Sorry, …?

‘Zo komen we nooit verder.’ Dat dacht ik na het lezen van een interview met psychiater Glen Helberg in Trouw. “Met die excuses erkent Nederland het leed. Maar ik heb nog niet gehoord dat de excuses aangenomen zijn. Daar zijn we nog niet aan toe. Ik zeker niet.” Zo beantwoordt Helberg de vraag of na de excuses van de koning voor het slavernijverleden de heling is begonnen.

 Ja, wie moet die excuses ‘aannemen’? En wanneer kan die heling dan beginnen? Kan dat pas als de laatste betrokken persoon ze heeft aangenomen of kan er ook al eerder mee worden begonnen? Als we moeten wachten op de laatste betrokken persoon moeten wachten, dan komt er nooit een einde aan. Iedere dag worden er immers nieuwe ‘laatst betrokkenen’ geboren. Op deze manier wordt het een ‘neverending story’ of om er een andere metafoor tegenaan te gooien, een perpetuum mobile. Op deze manier blijven we in het verleden steken. Blijven we steken in een omgekeerd soort Stockholmsyndroom, het psychologisch verschijnsel dat soms optreedt tijdens een gijzeling. waarbij de gegijzelde, de machteloze sympathie voor de gijzelnemer, de machthebber. Omgekeerd omdat in de machthebber er nu alles aan lijkt te doen om de sympathie en goedkeuring van de machteloze te krijgen. Op die manier komen we nooit  toe aan het vervolg van de zin achter die spreekwoordelijke komma van premier Rutte.

Mochten we dan uiteindelijk uit die klem komen dan is er weer een ander iets uit het verleden dat vraagt om eerst bezinning, dan erkenning, dan excuses en als die er zijn dan moet die historische schade worden vergoed. Want volgens Helberg zijn: “excuses van de regering een wassen neus. “In de VN heeft de Derde Wereld gevraagd de schade die het Westen heeft aangericht, te vergoeden. Dat gaat om tientallen miljarden. De westerse landen, ook Nederland, hebben die resolutie verworpen, twee maanden voor de excuses werden uitgesproken. Nederland had hier een gidsland kunnen zijn, maar Rutte zegt: hier heb je 200 miljoen, doe het daar maar mee. Hij heeft een gebrek aan moreel besef.”

Als historicus juich ik aandacht voor het verleden toe. Historici die op basis van nieuwe bronnen een ander perspectief openen op het verleden, ik verwelkom ze met open armen en kritische blik. Ik vraag me af of de manier waarop er nu met slavernij en kolonialisme uit het verleden wordt omgegaan, constructief is? Of die manier ons verder helpt? Wat er ook aan ‘herstel’ wordt gedaan, het verleden verandert er niet door. De verre voorouder die als slaaf werkte op een plantage, verkrijgt er niet ineens de vrijheid door en de kapitein van een achttiende-eeuws slavenschip ziet er niet ineens het licht door. Wat ‘we’ nu ook doen, onze (verre) voorouders hebben er niets aan: ‘What’s done is done.’

Wie wel ‘iets’ met onze acties moeten, zijn onze kinderen en kleinkinderen. Zij moeten leven met de gevolgen van keuzes die wij nu maken. Net zoals wij moeten leven met de keuzes die onze voorouders hebben gemaakt. Zij zullen onze keuzes bestuderen en wegen. Sommige zullen zij als ‘verwerpelijk’ bestempelen en anderen toejuichen. Zij zullen ons beoordelen op ons handelen en de motivering ervan. Zij zullen kijken naar onze omgang met vluchtelingen, hoe we om zijn gegaan met de klimaatverandering en wellicht met zaken waarvan wij nu niet weten dat zij die dan belangrijk vinden. Hoe ze over ons zullen denken weten we nu niet. Ook niet hoe ze over ons zullen oordelen.

Ik hoop dat ze ons niet beoordelen door ons langs de maatstaven van ‘hun gelijk’ te leggen en zich klem zetten in zo’n ‘omgekeerd Stockholmsyndroom’ zoals nu rond slavernij gebeurt. Ik hoop dat ze zien dat wij worstelen met onderwerpen als migratie, klimaat maar ook nog steeds met arbeid. Ik hoop dat ze een productievere manier van omgang met het verleden zoeken dan pogingen om het verleden in het heden recht te zetten. Ik hoop dat ze op de lijn van Nelson Mandela zitten in zijn toespraak ter gelegenheid van de viering van 10 jaar democratie in Zuid-Afrika in 2004:  “Let us never be unmindful of the terrible past from which we come – using that memory not as a means to keep us shackled to the past in a negative manner, but rather as a joyous reminder of how far we have come and how much we have achieved.”

 Want ja, we kunnen schande spreken over het slavernijverleden van de wereld. We kunnen ons echter ook realiseren dat onze voorouders het besluit hebben genomen om slavernij af te schaffen. En ja, dat had veel eerder kunnen gebeuren. Daarbij is het goed om je te realiseren dat het ook niet had kunnen gebeuren.  Dan kan de VN wel vragen aan het westen om de schade die het heeft aangericht te vergoeden. Het was wel juist het westen dat het voortouw nam in de afschaffing van de slavernij. Het was niet in het Afrikaanse Ashanti rijk, het Chinese keizerrijk of het Arabische sultanaat Oman dat de barbaarsheid van het instituut slavernij ter discussie werd gesteld.

Wakanda

Bij De Kanttekening las ik een interview met Ritania Wirht. In het interview vertelt ze over haar leven in Nederland en Suriname en dat ze zich al op jonge leeftijd bewust was van racisme. “‘Vóór de slavenhandel was Afrika een ontwikkeld continent. De Egyptische piramiden zijn gebouwd door gekleurde mensen met kennis van wiskunde. De gaper bij de drogist is een Moor: zwarten legden de basis voor de geneeskunde. Maar dat weet bijna niemand!”  Aldus Wirht. Een bijzondere uitspraak om meerdere redenen.

Welke huidskleur de bouwers van de piramiden hadden, weet ik niet, ik was er niet bij en Wirht ook niet, maar bij het lezen ervan moest ik denken aan het boek The Lies that Bind. Rethinking Identity van Kwame Anthony Appiah. Appiah behandelt vijf thema’s die in het identiteitsdebat centraal staan: religie, land, huidskleur, klasse en cultuur. En om het kort samen te vatten, de tekst op de kaft: “Appiah laat zien hoe collectieve identiteiten die onze wereld vormgeven doorspekt zijn met tegenstrijdigheden.” Appiah betoogt dat identiteiten van welke soort dan ook, zich, altijd in een tweestrijd ontwikkelen en ik denk dat hij daarin gelijk heeft. Ik moest aan het laatste thema denken: cultuur.

Appiah behandelt cultuur in het zesde hoofdstuk en gaat opzoek naar de oorsprong van wat nu ‘het westen’ en de ‘westerse cultuur’ wordt genoemd. Volgens Appiah is dat iets van zeer recente datum: “Als de notie van het christendom een artefact was van een lange reeks militaire gevechten tegen de moslimmacht, dan kreeg ons moderne concept van de westerse cultuur zijn huidige vorm grotendeels aan het eind van de jaren veertig en vijftig, tijdens de Koude Oorlog. In het heetst van de strijd smeedden we een groots Plato-to-NATO-verhaal over de Atheense democratie, de Magna Carta, de Copernicaanse Revolutie enzovoort. De westerse cultuur was in de kern individualistisch, democratisch, vrijheidslievend, tolerant, progressief, rationeel en wetenschappelijk.[1]Dat verhaal van het westen ontstond in een tweestrijd met de Sovjet Unie. Die werd, beginnend met de val van de Berlijnse muur en eindigend met de implosie van de Sovjet Unie in 1992 beëindigd.

Dat artefact, die notie van het christendom, waar Appiah over schrijft duidt op een eerdere ‘identitaire tweestrijd’. In de periode na de opkomst van de islam stond de scheidslijn tussen de islam en het christendom centraal. Of zoals de islamieten het noemen, de Daral-Islam, het huis van de islam en de Dar al-Kufr, het huis van de ongelovigen. Aan het einde van de achttiende eeuw veranderde hier iets in. Wat er veranderde was dat het Ottomaanse rijk, de mogendheid die christenen als het gezicht van de islam zagen, begon af te brokkelen. Met dat afbrokkelen verdween ook die tweestrijd. Van iets zoals ‘het Westen’ was toen nog zeker geen sprake. Belangrijke landen die nu tot ‘het Westen’ worden gerekend, ontwikkelden in de negentiende eeuw juist hun eigen nationale identiteit in zo’n ‘identitaire competitie’ met elkaar. Een competitie die leidde tot de Napoleontische oorlogen, de Frans-Duitse oorlog en uiteindelijk tot de twee die we nu wereldoorlogen noemen.

