Uitgelicht

Soep zooitje

“Ook VVD-secretaris Van Aartsen (Openbaar Vervoer en Milieu) vindt dat “er geen soeppolitie moet komen”’ Zo is te lezen op de site van de NOS. Hij deed deze uitspraak in het kader van de behandeling van Asielnoodmaatregelenwet waarmee de Tweede Kamer op de laatste dag en bijna de laatste minuut voor het zomerreces instemde. Soep is wel een mooi gerecht om alles rondom deze wet te schetsen1.

In dat debat speelde een ‘ kommetje soep’ een hoofdrol. De Asielnoodmaatregelenwet bevat een artikel, artikel 108A dat illegaliteit strafbaar stelt. Dat artikel is opgenomen nadat de Tweede Kamer instemde met een door PVV-Kamerlid Marina Vondeling ingediend amendement. “De meerderjarige vreemdeling die in Nederland verblijft terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf niet rechtmatig is, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de tweede categorie.”2 Zo luidt dit artikel. Over dit aangenomen amendement is veel te doen omdat het illegaliteit strafbaar stelt. En als iets strafbaar is, zijn burgers die weet hebben van de illegaliteit van iemand anders en daar niets tegen ondernemen, strafbaar.

Een amendement van BBB-Kamerlid Claudia van Zanten dat expliciet over het helpen van illegalen ging werd niet aangenomen. Maar daarmee is het helpen van een illegaal persoon nog steeds strafbaar. Daarvoor moeten we naar het Wetboek van strafrecht artikel 48. Dat regelt dat iemand die opzettelijk behulpzaam is bij het plegen van een misdrijf of opzettelijk gelegenheid, middelen of informatie verschaft tot het plegen van een misdrijf, strafbaar is. Als je weet dat iemand illegaal is en je helpt die persoon, dan ben je strafbaar. En daar kwam het ‘kommetje soep’ om de hoek kijken: het kon toch niet zo zijn dat iemand een ‘ kommetje soep’ aanbieden tot straf zou leiden. Voordat ik me nader op dat ‘kommetje soep’ richt. Terug naar het begin.

Naar de val van het kabinet Rutte IV. Dat kabinet viel over het asielbeleid en specifiek over de ‘nareis op nareis’. De bewering van de huidige VVD-leider Dilan Yeşilgöz die op dat moment minister van Justitie was, dat Nederland te maken had met duizenden mensen die nareisden als nareiziger van een nareiziger. Yeşilgöz’ soep bleek echter de kool niet waard. In werkelijkheid ging het om nog geen 200 aanvragen per jaar waarvan er gemiddeld 70 werden ingewilligd. Maar ja, het kwaad was geschied, het kabinet gevallen en de campagne begon.

Asiel werd het thema van de campagne. Yeşilgöz, die tussen de soep en de aardappelen tot VVD-lijsttrekker werd benoemd, dacht met dit thema stemmen te trekken. Het is echter linke soep om campagne te voeren op een thema dat het pièce de résistance is van een andere partij. Want laten we nu wel wezen voor Wilders is asiel als soep eten met een vork. Toen Yeşilgöz de deur open zette voor samenwerking met de VVD was het hek helemaal van de dam. Wilders schepte zijn soep goed uit en trok de hele campagne naar zich toe. Zijn partij werd de grootste. Het plan Yeşilgöz en de VVD was in de soep gelopen.

Wilders was aan zet om een nieuw kabinet te vormen. Yeşilgöz deed in eerste instantie alsof ze er geen soep mee had gegeten en paste voor deelname aan een kabinet. Dat duurde niet erg lang want door haar eigen handelen zaten we met z’n allen in de soep. Een beetje een kabinet vormen was bijna niet mogelijk. De partijen verzonnen echter een list: een extra parlementair kabinet. Daarvoor zochten ze een minister-president in wiens soep ze het konden doen. Die vonden ze in Dick Schoof.

Die ging aan de slag met het door de vier partijen opgestelde regeerakkoord. Dat beloofde ‘het strengste asiel beleid ooit’. Dat ‘strengste asielbeleid ooit’ moest voorkomen dat alles in de soep zou lopen. Immers aan alle ellende in Nederland zou een einde komen met dit ‘strengste asielbeleid ooit’. Dat moest gebeuren via een noodwet, zo hadden de partijen afgesproken. Helaas liep dat plannetje in de soep. Want ook voor deze klus zochten ze iemand. Wilders schoof Marjolein Faber naar voren maar zij bleek al snel geen goeie in de soep. Ze communiceerde slecht tot niet, stemde met niemand af en als ze haar mond open deed had ze meteen ruzie met anderen.

Het kabinet ging aan de slag. Echter, voordat ze goed en wel begonnen waren, was vet het al van de ‘samenwerkingssoep’. De partijen vlogen elkaar om niets in de haren en strompelden van crisis tot crisis. Zo ook op het asieldossier. De Asielnoodwet liep in de soep omdat de ‘nood’ ontbrak. Dan maar een gewone wet met ‘nood’ in titel: de Asielnoodmaatregelenwet. Maar nog voordat die wet in de Tweede Kamer werd behandeld liet Wilders het hele kabinet in de soep lopen. De kabinetssoep was zuur geworden. De eigenbijdrage in de zorg is leuk als je er stemmen mee kunt trekken. Er iets aan doen, boeide hem niet. Daar heeft hij geen soep mee gegeten. Nee, het ging om asiel en hij vond het strengste beleid niet streng genoeg. De andere drie regeringspartijen vonden de asielnood zo hoog, dat de Asielnoodmaatregelenwet nog voor de verkiezingen behandeld moest worden. Er lag nu immers iets en na de verkiezingen zou het er wel eens heel anders uit kunnen zien. Nu was er nog die ‘rechtse meerderheid’ en die wilden ze toch nog gebruiken om hun asielsoep goed uit te scheppen.

En daarmee komen we bij de gebeurtenissen van de laatste dag voor het zomerreces 2025. Of beter gezegd, een week eerder, op 25 juni 2025. Denk-fractievoorzitter Van Baarle dient op die dag een verzoek in om de stemmingen van een week later, de 1e juli, uit te stellen. Als verschuiven naar een andere dag niet zou gaan, dan in ieder geval de stemmingenronde in tijd naar achteren verschuiven zodat Kamerleden Keti Koti konden bijwonen en nog op tijd voor de stemming terug konden zijn. De stemmingen zouden namelijk beginnen op het moment dat de viering op z’n einde liep. Helaas wilde een Kamermeerderheid aangevoerd door Caroline van der Plas daar niet aan: “ Stemmingen zijn namelijk onze core business (waarvoor wij gekozen zijn en als fractie kan je gewoon bekijken wie er wel en wie niet naartoe gaat’” aldus Van der Plas. Dat klopt natuurlijk maar dat wil niet zeggen dat stemmingen niet verschoven kunnen worden naar een ander dag of tijdstip. Een blik op de agenda van de Plenaire Vergaderingen van die dag, maakt dat duidelijk dat er best wat geschoven had kunnen worden. Van der Plas en met haar de andere partijen van de voormalige coalitie wilden daar niet aan. Saillant detail is dat ook de NSC-fractie niet van uitstel wilde weten. Hadden ze toen maar geweten dat hun soep hierdoor een week later aardig dun zou worden.

