Uitgelicht

‘Fouten’ uit het verleden herhalen

“Er moest veel gebeuren om die teruggaven daadwerkelijk te laten plaatsvinden, er moest veel veranderen om alleen al het bestaan van inheemse Amerikanen te erkennen, na decennia van uitwissing en geïnstitutionaliseerd vergeten die waren gevolgd op eeuwen van genocide.’,” Aldus Rebecca Solnit in een artikel bij De Correspondent. In het artikel wordt beschreven hoe een gebied van 190 hectare ten noorden van San Francisco wordt teruggegeven aan vertegenwoordigers van de oorspronkelijke bewoners van het gebied. ‘Laten we dat ook in Nederland gaan doen’, was het eerste wat mij te binnen schoot.

Nu hoor ik jullie schreeuwen; ‘in Nederland is het land toch van de inheemsen?’ Daarbij wordt iets vergeten. Hetzelfde wat met de grond van de inheemsen in de VS is gebeurd, is ook in Nederland en de rest van Europa gebeurd en gebeurt nu nog in Afrika en Azië. Dat gebeurde wordt met een Engelse term enclosure genoemd. Letterlijk omheining, het zetten van een hek om grond. En die grond die werd omheind was gemeenschappelijke grond. Grond die mensen van een dorp gezamenlijk gebruikten om te overleven.

Wachten op het kanonschot van de Oklahoma Land Rush.Bron: Pinterest

Gemene of gemeenschappelijke gronden speelden gedurende lange tijd een belangrijke rol in het leven en overleven van onze voorouders. Deze gronden, in eigendom van een landeigenaar, konden worden gebruikt door de “gebruiksgerechtigden”. Bijvoorbeeld de inwoners van een dorp of enkele dorpen. De gerechtigden mochten gebruik maken van de grond door er hun vee te laten grazen, het hout te gebruiken, te vissen in de wateren en op wilde dieren te jagen. Hoe (aantal en soort dieren, hoeveelheid vis etc.) de grond mocht worden gebruikt, was vaak goed vastgelegd en gebaseerd op het gewoonterecht. Op dit gebruik werd ook toegezien. Dit kon door de gerechtigden zelf of door aangewezen personen (een baljuw, veldwachter of een andere functionaris). Aan dit gewoonterecht kon de landeigenaar niets veranderen. Het gebruik van de gemene gronden naast hun eigen kleine stukje grond zorgde ervoor dat de plattelandsbewoners konden overleven maar het was zeker geen vetpot.

Gemene of gemeenschappelijke gronden, in het Engels Commons, kwamen in 1968 weer in de belangstelling met een artikel van de Amerikaanse ecoloog Garraty Hardin. Een artikel met als titel The Tragedy of the Commons. Hierin geeft Hardin zijn verklaring voor het verdwijnen van die gemene gronden. Hardin gebruikt hier het voorbeeld van een stuk weidegrond dat door de plaatselijke herders wordt gedeeld. De weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Het inkomen van de herders wordt bepaald door de omvang van hun kudde. Een schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Dat ene schaap verhoogt immers zijn inkomen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus zijn een schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is uitputting onvermijdelijk. Herder A, en met hem de andere herders, zit vast in een systeem dat hen langzaam maar zeker naar de ondergang dringt. Het welbekende prisoners dilemma zorgde er dus voor dat de gemene gronden verdwenen.

Iedere herder maakt, volgens Hardin, de enige rationele keuze vanuit de individuele positie. Maar bekijk je het vanuit het totaal dan handelen ze allemaal irrationeel. Ze verwoesten zo immers de weide die hen voedt. Echter, Hardin veronderstelt dat de gebruikers van de gemene gronden deelnamen aan het economisch verkeer van vraag en aanbod en dat ze allemaal streefden naar meer inkomen. Dit op een manier die vergelijkbaar is met de tijd waarin Hardin zijn artikel schreef. Hij kijkt met zijn bril (zijn en de huidige kijk op de wereld) naar het verleden en dat is meestal niet de bril die men in het verleden droeg. Voor veel van onze voorouders was de wereld niet veel groter dan de streek waarin zij woonden. In die streek probeerden zij te overleven en dat deden zij voor het overgrote deel door in hun eigen behoeften te voorzien. Zij produceerden niet voor de markt en waren niet bezig met inkomen vergaren laat staan rijk worden. Overleven lukte hen onder andere door het gebruik van de gemene gronden. Het gebruik van de gemene gronden was goed gereguleerd in het gewoonterecht. Dit voorkwam, zo daar al aanleiding toe was, misbruik en vooral over gebruik van deze gronden.