Met de implosie van de Sovjet Unie verdween dus het contrapunt van de ‘westerse cultuur’.  Wat niet verdween was de ‘westerse cultuur’ als contrapunt van mogelijke andere groepen die hun eigen identiteit wilden ‘afbakenen’. Groepen zoals moslimextremisten maar ook ‘afrocentristen’. En die heb je in grofweg twee soorten. Aan de ene kant afrocentristen die claimen zat ‘de ‘Grieks-Romeinse cultuur’, waarop de ‘westerse cultuur’ zich beroept Afrikaanse wortels heeft. Appiah haalt Cheik Anta Diop aan als een van de vaders van dat denken, die: “hield vol dat de verworvenheden voortkwamen uit een meer geavanceerde Egyptische beschaving en dat de oude Egyptenaren zwart waren.” Een theorie met: “ bepaalde onhandige implicaties.” Immers: “Als het Westen is voortgekomen uit Griekenland, dat is voortgekomen uit Egypte, erven zwarte mensen dan niet de meer morele aansprakelijkheid van de erfenis van etnocentrisme?” Aan de andere kantafrocentristen die blij zijn om: “Griekenland te veroordelen, terwijl ze de beschavingsprestaties die typisch Afrikaans waren, ophemelden.[2] 

Je kunt de twee kanten natuurlijk ook combineren en dat is wat Wirht doet. Ze claimt de geneeskunde en bouwkunst voor een oude ontwikkelde zwarte Afrikaanse beschaving die de piramides bouwde en aan de wieg stond van de geneeskunde. Een soort antiek ‘Wakanda’ uit de Marvelfilm Black Panther. Slavernij daarentegen, hoorde daar niet bij want dat ‘ontwikkelde continent’, die ‘ontwikkelde beschaving’ was van voor de slavenhandel. Als Wirht met slavenhandel de Trans-Atlantische slavenhandel tussen pak weg 1500 en midden van de negentiende eeuw bedoelt, dan was die beschaving van voor die ‘slavenhandel’. Als ze bedoelt voordat er in slaven werd gehandeld, dan slaat ze de plank behoorlijk mis. Zo was er de Arabisch-Afrikaanse slavenhandel die begint in de negende eeuw en eindigde, met de kolonisatie van Afrika door Europese landen aan het einde van de negentiende eeuw. Vanaf de 17e eeuw was het eiland Zanzibar, dat viel onder het sultanaat Oman, hierin de belangrijkste schakel.  Ja, niet alleen Europeanen handelden in die tijd slaven en deden aan kolonies in die tijd.

Nu zijn de piramides ook van voor die tijd. De oudste piramides stammen uit de tijd van de eerste dynastie (3150 – 2639 BCE). In tegenstelling wat lange tijd werd gedacht, werden ze niet door slaven gebouwd. Dat betekent echter niet het oude Egypte geen slavernij kende. Die kenden ze zeker: “In het oude Egypte kwamen verschillende vormen van dwangarbeid voor. Egyptische dwangarbeiders werden met minimale middelen in hun levensonderhoud voorzien. Krijgsgevangenen van buiten Egypte werden ook aan gedwongen arbeid onderworpen. Daarnaast bestond er slavernij in het oude Egypte: mensen werden als het bezit van andere mensen verhuurd en verkocht.[3] Dus ook in de tijd dat de mensen die piramides bouwden leefden ook mensen in slavernij en konden slaven worden gekocht en verkocht en kon er dus in slaven worden gehandeld.

Dat antieke ‘Wakanda’ moet dan van voor die tijd zijn geweest. Helaas ontbreekt daarvoor elke vorm van bewijs. Nu is het ontbreken van bewijs, geen bewijs van het ontbreken van zo’n antieke ‘Wakanda’. Totdat er bewijs is dat de antiek versie heeft bestaan, is het net zo’n fantasie als de Marvelvariant. Of zou Wirht met die beschaving onze verre voorouder Homo sapiens bedoelen die zo’n 70.000 jaar geleden begon en die er uiteindelijk voor zorgde dat ‘ons soort mensen’ de hele planeet koloniseerde.


[1] Kwame Anthony Appiah, The Lies that Bind. Rethinking Identity, pagina 201. Eigen vertaling

[2] Idem , pagina 203

[3] https://www.rmo.nl/tentoonstellingen/web-exposities/werk-in-het-oude-egypte/

Wat als … ?

Wat als ik een andere studie had gekozen? Wat als ik … ? Iedereen zal zich wel eens zo’n vraag stellen en zich dan een beeld proberen te vormen van hoe het leven er dan uit zou hebben gezien. Vaak stel je je die vragen als er iets tegenzit. Dan had je wellicht iets anders gedaan waar je wel blij mee zou zijn. Wat je er dan vaak bij ‘vergeet’ te bedenken, is dat alles waar je wel tevreden over bent er wellicht ook niet was geweest. Dan had je die prachtige baan, maar wellicht al twee scheidingen achter de rug en hikte je tegen een derde aan. Wat als … ? Ik moest eraan denken bij het lezen van een  ingezonden brief van Bart Immerzeel in de Volkskrant waarin hij pleit voor een kernwapenvrije wereld.

De bom op Hiroshima: Bron: WikimediaCommons

Immerzool reageerde op een ingezonden brief van Chris Holman die stelde dat: “Als dit land (Oekraïne) zijn kernwapens in 1994 niet had teruggegeven aan Rusland, onder druk van Amerikaanse ‘veiligheidsgaranties’, zou deze verschrikkelijke oorlog waarschijnlijk niet hebben plaatsgevonden.” Immerzool reageerde hier op met: “Ongetwijfeld waar, maar als Rusland geen kernwapens had gehad, zou het net zo goed nooit hebben durven invallen. Met conventionele wapens alleen maakt Rusland geen schijn van kans tegen het Westen (waar Oekraïne zich in toenemende mate toe rekent). Dus van een wereldoorlog zoals in de jaren veertig zou geen sprake zijn. Waarschijnlijker is dat de VS Poetin al jaren daarvoor met een gewelddadige coup gewipt zouden hebben om een VS-­vriendelijke regering te installeren.” Wat als kernwapens niet waren uitgevonden?

Wat beiden hierbij doen, is uitgaan van de huidige omstandigheden. Om je een wereld zonder kernwapens voor te stellen, moet je echter terug naar het moment dat deze wapens op het toneel verschenen. We moeten dan terug naar de wereld van vóór 6 augustus 1945. Want op die dag werd voor het eerst een kernwapen ingezet. En beter nog, naar de wereld van vóór 19 juli 1945 want op die dag werd de eerste kernbom in de woestijn van Nevada tot ontploffing gebracht.

Laten we eens kijken hoe de wereld er toen bij lag. Europa lag grotendeels in puin na vijf jaar verwoestende oorlog. Nazi- Duitsland was verslagen nadat het Sovjet leger na een verwoestende en veel levens kostende slag de Duitse hoofdstad Berlijn hadden ingenomen. Nu het Duitse gevaar was geweken, richtte de aandacht van de Sovjets zich op Japan. De Sovjets waren begonnen met de verplaatsing van anderhalf miljoen soldaten naar het oosten. Hiermee kwamen de Sovjets de in november 1943 in Teheran gemaakte afspraak na dat ze de wapens tegen Japan op zouden pakken binnen drie maanden nadat Duitsland zou zijn verslagen. De plannen voorzagen erin dat de Sovjets de Japanners uit Mantsjoerije en het Koreaanse schiereiland zouden verdrijven en vervolgens de oorlog naar Japans grondgebied zouden verplaatsten: eerst de Koerilen en daarna Hokkaido, het in grootte tweede eiland van Japan.

De Amerikanen hadden net de slag om Okinawa achter de rug (1 april – 22 juni 1945). Een slag waarmee ze voet zetten op Japanse bodem en het eiland veroverden. Dat ging niet vanzelf. Aan geallieerde kant sneuvelden zo’n 12.500 soldaten, raakten er meer dan 36.000 gewond en verloor men veel materiaal. Aan Japanse kant waren de verliezen nog veel groter. Er sneuvelden zo’n 110.000 soldaten en dat waren er ongeveer evenveel als waarmee ze de slag begonnen. Daarnaast vielen er zeer veel burgerslachtoffers, afhankelijk van de bron tussen de 40.000 en 150.000. De Japanners vochten zich werkelijk dood en dan was Okinawa nog maar een klein eilandje. Hoe zou dat gaan als de oorlog de grote Japanse eilanden zou bereiken?

Dat is de wereld waarnaar we terug moeten gaan voor het speculeren over de vraag wat als er geen kernbommen waren uitgevonden? Ze ‘de wereld uit doen’ zoals Wil Verheggen in een artikel in dezelfde krant doet dat de aanleiding was voor Holmans brief, gaat niet. Met het vernietigen van alle huidige kernwapens, blijft de kennis om ze te maken er en dus de dreiging dat ze in ‘geval van nood’ gemaakt worden er. Die kennis ‘ont-uitvinden’ gaat niet.

Als we naar dat moment teruggaan, dan is het meest waarschijnlijke scenario dat de Sovjets Japan vanuit het noorden zouden innemen. Dat is waar ze op 9 augustus 1945 aan begonnen en die opmars werd beëindigd na de capitulatie van Japan. De Sovjets waren inmiddels de toen Japanse Koerilen-eilanden binnengevallen. De Amerikanen en hun westerse bondgenoten zouden hun allang ingezette aanval vanuit het zuiden voortzetten. Uiteindelijk zou Japan worden verslagen. Maar hoelang ‘uiteindelijk’ zou duren? Geen  idee.