Op die eerste juli werd gestemd over verschillende amendementen bij het wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet. En dat waren er nogal wat. Bij één ervan, het hierbovenbeschreven amendement, gebeurde iets bijzonders. Die werd tegen de verwachtingen in aangenomen. De partijen PVV, VVD, BBB, SGP, Forum voor Democratie en JA21 stemden voor terwijl deze partijen samen geen Kamermeerderheid hebben. Maar omdat enkele Kamerleden Keti Koti bezochten en het spel met het wegstrepen van afwezigheid bij alle andere amendementen bij dit voorstel goed werkte, deed het dat bij die amendement niet. De afwezige leden van GroenLinks/PvdA hadden ‘ weggestreept’ met NSC-leden maar beide partijen waren tegen dit amendement. Daarom liep hun afspraak bij dit amendement in de soep.

Twee dagen later, op donderdag de derde juli, werd dan uiteindelijk de volledige wet behandeld. Bij die behandeling speelde een spreekwoordelijk ‘kommetje soep’ een hoofdrol. Vooral de NSC zat in de soep. De partij was voor de Asielnoodmaatregelenwet maar tegen het aangenomen amendement alleen maakte dat amendement nu onderdeel uit van de wet en er kon alleen maar vóór of tegen de wet worden gestemd. Vóór stemmen betekent dat illegaliteit strafbaar wordt en dat het serveren van een kommetje soep aan iemand die illegaal in ons land verblijft, ook strafbaar is.

Dat kan toch niet de bedoeling zijn, volgens NSC en de SGP. Voor die laatste partij is dat bijzonder omdat deze partij voor het betreffende amendement stemde en dus voor het strafbaar stellen van het ‘ kommetje soep’. De beide partijen probeerden het vervolgens in iemand anders zijn soep te doen. Die iemand was minister Van Weel van Justitie. Die wrong zich in allerlei bochten en beloofde de minister van justitie dat het serveren van het ‘kommetje soep’ als het aan hem ligt, niet zou worden bestraft. Bovendien, zo betoogde minister Van Weel van Justitie moeten:“ketenpartners prioriteiten (…) stellen bij de handhaving”, en die liggen bij: “mensen die crimineel gedrag vertonen”. De soep wordt, zo betoogde hij, niet zo heet gegeten als de wet haar opdiende. Een andere minister kan daar anders over denken en wel die hete soep opdienen. Iets wat hij niet kon ontkennen want de wet is de wet.

Maar omdat het hete hangijzer, het via het amendement toegevoegde artikel, tussen de soep en de aardappelen door werd opgediend, zegde de minister toe om het gedeelte dat strafbaarstelling van illegaliteit regelt, niet direct in werking te laten gaan, deed hij het bij de Raad van State in de soep en vroeg de Raad hierover een nader advies uit te brengen en dit met de Tweede Kamer te bespreken. Linke soep omdat de ervaringen uit het verleden op dit dossier leren dat adviezen niet al te serieus worden genomen. De Raad van State adviseerde in eerste instantie om: “het wetsvoorstel Asielnoodmaatregelenwet in de huidige vorm niet in te dienen bij de Tweede Kamer.” Minister Faber had daar echter geen soep mee gegeten. Ze gaf aan: “hooguit punten en komma’s,” te wijzigen want: “ Het advies is niet bindend, ik kan ermee doen wat ik wil.”

Al met al is het nu een soep zooitje dat nu aan de Eerste Kamer wordt opgediend.

Hieronder de gebruikte soepuitdrukkingen

1. De soep wordt nooit zo heet gegeten als ze wordt opgediend: zo moeilijk als het wordt verteld of voorgesteld, is het meestal niet.

2. Hij zit in de soep: hij zit in verlegenheid / in de problemen.

3. Het in iemand zijn soep doen: iemand overtuigen om jouw wil uit te voeren.

4. Daar wordt de soep aardig dun van: door deze gebeurtenis wordt de situatie minder aangenaam.

5. Iets doen tussen soep en aardappels (de patatten): iets vlug doen, zonder veel zorg.

6. Hij schept zijn soep goed uit: hij profiteert van de situatie.

7. Dat is linke soep!: dat is gevaarlijk!

8. In de soep lopen: volledig mislukken (van een plan).

9. Het is een soep zootje: het is een rommeltje.

10. Soep eten met een vork: ergens geen genoeg van krijgen.

11. Het vet is van de soep: het beste is er van af.

12. Hij is een goeie in de soep: hij is onkundig.

13. Het is niet veel soeps: het is niet veel bijzonders.

1 In deze Prikker verschillende uitdrukkingen met soep, Voor de betekenissen zie: https://www.voedingonline.nl/page/Nieuws/Bericht/56/Spreekwoorden-met-soep

2 https://www.tweedekamer.nl/debat_en_vergadering/plenaire_vergaderingen/details/activiteit?id=2025A05166 zie amendement 36704-74

Uitgelicht

Election files 5: demonstratierecht

“Want ja: er is een demonstratierecht. Maar er is géén recht op chaos, overlast en misbruik van politiecapaciteit. Het is tijd dat het gezag weer gezag wordt.” Met die woorden sluit een artikel van Mark Jongeneel bij De Dagelijkse Standaard. Jongeneel schrijft zijn artikel naar aanleiding van een berichtje van PVV-Kamerlid Peter van Haasen. Die stelde: “Er is een demonstratierecht, maar er is ook legitimiteit voor de onderuitputting van de politie waardoor belangrijke zaken blijven liggen.” Een bijzonder artikel naar aanleiding van een bijzonder bericht, Genoeg aanleiding voor deel vijf in de reeks Election Files waarin de vrijheid van meningsuiting en in het verlengde ervan het recht op demonstratie centraal staan.

Een bijzonder artikel naar aanleiding van een bijzonder bericht. Het eerste bijzondere aan het bericht van Kamerlid Van Haasen is het kromme Nederlands dan hij gebruikt. Dat is zorgwekkend maar daar gaat het mij nu niet om. Volgens Jongeneel is: “Het demonstratierecht (…) heilig in een democratische rechtsstaat. Maar wat links Nederland er inmiddels van gemaakt heeft, is een vrijbrief voor blokkades, intimidatie, bezettingen en structureel politie-inzet misbruik.” Hier begint het bijzondere. Jongeneel wijst een schuldige en dat is links Nederland: “Elke keer opnieuw moeten agenten in Den Haag opdraven omdat radicale klimaatactivisten of anti-Israël-betogers weer een kruispunt, gebouw of doorgaande weg bezetten.” Ik vraag me af of iemand die tegen het optreden van Israël in Gaza of de manier waarop de Nederlandse regering hierin acteert, demonstreert of iedereen die zich inzet voor het klimaat automatisch links is.

