Weerstand en de menselijke maat

Een favoriete bezigheid van mij op de zaterdagmiddag is in bad liggen met een boek. Zo lag ik deze zaterdag. in bad met het boek Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst. Inderdaad het boek waarover ik in Zwijgen over de ander schreef naar aanleiding van een uitspraak van Richard Sennett de auteur. Ik heb het boek nog steeds niet uit maar op pagina 239 schreef Sennett iets wat mij niet losliet: “mensen ervaren de menselijke maat door het omgaan met weerstand.” Sennett schrijft dit met de stedenbouw als invalshoek. Hij zoekt naar manieren waarop de stad als ruimte, hij noemt dat de ville en de stad als cité, de stad als specifieke plaats waar mensen leven, het gevoel van de stad, elkaar kunnen versterken.  daarbij is de menselijke maat van belang. Bij mij bleef de zin hangen omdat ik in mijn werkzame leven bij gemeenten over de vloer kom die zoeken naar de menselijke maat in wat zij het ‘sociaal domein’ noemen.

Bron: Wikipedia

Tot het sociale domein horen onderwerpen als zorg, welzijn, onderwijs, gezondheidszorg, opvoeding, inburgering, het mensen aan werk of een passende tijdsbesteding helpen. Als je de plannen van gemeenten leest dan kom je woorden tegen als ‘integraal’ waarmee wordt bedoeld dat de mens als geheel moet worden bekeken. Als de inwoner een rolstoel nodig heeft, dan moet er ook worden gekeken of die persoon wel voldoende rond kan komen. Of er geen schulden zijn. Of het goed gaat met zijn kleine kinderen. Want misschien is die rolstoel wel niet de ‘passende’ oplossing. Inderdaad zal menig bestuurder en beleidsmaker zeggen: zo moet het. Alleen loop je zo het risico dat je iets simpels complex maakt.

In het verlengde hiervan het woord ‘zorg- of gezinsplan’. Dit wordt opgesteld door de consulent die het samen met de inwoner en zijn ‘sociaal netwerk’, om weer een term te noemen, opgesteld. Hierin worden de afspraken opgenomen, bijvoorbeeld dat de buurman iedere week de kliko buiten zet en een keer per week het gras maait. Zo’n plan moet aantonen dat die rolstoel echt nodig is omdat familie en buren de rol van die ‘wielen’ niet kunnen vervullen.

Zo moet worden gezocht naar ‘maatwerk’. Maar hoe ‘maat’ is dat werk als het vervolgens wordt ingekocht als een product met bepaalde specificaties? Er wordt confectie ingekocht bij een fabriek, het maatkostuum van de kleermaker blijft buiten bereik.

Je komt woorden tegen als ‘dichtbij de burger’. Dit wordt ingevuld door wijkteams die bij je ‘om de hoek’ zitten. Dichtbij wordt zo geografisch ingevuld terwijl de sociale nabijheid ver te zoeken is. Die vraagt om iets heel anders. Om bijvoorbeeld een belletje of een kopje koffie op een moeilijk moment voor de inwoner. 

Zouden gemeenten door weerstand te organiseren de menselijke maat bereiken?

Zwijgen over de ander

Integratie van ‘nieuwkomers’ in de Nederlandse samenleving is een belangrijk item en onderwerp van menig discussie. Van die nieuwkomer wordt verwacht dat hij zich aanpast en gaat ‘doen als wij doen’. Het inburgeringsexamen is erop gericht om de nieuwkomer te leren hoe wij hier doen en handelen. Van de nieuwkomer wordt verwacht dat hij deelneemt aan het verenigingsleven, contact zoekt met anderen in dit land en actief wordt in zijn buurt. In die discussie wordt benadrukt dat die nieuwkomer anders is en afwijkt van ‘de norm’. Is al die nadruk op dat inburgeren en het ‘worden zoals wij’, als al duidelijk is wie die wij zijn, wel verstandig? 

Eigen foto

Ik stel die vraag omdat ik halverwege het boek Stadsleven. Een visie op de metropool van de toekomst van de socioloog Richard Sennett ben. Hoe het ‘afloopt’ kan ik jullie nog niet vertellen. Dat komt vast nog wel een keer. Zo ongeveer op de helft, op pagina 182, constateert Sennett iets waarbij ik aan het Nederlandse beleid over integratie en inburgering moest denken. Sennett: “Meer in het algemeen kun je zeggen dat gemengde gemeenschappen alleen goed functioneren als het bewustzijn van de Ander niet al te zeer op de voorgrond staat. Als het door een bepaalde gebeurtenis wel op de voorgrond komt te staan, wordt de last van het anders-zijn sterker gevoeld en kan het wantrouwen intreden.” 