Voor wat er daarna met Japan zou zijn gebeurd, hoef je geen helderziende te zijn. Het zou in bezettingszones worden verdeeld onder de geallieerden. De Russen in het noorden, de Amerikanen en westerse geallieerden in het zuiden en Tokyo, net als Berlijn en Wenen, in vier stukken. Dit is het makkelijkste deel van de ‘wat-als-voorspelling’ op andere punten ligt het veel moeilijker. Neem Nederlands Indië. Daar stond na de capitulatie van Japan nog geen geallieerde soldaat op welk eiland dan ook. Het lag niet op de geallieerde opmarsroute. Zonder atoombom zouden Hatta en Soekarno op 17 augustus geen Indonesische Republiek hebben uitgeroepen. Hoe het wel zou zijn gegaan?

Wellicht was Vladimir Poetin dan als kanonnenvoer gesneuveld in ‘een wereldoorlog zoals in de jaren veertig’ die dan in 1975 zou zijn uitgebroken. Dit nadat hij in de slag om New York in gevecht raakte met het peloton van luitenant Donald J. Trump. Die laatste sneuvelde nadat hij als lafaard, wegrennend van het gevecht, door zijn onder geschikte, sergeant Bruce Springsteen, werd neer geschoten. Een wereldoorlog die in 1984 eindigde door tussenkomst van de opkomende wereldmacht Brazilië als leider van de LAVO, de Latijns Amerikaanse Verdrags-Organisatie. Een organisatie bestaande uit alle Latijns-Amerikaanse landen met Brazilië als drijvende kracht.

Jeuk

Hoe zal ik deze prikker eens aanvliegen? Een goede vraag. Je wil iets duiden maar je weet niet precies hoe. De berichten over het komen en gaan en het nog niet weten of ze gaan of blijven en als het blijven is in welke hoedanigheid van politici. Van Rutte en Kaag weten we dat ze gaan. Henk Krol, de Heintje Davids van de politiek, wil terugkomen. Niet meer als vertegenwoordiger van de ouderen en ook niet voor de Partij voor de Toekomst waarvoor hij een in het recente verleden korte tijd actief was waarna hij het als een soort ‘Pim Fortuyn’ zonder succes met zijn eigen lijst probeerde. Nee dit keer heeft hij zich aangesloten bij (BVNL) Belang van Nederland van Van Haga, een van de afscheidingen van het FvD van Baudet.

Bron: Flickr

Als politicus moet je agile zijn. Het lijkt tegenwoordig meer om het pluche te gaan dan om de denkbeelden. Neem Dilan Yesilgöz, na actief te zijn geweest voor de SP, GroenLinks en de PvdA  wil ze nu de lijst van de VVD gaan trekken. Voor de aanhangers van de VVD is het te hopen dat ze aan de voorkant  alles goed hebben afgehecht. Voor je het weet springt ze, eenmaal gekozen als premier, over naar de Partij voor de Dieren en staat ze aan de lat voor het opdoeken van de intensieve veehouderij. Dat zou een bijzonder doorontwikkeling van haar politieke carrière zijn. Dat opdoeken is een stip aan de horizon waar een VVD-stemmende agrariër niet op zit te wachten. Zijn die er trouwens nog? VVD stemmende agrariërs? Of zijn die overgestapt naar de BBB? De grote uitvraag van 22 november aanstaande zal dat uitwijzen.

Over BBB gesproken. De leider van die club, Caroline van der Plas schijnt geen premier te willen worden. Wie het dan wel wordt als haar partij die functionaris mag leveren, is nog niet bekend. Ze is wel met mensen in gesprek. Voor haar volgers is het te hopen dat ze in dat bilaatje dan wel het goede gesprek voeren. Een ongeluk zit in een klein hoekje. Ja, bij de onboarding van mensen bij je partij kan het gigantisch fout gaan. De recente geschiedenis laat twee voorbeelden zien waar dat gigantisch fout ging. Als eerste de LPF. Na de moord op haar leider, restte een schip met mensen die allemaal dachten dat ze kapitein waren. Bij het tweede voorbeeld, het al genoemde FvD hadden de scheepslui helemaal gemist dat kapitein Baudet al ruim voor de verkiezingen behoorlijk was ontspoort. Die ontsporing culmineerde in houtkoolschets  waarin de uil van Minerva een hoofdrol speelde maar waar verder geen touw aan vast te knopen was.

Anderen, zoals Pieter Omtzigt weten nog niet wat ze gaan doen. In ieder geval niet terug naar het CDA en ook niet naar het CDA 2.0, de BBB van Caroline. In z’n eentje wordt het niets want in je uppie 47 zetels bemensen wordt lastig. Ja, velen zien hem als een heilige die de zo ongeveer de hele wereld, maar dan toch zeker de governance van Nederland gaat veranderen. Dan ligt de lat zo hoog dat organisch veranderen veel te traag gaat. Als heilige van vandaag ben je dan al snel de schlemiel van morgen. Een waarheid als een koe die ik er wel even inschiet. Om dat te voorspellen hoef je geen glazen bol te hebben. Zo’n verandering is, om een rugbyterm te gebruiken, een scrum. Niet iedereen zal aan jouw kant staan te duwen. Daarbij kan consultatie  helpen. Maar dan moet je wel duidelijk aangeven wat je doet met wat je ophaalt. Dus op welke trede van de participatieladder je staat. Dat kan je verder brengen maar dat veder kan ook  verder van huis zijn.

En dan is er nog BIJ1. Simons nam afscheid. Er was iets met een toxische sfeer in de partij en aantijgingen waar ze zich wel kan maar niet steeds tegen wil verdedigen. Wie haar opvolger wordt is nog niet bekend. Wie wil er voor die partij aan de lat staan? Een goede vraag. Een integrale blik is voor deze partij pas integraal als die ook intersectioneel is. Dan kom je er niet met wat flankerend beleid. Dan moet je permanent aan staan. Dan kun je nog zo goed je best doen en alles willen verbinden maar voor je het weet meldt zich iemand die nog meer kruispunten van achterstelling aantikt en dan sta je in je hemd of zelfs in je blootje. Al probeer je nog zo goed om maatwerk te leveren.

Daarmee kom ik aan het einde van deze prikker. Ik ben ‘geland’ en het is mij gelukt. Het is gelukt om vierentwintig van de vijfentwintig ambtelijk jargonjeukwoorden op te nemen in een prikker. Alleen met het meest jeukende lukte het niet. Een prikker schrijven rond vijfentwintig voorgeselecteerde woorden is dan ook geen dagdagelijkse activiteit. Oh, het is toch gelukt dat meest jeukende woord ook nog te gebruiken.   

Zorg door de staat

Het voordeel van het verleden is dat het er niet meer is en hoe verder het weg is, hoe minder mensen er, om premier Rutte aan te halen, er nog ‘actieve’ herinneringen aan hebben en ook geen ‘passieve’ herinneringen meer. En hoe langer het geleden is, hoe minder bronnen er zijn om je een beeld te vormen van het leven. Zo moeten we het voor wat betreft het grootste deel van de geschiedenis van de mensheid en zelfs de geschiedenis van ‘ons soort mensen’ de Homo sapiens, doen met wat botresten, geconserveerde gereedschappen en af en toe een rotsschildering. Met dit als basis proberen archeologen en historici een beeld te schetsen van het toenmalige leven. Ik moest hieraan denken bij het lezen van het artikel Verbeter de wereld, verander hoe je woont, zorgt en liefhebt (dit boek leert je hoe dat kan) van Lynn Berger bij De Correspondent.

Begijnen. Foto: Wikipedia

Het ontbreken van herinneringen, actief en passief, weinig of geen geschreven bronnen en een danig gebrek aan kennis van het verleden bij het grote publiek, maken het mogelijk om met veel aplomb zaken over het verleden te beweren en ermee weg te komen. Nou, dat laatste in het geval van Berger niet helemaal, of helemaal niet.

Berger schrijft haar artikel als een combinatie van een betoog en een boekbespreking. Een boekbespreking van het boek Alledaags UtopiaWat tweeduizend jaar experimenteren ons kan leren over het goede leven van Kristen R. Ghodsee. Het boek staat, zo schrijft Berger: “vol met mensen die ergens in de afgelopen 2.500 jaar hebben nagedacht over samenlevingen waarin gelijkheid, samenwerking, collectief bezit en een gedeelde verantwoordelijkheid voor de volgende generatie centraal stonden. Om vervolgens hun eigen levens en die van anderen in te richten volgens die ideeën.” Mensen die: “het besef dat de inrichting van ons alledaagse leven innig is verbonden met de inrichting van de maatschappij – en dus met grote maatschappelijke problemen als klimaatverandering en ongelijkheid,” met elkaar gemeen hebben.