Met de voorbeelden die Jongeneel noemt en dit ‘links’ noemen vergeet hij dat er andere voorbeelden zijn van demonstreren waar agenten bij moeten opdraven. Zo kan ik me boeren herinneren die wekenlang snelwegen en kruispunten bezetten en rommel zoals hooi, mest, autobanden en asbest op wegen deponeerden en dat soms ook nog in brand staken. Die distributiecentra van supermarkten blokkeerden. Ook kan ik me demonstranten tegen de komst van asielzoekerscentra herinneren die varkenskoppen en -poten ophingen, met vuurwerk gooiden, gemeentehuizen min of meer bestormden en raadsleden lastigvielen. Ik kan me ‘woedende Katwijkers herinneren die demonstranten belaagden. Ik kan me zwarte-piet-activisten herinneren die een snelweg blokkeerden en zwarte-piet-activisten belaagden. Jongeneel noemt deze voorbeelden niet terwijl die ook: “structureel verstoringsgedrag van (…) beroepsactivisten (is), vaak professioneel georganiseerd en gericht op maximale ontwrichting. Niet het gesprek zoeken, maar de boel lamleggen.” In dit citaat van Jongeneel stond voor het woord beroepsactivisten het woord ‘links’. Ook bij deze activiteiten keek: “de politie machteloos toe, omdat de capaciteit volledig wordt leeggetrokken door dit soort acties. Wijkagenten? Tekort. Aangiften? Stapelen zich op. Veiligheid in de buurt? Onder druk.” Of: “Het (…) onverantwoord beleid (is) dat dit toestaat,” zoals Jongeneel betoogt, daar ga ik in deze Prikker dieper op in.

Dat dieper ingaan begint met een laatste opmerking over het gebruik van ‘links’ en het selectieve benoemen van voorbeelden door Jongeneel. Jongeneel heeft een ander wereldbeeld dan de demonstranten en actievoerders waar hij zich tegen verzet. Dat mag. Dat wereldbeeld mag hij uiten in woord en schrift maar ook in een demonstratie. Dus als hij pleit voor: “Verwijderen. Beboeten. Vervolgen. Zoals het hoort in een rechtsstaat waarin de wet geldt voor iedereen – óók voor wie denkt boven de samenleving te staan omdat hij een protestbord vasthoudt,” dan geldt dat ook voor hem. Dan kan het niet zo zijn dat de ene groep wel op straat mag demonstreren en de andere groep niet. Dan moeten niet alleen de milieuactivisten worden verwijderd, beboet en vervolgd, maar ook de boeren en demonstranten tegen een AZC. De overheid mag dit niet bij de ene groep wel doen en bij de andere niet puur omdat het ene in het straatje van de overheid past en het andere niet. Dat is in strijd met het eerste artikel van onze Grondwet. Dat stelt dat: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld,” en dat: “Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, (…)niet (is) toegestaan.”

Met onze Grondwet komen we ook meteen bij de basis van het recht op demonstreren en dat is de in artikel 7 van de Grondwet opgenomen vrijheid van meningsuiting. Dat artikel stelt dat niemand voorafgaand: “verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Van dit recht maakte de ‘rote Fahne’ gebruik. Hoe de man werkelijk heette wist bijna niemand, maar zo ongeveer iedereen wist in Venlo in de jaren tachtig over wie je het had als je ‘rote Fahne’ noemde. Een man die in de Venlose winkelstraten vol passie reclame stond te maken voor het communisme en daarbij de Duitse communistische krant Die Rote Fahne aanprees. Als een goed marketeer wist hij dat een groot deel van het winkelend publiek in Venlo in die tijd bestond uit Duitse fabrieksarbeiders. Ook Arnol Kox, de Eindhovense straatprediker maakte van dit recht gebruik. De wet geeft ons allemaal het recht om in de openbare ruimte onze mening te uiten. Daarvoor is geen toestemming, of zoals de Grondwet het zegt voorafgaand verlof, van wie dan ook nodig.

Deze vrije meningsuiting is de basis onder het demonstratierecht. Een demonstratie is niets meer en niets minder dan een van de manieren om een mening te uiten, een manier waarbij mensen in groepsverband hun mening kenbaar maken. Een bijzondere manier die ook in onze Grondwet is opgenomen in artikel 9: “Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend.” Juist vanwege het groepsverband is dit aparte artikel opgenomen. Want grote groepen die hun mening uiten zijn van een andere orde en dynamiek dan een individu zoals ‘ rote Fahne’. Vanwege die mogelijke dynamiek is het tweede lid van artikel 9 opgenomen: “De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”

Een demonstratie vindt plaats in de publieke of openbare ruimte. De ruimte waar mensen elkaar ontmoeten en met elkaar omgaan. De ruimte waar ik wil demonstreren, jij naar je grootmoeder wilt reizen en weer iemand anders zijn geld probeert te verdienen met een foodtruck of krantenkiosk. Daarom moeten demonstratie van tevoren worden aangemeld. Daarom kan de overheid regels stellen. Maar dan alleen maar ter bescherming van de volksgezondheid, het belang van het verkeer en het bestrijden en voorkomen van wanordelijkheden. Dus niet omdat de inhoud van de demonstratie niet bevalt. Basisuitgangspunt hierbij is dat de demonstratie doorgaat.

Drie redenen om regels te stellen en regels te stellen om de openbare orde te waarborgen. Verbieden is daarbij de meest vergaande vorm van regels stellen. Uitgangspunt hierbij is dat demonstreren geen verstoring van de openbare orde is. Het uiten van een mening is immers bij uitstek onderdeel van een democratische openbare orde. Een cruciaal onderdeel. Een afspraak kan zijn dat een stuk van een snelweg bezet mag worden gedurende een bepaalde periode. Op die manier krijgen de actievoerders de gelegenheid hun punt te maken. Blijven ze daarna de weg nog bezetten, dan kan en moet de politie optreden want dan verstoort dezelfde demonstratie wel de openbare orde. Een demonstratie kan verboden worden als de kans groot en reëel is dat een demonstratie tot wanordelijkheden leidt, de derde reden voor het stellen van regels aan een demonstratie. Daar moet de overheid echter zeer terughoudend mee omgaan want de rechten van burgers worden erdoor aangetast.

“Legitimiteit voor de onderuitputting van de politie,” is daarbij geen onderdeel dat in de afweging een rol speelt. Of in beter Nederlands want dat van Van Haasen is gebrekkig: het beschikbaar hebben van voldoende politieagenten is geen argument om een demonstratie te verbieden. Van “misbruik van politiecapaciteit” is al helemaal geen sprake. Een groep die wil demonstreren vraagt niet om politiecapaciteit. Die vraagt om te demonstreren op een bepaalde plek op een bepaald tijdstip. Dat het bevoegd gezag, de burgemeester, de politie inzet om de demonstratie te begeleiden, is een keuze van de burgemeester. Niet van de mensen die willen demonstreren. Burgemeesters kunnen ook een andere afweging maken dan het inzetten van politie.