Als de landeigenaren dit niet konden veranderen en de gebruikers het niet wilden veranderen, hoe kan het dan dat het systeem toch is afgeschaft? Individuele landeigenaren konden er inderdaad niets aan veranderen, maar dat werd anders toen de totale machtsbalans verschoof van koning naar parlement. De parlementen werden bevolkt door de klasse van eigenaren (en dat waren voor het overgrote deel de landeigenaren). De parlementen kregen in de nieuwe situatie wel het recht om het gewoonterecht aan te passen of af te schaffen. Van die mogelijkheid werd gebruik gemaakt. In Engeland leidde dat tot vele enclosure acts. Dit gaf de landeigenaren de mogelijkheid om de gemene gronden te omheinen (enclose) en zelf in gebruik te nemen. Hiervan maakten ze graag gebruik en pasten hierbij nieuwe, moderne landbouwtechnieken toe. Gevolg hiervan was dat de totale voedselproductie steeg. Op het eerste oog een positief iets. Een nadere beschouwing leert echter dat de werkelijkheid net iets anders was. Hogere productie leverde de landeigenaren meer inkomsten op via de verkoop van de producten op de markt (landelijk en later de wereldmarkt). De andere kant van de medaille was dat de kleine boeren niet meer rond konden komen nu ze de gemene gronden niet meer konden gebruiken. Ondanks de toegenomen productie hadden deze mensen minder te eten omdat ze niet in hun eigen levensonderhoud konden voorzien. De werkelijke tragedie van de gemene gronden was niet dat de gebruikers ervan gevangen zaten in een systeem dat hen via een rationele keuze leidde naar hun eigen ondergang. De werkelijke tragedie vormde de andere kant van de medaille, het niet meer kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud. Die kant wordt door Karl Polanyi treffend omschreven: “Enclosures have appropriately been called a revolution of the rich against the poor.”1 Vele van deze nieuwe paupers moesten dus op zoek naar andere manieren om te overleven. De zogenaamde agrarische revolutie zorgde er zo voor dat deze paupers beschikbaar kwamen voor de eerste fabrieken en maakte zo de industriële revolutie mogelijk.

Ik heb hier voornamelijk de Engelse situatie beschreven, die is het best gedocumenteerd. In andere landen op latere tijdstippen gebeurde iets soortgelijks op verschillende manieren. In de Verenigde Staten eigende de overheid zich via Appropriation Acts de grond toe en gaf die vervolgens op verschillende manier in eigendom van particulieren. Een voorbeeld hiervan is de Oklahoma Land Rush van 1889. Toenmalig president Benjamin Harrison verklaarde op dat 22 april 1889 om twaalf uur ‘s middags het ‘niet toegewezen land’ zou worden geopend voor vestiging. Op dat moment klonk een kanonsschot en stoven mensen het land in om het te claimen. Voor stripliefhebbers, het Lucky Luke album De trek naar Oklahoma handelt over deze gebeurtenis.

Ook in Nederland, net als in de rest van Europa, werden gemeente gronden op een of andere manier particulier. In het ene deel van Nederland, het gebied tussen de rivieren, gebeurde dit eerder dan in de zandgronden. Bij het inpolderen van land gebeurde het meteen. Eerder of later, de gevolgen waren hetzelfde als in de VS, de inheemsen werden van hun land verdreven.

