De Ballonnendoorprikker schrijft korte prikkelende columns, waarin kromme redeneringen, verhullend taalgebruik en rammelend beargumenteerde standpunten aan de kaak worden gesteld
In januari van het jaar 49 voor onze jaartelling stak Gaius Julius Caesar met zijn leger de rivier de Rubicon over en daarmee startte hij een burgeroorlog die een einde maakte aan de Romeinse Republiek en leidde tot een rijk met aan het hoofd de keizer. Een functie die naar hem is vernoemd. Hoe zou de wereld eruit hebben gezien als Ceasar op die dag anders had besloten en de Rubicon nooit was overgestoken? Een ‘wat als’ vraag waarover je kunt speculeren en van mening verschillen.
Geloof je dat de geschiedenis wordt gemaakt door ‘grote mannen’ dan kom je met een heel ander antwoord dan iemand die gelooft dat de geschiedenis wordt gemaakt door ontwikkelingen die mensen in een bepaalde richting sturen. Wat we weten is dat ons deel van de wereld vanaf die oversteek tot zo ongeveer de Eerste Wereldoorlog koningen en keizers regeerden, al werd hun macht steeds geringer. Bij die strijd tegen die koningen en keizers werd gezocht werden historische voorbeelden van ‘regeringen door het volk’ aangehaald zoals de Romeinse Republiek en de Atheense democratie. Zou ons een eeuwenlange strijd tegen ‘de koning’ bespaard zijn gebleven als Ceasar in januari 49 voor onze jaartelling een andere keus had gemaakt? Hadden we dan al eeuwen in een democratisch Walhalla gewoond? Niemand die het weet.
Feit is wel dat de ‘winnaar’ de toon zet. Het Romeinse keizerrijk zette de toon en vanaf die tijd wilde iedereen ‘keizer’ zijn. Zo zette de ‘liberale democratie’ na de val van de muur en het instorten van de Sovjet Unie een tijdlang de toon. De verwachting van velen (vooral in onze Westerse wereld was dat de wereld uiteindelijk een verzameling van liberale democratieën zou worden. Pyongyang en Teheran dachten daar anders over maar dat werd als archaïsch weggezet. Maar als je nu naar de wereld kijkt, dan ligt dat heel anders en lijkt juist de liberale democratie op haar retour. Als zelfs het leiderschap van een lid van de Europese Unie, een statenbond die de liberale democratie hoog in haar vaandel heeft staan, van zichzelf zegt dat het illiberale democratie is dan is er wat aan de hand. En dat land, Hongarije, is niet het enige lid van die Unie dat de liberale democratie vaarwel lijkt te zeggen.
Een bijzondere ‘wat als’ vraag werd deze week weer actueel met het oplaaien van het conflict tussen de Serven en de Kosovaren. Of beter gezegd tussen de Serven en de Albanezen in het gebied dat we Kosovo noemen. In haar beschrijving van het conflict gaat de Volkskrant terug naar het laatste decennium van de vorige eeuw: “de gespannen verhouding tussen Albanezen en Serviërs, die nog altijd getekend wordt door de bloedige oorlog van 1998-1999. Toen Joegoslavië in kleine landen uiteenviel, zag ook de Albanese bevolking van Kosovo, destijds een autonome provincie, haar kans schoon om onafhankelijk te worden van Servië. Servië beantwoordde die wens met geweld.” Volgens de krant ligt: “De sleutel tot deëscalatie (…)nu vooral in politieke compromissen.” Natuurlijk zijn politieke compromissen te verkiezen boven oorlog en geweld.
