Omdat verhalen mensen binden en het leven zin geven zoals ik in mijn vorige Prikker schreef, is het goed om dat verhaal eens te bestuderen. Zeker omdat de vertellers van verhalen over een verleden van ‘grootsheid’ en ‘trots’ vaak een bedoeling in het heden hebben. 

Baudet vertelt een prachtig verhaal waaraan toch enkele paragrafen en zelfs complete hoofdstukken ontbreken. Slavenhandel bijvoorbeeld en de moordpartijen van Coen in de Oost. Die zouden toch zeker een plekje mogen krijgen. Want als je de VOC en Coen noemt, dan moet je het complete verhaal vertellen. Niet dat Nederland hierin afweek van de mores in die tijd. Neem de Mongolen van Dzjengis, die stonden erom bekend dat zij hen die verzet boden uitmoordden. Werkte je mee dan kon je op hun welwillendheid rekenen. Nee, het uitmoorden van mensen die zich tegen je verzetten, was redelijk gebruikelijk in die tijd. Oorlogen waren voor de overwonnenen geen pretje. Plunderen, roven en het ondertussen verkrachten en vermoorden leverde het soldij voor de soldaten. Die leefden van het veroverde land. Dat iets gebruikelijk was, wil echter niet zeggen dat we het bij de beschrijving van de geschiedenis niet hoeven te vermelden. Wat hij er ook bij vergeet te vertellen is dat die ‘grootse geschiedenis van die Gouden Eeuw’ het resultaat is van immigratie vanuit het huidige België, vanuit Frankrijk en Spanje en op ‘seizoensarbeiders’ voor de landbouw en scheepvaart vanuit de Duitse landen.

Foto: Pixabay

Wat Baudet voor het gemak vergeet, is dat het ‘trotse’ Nederland na de nederlaag van Napoleon bij Leipzig alleen op de kaart verscheen omdat de toenmalige ‘Powers that Be’ Engeland, Rusland, Oostenrijk en Pruisen zochten naar een machtsevenwicht dat Frankrijk in toom moest houden. In de ‘herschikking’ die daarop volgende, werden de grenzen in Europa flink veranderd. Zo ontstond er een compleet nieuw land: het koninkrijk der Nederlanden. De oude Republiek uitgebreid met de Oostenrijkse Nederlanden. Oostenrijk kreeg als ‘compensatie’ wat gebieden in Italië. Weg waren ongeveer 200 jaar republikeins bewind omdat die ‘Powers that Be’ alleen vertrouwden in de oude adel. 

Die hertekening van ‘grenzen’ was niet de eerste en zeker ook niet de laatste wijziging van grenzen. In kaart en animatie is te zien hoe grenzen in Europa door de tijd veranderden. Voor Baudet en andere ‘trotse’ Nederlanders er is zelfs een animatie die zo’n vierduizend jaar teruggaat. Dit is trouwens niet iets wat specifiek Europees is, ook in Azië, en zelfs in Afrika en Amerika schoven grenzen. 

Als we het over schuivende grenzen hebben dan is Baudets nationale geschiedenis van Coen en de VOC, maar één van de verhalen die je kunt vertellen. Een verhaal met een sterk Hollandse inslag. Voor de toenmalige inwoners van bijvoorbeeld de huidige gemeente Venlo zag dat verhaal er heel anders uit. De Oost en zelfs Amsterdam en de VOC waren ver weg. Sterker nog, voor een groot deel van het grondgebied van de huidige gemeente Venlo gold dat het tot een heel ander land, of eigenlijk landen, behoorde. Zo hoorde Tegelen en Steyl bij het Graafschap Gulick en sloten zij pas in 1817 aan bij het koninkrijk der Nederlanden. Juist ja, toen de “Powers that Be’ daartoe besloten. Een van die ‘Powers’ de Pruisen moest daar een veer laten want ook zij wilden de plaats erbij hebben. Dit gebeurde met het Traktaat van Aken. Hierin werd de grens tussen het koninkrijk en Pruisen bepaald door een kanonschot vanaf de oever van de Maas. Nederland zou dus een stuk groter zijn geweest als de kanonnen in die tijd wat verder hadden geschoten dan ongeveer 5 kilometer. Voor Arcen, Lomm en Velden ligt dat weer anders. Die behoorde eerst bij Spaans Gelre, na de Spaanse successieoorlog vielen ze toe aan Pruisen en sinds dat beruchte ‘kanonschot’ tot het koninkrijk der Nederlanden. 