Door het wegvallen van die gemeenschappelijke gronden, viel de mogelijkheid om in hun eigen levensbehoeften te voorzien weg. Voor hen restte niets anders dan zich als ‘loonslaaf’ te verhuren. Eerst als zzp-er avant la lettre door naast het bebouwen van hun eigen kleine stukje land, te spinnen of weven voor een koopman. Met de industrialisering viel ook dit weg en restte niets anders dan hun stukje land te verkopen, naar de stad te trekken en zich aan te sluiten bij het proletariaat en loonarbeider worden. Loonarbeid werd eeuwenlang als onvrije arbeid gezien, als slavernij in een iets andere vorm. Andere tijd, ander land hetzelfde mechanisme. Enige verschil met de VS is dat hier de ‘inheemsen ’ werden verdreven door ‘inheemsen’. In de Verenigde Staten wordt nu dus grond teruggegeven. Trouwens niet alleen in de Verenigde Staten ook in Nederland wordt grond teruggegeven aan ‘inheemsen’ zoals Natuurmonumenten of het Limburgs Landschap om de natuur te versterken. Alleen het gebruiksrecht is veranderd naar recreatief.

Dat kun je toejuichen maar realiseer je dan dat hetzelfde mechanisme nog steeds werkzaam is. Ik vrees dat deze geschiedenis ‘institutioneel’ maar ook ‘niet-institutioneel’ is vergeten. Dat is jammer omdat ‘inheemsen’ nog steeds van ‘grond’ worden gejaagd. Dat die grond wordt ‘omheind’ met als doel om het tot een product te maken en de opbrengst ervan in de zakken van individuen te laten verdwijnen. ‘Inheemse’ maar vaak ook nog steeds ‘uitheemse’ individuen. Daar waar grote bedrijven die op fabrieksmatige wijze agrarische producten voor de wereldmarkt willen produceren, grote gebieden opkopen van de overheid en zo de kleine lokale boeren verdringen die deze grond vaak al generaties lang in gebruik hadden. Die rest dan niets anders dan naar de steden te trekken en daar proberen te overleven. Ook dit leidt tot een stijging van de productie en een toename van armoede en vaak ook honger. Want ook hier wordt met name voor de wereldmarkt geproduceerd en verkocht aan de best betalende en dat is meestal een buitenlandse partij. De laatste jaren wordt dit nog versterkt door het opkopen van gronden en bossen ter compensatie van koolstofdioxide uitstoot. Naomi Klein geeft een goede beschrijving van deze ontwikkeling in haar boek No Time, verander nu voor het klimaat alles verandert.2 En niet alleen om landbouw op te bedrijven, ook de grondstoffen in de bodem toe te eigenen of een mooie kuststrook toeristisch te vermarkten. Maar ook door het toe-eigenen van kennis over de geneeskrachtige eigenschappen van planten en deze te patenteren. De meest recente vormen van ‘enclosure’ betreft het vermarkten van onze gemeenschappelijke data en het gebruik van alles wat de mensheid heeft geproduceerd, wellicht ook deze Prikker, om algoritmen voor artificiële intelligentie te trainen. Dit zonder daarvoor een vergoeding te betalen maar er wel flink geld mee te verdienen. Nu heb ik er niets op tegen dat mensen mijn schrijfsels gebruiken om hun eigen brein of een algoritme te trainen. Ik heb er wel moeite mee dat zij vervolgens geld aan mij vragen voor het resultaat van hun werk.

Ik hoop dat deze Prikker bijdraagt aan het, al dan niet institutioneel, vergroten van de kennis van het ‘omheinen’ van gemeenschappelijk bezit. Want het teruggeven van 180 hectare grond aan de oorspronkelijke bewoners van dat stukje Californië is mooi. Voorkomen dat er over honderd jaar iets terug moet worden gegeven aan bijvoorbeeld inheemse Cambodjanen lijkt mij effectiever.

1Karl Polanyi, The Great Transformation. The Political and Economic Origins of Our Time, pagina 37

2 Naomi Klein, No Time. Verander nu, voor het klimaat alles verandert. Pagina 246 – 259

De tragedie en de klucht

The Tragedy of the Commons. Ik heb er al vaker over geschreven. De teloorgang van de gemeenschappelijke gronden, ook wel de meent. De boeren uit vroeger tijden die hun eigen land bewerkten en daarnaast gebruik mochten maken van weide, water en bos. Weide, water en bos dat aan de landheer toebehoorde. De boeren overleefden omdat ze gebruik konden maken van die meent.