Nu had de krant ook bijna tweehonderd jaar terug in de tijd kunnen gaan. De huidige ellende komt voort uit de rivaliteit tussen drie ‘keizerrijken’ en het zich ermee bemoeien van drie andere grootmachten uit die tijd. De drie ‘keizerrijken’ waren tsaristisch Rusland, de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie en het Ottomaanse Rijk. De drie andere grootmachten waren Frankrijk, het Britse Rijk en Pruissen en haar opvolger het Duitse Keizerrijk. Bij die strijd om de macht maakten de partijen handig gebruik van de Romantische tijdgeest. Een tijdgeest die de gemeenschap boven het individu stelde, voelen boven denken en het subjectieve boven het objectieve. Een tijd van opkomend nationalisme waarin mensen zich Duitser, Fransman en dus ook Serviër of Albanees gingen voelen en zich dus als een groep gingen zien. Een groep met een eigen volksgeest, religie, geschiedenis en een eigen woongebied. En dat laatste was erg lastig in een gebied zoals de Balkan. Een gebied waar van oudsher iedereen door elkaar woonde. In een dergelijk gebied is het bijna onvermijdelijk dat een ‘nationalistische’ of ‘religieuze’ trom tot grote ellende leidt. Omdat de macht van de Ottomaanse Sultan tanende was, kregen de andere keizers en grootmachten de kans om die ‘nationalistische’ of ‘religieuze’ trommen aan te wakkeren. Wat de geschiedenis van het gebied laat zien dat de druk van een grote macht, tot in de negentiende de Ottomaanse Sultan en na de Tweede Wereldoorlog de macht en het gezag van Tito, de geest in de fles kon houden. Dit even terzijde maar ook weer niet geheel terzijde want dat is de trom die nu nog steeds wordt geroerd.
Terug naar Kosovo. “Voor wie het Kosovo-conflict na 1999 uit het oog is verloren: al deze hele eeuw ijvert Kosovo, met z’n overgrote meerderheid van etnische Albanezen, voor onafhankelijkheid. Die werd in 2008 ook eenzijdig uitgeroepen. En erkend, door 101 landen inmiddels, maar niet door sleutelspelers als Rusland en China. En al helemaal niet door grote buur Servië, dat Kosovo beschouwt als de bakermat van de Servische cultuur en zich met hart en ziel verbonden voelt met de Servische minderheid daar.” Geen woord gelogen. Nou één woord wel. Slechts 98 landen hebben de onafhankelijkheid van Kosovo erkend. De andere drie verkeren in eenzelfde omstandigheid als Kosovo en zijn zelf ook niet of slechts gedeeltelijk erkend. Belangrijker echter, er ontbreken er wel een paar leden van de Europese Unie bij die 98. Het zijn precies die landen die ‘Kosovaarse toestanden’ in eigenland voorzien als zij de onafhankelijkheid van Kosovo erkennen. Landen zoals Spanje, Cyprus, Roemenië, Griekenland. Spaanse erkenning van Kosovo zou de Basken en Catalanen sterken in hun onafhankelijkheidsstreven. Die zullen de Spaanse regering dan de vraag stellen: ‘waarom zij wel en wij niet?’
Met die EU ben ik waar ik wil zijn. Slovenië en Kroatië zijn al lid van de statenbond, de andere, Noord-Macedonië, Montenegro, Bosnië-Herzegovina en Servië hebben het kandidaat-lidmaatschap aangevraagd en ook Kosovo zit al in de procedure in die richting. Bijzonder. Bijzonder omdat al deze volkeren niet bij elkaar willen horen en toch weer wel. Daarmee kom ik bij de ‘wat als’ vraag. Wat als de Europese Gemeenschap (zo heette de Europese Unie toen) al in 1990/1991 had gezegd: ‘jullie mogen lid worden van onze club, maar dan wel als één Joegoslavië, als onafhankelijke staatjes komen jullie er niet in’. Zou een ‘Brusselse sultan’ de oorlog en ellende die met het uiteenvallen van Joegoslavië gepaard ging en gaat hebben kunnen voorkomen?
In mijn vorige prikker besteedde ik aandacht aan BIJ1 en haar voorzitter Rebekka Timmer omdat ze tegen de liberale democratie zijn, terwijl een partij als BIJ1 alleen kan ontstaan in juist een liberale democratie. Timmer en haar partij zijn niet de enigen die een ander politiek systeem willen. Ook Thomas Oudman vindt dat ons politieke systeem moet veranderen. Schrijvend over de veeteelt schrijft hij: “als het politieke systeem niet fundamenteel verandert, dan zullen dergelijke fabrieken de positie van Cargill en consorten alleen maar verstevigen, en zo het mondiale voedselsysteem verder verzwakken.” Hij schrijft dit na het lezen van het boek Regenesis van George Monbiot. Bijzonder.