Illustratie: Wikipedia

Wat voor alle dorpen gold, was dat er geregeld legers voorbij trokken. Legers op weg naar de ‘hoofdprijs’ de stad Venlo. Die stad wisselde gedurende de Tachtigjarige Oorlog geregeld van eigenaar. Dan weer  was het Spaans, dan weer republikeins. Aan de Spanjaarden heeft de stad de restanten van het Spaanse fort Sint Michiel ten westen van de Maas te danken. Dat fort moest de stad beschermen tegen aanvallen vanaf de overkant (de westelijke kant) van de Maas. Met de Vrede van Utrecht in 1713 werd Venlo aan de Republiek toebedeeld, werd het een onderdeel van de Generaliteitslanden en zo min of meer een kolonie van de Republiek. Een kolonie omdat die Generaliteitslanden werden bestuurd door de Raad van State, een raad waarin ze zelf geen zeggenschap hadden.  

Sinds 1817 hoort het volledige grondgebied van de gemeente Venlo dus bij het Koninkrijk der Nederlanden en ging het op in de provincie Limburg. Of toch niet? Nee inderdaad toch niet. In 1830 stonden de Zuidelijke Nederlanden op tegen het Koninkrijk en scheidden zich af. Limburg, exclusief de stad Maastricht, sloot zich aan bij de opstandelingen. Een afscheiding die pas in 1839 formeel werd maar dan zonder het huidige Nederlands-Limburg. Dat werd afgesplitst en viel toe aan het huidige Nederland. Viel toe want het werd niet veroverd of terugveroverd op de Belgen. Nee, ook hier beslisten weer de ‘Powers that Be’. De Fransen, die toen weer bij die ‘Powers’ hoorden, trokken hun steun aan de Belgen in en daarop werd Limburg gesplitst. De inwoners werd niets gevraagd. Als die zouden mogen stemmen, dan zou Venlo, nu waarschijnlijk Belgisch zijn. Limburg was dan wel, een provincie, voor de Hollandse koning, bleef het, net als de overige Zuidelijke Nederlanden, toch een soort Generaliteitsland, een soort kolonie.  

Dat Baudet dit er niet bij vertelt is logisch. Het past niet in het verhaal dat hij wil vertellen. Het verhaal van die trotse koppige Nederlander die zijn mannetje staat in de wereld en die niet met zich laat sollen. Want met die trotse Nederlander werd wel degelijk gesold. Ook de laatste keren dat er werd gesold, komt in het trotste verhaal van Baudet niet naar voren. Aan de Duitse bezetting na een oorlog van vijf dagen, de jodenvervolging en de dekolonisatie besteedt hij geen aandacht.

Sollen dat is wat de ‘Powers that Be’ doen met degenen die niet bij die Powers horen. Dat is een constante in de geschiedenis. Alleen wie die ‘Powers’ zijn, verandert door de jaren heen. In 1815 waren dat Engeland, Oostenrijk, Rusland en Pruisen. Dat laatste land hoorde er voor het eerst bij. Terwijl ze toen op het toppunt van hun macht stonden, zouden de Oostenrijkers nu willen dat ze erbij hoorden. In één eeuw schopten de Oostenrijkers het van hero naar zero. Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog werd het land opgedeeld, gedecimeerd en gedegradeerd tot niet eens een B-land. Die status had het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden al in 1815.

Illustratie: Pixabay

Sollen daar helpt het vertellen van verhalen over je trotse verleden niet tegen. Die ‘rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst’ om de waarschuwing bij beleggingsproducten aan te halen. Dat ‘trotse’ verleden is hooguit een schaduw en een schaduw wordt groter als de zon ondergaat. Tegenwoordig lijken we anders te denken over het verschuiven van grenzen. Voor onze huidige politici zijn landsgrenzen heilig. Die mogen niet ter discussie worden gesteld en het ene land mag zeker geen stukje van het andere inpikken. Zie bijvoorbeeld de Russische annexatie van de Krim. Die wordt niet getolereerd. Alhoewel heilige grenzen? Zijn die niet alleen heilig als het de huidige ‘Powers that Be’ uitkomt? Want hoe heilig waren de Servische landsgrenzen of een paar jaar eerder de Joegoslavische en de grenzen van de Sovjet Unie? Die landen mochten zomaar uit elkaar vallen en er mochten nieuwe landen ontstaan. De oude grenzen waren niet zo heilig. Je zou kunnen tegenwerpen dat er hier geen sprake is van het ene land, dat grondgebied van een andere land bezet omdat er ‘nieuwe’ landen ontstonden. De Rus kan dan weer tegenwerpen dat die inwoners van de Krim per referendum kozen voor aansluiting bij Rusland. Een keuze die de Venlonaren in 1839 niet kregen. 