Dan maakt het betoog de stap van boekbespreking naar pleidooi: “Ga maar na: doordat in onze samenleving het kerngezin geldt als dé plek waar kinderen worden grootgebracht, ervaren ouders een enorme druk, verwachten partners veel te veel van elkaar, en zijn veel vrouwen niet financieel zelfstandig. Binnen het kerngezin zijn kinderen bovendien overgeleverd aan de grillen van ouders die ze niet hebben uitgekozen. En omdat de kinderen van rijke ouders veel meer kansen krijgen dan die van minderbedeelde ouders, neemt de sociale ongelijkheid eerder toe dan af.”  Daarom: “Wil je de wereld veranderen, dan zul je ook het instituut aan de basis van die wereld moeten veranderen. Namelijk: het kerngezin. Dat kan, want hoewel de manier waarop we nu samenleven, zorgen, wonen en met onze spullen omgaan vanzelfsprekend en onveranderlijk lijkt, is ze dat niet.”

Dus afschaffen dat kerngezin? Nee, dat niet: “Als praktisch utopist wil Ghodsee haar lezers meekrijgen, en dus kiest zij voor een andere term: ‘verruiming’. Ze wil het begrip ‘gezin’ oprekken en uitbreiden, zodat mensen zelf kunnen kiezen hoe en met wie ze kinderen willen grootbrengen, zodat zorgtaken beter worden verdeeld en zodat mensen vrijer, gelijker en gelukkiger kunnen zijn dan ze nu zijn.”  De tip van Berger: “Zit je in een monogame relatie? Zorg dan dat je tijd doorbrengt met je vrienden en dat je partner dat ook doet. Ga niet mee in het evangelie van privébezit maar deel je grasmaaier en je auto met je buren. Laat je kinderen tijd doorbrengen met grootouders, ooms, tantes en vrienden. Breng tijd door met de kinderen van anderen. Zo klein kan het beginnen.” Nu is er niets mis met het delen van grasmaaiers en auto’s. Al is dat voor wat betreft die laatste vaak lastig omdat we die vaak allemaal zo ongeveer op hetzelfde moment nodig hebben.

Er is ook niets mis met historische voorbeelden als perspectief bij hedendaagse keuzes. Zo droomde Plato inderdaad: “ hardop over een republiek waarin kinderen niet in gezinnen werden grootgebracht maar in groepsverband, door speciaal opgeleide verpleegsters.” Als je de huidige praktijk met en de roep om uitbreiding en het ‘gratis maken’ van de kinderopvang kijkt, dan is dat een aardige stap in de richting. Bij het gebruiken van dit voorbeeld is het dan ook weer goed om te vermelden dat in Plato’s ideale republiek de zaken nog een paar stappen verder gaan. In die republiek was voortplanting aan verantwoordelijkheid van de staat. Die moest hiertoe een soort ‘fokprogramma’ opzetten van wie het met wie moest doen. Geen enkel kind zou zijn of haar biologische ouders mogen kennen en omgekeerd.  Dat gaat een stap verder dan het  “groeiend aantal samengestelde gezinnen en queer-gezinnen (dat intussen)(…) vrolijk (laat) zien dat een zorgrelatie prima kan worden ‘ontkoppeld’ van een bloedband.” Het wedervaren van de geadopteerde kinderen uit Sri Lanka laat zien dat een gebrek aan kennis van die bloedband tot problemen kan leiden.

En inderdaad leefden Middeleeuwse begijnen: “niet in gezinnen of kloosters, maar betrokken gezamenlijk begijnhoven in de stad.” En maakte: “Kerk noch echtgenoot (…) de dienst uit, en (…) genoten deze alleenstaande vrouwen (daardoor) relatief veel vrijheid en autonomie.  Nageslacht leverde dit echter niet op. Een samenleving met alleen maar begijnen zal snel uitsterven.

“Pas met de opkomst van het kapitalisme werd het kerngezin de norm: wanneer de staat niet hoeft te betalen voor de zorg voor kinderen (en zieken en ouderen), kunnen de belastingen laag blijven.” En die norm, dat kerngezin, zorgt, zo betoogt Berger, voor problemen: “Ga maar na: doordat in onze samenleving het kerngezin geldt als dé plek waar kinderen worden grootgebracht, ervaren ouders een enorme druk, verwachten partners veel te veel van elkaar, en zijn veel vrouwen niet financieel zelfstandig.” Na dit te hebben gelezen moest ik even slikken en verslikte me bijna.

Slikken omdat overheidszorg voor kinderen en ouderen iets van zeer recente datum is. Die begon in 1873 met Van Houtens Kinderwetje. De ouderen moesten nog tot na WO II op Drees’ Noodwet wachten op ‘staatszorg’ in de vorm van inkomen. Op een door de overheid betaalde poetshulp, zoals nu onder de Wet maatschappelijke ondersteuning, moesten de ouderen nog veel langer wachten. Staatsondersteuning bij zorg en opvoeding is pas van zeer recente datum en niet iedere staat nam die verantwoordelijkheid en nam die op eenzelfde manier. Daarvoor berustte die ‘zorg’ bij de familie en de gemeenschap waarin men leefde. De Romeinen kenden geen ouderenzorg en in de Republiek noch in het absolute Franse koninkrijk noch in het Chinese keizerrijk bemoeide de staat zich met de zorg voor kinderen. Een heel bijzondere redenering van Berger. 

Verslikken omdat Berger betoogt dat het kerngezin voor die enorme druk zorgt die ouders ervaren, dat ze veel van elkaar verwachten en voor druk om financieel zelfstandig te zijn. Dat kerngezin is al veel ouder dan het streven naar ieders ‘financiële onafhankelijkheid’. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de ‘enorme druk’ van recente datum is en juist wordt veroorzaakt door dat streven naar ‘financiële zelfstandigheid’ en de manier waarop die wordt nagestreefd, allebei een full time baan met twee kinderen die het aan niets mag ontbreken. Door dat streven ontbreekt de tijd om: “je kinderen tijd (te laten) doorbrengen met grootouders, ooms, tantes en vrienden,” omdat die geen tijd ervoor hebben omdat ze moeten werken en ontbreekt het jou om dezelfde reden aan : “tijd door (te brengen) met de kinderen van anderen.” 

Niet-links links

In mijn vorige prikker besteedde ik al aandacht aan het boek Left Is Not Woke van de filosoof Susan Neiman. Ik moest aan haar boek denken bij het lezen van een artikel van Chris Keulemans bij OneWorld. Ik moest eraan denken bij het lezen van de volgende passage: “Een heel onschuldig voorbeeld: betreedt een witte cis hetero een zaaltje vol mensen van kleur die klaar zitten voor een discussie, dan vraagt de nieuwe code dat hij een plek achterin kiest, niet direct zijn hand opsteekt als het tijd is voor vragen uit het publiek en komt hij toch aan het woord, dat hij dan geen als vraag vermomde oratie houdt.”

“Ik heb in mijn leven veel witte gezichtsbepalers in de wereld van kunst en media leren kennen, van wie ik velen min of meer als gelijkgezinden beschouwde. Maar ik zie er steeds meer de rechterkant op glibberen.” Zo begint Keulemans zijn betoog. Hij licht die ‘ruk naar rechts’ toe aan de hand van enkele voorbeelden: “De wethouder had er opnieuw op gehamerd dat de culturele sector een betere afspiegeling van de stad moest worden, in programma, publiek en organisatie. De respons: sikkeneurig. Al dat gehamer. Bij voorbaat vermoeid over hoe ze deze politieke agenda nu weer in hun subsidieaanvragen moeten verwerken.” Verzuchtend vraagt hij zich af: “Was het dan al die tijd zo’n dun laagje, hun linksheid, meer gewoonte dan overtuiging? Links is altijd, in welke vorm dan ook, gebaseerd op solidariteit.”

‘Woke’: “Wakker blijven van onrecht, op je hoede zijn voor tekenen van discriminatie – wat kan daar mis mee zijn?[1] vraagt Neiman zich af. Niets, zo is ook haar antwoord. De bedoeling is goed. Maar zoals het spreekwoord zegt is de weg naar de hel geplaveid met goede bedoelingen. Keulemans’ artikel laat precies zien hoe die goede bedoelingen plaveisel voor de weg naar de hel worden.

Volgens Neiman, en daarin kan ik haar goed volgen, is dit een gevolg van het intersectionele denken. Neiman: “Het idee van intersectionaliteit zou de manier waarop we allemaal meer dan één identiteit hebben, kunnen hebben versterkt. In plaats daarvan concentreert het zich op die delen van de identiteit die het meest gemarginaliseerd zijn, en vermenigvuldigt ze in een woud van trauma’s.”  Dit leidt ertoe dat: “Het de nadruk legt op de manieren waarop bepaalde groepen gerechtvaardigd zijn en probeert de schade te herstellen. Met de focus op ongelijkheden van macht wordt het begrip rechtvaardigheid vaak buiten beschouwing gelaten.[2]Een goed voorbeeld hiervan geeft de Amsterdamse fractie van de partij BIJ1. Een partij die helemaal is gebaseerd op het intersectionele denken. De raadsleden zijn uit de partij gestapt want de partij is: “een “toxische, structureel onveilige omgeving” (…), vol wantrouwen, machtsmisbruik en “gebrek aan transparantie en interne democratie,” aldus de opstappende raadsleden. Niet vreemd voor een partij die een ideologie van macht, want dat is het intersectionele denken, als basis heeft en dan vooral de macht van de meest achtergestelde wil verbeteren. Dan ontstaat er een strijd om de hoogste treden van, zoals ik het in een eerdere prikker heb genoemd, de ellende-ladder. Iedereen wil de meest ellendige zijn omdat die de macht krijgt.