Monbiot pleit in zijn boek, als ik Oudman mag geloven want ik heb het zelf niet gelezen, voor: “veel efficiëntere manieren (…) om eiwitten en vetten te produceren,” dan de huidige landbouw en vooral veeteelt. Namelijk: “met bacteriën. Hij gaat langs bij wetenschappers die bacteriën in fermentatietanks aan het werk zetten met het produceren van eiwitten en vetten. En wel op basis van waterstof; een goedje dat je met een flinke dot elektriciteit kan maken van water. De wetenschappers hopen in de toekomst alle aminozuren (de bouwstenen voor eiwitten) op deze manier te kunnen maken, vrijwel zonder andere grondstoffen te verbruiken dan lucht, water en zonlicht. Eureka!” Oudman heeft twijfels bij die ‘bacteriële landbouw’: “Ik stoor me eraan dat Monbiot een technologisch toekomstvisioen vol haken en ogen centraal stelt als oplossing, in plaats van het veranderen van een politiek systeem waarin een overvloed aan voedsel samengaat met honderden miljoenen ondervoede mensen. Want zoals hij zelf zegt: dat systeem moet sowieso veranderen.”
Ik vraag me vervolgens af welk alternatief systeem Oudman dan voor ogen heeft? Wil hij een naar een niet-liberale democratie naar het model Hongarije, Turkije of in nog extremere mate Rusland? Of naar het niet-liberale autocratische Chinese Xiïstische model als dat de juiste benaming ervan is? Of naar dictatuur? Ik vraag me dat af omdat het niet nodig is om onze liberale democratie in te ruilen om de positie van Cargill en consorten te verzwakken, en zo het mondiale voedselsysteem te versterken. Daarvoor moeten we binnen het huidige systeem andere keuzes maken. Het is niet het systeem dat keuzes maakt, maar mensen binnen dat systeem. En wij zijn die mensen binnen dat systeem. Als we klimaat en milieu centraal willen stellen bij al ons handelen, dan is dat het enige wat we moeten doen. Daarvoor hoeft onze Grondwet niet te worden aangepast. Daarvoor hoeft de rechterlijke macht niet te veranderen. Daarvoor zijn geen ‘burgerberaden’ nodig. Het enige wat we moeten doen is conform de procedures van onze liberale democratie dat te besluiten. Het zijn namelijk niet de Cargills van deze wereld die ons regeren, maar wij zijn het zelf via de door ons gekozen volksvertegenwoordigers. De huidige lage belastingtarieven en geringe regulering van kapitaalstromen zijn via ons liberaal democratische systeem tot stand gekomen. De strenge regulering van kapitaalstromen direct na de Tweede Wereldoorlog en de toenmalige hoge belastingtarieven ook.
Onze liberale democratie is een middel waarmee we alle doelen kunnen bereiken. Het is als het ware een auto waarmee je naar elke gewenste bestemming kunt. Naar welke bestemming er wordt gereden is aan de chauffeur. Om die metafoor nog wat verder door te trekken. Volgens Oudman rijdt die auto nu gevaarlijk slingerend over de weg en daarom moet er een nieuwe auto komen die niet meer slingert. Die auto slingert echter omdat de chauffeur een glaasje teveel op heeft. Niet omdat de auto defect is.
Pleidooien zoals die van Oudman zijn gevaarlijk omdat ze de suggestie wekken dat onze liberale democratie er de oorzaak van is dat er slechte besluiten worden genomen. Dit ondermijnt het vertrouwen van mensen in die liberale democratie en haar instellingen terwijl we die juist moeten koesteren. Die twijfel komt bovenop de hoop van twijfel en regelrechte minachting die anderen zoals Baudet ,Wilders en consorten aan de ene kant, en Rebekka Timmer, waarover mijn vorige prikker handelde, en BIJ1 de club die zij voorzit aan de andere kant, ook al zaaien. De liberale democratie is namelijk het enige politieke systeem dat zichzelf kan corrigeren binnen haar regels. Andere systemen moeten omver geworpen worden om zaken te veranderen. Om bij die dronken bestuurder te blijven. Beneveld door de alcohol klaagt Oudman dat zijn auto niet doet wat hij wil en in plaats van zijn roes uit te slapen, vraagt hij om een andere auto. Het is openbaar dronkenschap.