Wat nu is zegt niets over de toekomst. Dat is ook wat de verschuivende grenzen uit het verleden laten zien. Is het nu ‘voor eeuwig’ vaststellen van grenzen niet een poging om ons ‘heden’ voor de toekomst vast te leggen? Een manier om het heden te vereeuwigen? Erger nog, zijn trotste verhalen, zoals dat van Baudet, niet pogingen om het verleden ook de toekomst te laten zijn? Een verleden dat bij nadere bestudering helemaal niet zo ‘groots en geweldig’ was als Baudet het laat klinken. Is ‘terug naar het verleden’  geen motie van wantrouwen aan de broek van onze kinderen en kleinkinderen? Ontzeggen wij hen daarmee niet het recht op hun eigen ‘verhalen’?

Wij geven de wereld door aan onze kinderen en kleinkinderen. Dat doorgeven doen we met ons verhaal. Zou dat verhaal er niet een van mogelijkheden moeten zijn? Een verhaal waarin het verleden een belangrijke maar duidelijk andere rol moet spelen dan het verhaal van Baudet. Geen verhaal van ‘trots op’ of ‘grootsheid’ van het verleden, maar een verhaal waarin we leren van het verleden door er patronen in het menselijk gedrag in te herkennen. Patronen zoals het sollen door de ‘Powers that Be’, het misbruiken van het verleden voor politiek gewin. 

Of over de rol van migratie in de geschiedenis. Immers zonder migratie had Baudet zijn trotse verhaal niet kunnen vertellen. Sterker nog, dan hadden we nog steeds rondgelopen op de vlakten van het huidige Oost-Afrika. Nou ja we, hooguit een heel klein deel van de huidige mensheid want veel plek was er niet naast alle andere dieren. Heeft juist die migratie de mens gemaakt tot wat hij is? Een wezen dat grenzen verlegt? 

Illustratie: Wikipedia

Wat zeker niet mag ontbreken zijn verhalen over de rol die macht speelt en wat macht met mensen doet. Verhalen over mensen die macht moeten ondergaan. Mensen waarmee wordt gesold. Verhalen over economische macht van het ene land over het andere. Dus verhalen over de rol van imperialisme en kolonialisme van de oude Egyptenaren tot nu. Want imperialisme en kolonialisme zijn er zo ongeveer sinds de mens zich voor het eerst vestigde in steden. 

Maar vooral ook verhalen over de economische macht van de ene mens over anderen. Dus verhalen over de rol van slavernij en feodalisme vroeger en nu en de manieren waarop onze voorvaderen zich hiertegen teweer stelden. Welke manieren succes hadden en welke niet. manieren zoals de meent. Commons in het Engels en vooral bekend door het artikel The Tragedy of the Commons van Gareth Hardin. Gronden, bos of wateren nabij een dorp waarvan iedereen gebruik mocht maken. Een ouderwets systeem dat ervoor zorgde dat de keuterboeren konden overleven. Een systeem waarbij ieder zijn deel kreeg en dat onderhevig was aan regels die ook door de eigenaar van de grond, de landheer, werden gerespecteerd. 

Een interessante casus over wat mensen samen kunnen bereiken en ook hoe dat teloor kan gaan. Hardin redeneerde als volgt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Eén schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn een schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Herder A en met hem de andere herders zitten vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt. Hardin zag onze voorvaderen met een huidige economische bril. Een bril van concurrentie en streven naar winst en die winst kan al zijn dat je iets meer hebt dan je buurman. In werkelijkheid heeft het systeem van de meent eeuwenlang zeer goed gefunctioneerd zonder dat het tot uitputting van die gronden leidde. De keuterboeren, onze voorvaderen dachten helemaal niet aan winst en groei. Zij dachten aan samen overleven. 

Hardin heeft gelijk dat hebzucht de meent vernietigde, alleen niet de hebzucht van de keuterboertjes, maar de hebzucht van de landheren. Het systeem van de meent functioneerde eeuwenlang omdat niemand het kon veranderen, de keuterboeren niet en ook de landheer niet. Dat veranderde met het steeds democratischer worden van het landsbestuur. Het parlement kreeg wetgevende macht en kon het gewoonterecht van de meent wel wijzigen. En wie zaten er in het parlement? De landheren en die grepen in de 18e en begin 19e eeuw hun kans. Vooral de Engelse situatie is zeer goed gedocumenteerd. In Engeland nam het parlement ‘Acts of Enclosure’ aan. Wetten die de landheer het recht gaven om zijn land te omheinen en zo af te schermen voor gebruik door anderen. Zo’n omheinde meent betekende het einde voor de keuterboeren. Die konden niet meer overleven.