Keulemans is een perfect voorbeeld van iemand die ‘links’ verwart met wat Neiman ‘woke’ noemt. Neiman: “Wat mij hier het meest bezighoudt, zijn de manieren waarop hedendaagse stemmen die als links worden beschouwd, de filosofische ideeën hebben verlaten die centraal staan in elk links standpunt: een toewijding aan universalisme boven tribalisme, een stevige scheiding tussen rechtvaardigheid en macht en een geloof in de mogelijkheid van vooruitgang.[3] Links ónderscheid zich met het idee van universalisme, internationale solidariteit: “Dit was precies wat het onderscheidde van rechts, dat geen diepe connecties en weinig  echte verplichtingen toekende aan iedereen buiten zijn eigen kring.[4]” Keulemans lijkt zich het universalisme van links nog wel te herinneren: “Links is altijd, in welke vorm dan ook, gebaseerd op solidariteit. Daar heb je massa voor nodig. En die ontstaat alleen maar als er onder die solidariteit genoeg eigenbelang zit – een zichtbaar en makkelijk uit te leggen voordeel voor iedereen die zich solidair verklaart.”  Alleen vult hij het op een zeer bijzondere manier in.

En daarmee kom ik bij de ‘witte cis hetero’. Een intersectionele beoordeling van iemand op basis van twee dimensies. Neiman: “Het tegenovergestelde van universalisme wordt vaak ‘identitarisme’ genoemd, maar het woord is misleidend, want het is zo dat onze identiteit hooguit tot twee dimensies kan worden gereduceerd. In feite hebben we er allemaal velen, waarvan het belang gedurende hun hele leven in ruimte en tijd zal variëren.[5]”  Waarom mag een ‘witte cis hetero’ niet vooraan in de zaal zitten of op welke plaatst die er nog vrij is waar de persoon maar wil? Waarom mag deze persoon niet meteen zijn hand opsteken en het verhaal in een monoloog verpakken? Waarom mag deze persoon dat niet en mogen de ‘mensen van kleur’ dat wel? Hoe verhoudt zich dit tot het universalisme dat zo eigen is aan links? Dit is tribalisme dat Neiman omschrijft als: “een beschrijving van afbraak van een samenleving die optreedt wanneer mensen, van de welke aard dan ook, het fundamentele menselijke verschil zien als dat tussen onze soort en alle anderen.[6] Keulemans kiest het tribale boven het universele.

Neiman herleidt het intersectionele machtsdenken naar twee twintigste-eeuwse ‘machtsdenkers’.  Op het denken van de Franse filosoof Michel Foucault. Bij Foucault draait alles om macht zelfs rechtvaardigheid. Of zoals hij het zelf zei: “Als rechtvaardigheid in een strijd op het spel staat, dan is het een machtsinstrument. Het is niet in de hoop dat mensen op een dag, in deze of een andere samenleving, beloond zullen worden op basis van hun verdiensten, of gestraft zullen worden op basis van hun fouten.[7] Foucault zag rechtvaardigheid daarmee als een middel terwijl ‘links’ het als een doel ziet. Links koestert juist wel de hoop dat die samenleving er op een dag ergens is. Links gelooft in vooruitgang waarin Foucault niet gelooft. En geloof in vooruitgang betekent niet dat die er vanzelf komt. Nee daarvoor moet hard worden gewerkt en daarvoor is waakzaamheid nodig. Waakzaamheid omdat rendementen van vroeger die we vandaag koesteren als we niet waakzaam zijn, morgen verloren kunnen zijn. De tweede machtsdenker waarop het intersectionele denken teruggrijpt is de Duitse politiek filosoof en rechtsgeleerde Carl Schmidt. Het ‘vriend versus vijand’ schema staat centraal in het denken van Schmitt: “ Oorlog en politiek zijn een kwestie van de meest extreme en intense tegenstellingen… De begrippen vriend, vijand en strijd krijgen hun werkelijke betekenis voor zover ze betrekking hebben op en de reële mogelijkheid van politieke vernietiging in stand houden.[8] En de ‘vriendenkant’ van Schmitt was Nazi-Duitsland. Wat beide denkers interessant en aantrekkelijk maat: “voor progressieve denkers van vandaag is hun gedeelde vijandigheid tegenover het liberalisme en hun inzet om liberale hypocrisie te ontmaskeren.” En ‘liberale hypocrisie’is er voldoende te vinden.

Keulemans lardeert zijn artikel met voorbeelden van mensen die: “een stompzinnig grapje (…) maken (‘Ze heeft zo’n ingewikkelde Turkse naam, dus ik noem haar gewoon Turkie’).” Zaken die niet goed te praten zijn. Dat laat onverlet dat er inderdaad wordt weg geglibberd. De mensen met die grapjes glibberen weg van fatsoen. Keulemans glibbert samen met ‘woke’weg van links naar … naar ‘niet-links links’.


[1] Susan Neiman, Left Is Not Woke, pagina 4. Eigen vertaling.

[2] Idem, pagina 5. Eigen vertaling

[3] Idem, pagina 2. Eigen vertaling

[4] Idem, pagina 11. Eigen vertaling

[5] Idem, pagina 12. Eigen vertaling

[6] Idem, pagina 20. Eigen vertaling

[7] Geciteerd bij Susan Neiman, Left Is Not Woke, pagina 65. Eigen vertaling.

[8] Idem, pagina 73

Irritatie

“Wat zou het toch fijn zijn als, zodra het over dit thema gaat, mensen éven bewust hun irritatieknop zouden uitzetten. Wat zou het fijn zijn als zij niet onmiddellijk in verweer zouden komen, maar zouden luisteren en lezen.” Want: “Vergeleken met de winsten die de Nederlandse Staat uit de slavernij heeft gehaald, is die 200 miljoen euro voor het bewustwordingsfonds nog een schijntje. Dat zullen toekomstige onderzoeken nog meeren duidelijker aantonen.” Aldus Marisa Monsanto in een opiniërend artikel in de Volkskrant. Nu vraag ik me af of ik ook tot degenen behoor die de irritatieknop uit moeten zetten.

Eigen foto

Waarom ik me dat afvraag? “Er wordt gepleit voor herstelbetalingen voor het aangedane leed van de slavernij en slavenhandel en hup: daar zijn de verongelijkte reacties. Wat te denken van de kinderarbeid en andere vreselijke arbeidsomstandigheden in de negentiende eeuw, zoals de uitgebuite Drentse veenarbeiders, Groningse landarbeiders en fabrieks- en havenarbeiders. Laten wij er nog de Limburgse mijnwerkers, de Scheveningse vissers en de aardappelrooiers van Van Gogh aan toevoegen.” Monsanto schrijft dit naar aanleiding van reactie op een eerder, in haar woorden genuanceerd, opiniestuk van Peter M. Wolff dat centraal stond in mijn vorige prikker. Nu kwam mijn ‘irritatie’ niet voort uit Wolffs pleidooi voor ‘herstelbetalingen’ maar uit zijn bijzondere versie van de geschiedenis van Nederland.

Nee ik ga mijn vorige prikker niet herhalen. Sterker nog als ik niet juist een interessant boek had gelezen dan had ik Monsanto’s bijdrage waarschijnlijk gewoon laten passeren. Een boek van de filosoof Susan Neiman met als titel Left Is Not Woke.  En ik schrijf bewust filosoof en niet filosofe omdat dit Neimans keus is: “Als autochtone Engelse spreker verafschuw ik het huidige Duitse voorstel dat door een regeringsdecreet wordt ondersteund, dat iedereen die zich verzet tegen woorden als ‘burgers en burgeressen’ onverbeterlijk seksistisch is. (schrijvers en schrijveressen. Bakkers en bakkeressen. Ad infinitum). Mijn eigen taalkundige intuïties vallen de andere kant op: als beroepen genderneutraal zijn, laat het afdwingen van iemands beroep een seksistische noot achter.[1]

Neiman over woke: “wakker blijven voor onrecht, op zoek zijn naar tekenen van discriminatie- wat kan daar verkeerd aan zijn?[2] Daar is niets mis mee  maar wel de kant waarop het is gegaan: “Het begint met de zorg voor gemarginaliseerde personen en eindigt met het reduceren van elk tot het prisma van haar marginalisatie. Het idee van intersectionaliteit zou de nadruk hebben gelegd op de manier waarop we allemaal meer dan één identiteit hebben. In plaats daarvan leidde het de focus op die delen van identiteiten die het meest gemarginaliseerd zijn, en vermenigvuldigt ze tot een woud van trauma’s.”  Dit leidt er toe dat Woke: “benadrukt de manieren waarop bepaalde groepen geen recht hebben gekregen en probeert de schade te herstellen en te herstellen. In de focus op ongelijkwaardigheid van macht wordt het concept van rechtvaardigheid vaak aan de kant gelaten.” En voor deze prikker belangrijker, woke: “eist dat naties en volkeren hun criminele geschiedenis onder ogen zien. Daarbij komt vaak tot de conclusie dat de hele geschiedenis crimineel is.[3]

De hele geschiedenis en dan vooral de hele Westerse geschiedenis. Als die hele geschiedenis crimineel is, dan kan er ook geen sprake zijn van vooruitgang. Dit terwijl vooral de geschiedenis van het Westen vooruitgang laat zien. En nee, dat maakt niet dat alles in het westen goed is. Dat iemand met een donkere huidskleur vaker uit de rij wordt gepikt bij het vliegveld of staande wordt gehouden door de politie is niet goed te praten. Het is echter een hele vooruitgang in vergelijking met de situatie van voor de afschaffing van de slavernij.