Trouwe lezers van mijn Prikkers zullen ondertussen wel weten dat De open samenleving en haar vijanden van de Oostenrijkse filosoof Karl Popper, een van de werken is die mijn denken heeft beïnvloed. Dit boek bevat een uitgebreide uitwerking van zijn kritiek op het historicisme. Denken dat uitgaan van een ‘voorgeprogrammeerde’ toekomst. Als je die toekomst wilt kennen, bestudeer dan het verleden en extrapoleer. Dat extrapoleren kan door te denken in vooruitgang, dan ontwikkelt de geschiedenis zich naar een hoogtepunt. Maar ook door te denken in achteruitgang, dan wordt het steeds slechter. Dan was ‘vroeger alles beter’. Bij dit denken staat het heden in dienst van die toekomst. Ik moest aan Popper denken bij het schrijven van mijn vorige Prikker, die over de gebeurtenissen in Afghanistan handelde.
In die Prikker citeerde ik de volgende passage van de historicus H.W. von der Dunk: “Ik denk dat wij in onze huidige wereld de waarde van een liberale democratie boven alle andere staatsvormen gerust kunnen erkennen en vooral tegen bedreigingen moeten verdedigen zonder die democratie vanuit een triomfalistische verabsolutering als algemeen zaligmakend model ook voor de toekomstige mensheid en voor heel andere culturen te zien.” Von der Dunk schreef dit in het jaar 2000. In een tijd dat, in navolging van Francis Fukuyama, ‘het einde van de geschiedenis’ werd gepredikt. De, zoals Von der Dunk het beschrijft: “these dat de liberale democratie (volgens Westers snit) zich als de definitief superieure heeft betoond, en als het toekomstmodel voor de wereld kan worden gezien. [1]” Von der Dunk dacht daar dus iets anders over.
Precies wat er volgens Von der Dunk niet moest gebeuren, heeft het Westen wel gedaan: het ‘opdringen van democratie vanuit een triomfalistische verabsolutering als zaligmakend model.’ Een model dat werd opgedrongen aan Irak en Afghanistan. In beide gevallen met weinig tot geen succes. En toen moest ik denken aan Popper omdat het Westen uitging van de ‘wenselijkheid’ en niet de werkelijkheid. Het Westen stelde een ideaal centraal: de liberale democratie. Maakte een blauwdruk van wat daartoe behoorde: een grondwet, verkiezingen enzovoorts en stippelde een plan uit: die grondwet en dan zo snel mogelijk verkiezingen, dat is immers als het toppunt van democratie enzovoorts. In zijn 1945 gepubliceerde boek De opensamenleving en haar vijanden, stelde hij tegenover deze ‘utopische sociale technologie’ zoals hij het noemt, de ‘stapsgewijze sociale technologie’. Popper: “De politicus die deze methode toepast, heeft al dan niet een blauwdruk van de samenleving in gedachten, hij koestert al dan niet de hoop dat de mensheid ooit een ideale staat tot stand zal brengen en geluk en perfectie op aarde zal verwezenlijken, maar hij zal zich ervan bewust zijn dat perfectie – als die al haalbaar is – heel ver weg is, en dat elke generatie, en dus ook de nu levende, een rechtmatige aanspraak heeft; misschien niet zozeer de aanspraak op geluk, want er zijn nu eenmaal geen constitutionele middelen om de mens gelukkig te maken, maar wel de aanspraak om niet ongelukkig te worden gemaakt wanneer dat kan worden vermeden. Zij mogen er aanspraak op maken dat ze alle mogelijke hulp krijgen wanneer ze lijden. De voorstander van stapsgewijze technologie zal dan ook de methode kiezen waarmee hij de grootste en dringendste kwalen van de samenleving kan opsporen en bestrijden, en niet zozeer het hoogste goed trachten te zoeken en daarvoor vechten.[2]” De ‘grootste en dringendste’ kwaal in Afghanistan was niet dat er geen grondwet was en geen verkiezingen werden gehouden. De ‘grootste en belangrijkste’ kwaal waarvan het in 2001 net een beetje aan het herstellen was, brachten de Verenigde Staten weer terug. Namelijk wanorde, gevechten en onveiligheid.