Even een klein intermezzo ter inleiding op het vervolg. Ik schrijf deze Prikker op het moment dat in Nederland het hitteplan in werking is getreden en voor de zuidelijke provincies code oranje is afgekondigd. In de weken hiervoor was het al enkele keren zeer warm wat leidde tot het aflassen en inkorten van bijvoorbeeld hardloopwedstrijden. Bij festivals worden extra waterpunten en plekken waar je je met zonnecrème factor 50 kunt insmeren, ingericht en als het regent krijgt iedereen gratis een plastic poncho. Dit allemaal om te voorkomen dat er mensen sterven van de hitte. Begin jaren tachtig bezocht ik op tweede pinksterdag enkele jaren achtereen het Burgemeester Damen sportpark om Pinkpop te bezoeken. Jan Smeets en zijn club waren verantwoordelijk voor de bands, de podia en de kraampjes met t-shirts en eten en drinken. Zelf was je verantwoordelijk voor de zonnecrème, een stuk landbouwplastic om op te zitten of je tegen de regen te beschermen en voor een parasol of iets anders wat voor schaduw kon zorgen. Van een hitteplan en code oranje hadden we nog nooit gehoord. Het kwam niet bij ons op om Smeets aansprakelijk te stellen voor een eventueel verbrande rug of door de regen vernield kapsel. In de ruim veertig jaar is er veel veranderd. En daarmee ben ik waar ik wil zijn.

In zijn boek De onvoltooide rechtsstaat laat Ybo Buruma, aldus de tekst op de achterkant van het boek: “ zien hoe de Nederlandse rechtsstaat vanaf de negentiende eeuw geleidelijk aan is ontstaan en zich steeds aanpast aan veranderende omstandigheden en opvattingen.” Hij beschrijft hierin zes periodes en doet dit aan de hand van een kinderboek dat voor hem de tijdgeest van die periode weergeeft. De periode van 1995 tot en met 2025 noemt hij de risicosamenleving. Die kenmerkt zich doordat er: “aandacht wordt gevraagd voor het lot van slachtoffers en waarin zowel van de overheid als van burgers wordt verlangd dat zij verantwoordelijkheid nemen om slachtofferschap te voorkomen.1” Een samenleving die erop is gericht om risico’s zoveel mogelijk te voorkomen en waarbij toch vooral naar de overheid wordt gekeken.

Een samenleving van risico inventarisaties en evaluaties, met rampen- en calamiteitenplannen die de opvolgers van Jan Smeets allemaal moeten hebben. En niet alleen concertorganisatoren, ook organisatoren van sportwedstrijden. En niet alleen zij maken dergelijke plannen, dat doet ook de gemeente waar de activiteit plaats heeft. Op basis daarvan wordt bekeken wat er nodig is om het evenement met een zo klein mogelijke kans op een calamiteit te laten plaatsvinden. Bij dat wat er nodig is hoort ook de inzet van politie. Dit is ook de manier waarmee naar demonstraties wordt gekeken.

Al die maatregelen hebben positieve effecten. Het aantal calamiteiten is zeer beperkt. Ze hebben ook negatieve effecten. Zo leiden al die maatregelen tot hogere kosten voor de organisatoren en dus ook hogere toegangsprijzen. Zo kon ik voor fl. 35 (net geen € 16) een dag naar Pinkpop. Dit jaar kostte een dagkaart € 155,=. Nu zal dat voor een deel ook het gevolg zijn van de gages van de bands. Het leidt ook tot een groot beslag op de politiecapaciteit. Politiecapaciteit die niet ingezet kan worden om criminaliteit te bestrijden.

Hier kunnen andere keuzes worden gemaakt. We kunnen met z’n allen meer risico accepteren. We kunnen, net zoals vroeger, meer uitgaan van de eigen verantwoordelijkheid van mensen. Ervaringen opgedaan tijdens het profvoetbalseizoen 2024-2025 laten zien dat dit best mogelijk is. Verschillende wedstrijden verliepen zonder noemenswaardige problemen ondanks dat er door een politiestaking geen agenten waren om deze wedstrijden te begeleiden.

Voor wat betreft demonstraties is dat een te rechtvaardigen keuze. Te rechtvaardigen door demonstraties te zien als wat ze zijn: meningsuitingen in groepsvorm behorende bij de openbare democratische orde. Dat accepteren kent twee kanten. Aan de ene kant moet de rest van de samenleving accepteren dat een groep demonstreert om de mening te uiten en aan de andere kant moeten de demonstranten de eventuele regels die een burgemeester stelt, accepteren. De ene kant moet accepteren dat een snelweg gedurende bijvoorbeeld 2 uur is bezet door actievoerders. Een goed functionerende democratische orde is ook in hun belang en weegt zwaarder dan een iets langere reistijd. De andere kant, de actievoerders, moeten accepteren dat ze na bijvoorbeeld twee uur weer moeten verdwijnen met al hun meegebrachte spullen. Als gezegd, politiecapaciteit is geen reden om regels op te leggen aan demonstraties laat staan deze te verbieden. Die moeten doorgaan want ze vormen een belangrijk onderdeel van onze democratie. Feyenoord-AJAX is dat niet.

Het beperken van het recht op demonstratie, waar Jongeneel, Van Haasen en andere politici voor pleiten, is een weg die we hierbij niet op moeten gaan. Degenen die voor beperking ervan pleiten moeten zich goed realiseren dat er een moment kan komen dat de rollen omgedraaid zijn. Dat een overheid die er iets anders tegenaan kijkt, hun demonstratie verbiedt. Het gezag waar Jongeneel nu om vraagt kan zich ook tegen hem keren.

1 Ybo Buruma, De onvoltooide rechtsstaat. Tijdgeest en recht 1813-2025, pagina 17

Uitgelicht

Election Files 4: bestaanszekerheid

In deze vierde prikker in de Election Files serie staat een van de belangrijke thema’s uit de verkiezingscampagne voor de Tweede Kamer van 2023 centraal: bestaanszekerheid. Omdat niemand het begrip definieerde was niet duidelijk wie er wat mee bedoelde en werd het een container waarin ieder zijn ideeën deponeerde en naar gelieve weer uit tevoorschijn haalde. Zo werd erover gesproken, vond iedereen het belangrijk maar vond iedereen iets anders belangrijk. Er werd langs elkaar heen gepraat. Een echt gesprek over het begrip werd nooit gevoerd. Voordat de campagne in alle hevigheid losbarst daarom een aanzet om dat gesprek wel te voeren.