Dat de slavernij überhaupt bijna wereldwijd is afgeschaft is überhaupt een gevolg van westerse vooruitgang. Het is een gevolg van wat we nu de Verlichting noemen. Denken dat de bestaande, toen als goddelijk en dus onveranderbare orde, ter discussie begonnen te stellen. Die ‘orde’ was die van de zondeval, de verleiding van Eva door de slang waardoor ze van  appels van de boom plukte en die samen met Adam opat.  Voor de protestantse christenen is die zonde zo groot en de macht van god zo enorm: dat Hij ieder van ons tot de eeuwige verdoemenis kan veroordelen voordat we iets hebben gedaan om te suggereren dat we het verdienen.”  Voor de katholieke konden hieraan ontsnappen via boetedoening: “Maar of verlossing uiteindelijk mogelijk was of niet, kon alleen van de hand van God komen.[4] Een wereld waarin menselijk handelen er niet toe deed. Dit ter discussie stellen betekende dat je inging tegen de door god gegeven orden. Twijfelen aan orde en zeker aan de almacht van god was voldoende om na een flinke foltering op de brandstapel te belanden. Dat kunnen we ons tegenwoordig met het in de Grondwet verankerde recht op vrije meningsuiting en godsdienstkeuze niet meer voorstellen, maar dat waren wel de omstandigheden waarmee de Verlichte denkers te maken hadden en waarbinnen ze moesten opereren. We kunnen hen met de onze huidige normen en waarden beoordelen en dan vinden we voldoende zaken om hen te beoordelen.

Of zoals Neiman het schrijft: “Misschien ligt het probleem met het herkennen van vooruitgang in het concept van vooruitgang zelf. Per definitie vooruitgang is niet wat we hebben. Het is niet iets dat al is bereikt, maar iets dat in de toekomst moet worden bereikt – liefst morgenochtend. Het is moeilijk om de prestaties van de vorige generatie als vooruitgang te erkennen, juist omdat de vorige generatie ernaar streefde om die prestaties er net zo normaal uit te laten zien als ze altijd hadden moeten zijn.[5] met deze passage beschrijft Neiman precies waar mijn frustratie bij artikelen als die van Wolff en Monsanto. De impliciete verwijten aan voorouders. Impliciete verwijten die verpakt liggen in vragen als: ‘waarom duurde het zolang voordat Nederland slavernij verbood? Én ‘waarom was het verzet tegen slavernij niet veel massaler?’ Het verwijt aan de huidige generatie waarom die niet massaal de beurs trekt om alle onrecht uit het verleden te compenseren.

Ja slavernij was verschrikkelijk maar dat slavernijverleden moet niet de reden zijn dat er nu iets specifiek voor een bepaalde groep, in dit geval nazaten van slaven, moet gebeuren. Rechtvaardigheid verlangt van ons dat we mensen die nu leven rechtvaardig behandelen. Als daarbij iets niet goed gaat en dan moeten we daar iets aan doen. Een slavernijmonument of -museum of herstelbetaling helpt een kind dat wordt onder geadviseerd niet vooruit. Het helpt niemand aan een stage, behalve dan misschien een enkeling die stage kan lopen bij dat museum. Niet de nazaten van slaven maar ook niet anderen die te maken hebben met onder advisering  en moeite hebben met het vinden van een stageplek. Dat wil niet zeggen dat een slavernijmuseum of -monument een verkeerd idee is. Het is geen oplossing voor onze huidige problemen met rechtvaardigheid.


[1] Susan Neiman, Left Is Not Woke, pagina 139. Eigen vertaling.

[2] Idem, pagina 4. Eigen vertaling

[3] Idem, pagina 5. Eigen vertaling

[4] Idem, pagina 104. Eigen vertaling.

[5] Idem, pagina 124. Eigen vertaling

Herstelbetalingen

Het eerste wat ik dacht na het lezen het artikel  in de Volkskrant van econoom en beleggingsexpert, Peter M. Wolff was: ‘hopelijk heeft hij meer verstand van beleggen.’ Zijn kennis van de geschiedenis laat te wensen over. Wellicht een gevolg van, zoals hij het zelf schrijft: “het feit dat er slechts summier over deze periode is onderwezen in Nederland.” De periode waarop Wolff doelt is de periode van de trans-Atlantische slavenhandel. In zijn artikel pleit Wolff voor herstelbetaling. Niet in de vorm van een persoonlijke uitkering maar een ontwikkelingsfonds om: “de ontwikkeling, opbouw en heling van en in Suriname en het Caribische deel van het koninkrijk te initiëren,” en om te investeren: “ in het onderwijs in Suriname, in Caribisch Nederland en in Nederland, om het slavernijverleden nou eindelijk de plek te geven die het verdient.”

Volgens Wolff ligt het aan: “het gebrek aan onderwijs en kennisdeling over de echte geschiedenis van Nederland” dat er “binnen de autochtone Nederlandse gemeenschap …  aversie en onbegrip bestaat over het excuus en het slavernijverleden.” Aan welke negatieve gevolgen we dan moeten denken: “Denk hierbij aan hedendaags institutioneel racisme, dat soms moeilijk te bewijzen is. De ‘black tax’ waarbij iemand met een kleurtje twee keer harder zijn best moet doen om hetzelfde te bereiken als een autochtone Nederlander. Denk hierbij aan de kwetsende invloed en polarisatie die de sinterklaasviering met Zwarte Pieten, jaarlijks veroorzaakt binnen de Nederlandse gemeenschap. Denk hierbij aan eerdere voorbeelden van etnische profilering door de politie, de inzet van het omstreden controlesysteem Syri door gemeenten en de toeslagenaffaire bij de Belastingdienst.” Dat algoritmes die aan de basis liggen van Syri, politie acties en de toeslagenaffaire verkeerd uitwerken en hoe dat kan, daar heb ik al eerder over geschreven. Dit koppelen aan het slavernijverleden is, om Wolff te citeren: “moeilijk te bewijzen.” Bewijzen is tegenwoordig echter van minder belang. Het zeggen is al voldoende om het veel mensen uiteindelijk te laten geloven. Maar hier gaat het mij nu niet om.

Het gaat mij om de geringe kennis van de geschiedenis die Wolff de ‘autochtone Nederlander’ verwijt. Door dat gebrek aan onderwijs weet die ‘autochtone Nederlander, zo betoogt Wolff,  niet dat hij: “de eeuwenlange opbrengsten van de slavernij, ook zijn geherinvesteerd in aandelen, vastgoed, infrastructuur en allerlei andere sectoren in Nederland. Al deze financiële injecties hebben ervoor gezorgd dat Nederland zich zo uitmuntend heeft kunnen ontwikkelen tot wat het vandaag is.” Want: “Een niet te verwaarlozen deel ervan is afkomstig van de offers die met het bloed, zweet en tranen van de tot slaaf gemaakten is opgebracht. Die hebben al die eeuwen nooit salaris, overwerktoelagen, vakantiegelden, pensioen- of ziekengeld uitgekeerd gekregen. Deze tegoeden zijn aantoonbaar succesvol geherinvesteerd in de Nederlandse samenleving. Zo hebben het koningshuis, De Nederlandsche Bank en andere grootbanken hun opbrengsten uit de slavernij in de Nederlandse maatschappij gestoken. Deze tegoeden vormen heden ten dage nog steeds de basis van het rijke Nederland van vandaag, waar wij allemaal gebruik van maken in de vorm van sociale zekerheden die hieruit voortvloeien.”

Nu even voor Wolff. In dezelfde periode dat de slaven geen: “salaris, overwerktoelagen, vakantiegelden, pensioen- of ziekengeld uitgekeerd,” kregen de Nederlandse arbeiders dat ook niet. Tenminste, op salaris na. Dat kregen ze maar daar werkten ze, man, vrouw en kinderen, een uur of zestien per dag, kinderen als ze een jaar of zes waren tussen de twaalf en veertien voor. In al die uren kregen ze net voldoende bijeen om het hoofd boven water te houden. Hadden ze een dag geen werk of waren ze ziek, dan hadden ze geen inkomen en geen eten. Waren ze werkloos dan hadden ze ook geen woning. ‘En pak preugel’ zoals mijn vader het zou noemen, behoorde bij de managementtools. Die woning had de keuterboer en zijn gezin wel al was het vaak niet veel meer dan een plaggenhut. Het harde werken was er ook voor die voorvaderen niet minder om. Het arbeiden van kinderen tot twaalf jaar werd pas in 1874, met het Van Houtens beroemde Kinderwetje afgeschaft. Echter niet voor ieder kind, de kinderen van die keuterboer mochten gewoon verder werken.