De Taliban konden in de jaren negentig aan de macht komen omdat ze een einde konden maken aan de ‘grootste en dringendste’ kwaal, de gevechten tussen de verschillende groepen en facties. Aan wat we de burgeroorlog noemen. Naar mijn opvatting is ‘burgeroorlog’ een verkeerd woord omdat het Afghanistan neerzet als land en een natie. Als het iets niet is en nooit is geweest, dan is het land en natie. Het is een gebied waar groepen met verschillende culturele achtergronden tot in begin jaren zeventig van de vorige eeuw vreedzaam langs en door elkaar leefden. Die vrede duurde net zolang totdat ideologieën hun intrede deden en zich begonnen op te dringen. Daarbij maakten ze dezelfde fout maakten als het Westen nu heeft gemaakt. Namelijk proberen een ‘wenselijkheid’ op te dringen die niet aansloot bij de ‘werkelijkheid’. Dit leidde tot bijna twintig jaar verwoestende strijd. Eerst tien jaar samen tegen de ene ideologie vertegenwoordigd door de Sovjet Unie en daarna nog een jaar of zeven onderling omdat de oude orde was verstoord, er geen nieuwe orde was en geen groep sterk genoeg om orde te vestigen. En toen, vanaf 1994, kwam die relatief nieuwe club de Taliban en die deed iets waaraan het jarenlang had ontbroken. Ze boden een aantrekkelijk alternatief: orde, maar wel op een ideologische islamitische grondslag. En aan orde ontbrak het al twintig jaar. Met een Westerse bril zie je veel negatieve kanten aan die orde met als belangrijkste de ondergeschikte positie van de vrouw, barbaarse straffen en geen respect voor andere culturen getuige de vernietiging van de beelden van Bamiyan. Met de bril van een gemiddelde Afghaan was ‘orde’ aantrekkelijk, het sloot aan bij de ‘grootste en dringendste’ kwaal want dat was wanorde. In 1996 controleerden ze heel het gebied Afghanistan afgezien van een stuk in het noorden.
In 2001, na de aanval door de Verenigde Staten verviel het land weer in wanorde. En wat bood het Westen om die wanorde tegen te gaan? Ze begonnen geheel in de stijl van ‘utopische sociale technologen bij het einde, bij de ‘wenselijkheid’ en dan ook nog hun utopische versie van de Afghaanse ‘wenselijkheid’. Bij verkiezingen en een grondwet en niet bij een bij de ‘werkelijkheid’ aansluitend systeem van orde. Daarbij vergaten ze de ontstaansgeschiedenis van hun eigen liberale democratie. Een ontstaansgeschiedenis waarbij ze tot over hun enkels in het bloed van hun voorvaderen staan. Die gaven hun leven voor wat uiteindelijk die ‘liberale democratie is geworden. Een strijd die niet begon met het opstellen van een grondwet en vervolgens algemene verkiezingen. Die strijd begon in Europa met een strijd tussen The King, the Pope and I zoals de Prikker is getiteld waar ik aan de hand van Fukuyama inga op die strijd. Gevolgd door een strijd tussen de koning en het volk die leidde tot een verantwoordelijke overheid. En pas veel later, leidde dit tot een grondwet en een ‘liberale democratie’. Hierbij stond de uitkomst niet van tevoren vast. Voor verschillende Westerse landen duurde het nog twee Wereldoorlogen voor ze de afslag naar een liberale democratie namen.
Als utopist probeerde het Westen in wat we Afghanistan noemen iets te bereiken wat in Europa, in een heel andere culturele en historische setting meer dan duizend jaar kostte. Wellicht toch te veel van het bekendste Afghaanse exportproduct gebruikt?
Boreale wereld, uilen van Minerva die weer vliegen, masochistische ketterij, het kwam allemaal voorbij in de speech van Forum voor Democratie-leider Thierry Baudet. Een speech vol beeldspraak en een verlangen naar een verleden. Maar welk verleden? Hierover schreef ik al eens een artikel. Na het lezen van die speech moest ik denken aan de filosoof Karl Popper. In het tiende hoofdstuk van zijn bekende werk De open samenleving en haar vijanden typeert hij dit streven in één pakkende zin. Op die zin moeten jullie nog even wachten. Eerst wat meer over Popper en het boek.
Eigen foto
Popper werd in 1902 in Wenen geboren en studeerde er in de jaren twintig filosofie. In 1937 emigreerde, of vluchtte, hij naar Nieuw Zeeland omdat hij zich zorgen maakte om het nazisme. Popper is vooral bekend om zijn wetenschapsfilosofie. Hij pleit voor kritisch rationalisme en ontwikkelde het ‘falsificatieprincipe’. Dit komt erop neer dat wetenschappers niet steeds nieuw bewijsmateriaal moeten zoeken om hun theorieën te bevestigen, maar juist moeten proberen de eigen veronderstellingen te ontkrachten. Om Poppers bekende voorbeeld aan te halen. Als je wilt bewijzen dat alle zwanen wit zijn, dan helpt het zoeken naar witte zwanen niet. Al die duizenden witte zwanen die je vindt, maken nog niet dat je kunt zeggen dat alle zwanen wit zijn. Wat wel helpt is het zoeken naar zwarte zwanen. Als je er één vindt, dan weet je zeker dat niet alle zwanen wit zijn.