Zwijgzaamheid baart vertrouwen, aandacht versterkt wantrouwen, constateert Sennett. Dat ergens de nadruk op leggen betekent dat het gaat opvallen, klinkt niet vreemd in de oren. Als de nadruk wordt gelegd op die ‘roze olifant’ al is het maar door te zeggen dat je er niet op moet letten, ga je er juist op letten. Zou Sennett een punt hebben? 

Als dat zo is, zouden we dan met al die aandacht en nadruk op inburgering en integratie niet juist het paard achter de wagen spannen? Door erop te hameren, worden we ons bewust van het ‘anders’ zijn van de nieuwkomer. Leidt dit beleid er niet toe dat verschillen worden uitvergroot? Zou dat dan niet alleen voor de nieuwkomer gelden maar ook voor ‘niet nieuwkomers’ die ‘anders’ zijn dan de norm?

Zwijgzaamheid baart vertrouwen,” schrijft Sennett. Zwijgzaamheid en wat hij het “oppervlakkig ritueel” noemt: “Je vraagt de buurman hoe het met hem gaat, ook als je het niet zo nodig hoeft te weten. Je doet het als teken van erkenning.” Zullen we het eens gaan doen: zwijgen over de ‘ander’ en oppervlakkige gesprekken met elkaar voeren?

Zelfredzame overheid

Zelfredzaamheid. Een woord dat tegenwoordig een centrale rol vervult in overheidsland. We zijn een ‘participatiesamenleving’ een samenleving waarin iedereen meedoet en zichzelf moet redden. Eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid zijn woorden die hierin centraal staan. Zijn er ook samenlevingen waarin niet iedereen meedoet? Dat er aan die zelfredzaamheid het een en ander schort blijkt uit de vele mensen die aanspraak maken op de schuldhulpverlening. In een artikel in de Volkskrant pleit WRR-onderzoeker Will Tiemeijer voor overheidsbeleid dat rekening houdt met  mensen die niet aan de: “veel te hoge verwachtingen heeft van de financiële zelfredzaamheid van mensen,” die de overheid heeft, voldoen.

Sennett

Een prachtig woord zelfredzaam, wie wil het niet zijn? Wie wil er afhankelijk zijn van de goedertierenheid van anderen? Net zoals eigen verantwoordelijkheid, wil er niet zelf verantwoordelijk zijn? Toch wringt er iets.

Laatst las ik het boek De cultuur van het nieuwe kapitalisme van Richard Sennett weer eens. Een boek waarin Sennett, zoals de achterkaft vermeldt: “een haarscherp en genadeloos beeld (geeft) van hoe de nieuwe economie ingrijpt in ons dagelijks leven.” Hij beschrijft hoe bedrijven veel verwachten van hun medewerkers. Werk is gefragmenteerd, veel losstaande activiteiten en dat vraagt veel van medewerkers. De bedrijven verwachten ‘zelfdiscipline zonder afhankelijkheid’. Klinkt dat niet verdacht naar ‘zelfredzaamheid’ en ‘eigen verantwoordelijkheid’? De cultuur van ‘het nieuwe kapitalisme’ is ook de cultuur achter het overheidsbeleid.

Sennett ziet een risico en waarschuwt op pagina 52: “Maar het is helemaal niet zo onschuldig de zelfredzaamheid te prijzen. Het bedrijf hoeft dan niet meer na te denken over zijn eigen verantwoordelijkheid jegens de werknemer.” Cru geformuleerd, de bedrijven nemen hun ‘eigen verantwoordelijkheid’ niet. Zou dat dan ook opgaan voor de overheid? Neemt de overheid haar verantwoordelijkheid in onvoldoende mate en is zij daarom niet zelfredzaam? Een interessante vraag.

In de retoriek legt de overheid de nadruk op wat zij van de burgers verwacht. Net zoals de bedrijven aangeven wat zij van werknemers verwachten. Zou de overheid niet haar verantwoordelijkheid moeten nemen en zelfredzaamheid moeten tonen door duidelijk aan te geven wat zij doet en wat de burgers van haar kunnen verwachten?

Om John F. Kennedy te parafraseren: “Ask not what your citizens can do for you, but what you do for your citizens!”