Op 4 juli 1776 namen dertien Staten in Amerika een verklaring aan waarmee zij zich onafhankelijk verklaarden van het Britse rijk. “Wij beschouwen deze waarheden als vanzelfsprekend, dat alle mensen gelijk geschapen zijn, dat zij door hun Schepper begiftigd zijn met bepaalde onvervreemdbare Rechten, dat daaronder Leven, Vrijheid en het nastreven van Geluk zijn,” aldus de tweede alinea van de verklaring. In de eerste alinea verbraken de staten hun banden met het Britse rijk. God heeft alle mensen gelijk geschapen. De eerste keer in de geschiedenis dat alle mensen gelijk worden verklaard.

Dertien jaar na die onafhankelijkheidsverklaring, in Frankrijk, zette een tweede land een soortgelijke stap. Op 26 augustus 1789, iets meer dan een maand na de bestorming van de Bastille, nam de Franse Assemblée Nationale de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen aan. Het eerste artikel luidde: “Les hommes naissent et demeurent libres et égaux en droits. Les distinctions sociales ne peuvent être fondées que sur l’utilité commune.” In goed Nederlands: ‘De mensen worden vrij en met gelijke rechten geboren en blijven dit. Maatschappelijke verschillen kunnen slechts op het algemeen belang gebaseerd worden.

Bron: flickr

Met het verklaren en het ‘self-evident’ noemen, is gelijkwaardigheid nog geen feit. In haar boek Tegen Terreur. Hoe Europa veilig werd na Napoleon, beschrijft Beatrice de Graaf hoe de ‘Powers that Be’, die Napoleon hadden verslagen en daarmee een einde hadden gemaakt aan het revolutionair experiment in Frankrijk, over gelijkheid en gelijkwaardigheid dachten. Die leken alles wat niet in hun straatje paste op één hoop te gooien: bonapartisten, Jjakobijnen en régicides (parlementleden die voor de onthoofding van Lodewijk XVI hadden gestemd) … soms met de ge matigde liberalen er nog bij. Het waren, volgens Metternich immers allemaal radicalen – erfgenamen van de Franse revolutie, de aanhangers van de terreur die in de tekst van Thomas Pain, The Rights of man, hun grondwet zagen.1Pain verdedigde in zijn boek de idealen van de Franse revolutie en dus van de Déclaration. De Oostenrijker Metternich stond hierin niet alleen, zijn ‘baas’ keizer Frans I en ook de Russische Tsaar Alexander I, dachten er precies hetzelfde over en drukten ieder streven naar gelijkheid, en in het verlengde ervan democratie, de kop in.

Als we ons richten op de Nederlandse situatie dan heeft die gelijkwaardigheid nog lang op zich laten wachten. Pas in 1917 mochten voor het eerst alle mannelijke inwoners van 25 jaar en ouder stemmen en twee jaar later mochten ook vrouwen stemmen. Tot 1956 waren vrouwen nog volledig afhankelijk van mannen. Op 14 juni in dat jaar kwam er een einde aan de wet die vrouwen handelingsonbekwaam verklaarde. Ook was het regel dat je als vrouw werd ontslagen op het moment dat je trouwde. Hiermee kwam nog steeds geen einde aan de ongelijke behandeling van mannen en vrouwen. De strijd om economische gelijkwaardigheid. De ondervertegenwoordiging van vrouwen in bestuurlijke topfuncties bij overheid en bedrijfsleven duurt nog steeds voort. Het ‘glazenplafond’ haalt nog geregeld de kranten. 

Andere signalen dat volledige gelijkwaardigheid nog niet is bereikt, zijn de aanhoudende discussies over ‘institutionele discriminatie’ en white privilege’. Of er hier werkelijk sprake is van bewuste discriminatie en achterstelling is een vraag die ik hier buiten beschouwing laat. Dat mensen zich achtergesteld voelen is in ieder geval wel een signaal dat niet iedereen zich even gelijkwaardig voelt en gelijke kansen heeft. Op dit punt is er nog een wereld te winnen.

Met gelijke kansen, kom ik bij een gevaar voor de gelijkheid. Vrijheid kent een positieve en een negatieve variant. Gelijkwaardigheid kent iets soortgelijks. Tot nu toe heb ik het alleen nog maar gehad over politieke gelijkwaardigheid, laat ik dit negatieve gelijkwaardigheid noemen. Dan is naast deze negatieve gelijkwaardigheid, het voor de wet gelijk zijn, ook zoiets als positieve gelijkwaardigheid, de economische mogelijkheid om op een redelijk gelijkwaardig niveau te kunnen leven. Dat er een gebrek is aan deze positieve gelijkwaardigheid bleek de afgelopen jaren. In de campagne voor de Kamerverkiezingen van 2023 kwam dit thema terug onder de noemer van ‘bestaanszekerheid.

In Nederland groeide de aandacht voor ongelijkheid met het boek Capital in the Twenty-First Century van de Franse econoom Thomas Piketty. In zijn boek beschrijft Piketty een toenemende ongelijkheid in vermogen. Piketty betoogt, en toont dit aan met cijfers, dat vermogens in toenemende mate ongelijk zijn verdeeld. De top 10% bezit een steeds groter aandeel in het totale vermogen en binnen die 10% bezit de bovenste 10% (dus 1% van de totale bevolking) een steeds groter deel van het vermogen. Vermogen groeit, zo betoogt Piketty, sneller dan de economie en het inkomen. Daar waar tot begin twintigste eeuw het totale kapitaal in de grote Europese landen zes tot zeven keer zo groot was als het jaarinkomen van het betreffende land, daalde dat naar twee tot drie keer het nationaal inkomen. Nu komt het weer in de buurt van verhouding van voor de wereldoorlogen. Zie hiervoor de hoofdstukken drie en vier van Capital in the Twenty-First Century.        

De gevolgen hiervan beschrijft de Amerikaanse econoom Joseph Stiglitz in zijn boek The Price of Inequality. Stiglitz spreekt over de 1% van de Amerikaanse samenleving die in feite bepaalt wat er gebeurt. Die 1% meest vermogenden hebben de mogelijkheid en gebruiken die ook om de zaken in hun voordeel te beïnvloeden. Dit doen zij door invloed te ‘kopen’ bij politici onder andere door hen aanlokkelijke carrièreperspectieven te bieden. Bovendien zijn zij de financiers van de media, de belangrijke universiteiten en denktanks en ook via dit kanaal beïnvloeden zij de beeldvorming en de samenleving in een voor hun belangen gunstige richting. Als laatste kunnen zij met hun kapitaal ook hun ‘recht’ kopen, ook als zij niet in hun recht staan. Met diepe zakken kun je iemand die er niet over beschikt immers ‘failliet’ procederen. Stiglitz spreekt over ‘one dollar, one vote’. Een proces dat eind jaren zeventig in de Verenigde Staten is ingezet en dat tijdens de laatste verkiezingsronde in de VS tot haar voorlopige hoogtepunt kwam.