Een tweede bijdrage van Popper aan de wetenschap en die is voor deze Prikker van belang, is zijn strijd tegen historicisme. Historicisme is denken dat de geschiedenis zich onwrikbaar en onvermijdelijk via vaste wetten naar een bepaalde eindsituatie ontwikkelt. Door de geschiedenis te bestuderen zou je die wetten kunnen ontdekken en dus kunnen weten hoe de toekomst eruit gaat zien. Die strijd tegen het historicisme staat centraal in De Open Samenleving en haar vijanden. Het boek is een vurig pleidooi voor de liberale democratie voor de open samenleving.
Even een stukje geschiedenis. De mens heeft millennia lang in kleine groepen geleefd. Popper noemt deze samenlevingsvorm de gesloten tribale samenleving. Het leven in die groepen en ook het denken van onze voorvaderen werd gedomineerd door het steeds terugkeren van het bekende: de jaargetijden die de trek van bepaalde dieren meebrachten. Het leven zoals het wordt weergegeven in het themanummer van de film ‘The Lion King’, een lied met als titel ‘The circle of life’. Toekomst en ontwikkeling zijn in zo’n samenleving niet relevant omdat iedereen een vaste plek en rol heeft en morgen hetzelfde is als vandaag, gisteren en eergisteren. Een plek die aan de kinderen wordt doorgegeven.
Dat werd anders toen onze voorvaderen landbouwer werden en in dorpen en later steden gingen wonen en gingen handelen. Er ontstonden nieuwe manieren om te overleven los van die oude ‘circle of life’ en zo ontwikkelde zich langzaam een lineair tijdsbesef en daarmee een onzekere toekomst. Toevallig of eigenlijk niet toevallig, ontstonden nieuwe verhalen die mensen ‘zekerheid’ over de toekomst bood: godsdiensten die een leven na het leven bood in een hemel, walhalla of reïncarnatie maar ook vormen van historicisme. In bijvoorbeeld het christendom staat de hemel centraal. Als een wat oudere persoon met een katholieke opvoeding de vraag stelt: ‘waartoe zijn wij op aarde?’ Dan is er een redelijke kans dat het antwoord luidt: ‘om god te dienen en daardoor in de hemel te komen.’ Met de Verlichting werd god eerst ter discussie gesteld en later werd hij afgeschaft. Maar geen nood, historicisme biedt een oplossing in de vorm van een soort religie voor atheïsten. Een manier van denken die zin moet geven aan het leven.
Terug naar het heden. In zijn speech zegt Baudet: “En zo staan we hier, vanavond, te elfder ure, letterlijk, te midden van de brokstukken van wat ooit de grootste en mooiste beschaving was die de wereld ooit heeft gekend. Een beschaving die alle uithoeken…’ De grootste en mooiste beschaving, dus, die de wereld ooit heeft gekend. Een beschaving die alle uithoeken van de wereld bestreek.” Als er ooit in de geschiedenis van het Westen een moment was dat deze woorden de werkelijkheid beschreven dan was het op het moment dat Popper het boek schreef. Een tijd dat die liberale democratie er heel slecht voor stond namelijk de beginjaren van Tweede Wereldoorlog. Totalitaire regimes waren aan de winnende hand: Duitsland heerste over bijna het gehele Europese continent en Japan heerste in Azië. Je kunt het boek zien als Poppers bijdrage aan de oorlog.
De liberale democratie werd in die tijd bedreigd door zowel het totalitaire nazisme als het totalitaire communisme. Beide stromingen, aldus Popper, zijn voorbeelden van historicisme, stromingen waarbij het heden geen op zichzelf staande waarde heeft. De enige waarde van het heden is de ‘bijdrage’ die het levert aan het bereiken van die ‘eindtijd’. Omdat het heden op zichzelf geen waarde heeft, heeft een mensenleven ook geen waarde. Als die glorieuze toekomst naderbij komt door het doden of onderdrukken van miljoenen mensen, dan moet dat maar.