Als ze het geluk hadden om oud te worden en niet meer konden werken, dan was er geen pensioen maar armoe, overleven van de bedeling of creperen van ellende. Pas na de Tweede Wereldoorlog met de Noodwet van Drees kreeg je na je 65ste een basispensioentje. Met een gemiddelde levensverwachting voor mannen van 70 en vrouwen van 72 haalden velen, vooral zij die zware arbeid moesten verrichten bijvoorbeeld in de mijnen, nooit hun pensioen. Ziekengeld werd pas in 1929 ingevoerd en vakantie vierde de arbeider in de negentiende eeuw zeker niet, daar had hij geen tijd voor want er moest worden gewerkt. Geleidelijk kwam er tijd voor iets anders omdat de werkdag en de werkweek werden begrensd. Het Kinderwetje was een eerste stap hierin. Tijd alleen maakt nog niet dat je vakantie kunt vieren. Vakantie werd in 1929 in de CAO opgenomen waarbij de werknemer vakantiebonnen kreeg.

De opbrengsten uit de slavernij werden inderdaad geïnvesteerd in vastgoed. In die fraaie grachtenpanden, niet in huizen voor het gewone volk. En nu we het toch over panden hebben. Daar waar je Suriname en de Antillen de woon- en leefomstandigheden van de slavenhouders en de slaven nog met elkaar kunt vergelijken en schande kunt spreken van het verschil, kan dat in Nederland niet. De krotten en plaggenhutten zijn er niet meer. Hier resten alleen de mooie (grachten)panden in de binnensteden. Dit maakt die vergelijking hier onmogelijk. Maar voor wie er een beeld van wil krijgen kan ik de achtste aflevering van Het verhaal van Vlaanderen aanbevelen. In die aflevering wordt inzichtelijk gemaakt hoeveel krotten er in een Belgische stad stonden en hoeveel mensen er in die krotten woonden.

Waar de opbrengsten zeker niet in werden geïnvesteerd is in die sociale zekerheid waar we, zoals Wolff nu terecht constateert, allemaal gebruik van maken. Die hele sociale zekerheid is van na de afschaffing van de slavernij. Die begon met dat Noodwetje van Drees die in 1947 in werking trad en die in 1957 werd vervangen door de Algemene ouderdomswet. Wat onze gehele sociale zekerheid kenmerkt, is dat deze wordt betaald uit belastingen en premies. De werkenden betalen via die belastingen en premies de AOW van de gepensioneerde, de ww van de werkloze en de bijstand van de bijstandstrekker. Daar komt geen ‘slavengeld’ aan te pas.

Dit laat onverlet dat investeren in de woon- en leefomstandigheden vooral op de Antillen maar ook in Suriname, net zoals trouwens in andere landen waar mensen het minder goed hebben, niet verkeerd is. Dat was ook het idee bij de onafhankelijkheid van Suriname. Het land kreeg na gesteggel over de hoogte ervan 3 ,5 miljard gulden aan ontwikkelingshulp toegezegd. Omgerekend naar nu is dat meer dan € 6,27 miljard. Dat is meer dan het Surinaamse BBP, dat bedroeg in 2022 $ 2,9 miljard. Het Surinaams BBP heeft  tot nu toe in geen enkel jaar de omvang van dat bedrag bereikt.

Dat laat onverlet dat de ongelijke behandeling van onze Bonairiaanse landgenoten die de bijstand die slechts 1/3 bedraagt van de Nederlandse een schande is die moet worden aangepakt. Net zoals de pensioenproblemen van Surinamers om een rechtvaardige oplossing schreeuwen. Dat iemand ‘met een kleurtje’ twee maal zo hard zijn of haar best moet doen, moet aanleiding zijn om hier wat aan te doen. Daarbij maakt het niet uit of die ‘een erfenis is van het slavernijverleden’ zoals Wolff betoogt of dat er sprake is van ‘nieuwkomers nadeel’ zoals ik het eerder heb genoemd.

En ja, ook investeren in het (geschiedenis)onderwijs is een goed idee. Daarbij zou het niet verkeerd zijn, te investeren in het volledige historische beeld. Daarbij hoort de trans-Atlantische slavenhandel en de behandeling van slaven maar daar horen zeker ook de woon- leef-, en werkomstandigheden van voorouders in Nederland bij die ik hierboven in het kort heb geschetst. Daar hoort ook het ontstaan van onze democratie bij. Toevallig las ik in dezelfde Volkskrant een artikel van Remieg Aerts over het ontstaan van het modern koningschap en de rol van Thorbecke hierin. Immers met de Grondwet van 1848 werd het koningschap ceremonieel. Daarvoor was de koning het hoofd van de regering en sturend en dwingend. Die sturende en dwingende koning: “leidde bijna tot een staatsbankroet, fnuikte de civil society en maakte het land slecht bestuurbaar. De koningen voerden een niet-omschreven ‘opperbestuur’ over de koloniën,” aldus Aerts. Daar waar de koning voor 1848 boven de wet stond, werd hij met die Grondwet van 1848 gebonden in de wet. Gebonden in die ceremoniële rol terwijl de macht bij het parlement, de vertegenwoordiging van het volk, kwam te liggen. Vrij snel na de aanname van de Grondwet van 1848 werd de slavernij afgeschaft. Dit ondanks het gegeven dat het overgrote deel van het volk, onder andere die arbeiders en keuterboeren, geen enkele invloed op hun vertegenwoordiging had. Zij hadden geen kiesrecht omdat ze geen of niet voldoende belasting betaalden.

Bestudering van de geschiedenis laat  een veel ander beeld zien dan Wolff in zijn artikel schetst. Zou de ‘aversie en het onbegrip over het excuus en het slavernijverleden’ niet ook worden veroorzaakt door de karikatuur die mensen als Wolff van de geschiedenis maken? Voor mij geldt dat in ieder geval wel.

Keti koti

Als je nu nog niet weet dat we op 1 juli herdenken dat de slavernij de jure 160 geleden werd afgeschaft, dan heb je onder een steen gelegen. Onder een steen gelegen omdat de media het afgelopen jaar en culminerend in de laatste week voor de 1ste juli 2023, veel aandacht hieraan hebben besteed. Op de dag voor die 1ste juli las ik bij De Correspondent een artikel van Karin Amatmoekrim dat aandacht vraagt voor deze herdenking en waarom die ons allen aangaat. Terecht want dit was een belangrijk moment in de geschiedenis en het moet aanleiding zijn om de schijnwerpers vol te richten op hedendaagse slavernij. Want nog steeds leven zo’n 40 miljoen mensen in slavernij. Dus op 1 juli herdenken en de rest van het jaar bestrijden. Toch knelt er iets in haar betoog.

Bron: flickr

Natuurlijk kan het dat je denkt ‘het is toch 150 jaar?’ En ja het is de facto 150 geleden dat aan de arbeidsplicht die bij de afschaffing aan voormalige slaven werd opgelegd een einde kwam. Die arbeidsplicht werd door de overheid opgelegd om de voormalige slavenhouders te compenseren in het verlies dat ze leden omdat hun ‘bezit’ werd afgenomen. Een vergoeding aan de voormalig slavenhouders klinkt ons vreemd in de oren toch was en is het nog steeds heel gebruikelijk dat je wordt gecompenseerd als je bezit wordt afgenomen door een overheidsmaatregel. De Britten compenseerden nog ruimer. De slavenhouders kregen in totaal 20 miljoen pond (vergelijkbaar met nu € 19 miljard) en de status van de voormalige slaven werd zonder hun instemming omgezet in een contract als ‘leerknecht’. Dit betekende dat ze nog zes jaar onbetaald hetzelfde werk moesten blijven doen. Dit even terzijde. Terug naar Amatmoekrim.

Volgens Amatmoekrim, en dat kan ik alleen maar ondersteunen, moet iedereen: “lezen over de Surinaamse schrijver en verzetsheld Anton de Kom, de Amerikaanse, Nederlandssprekende abolitionist Sojourner Truth  en al die andere tot de verbeelding sprekende voorouders. Er moeten romans  en films over komen, die ons onderwijzen in belangrijke lessen, die ons kippenvel geven en handvatten bieden voor een betere toekomst, zodat iedereen zich aan hen kan spiegelen en zich in hen kan herkennen.” Bijzonder wordt als ze haar betoog vervolgt: “Vandaag, op de drempel van Keti Koti 2023, wil ik aan iedereen die aarzelt om samen met bruin en zwart Nederland het slavernijverleden te herdenken, omdat hij denkt dat het niet zijn plek is, zeggen: onze helden zijn óók jullie helden. Ja, zij stonden ooit recht tegenover de Europese mens, maar door hun leven te vieren, vieren we onszelf zoals we nu, in dit heden zijn: een samenleving die tegen wil en dank versmolten is met een uiterst pijnlijke en schaamtevolle geschiedenis.” Hier gebeurt iets bijzonders.