Illustratie: Flickr

Met het verhaal van de meent kunnen we nu en in de toekomst naar de wereld kijken. Je zou de meent kunnen zien als een ‘basisinkomen’ avant la lettre. Als een manier om naar patenten te kijken of naar (belasting)wetgeving voor het bedrijfsleven. Maar ook een manier om naar de rol van belangengroepen en parlementen te kijken en vooral als waarschuwing dat niet alle belangen een ‘groep’ hebben die gehoord en vertegenwoordigd is. 

Hardin met zijn Tragedy of the Commons, maar ook Baudet met zijn verhaal over het ‘grootse en trotse Nederland’ zien, geven een voorbeeld van de rol die verhalen spelen in het denken van mensen. Verhalen die mensen binden. Maar laten ze niet ook zien dat het goed is om die verhalen te onderzoeken, ter discussie te stellen en er andere verhalen tegenover te stellen? Verhalen die ook weer onderzocht en bediscussieerd moeten worden? Dat het voor de huidige mens, net als zijn Afrikaanse voorvaderen, goed is om zijn grenzen te verleggen, nieuwsgierig tet zijn en ‘migrant’ in denken te zijn?


Vrede van Westfalen

Tussen 1568 en 1648 vochten de graafschappen van de Lage landen een oorlog uit met de Spaanse koning. De Lage landen behoorden tot het Spaanse wereldrijk. Deze oorlog wordt in de volksmond de Tachtigjarige oorlog genoemd en door historici de Opstand. Een oorlog die een onderdeel was van een grotere, complexe Europese strijd waarin machtsaanspraken, sociale en economische belangen werden overgoten met een religieus sausje. In de beeldvorming is dat religieuze sausje gaan overheersen en werd het een strijd om de vrije godsdienstkeuze. Een strijd die al voor 1568 begon en waarin godsdienstfanatici mensen opzweepten tot vernielingen (denk aan de Beeldenstorm) en gewelddadige acties. Godsdienstfanatici die steden bezetten en legers van de rechtmatige landsheer de toegang weigerden. Fanatici die elk hun eigen juiste interpretatie van de bijbel gaven. Met Geuzen die steden en gebieden plunderden. Een strijd met een flinke vluchtelingenstroom.

OpstandIllustratie: www.isgeschiedenis.nl

Als je dat zo opsomt en je kijkt naar het Midden-Oosten, zijn er dan overeenkomsten? Zien we dan niet ook landsheren, Rusland en de Verenigde Staten, die proberen hun ‘rijk’ bijeen te houden en het liefst te verstevigen? Lokale potentaten die zelf meer macht willen ten kosten van de andere lokale potentaten en, al naar gelang hun doel, de landsheren bestrijden of steunen? Is dit niet wat Betsy Udink beschrijft in haar artikel in de Volkskrant?

Spelen economische motieven niet een belangrijke rol in deze strijd? Wie krijgt de zeggenschap over welke olie- en gasvelden? Spelen sociale motieven niet een belangrijke rol? De grote groep jeugdigen zonder nuttige dagvulling en inkomen en daardoor afhankelijk? Jeugdigen die strijden om gehoord te worden, om hun eigen toekomst mee te bepalen en voor een gesloten deur staan. Een strijd compleet met beeldenstormen: de vernietiging van beelden, kunst-, culturele – en historische schatten. Denk aan de vernielingen in Palmyra. En zou zou je de rol van IS niet kunnen vergelijken met de rol van de geuzen? Roofpiraten die gebieden bezetten en de lokale machthebbers verdrijven en waarbij zich anderen om opportunistische redenen aansluiten? En ook een strijd die leidt tot een flinke vluchtelingenstroom? En ja, ook hier een religieuze saus erover? De saus van de echte islam die iedereen zegt te vertegenwoordigen? De saus die ook hier de andere ingrediënten (de machtspolitieke, sociale en economische) van de ‘maaltijd’ is gaan overheersen? In de Volkskrant beschrijft Robbert van Landschot die religieuze saus mooi. een saus bedoeld om de macht te behouden.

Met de vrede van Westfalen werd een einde gemaakt aan de strijd in West-Europa. Deze vrede bestond uit een serie vredesverdragen die een einde maakten aan de strijd en die de kaart van Europa tekende voor de komende 160 jaar. Tijd voor een nieuwe vrede van Westfalen?