In Nederland ziet het er nog anders uit dan in de door Stiglitz beschreven VS. Dat biedt echter geen garantie dat het zo blijft. Gelukkig kennen wij een sterkere publieke omroep dan in de Verenigde Staten, maar voor die publieke omroep zijn de kijkcijfers steeds belangrijker waardoor programma’s die tot denken aanzetten (anders dan een quiz) steeds meer op een onmogelijk tijdstip worden uitgezonden. Na het verwijt dat dit stelsel ‘ links’ was en ‘drie keer Volkskrant’ was, een verwijt dat voor het eerst klonk na de moord op Fortuyn is er veel veranderd en is het veeleer, ‘ vijf keer Telegraaf, om een uitspraak van Catherine Keyl aan te halen. Donaties aan partijen zijn gelukkig aan regels gebonden. Het optreden van Frank van Gool, de baas van uitzendbureau Otto, dat groot werd met het halen van arbeidsmigranten uit Polen, in het SBS verkiezingsdebat van november 2023 laat zien dat er ook in Nederland zaken dubieus zijn. Dubieus omdat Van Gool een sponsor is van de VVD. Dat en zijn eigenaarschap van Otto, werd in het debat niet genoemd. Gelukkig is het onderwijs nog steeds publiek gefinancierd en nog redelijk toegankelijk voor iedereen. En gelukkig wordt het onderwijs hier nog vooral door de overheid bekostigd. Al wordt het voor studenten zonder ouders die bijbetalen, steeds duurder om te studeren. Studeren kan, maar leidt dan tot een forse studieschuld die hen weer hindert in het vervolg van hun carrière. Ook zijn er signalen in de richting van ‘elite onderwijs’. De opkomst van University Colleges waarvoor het collegegeld fors hoger is dan voor een reguliere universitaire studie kunnen stappen zijn in die richting. Als, en de signalen wijzen in die richting, ‘one dollar’, werkelijk ‘one vote’ ook in Nederland voet aan de grond begint te krijgen, dan staan we op een punt dat we de maximale negatieve gelijkwaardigheid hebben bereikt terwijl juist de positieve gelijkwaardigheid, de mogelijkheid om ook werkelijk een gelijkwaardige invloed op de samenleving te hebben, juist steeds kleiner wordt.

De Franse Socioloog Loïc Wacquant onderzocht en vergeleek marginaliteit, een extreme vorm van positieve ongelijkwaardigheid. Hij vergeleek hierbij de Amerikaanse Getto’s met de Franse Banlieues. Wacquant beschrijft zes kenmerken van marginaliteit. Als eerste de veranderde functie van betaald werk. Daar waar in het industriële tijdperk betaald werk een uitweg bood uit marginaliteit, is dat in steeds mindere mate het geval. Werk is in toenemende mate flexibel in tijd en uren, parttime, met kortdurende contracten, met steeds minder sociale garanties en voorzieningen. Het leidt hierdoor niet tot zekerheid. Wacquant :“Omdat loonarbeid ‘intern’ onstabiel en heterogeen gedifferentieerd en differentiërend is geworden, is het niet langer een bron van homogeniteit, solidariteit en zekerheid, maar eerder een van sociale versnipperingen onbestendigheid voor degenen die opgesloten zitten in de marges van de arbeidsmarkt.2Het tweede kenmerk. Marginaliteit staat steeds meer los van de economische cyclus, zo noemt Wacquant. De marginalen profiteren niet van tijden van economische voorspoed en krijgen extra klappen in tijden van crisis. Als derde is marginaliteit ruimtelijk gefixeerd. Wacquant: “De nieuwe marginaliteit is niet verspreid over arbeidsbuurten maar geconcentreerd in geïsoleerde, afgegrensde gebieden die door buitenstaanders en door de inwoners zelf steeds meer worden gezien als het vagevuur van de maatschappij, een leprakolonie in het hart van de postindustriële metropool waar alleen verschoppelingen willen wonen.3De vierde eigenschap is wat Wacquant noemt Ruimtelijke vervreemding en de ontbinding van de ‘plek’. Een plek is een ruimte geworden. Op een plek voel je je thuis en in een ruimte niet (“Een ‘plek’ is een gevulde, stevige stabiele kring. Een ‘ruimte’ daarentegen is een ‘potentiële leegte’, ‘een mogelijke bedreiging’, een gebied dat angst aanjaagt, waarin mensen opgesloten zijn of waaruit ze vluchten.”4 De vijfde eigenschap hangt hiermee samen: het verlies van het ‘Hinterland’. Daar waar men bij verlies van baan in het verleden kon terugvallen op het netwerk in dorp, buurt of wijk, is dat nu steeds minder het geval:”Mensen die langdurig zijn uitgesloten van betaald werk in delegatiebuurten kunnen vandaag niet direct terugvallen op collectieve, informele steun terwijl ze wachten op nieuw werk. … Om te overleven moeten ze hun toevlucht nemen tot strategieën om ‘in hun onderhoud te voorzien’, zwart en grijs werk, ondergrondse handel, criminele activiteiten quasi-geïnstitutionaliseerde ‘hustling’.5 Als laatste eigenschap noemt Wacquant sociale fragmentatie en symbolische versplintering, het uiteenvallen van de oude klassenstructuur.

Als we Nederland naast die zes kenmerken leggen dan zien we steeds meer kenmerken van marginaliteit. Arbeid is en wordt voor steeds meer mensen onstabiel en onzeker. Neem het neerwaarts bijstellen van lonen bijvoorbeeld in de (thuis)zorg en het ontslaan van mensen om hen vervolgens als ‘zelfstandige zonder personeel’ in te huren om hetzelfde werk te gaan doen. De groep die niet profiteert van economische voorspoed en dus alleen maar klappen krijgt, wordt steeds groter. Marginaliteit is ook ruimtelijk gefixeerd. Nederland kent economisch zeer dynamische gebieden zoals Brainport Eindhoven. Gebieden die groeien zowel economisch als qua bevolking. Maar ook gebieden met weinig tot geen groei. Gebieden die qua bevolking krimpen. Gebieden zoals de Mijnstreek en Oost Groningen. Maar ook binnen de gebieden die zich stormachtig ontwikkelen zijn er wijken en buurten waar marginaliteit is geconcentreerd. Een bijzondere vorm van ruimtelijke fixatie, zijn de vele jeugdigen die geen woonruimte kunnen vinden en daarom maar bij hun ouders blijven wonen.