Bron: Flickr

Volgens de munter van het begrip ‘tragedy of the commons’, Gareth Hardin, kwam hier een einde aan door boeren die hun eigen belang najoegen. Door meer schapen te laten weiden, put de weide langzaam uit, maar in het begin heb je een hogere opbrengst. Nu wil het dat het systeem van de meent eeuwen heeft bestaan zonder dat het instortte. En het is ook niet ingestort door ‘zelfzuchtige’ boeren die meer schapen namen. Het is ingestort door zelfzuchtige landheren. Landheren die het gewoonterecht onder de meent niet konden veranderen. Dat kon alleen een ‘hogere macht’ en dat werd de landsregering. In Engeland het parlement en dat nam wetten aan die het de landheer toestond om zijn bezit te omheinen zodat niemand het kon betreden. De landheren konden het land vervolgens gebruiken en er schapen op weiden of graan op telen. De arme boeren verloren zo hun levensonderhoud en dat kwam de landheer wel goed uit. Hij had immers werk en een deel van die boeren konden nu het land van de landheer bewerken. De overigen werden pauper en konden in de fabrieken gaan werken die in die tijd, eind achttiende eeuw, op begonnen te komen.

Maar wie denkt dat dit iets is uit de oude doos, vergist zich. Op de Belgische site MO een artikel over de hedendaagse tragedie van de gemene gronden. “In 2006 verloren bijvoorbeeld tweehonderd families de toegang tot hun land in het district Sre Ambel in Cambodja om plaats te maken voor een suikerplantage. In Liberia werden boeren geëvacueerd nadat de regering 350.000 hectare toewees aan de Maleisische multinational Sime Darby, wat tot onenigheid en conflict in de regio heeft geleid.” Nu zijn het niet de lokale landeigenaren, maar grote (multinationale) bedrijven. “Dit is een gevolg van een wereldwijd gebrek aan overheidsbeleid en de opkoopstrategie van bedrijven die de soms eeuwenoude aanspraak van gemeenschappen op bepaalde stukken land gewoon negeren.” En net als in de achttiende eeuw, leidt dit tot toenemende landbouwopbrengsten, toenemende armoede en een toenemende stroom van migranten.

Volgens MO is het: “essentieel de eigendomsrechten voor inheemse bevolkingsgroepen te waarborgen.” Hierbij wordt verwezen naar voorbeelden waarbij “het verwerven van land als eigendom heeft geleid tot meer duurzaam bos- en landbeheer en -gebruik. Zo bleken bijvoorbeeld kleine boeren in Ethiopië die land hadden kunnen verwerven, 60 procent vaker te investeren in de preventie van bodemerosie.” In Europa begonnen de problemen juist met de vestiging van ‘eigendomsrechten’, daarmee werd de markt en de kapitalistische productiewijze omarmd. Dat was het begin van de intensieve landbouw. L’Histoire se répète, zo zeggen de Fransen. En Marx vulde aan: eerst als tragedie en daarna als klucht…. 

ZZP’er avant la lettre

The Tragedy of the Commons, de tragedie van de gemeenschappelijke gronden of de meent en iets ruimer het gemeenschappelijke bezit. Een term gemunt door de Amerikaanse ecoloog Garrett Hardin. De grond, bijvoorbeeld een weide heeft een beperkte omvang en er kunnen dus slechts een beperkt aantal schapen op grazen. Overbegrazing zorgt ervoor dat de hele weide onbruikbaar wordt. Een schaap meer voor herder A betekent voor hem een hoger inkomen, dus zal herder A liever een schaap meer nemen. Voor het geheel betekent dit grotere kans op overbegrazing, dat risico ligt echter bij de hele groep. De rationele conclusie van herder A zal dus dat ene schaap meer te nemen. Dat gaat echter ook op voor alle andere herders en dus is overbeweiding onvermijdelijk. Zo is de redenatie van Hardin.