Hier wordt een verkeerd perspectief geschetst. ‘Zij’ stonden niet tegenover de ‘Europese mens’. ‘Zij’ stonden, net als de overgrote meerderheid van de ‘Europese mensen’ tegenover de machtigen die hun leven bepaalden. Door het te stellen zoals in het citaat wordt miskend dat het overgrote deel van de voorouderlijke Europese mensen part nog deel hadden aan slavernij en de slavenhandel. Slavernij was niet iets van ‘…’ tegenover de ‘Europese mens’. Het was iets van mensen met macht tegenover machtelozen. Net zoals het nu nog steeds iets is van mensen met macht tegenover machtelozen. De ‘vrije’ Europese arbeider werd niet beter en soms nog slechter behandeld dan iemand in slavernij. De overgrote meerderheid van de toenmalige ‘Europese mensen’ en ook de bewoners van het gebied dat nu Nederland is, hadden totaal geen invloed op de acties en besluiten van de koninkrijken en steden waar ze woonden. Pas in 1917 konden alle Nederlandse mannen van 25 en ouder gaan stemmen, twee jaar later ook alle vrouwen. In andere Europese landen zijn de jaren wat anders, maar wat ze allemaal gemeen hebben is dat dit ver na de afschaffing van de slavernij was.

Het is nogal cru om de ‘nazaten’ van die uitgebuite ‘Europese mens’ nu op één hoop te vegen met de toenmalige machtigen en van hen ‘deemoed, bescheidenheid en schaamte’ te verwachten voor iets waar zelfs hun voorouders part nog deel aan hadden anders dan dat ze door dezelfde personen werden uitgebuit.

Holdomor

“De hongersnood in Oekraïne van de jaren 30 zou door de Tweede Kamer kunnen worden bestempeld als genocide ‘naar hedendaagse maatstaven’. Dat adviseert de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV) in een rapport over de Holodomor, zoals de hongersnood wordt genoemd.” Zo lees ik op de site van de NOS. Geïnteresseerd, zocht ik het genoemde rapport erbij en sloeg aan het lezen. Het blijkt toch net wat anders te liggen.

Daily Express 6 augustus 1934. Bron: Wikipedia

Voor dat anders hoef je niet ver te lezen: “Voorop wordt gesteld dat de CAVV niet aan feitenonderzoek doet. Dit betekent dat de CAVV niet nagaat of de gebeurtenissen in 1932-1933 als genocide kunnen worden gekwalificeerd,” aldus de eerste zin van de tweede alinea. De Commissie heeft dus niet onderzocht of er in het betreffende geval sprake is van genocide. Wat heeft ze dan wel onderzocht? Het volgende: “De Tweede Kamer heeft de CAVV gevraagd de tijdsdimensie te onderzoeken en daarbij in te gaan op het toepasselijk recht ten tijde van de Holodomor, in het licht van de omstandigheid dat het Genocideverdrag pas in 1948 is aangenomen.” Deze zinnen volgden op die eerste zin. De Commissie heeft onderzocht of je een gebeurtenis die plaatsvond voordat het woord genocide bestond, genocide kunt noemen. Daarop kwam het antwoord dat je iets in het verleden een ‘genocide naar hedendaagse maatstaven kunt noemen. Of zoals de Commissie het formuleert in haar advies: “Hoewel genocide ten tijde van de Holodomor nog niet als internationaal misdrijf was erkend, kan de Tweede Kamer zich op het standpunt stellen dat de Holodomor naar hedendaagse maatstaven als genocide (dan wel misdrijf tegen de menselijkheid) kan worden beschouwd, voor zover de Holodomor inderdaad aan de vereisten van deze misdrijven voldoet.” Een cruciale stukje tekst ontbreekt in de berichtgeving van de NOS en dat is de tekst vanaf ‘voor zover’.

Genocide, een woord dat we te danken hebben aan de Pools-joodse rechtsgeleerde Raphael Lemke en dat in het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide als volgt is gedefinieerd als: “een van de volgende handelingen, gepleegd met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen door het doden van leden van de groep, het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep, het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging,het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen en  het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep.”  Als hier in het geval van de Holdomor sprake van is, dan zou je dit, zo adviseert de commissie als genocide ‘naar hedendaagse maatstaven’.

Wat gebeurde er in de Sovjetrepubliek Oekraïne? Waarom vielen er in de periode 1932-1933 miljoenen doden door honger? Dat is eigenlijk de verkeerde vraag. Want wat er gebeurde, gebeurde niet alleen in de Sovjetrepubliek Oekraïne maar in de gehele Sovjet Unie. De leiders van de Sovjet Unie wilden  in het begin van de jaren twintig van de vorige eeuw, de boeren, het grootste deel van de inwoners van het land was boer, naar het socialisme toe laten groeien door ze er de voordelen van te laten ervaren en ze wilden de landbouwproductie verhogen. Dit met de hongersnood van 1922 en het terugvallen van de graanoogst tot slechts twee derde van wat het voor de Eerste Wereldoorlog was. Dat toegroeien betekende ze te bewegen in de richting van coöperatieve organisatievormen. Echter, om de voedselproductie niet in gevaar te laten komen mochten boeren eigen bedrijfjes hebben en na betaling van belasting in nature, mochten ze het overschot op de markt verkopen. Hierbij bepaalde de markt de prijs van de producten. De belangrijkste koper van de landbouwproductie was echter de staat. Die kocht in 1925 55% en twee jaar later zelfs 85% van de oogst op.

Midden jaren twintig werd de markt echter weer losgelaten en werd de graanprijs met 20-25% verlaagd. Daarop gingen de boeren minder voor de markt produceren en meer als veevoer. “De graanproductie ten behoeve van staatsaankopen zakte eind 1927 met dertig procent in. Stalin cum suis namen alleen dat laatste gegeven serieus en concludeerden ten onrechte dat de boeren het weer lieten afweten,”  aldus Ditrich en van Goudoever in hun boek de geschiedenis van de Sovjet Unie. Stalin cum suis: “gingen tot de aanval over en lieten graan net als in de tijd van het oorlogscommunisme in beslag nemen.”  De graanproductie daalde hierdoor nog verder en daarop koos de partijleiding: “voor de grootschalige landbouw, de collectivisatie. Was in 1928 en 1929 al op enige schaal gecollectiviseerd, vanaf eind 1929 geschiedde dit massaal. De boeren werden gewelddadig en collectieve eenheden samengedreven door tienduizenden arbeiders en partijfunctionarissen. De meesten kwamen in collectieve boerderijen, de kolchozen, een klein deel in staatslandbouwbedrijven, de sovchozen, terecht. Wie zich verzette heette een koelak te zijn en werd gedeporteerd.” Dit leidde tot: “tussen de een en twee miljoen slachtoffers. Op korte termijn leidde de collectivisatie tot ernstige productievermindering, massale vee slachting en uiteindelijk in 1932-1933 opnieuw tot een vreselijke hongersnood die acht à tien miljoen mensenlevens vergde. Daartegenover stond het papieren succes van een schier totale collectivisatie. [1]

Ja, slachtoffers van de collectivisatie van de landbouw ondervonden ‘ernstig lichamelijk of geestelijk letsel’. De collectivisatie van de landbouw in de Sovjet  had niet  tot doel ‘om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen door het doden van leden van de groep’.  Nationale etnische groepen en rassen waren tijdens de Holdomor zowel dader als slachtoffer en ook godsdienst speelde geen hierin geen enkele rol. De leiders van de Sovjet Unie waren Rus zoals Molotov en Kamenev, Georgiër zoals Stalin en Beria en ook Oekraïner zoals Zinovjev en Trotski. De slachtoffers van de collectivisatie waren Rus, Georgiër, Oekraïner, Litouwer, Kazach, Armeniër. De ‘nationale etniciteit’ was niet de reden van hun slachtofferschap van de collectivisatie. Een verschrikking die Oekraïne hard trof maar dat had niets met hun nationaliteit of etniciteit te maken. De reden was hun verzet tegen de collectivisatie. In Oekraïne was die groot omdat het gebied pas in 1922 onder Sovjet controle kwam en daarmee de verplichte graanlevering onder het oorlogscommunisme niet hadden meegemaakt en dat had in de rest van het land al tot die hongersnood van 1922 geleid. Er is daarmee ook met de huidige maatstaven geen sprake van genocide.

Dat de Oekraïense ambassade, zoals is te lezen in een bericht van een jaar geleden bij de NOS: “ hoopt dat ook Nederland “deze belangrijkste stap zal zetten,”  omdat, zo betoogt die ambassade:  “Juist nu (…) de internationale erkenning van historisch belang (is), omdat Oekraïners opnieuw heldhaftig de vrijheid verdedigen ten koste van hun eigen leven,” doet daarbij niet ter zaken. Ja, wat Oekraïne nu overkomt is verschrikkelijk. En ja wat de slachtoffers van de collectivisatie overkwam was ook verschrikkelijk. Die collectivisatie was en is, hoe graag de Oekraïense regering het ook wil, geen ‘heldhaftige strijd van Oekraïners voor hun vrijheid.’ Het zo willen zien is het herschrijven van de geschiedenis voor gebruik in het heden. Dat is iets waar deze historicus grote moeite mee heeft.


[1] Z.R. Ditrich en A.P. van Goudoever, de geschiedenis van de Sovjet Unie, pagina 63