Ook zien we dat Nederland steeds minder ‘plekken’ kent en steeds meer ‘ruimte’. Het oprukkende cameratoezicht is een gevolg het oprukken van de ‘ruimte’ en het verdwijnen van de ‘plek’. Op een plek is beveiliging niet nodig. Voor veel mensen begint de ruimte aan de buitenkant van de voor- en achterdeur getuigen de vele deurbellen met camera’s en de hoge muren en hekken waarmee tuinen worden afgeschermd. Ook het geklaag over rondhangende jeugd laat zien dat de plek een ruimte is geworden. Meest extreme voorbeeld zijn klachten over geluidsoverlast door het gebruik van een speeltuintje. Hiermee komen we bij het ‘Hinterland’, het netwerk of dorp waarop mensen kunnen terugvallen. De genoemde deurbellen en klachten laten zien dat we in toenemende mate op een ‘eiland’ leven. Als je zelfs je eigen buren en buurt niet vertrouwt, op wie kun je dan nog terugvallen? En niemand hebben om op terug te vallen, wordt een groter probleem naarmate je meer ondersteuning en zorg nodig hebt. Hierbij wordt met de beelden van de jaren vijftig voor ogen toen we op de wereld waren om mekaar te helpen, een steeds groter beroep gedaan op het ‘Hinterland’. Juist de meest kwetsbare personen blijken geen mensen in hun omgeving te hebben die hierin iets kunnen betekenen. En veel van die meest kwetsbare mensen wonen in een omgeving die Wacquant bedoeld met gefixeerde ruimtelijke marginaliteit. Gebieden waar ook ‘hustling’ voorkomt. Zie bijvoorbeeld de productie van wiet en synthetische drugs.

De, zoals ik het heb genoemd, negatieve gelijkwaardigheid moet maximaal zijn. Voor de wet is en moet iedereen immers gelijk zijn. Voor de tweede variant van gelijkwaardigheid, die ik de positieve gelijkwaardigheid noem, ligt dat anders. Ieder mens heeft immers andere capaciteiten en ook een andere motivatie. Die mogen worden beloond en dat zorgt ervoor dat op dit gebied niet iedereen even gelijkwaardig is. Volledige gelijkwaardigheid op dit gebied is een utopie die in het voormalige Oostblok werd nagestreefd. Dat leidt niet tot de meest prettige samenleving en nodigde niet uit om er voor jezelf en de samenleving het beste van te maken. Het andere uiterste, extreme verschillen in positieve gelijkwaardigheid, leidt ook niet tot de meest prettige samenleving. De meest prettige samenleving ligt ergens in het midden. Bij het zoeken naar dat midden, moeten we vooral oog hebben voor de mensen die gemarginaliseerd zijn en dreigen te raken.

Tot nu toe wordt geprobeerd de instabiliteit van arbeid en inkomen door aan banden leggen van flexibele arbeidscontracten en het streven naar vaste arbeidscontracten die dan weer flexibeler moeten worden. De onzekerheid die mensen hierdoor ervaren wordt opgelost door de schijnzekerheid van een vast contract. Naar de verhoudingen zoals ze tot de jaren zeventig van de vorige eeuw waren: werk voor het leven bij een basis. Gepoogd wordt om de flexibiliteit te fixeren. En fixatie leidt tot starheid waar bedrijven lastig mee om kunnen gaan. Zou een alternatief kunnen zijn om flexibiliteit te als uitgangspunt te nemen? Door te zoeken naar oplossingen die arbeidsverhoudingen flexibel laat maar gevolgen ervan, onzekerheid over inkomen wegneemt. Door bijvoorbeeld iedereen een vast basisinkomen te geven. Een basisinkomen dat met inkomsten uit arbeid aangevuld kan worden. Zo zorgen we voor financiële bestaanszekerheid voor iedereen op een basisniveau. Financiële onzekerheid kost veel energie en hersencapaciteit van mensen, leidt tot lichamelijke en geestelijke klachtenen de stress die het veroorzaakt heeft invloed op de hele omgeving en vooral op eventuele kinderen. Een basisinkomen zou ook op deze gebieden tot een toename van de bestaanszekerheid kunnen leiden.

Ook moeten we oog hebben voor de gevaren van ruimtelijk gefixeerde marginaliteit. Dit is lastig want je kunt ‘Oost-Groningen’ niet verplaatsen naar Eindhoven om zo een betere mix te krijgen. Wel kan er bij nieuwbouw of vervangende nieuwbouw van woningen worden gezocht naar een mix en zo proberen ‘gefixeerde ruimtelijke marginaliteit’ los te trekken. Dit is echter een proces van zeer lange adem. Bouwtrajecten duren lang en normaal gesproken voor een zeer lange periode. Hier moeten we het ruimtelijke als uitgangspunt nemen en beleid erop richten de gefixeerde marginaliteit te flexibiliseren. Dat zou kunnen door meer te investeren in openbaar vervoer tussen de krimpgebieden en de groeigebieden. Dit maakt het woongebied voor de groeiregio groter net zoals het werkgebied voor de mensen in de krimpregio.

We moeten ruimte voor ‘plek’ terugwinnen op de ‘ruimte’. Dat zou kunnen door de grootste ‘ruimtevreter’ zowel in fysieke als in sociale zin, de auto, terug te dringen. Wel tot eigen voordeur kunnen rijden om mensen en spullen uit te laden maar niet meer voor eigen deur parkeren. Dat maakt het mogelijk om straten groener en mensvriendelijker in te richten. Dat maakte het mogelijk om kinderen op straat te laten spelen en de straat van ruimte in een plek te veranderen. Maar ook door bijvoorbeeld gezamenlijke groentetuinen. Tuinen waar mensen samen met hun buren groente telen en delen. En met dit delen vermenigvuldigen ze want ze worden elkaars ‘Hinterland’ en er wordt nieuw sociaal weefsel gecreëerd en daarmee ook bestaanszekerheid.

Suggesties hoe het anders zou kunnen en zo zijn er vast nog veel meer ideeën. Om die ideeën gaat het mij nu niet. Nu gaat het mij om tot een kader te komen om het gesprek over bestaanszekerheid te voeren. Om het ‘bestaanszekerheid’ tot meer te maken dan een container waarin ieder zijn ideeën deponeert en naar gelieve weer uit tevoorschijn haalt. Ik hoop dat jullie hier wat aan hebben en dat het jullie helpt bij het beoordelen en kritisch bevragen van verkiezingsprogramma’s maar vooral van uitspraken van politici en ik ben benieuwd of het jullie helpt.

1 Beatrice de Graaf, Tegen terreur. Hoe Europa veilig werd na Napoleon, pagina 225

2 Loic Waquant, De paria’s van de stad. Nieuwe marginaliteit in tijden van neoliberalisme, pagina 271

3 Idem, pagina 274

4Idem, pagina 279

5Idem pagina 282

Uitgelicht

Spock en het totalitarisme van het heden

De motie van PvdA-Groenlinks, waarover mijn vorige Prikker handelde, houdt de gemoederen goed bezig. Via LinkedIn las ik een wel heel bijzondere reactie van psychiater Esther van Fenema. Volgens Van Fenema had die motie niet ingediend moeten worden omdat ze: “bij anderen woede, onbegrip of zelfs afschuw op(roept). Precies dát is het probleem: zulke symboliek verdeelt. Mensen haken af, sluiten zich af, of gaan vol in de aanval. Het gesprek stokt of radicaliseert.” Daarom is deze motie: “allesbehalve onschuldig” Bij het lezen van het bericht van Van Fenema moest ik denken aan mr. Spock uit de serie Star Trek.