commonsIllustratie: www.themarysue.com

Hieraan moest ik denken toen ik het eerste, tweede en derde deel in de reeks columns van Frank Kalshoven in de Volkskrant las. Een reeks die handelt over een ander soort economie. In deel twee beschrijft hij in het kort de ‘Off the grid-economie’. Je koppelt je los van de bestaande economie en probeert zo zelfvoorzienend mogelijk te zijn. Dus je eigen energie/stroom opwekken, je eigen drinkwater regelen, je eigen afval verwerken en ook in je eigen voedsel voorzien. Hoe meer je dat lukt, hoe minder geld je nodig hebt en hoe minder je dus afhankelijk bent van de ‘reguliere’ economie.

Is er voldoende grond om iedereen zijn eigen voedsel te laten verbouwen? Want verliezen we dan niet het specialisme van de huidige landbouw? Een specialisme dat tot gigantische productiestijging heeft geleid. Zou dat te ondervangen zijn door bijvoorbeeld ‘Off the Grid’ dorpen? Dorpen waarin mensen samenwerken om gezamenlijk hun eigen voedsel te produceren? Een soort ‘collectieve boerderij’ of beter nog, een ‘collectief dorp’. Waar kennen we die ook al weer van? Alleen met dat verschil dat die, de kolchozen in de Sovjet Unie, van bovenaf werden verordonneerd. Zou dat een richting kunnen zijn om ‘Off the grid’ te leven? Zou dat geen schoolvoorbeeld van participatiesamenleving zijn?

Hoe nieuw is dat ‘Off the grid’ eigenlijk? Lijkt dat niet verdacht veel op de manier waarop het overgrote deel van onze voorouders eeuwenlang geleefd heeft? Een lapje grond met wat vee. Alles bij elkaar bijna genoeg om te overleven. De rest verkregen ze door de meent, de gezamenlijke gronden, wateren of bossen te gebruiken.

Maar ja, die gaan toch in de tragedie ten onder, volgens Hardin?  Inderdaad de meent ging in een tragedie ten onder waardoor velen in absolute armoede werden gestort en als dagloner moesten zien te overleven (de ZZP’er avant la lettre). Maar, kende de tragedie geen andere oorzaak dan die Hardin beschrijft? Ging de meent niet vooral ten onder omdat de landeigenaar er een hek omzette en de grond zelf in productie bracht? Omheining die mogelijk werd gemaakt omdat de opkomende parlementen (bevolkt door landeigenaren) dit mogelijk maakten. Betekende de onmogelijkheid om de grond nog gezamenlijk te gebruiken en dus het einde van de meent niet de poort naar armoede voor de oude ‘off the gridder’?

Het oude ‘Off the grid’ was geen keus maar een noodzakelijkheid. En geldt dat niet net zo voor ons huidige economische bestel? Dit bestel biedt heel veel keuze op triviaal niveau als het gaat over een pak wasmiddel, maar keuzemogelijkheid is er op het fundamentele niveau tussen “Off’ of “On the grid”? Is ons bestel niet erg eenzijdig ingericht en gericht op een leven ‘On the grid’? Is de keuze voor ‘Off the grid’ niet alleen mogelijk als je kiest voor een zeer sober bestaan als zwerver of als je voldoende kapitaal bezit? En hoe eerlijk is dat?

Wat zou er nu nodig zijn om mensen zelf te laten kiezen tussen “Off’ of “On the grid” zonder mensen tot dagloner te laten vervallen? Staat keuzevrijheid niet hoog in ons vaandel in onze westerse samenleving? Ja, maar dus niet op dit fundamentele niveau. Wij kunnen niet kiezen tussen vol blijven deelnemen aan de huidige tredmolens als ene uiterste en volledig individueel ‘Off the grid’ gaan als andere uiterste en alle varianten ertussen in. Daar is ons economische, sociale en maatschappelijke systeem niet op ingericht. Hoe groot is dan onze vrijheid om zelf te kiezen hoe we ons leven willen inrichten?

Zou een basisinkomen een nieuwe vorm van ‘meent’ kunnen zijn om ieder van ons die vrijheid te geven?