Poppers bijdrage in de strijdt voor de liberale democratie richt zich tegen de geestelijke vaders van het totalitarisme. Popper, in de inleiding bij de eerste druk: “Als er in dit boek harde woorden vallen over sommige van de grootste geestelijke leiders van de mensheid, is dat niet om hen te kleineren. Ik doe dat omdat ik ervan overtuigd ben dat wij – wil onze samenleving overleven – moeten breken met de gewoonte om de groten der aarde te vereren. De groten der aarde kunnen ook fouten maken en zoals ik in dit boek heb willen aantonen, hebben sommige van de grootste leiders in het verleden de niet-aflatende aanval op vrijheid en rede gesteund.”
Het communisme is gebaseerd op het denken van een van die ‘grootste geestelijke leiders’ namelijk Karl Marx. Die op zijn beurt weer sterk was beïnvloed door het werk van een andere ‘grote geestelijke leider’ Hegel. Marx dacht dat hij de wet achter de geschiedenis had ontrafeld. Die geschiedenis moest onherroepelijk leiden tot het ‘arbeidersparadijs’. In het tweede deel van De open samenleving en haar vijanden toont Popper aan dat de ‘wetmatigheid van Marx niets meer is dan ‘orakelfilosofie’ die in extremis leidt tot totalitarisme. Een staatsvorm, die de Van Dale omschrijft als: “dictatuur waarbij alle krachten van één punt uit op één doel worden gericht.”
Voor de interpretatie van de speech van Baudet en het denken erachter, is het eerste deel van De open samenleving en haar vijanden van belang. In dat eerste deel strijdt Popper tegen de oude filosoof Plato en zijn denken. Plato staat mede aan de basis van de westerse filosofie. Daar waar het historicisme van Marx toewerkt naar een ‘hoogtepunt’ in de toekomst, lag voor Plato, net als voor Baudet nu, het hoogte punt in het verleden. Plato leefde juist in een tijd dat die tribale samenleving verloren ging en hij betreurde dat. Popper: “De ineenstorting van het tribalisme van de Griekse gesloten samenleving, kan worden teruggevoerd tot de tijd dat de bevolkingsgroei zich ging doen gevoelen onder de leden van de heersende klasse der landeigenaren. Dat betekende het einde van het ‘organische’ tribalisme, want er ontstonden sociale spanningen in de gesloten samenleving van de heersende klasse.” Die spanningen probeerden de Grieken op te lossen door het stichten van dochtersteden. Maar, zo schrijft Popper: “Het leidde zelfs tot nieuwe gevarenzones overal waar culturele contacten tot stand kwamen. Die contacten leidden op hun beurt tot wat wellicht het grootste gevaar voor de gesloten samenleving vormde – handel en de opkomst van een nieuwe klasse die zich aan handel en zeevaart wijdde.”
De twee machtigste Griekse steden reageerden op een verschillende manier op de sociale spanningen die dit in hun samenleving veroorzaakte. In Athene leidde dit tot een interne strijd tussen het oude en het nieuwe. Een strijd waar meestentijds de aanhangers van het nieuwe, de openere samenleving, de boventoon voerden. Die openere samenleving kreeg de vorm van de democratie. Die openere samenleving bood ruimte aan vrije denkers en stond zo aan de wieg van de filosofie en daarmee ook de wetenschap.
Concurrent Sparta niet, Sparta hield vast aan het oude en probeerde zo de ontwikkeling stop te zetten. Plato’s voorkeur ging uit naar het Spartaanse model en het behouden van de gesloten tribale samenleving. Plato wilde het liefste terug naar vroeger. Naar een strak geordende samenleving waar iedereen een vaste plek inneemt onder leiding van een filosoofkoning. Een ontwikkelingsrichting en rol die Baudet in zijn speech ook lijkt te schetsen: “Want wij zijn de partij van de wedergeboorte. Wij zijn de partij van de Renaissance. En dat is wat wij willen bewerkstelligen. En het is nooit urgenter geweest dan nu om dat te bewerkstelligen. Het is nooit noodzakelijker geweest dan nu dat mensen van goede wil de handen inéén slaan. Om de banden met onze tradities te herstellen. Om onze kracht te hervinden en nieuwe kruisbestuivingen tot stand te brengen. Om al het goede dat we in de wereld kunnen vinden te verbinden met onze oude wortels en zo het land weer te laten bloeien.” Terug naar vroeger, maar welk vroeger?
De overgang van gesloten tribale naar de open samenleving is volgens Popper: “een van de meest verstrekkende revoluties die de mensheid heeft gekend.” Een revolutie die onbehagen met zich meebracht. Onbehagen dat Popper ‘de druk van de beschaving’ noemt. En: “Die druk wordt ook tegenwoordig nog gevoeld. Vooral in tijden van sociale verandering.” Die druk wordt veroorzaakt door: “de inspanningen die het leven in een open en deels abstracte samenleving van ons vergt – door ons streven ons rationeel te gedragen, althans enkele van onze emotionele sociale behoeften niet te bevredigen, voor onszelf te zorgen en verantwoordelijkheden op ons te nemen.” Die druk moeten we: “aanvaarden als de prijs die we moeten betalen voor ons menszijn.” Plato en in zijn spoor Baudet, lijken die prijs niet te willen betalen. Zij willen terug naar het verleden. Zij willen terug naar een gesloten samenleving.
Bij de Griekse tijdgenoten van Plato, uitte zich dat verlangen om terug te gaan naar vroeger in haat tegen het Atheense imperium, de vloot, de havens en de stadsmuren. Door de koloniën en de handelscontacten druppelde de buitenwereld naar binnen in de vorm van handelswaar en kennis van andere volkeren en andere levenswijzen. Heeft een mens eenmaal de geneugten van producten van elders geproefd dan kan hij bijna niet meer zonder. Voor kennis geldt dat nog in sterkere mate. Zit die eenmaal in hoofden, dan gaat ze er niet meer uit. Bekijken we de ideeën van Baudet dan uit zich dat verlangen naar vroeger in de afkeer van de Europese Unie, migratie en klimaatpolitiek. Allemaal voorbeelden van een ‘boze buitenwereld’ die het ‘maagdelijke Nederland’ hebben besmet.
Terug naar vroeger door Nederland te ‘ontdoen’ van die buitenwereld dat is wat Baudet lijkt te willen. De geschiedenis van Sparta laat zien dat deze weg heilloos is. Het is een onmogelijk streven omdat, zoals ik al schreef, kennis niet weggaat en de geneugten van producten van elders sterker zullen blijken te zijn. In Plato’s tijd was het al vrijwel onmogelijk om contacten met de buitenwereld te beperken en toen waren er nog geen kranten en internet. Terug naar het verleden lukt alleen als we het mobieltje en het internet ‘ontuitvinden’ en als we ieders kennis eraan uit het geheugen kunnen wissen. De enige manier om een beetje in de buurt te komen is de ‘Noord Korea variant’: een land helemaal proberen af te sluiten van de buitenwereld. Dat kan alleen een totalitair regime en daarmee zijn we bij de Poppers belangrijkste conclusie. Historicisme van welk soort ook, leidt in extremis tot totalitarisme.
Popper typeert Baudets manier van denken in de volgende zin, de zin die ik in de eerste alinea aankondig: “Niet bereid en niet in staat de mensheid langs haar moeilijke weg te leiden naar een onbekende toekomst die zij voor zichzelf moet creëren, trachtten enkele ‘ontwikkelden’ haar naar het verleden te doen terugkeren.” Popper vervolgt: “Niet in staat om nieuwe paden in te slaan, konden zij niets anders doen dan zich opwerpen als leiders van de eeuwige revolte tegen de vrijheid.”
Liever dan Plato en Baudets liefde voor de terugkeer naar een ‘Leeuwenkoning samenleving’, stel ik voor om Pericles en zijn beroemde lijkrede centraal te stellen. Woorden van iemand met een open blik, met interesse voor de medemens en vertrouwen in een ongewisse toekomst: “Wij leven als vrije staatsburgers in onze dagelijkse omgang zijn wij zonder argwaan tegen elkander en wij ergeren ons niet aan onze buurman als hij zijn eigen genoegen zoekt. … Wij stellen onze stad open voor iedereen, wij verdrijven nooit een vreemdeling. … Wij zijn vrij om te leven precies zoals we dat willen, en toch zijn we er altijd klaar voor om enig gevaar onder ogen te zien. … Wij hebben de schoonheid lief zonder verkwisting, wij hebben de wijsheid lief zonder weekheid.”