De motie roept bij mensen afschuw en woede en ze polariseert dus daarom zou deze niet ingediend mogen worden. Want zo’n motie zorgt ervoor dat: “mensen lijnrecht tegenover elkaar (staan). En ik vind het politieke verantwoordelijkheid om júist dat in deze tijd te voorkomen!” Zeker omdat, zo betoogt Van Fenema: “Op praktisch niveau (…) de impact waarschijnlijk beperkt (blijft).” Op het eerste oog, of beter oor, klinkt dat heel redelijk. Dat is het echter niet.

Consequent door redenerend leidt dit ertoe dat niemand zijn emoties en sterker nog, zijn mening mag uiten. Er is namelijk altijd een kans dat er iemand is die aanstoot neemt aan die emoties. Bij wie die emoties of mening tot onbegrip, woede en afschuw leidt. Het lijkt mij niet dat dit tot een prettige samenleving leidt. Dit leidt tot een wereld vergelijkbaar met de planeet Vulcan. Op die planeet waar mr. Spock, die met die puntoren, vandaan komt regeert de ratio en worden alle emoties afgezworen of beter gezegd onderdrukt. De samenleving op Vulcan doet daardoor behoorlijk kil en afstandelijk aan. De Vulcans kozen daarvoor na een verleden geregeerd door emoties dat tot veel geweld en ellende leidde. Als mens lijkt mij dat een weinig aantrekkelijke omgeving om in te verkeren. Ik hoop dat Van Fenema zover niet wil gaan.

Van Fenema’s betoog komt erop neer dat de gevoelens en opvattingen van de ene groep boven die van een andere worden geplaatst. Om onbegrip, woede en afschuw van de ene groep te voorkomen, mag de andere groep haar mening en gevoelens niet uiten. In dit geval, en ik formuleer het bewust scherp, moeten de mensen die diep verontwaardigd, woedend zijn en vol afschuw kijken naar de manier waarop Israël het internationaal recht aan haar laars lapt, een oorlog begint en voor eigen rechter speelt hun mening en gevoelens verborgen houden omdat een andere groep aanstoot neemt aan die mening en gevoelens. Daarmee wordt aan de mening en gevoelens van de ene groep meer waarde en belang gehecht dan aan de gevoelens van de ander.

Een dergelijke redenering leidt tot maatschappelijke stilstand. Een samenleving komt verder en ontwikkelt zich door mensen die de bestaande orde ter discussie stellen. Dergelijke mensen roepen onbegrip, soms woede en afschuw op bij hen die alles bij het oude willen laten. Mensen die tevreden zijn met hoe het nu gaat. Het leidt tot een dictatuur van het bestaande. Het leidt tot een politiek systeem dat de hele maatschappij ondergeschikt maakt aan het handhaven van de huidige toestand. Het leidt tot het totalitarisme van het heden. Het leidt tot stilstand.

Uitgelicht

Election Files 3: vrijheid

Vrijheid. Een cruciaal woord waarnaar in de komende verkiezingscampagne weer vaak wordt verwezen, in deel drie van de ‘Election Files’ een nadere blik op vrijheid. Vrijheid, een woord dat tegenwoordig te pas en te onpas wordt gebruikt. Zo vonden er in 2021 en 2022 veel demonstraties plaats waarin mensen werd opgeroepen om op te staan en te demonstreren ‘voor de vrijheid’. Bij het voeren van een gesprek over vrijheid is het van belang om duidelijk te maken wat er met het begrip wordt bedoeld. Als er wordt gevraagd of je voor vrijheid bent, zal zo ongeveer iedereen JA zeggen. Als je de vraag toespitst op iets specifieks dan kan dat heel anders liggen. Zo leert de discussie rond het waardig levenseinde of abortus ons dat lang niet iedereen de vrijheid om je eigen einde te kiezen of de vrijheid van een vrouw om te kiezen voor een abortus ondersteunt.

Sinds 1999 wordt de laatste week van het jaar opgeluisterd door de TOP2000. De lijst met 2000 liedjes die door de luisteraars van Radio2 wordt samengesteld. En zoals ieder jaar staat ook Me and Bobby McGee van Janis Joplin in de lijst. Joplin behoort bij de beroemde club van 27, de lijst met popartiesten die niet ouder werden dan 27 jaar. Die lijst bevat naast Joplin illustere namen als Brian Jones de medeoprichter en gitarist van de Rolling Stones, de legendarische gitarist Jimi Hendrix, Doors voorman Jim Morrison, Nirvana voorman Kurt Cobain en Amy Winehouse. Terug naar Me and Bobby McGee en vooral naar het eerste refrein dat begint met de zin: “Freedom’s just another word for nothin’ left to lose. Nothin’, it ain’t nothin’ honey, if it ain’t free.” Je bent vrij als je niets meer te verliezen hebt. Als je niets meer te verliezen hebt, ben je vrij, zingt Joplin. De ‘demonstranten voor de vrijheid’ dachten daar anders over. Zij protesteren omdat ze iets verliezen waardoor hun vrijheid verloren gaat.

Bron: pexels.com/

Vrijheid werd, zo betoogt Annelien de Dijn: “met de democratisering van veel stadstaten rond 500 v.Chr, … een belangrijker ideaal in de Griekse politieke cultuur. In die periode begonnen gewone mannelijke burgers in diverse Griekse steden aanzienlijke macht uit te oefenen. Belangrijke politieke beslissingen werden nu vaak genomen in vergadering waarin alle mannelijke burgers, in principe althans, evenveel te zeggen hadden.” i Op die bestuursvorm, democratie, die toen ontstond, kom ik in een ander hoofdstuk terug want ook daar is veel over te vertellen. Volgens de Grieken was een vrije staat een staat waar mensen hun eigen bestuursvorm bepaalden. Vrijheid betekende meebepalen en meebesturen. Vrijheid bij de oude Grieken was gericht op de groep.

Die gerichtheid op de groep is, zo betoogt De Dijn, een gevolg van de confrontatie tussen de Grieken en de Perzen. In die confrontatie gebeurde min of meer hetzelfde als er in Oekraïne gebeurde. Die oorlog zorgde ervoor dat de Oekraïners zich Oekraïenser gingen voelen dan ze zich ooit hadden gevoeld. In de Griekse stadstaten gebeurde volgens De Dijn, ook zoiets: “De lange, bloederige confrontatie met de Perzen had een enorme impact op de politieke verbeelding van de Grieken. Ze begonnen het Grieks-zijn te beschouwen als een collectieve identiteit, die grotendeels werd bepaald door de dingen die hen onderscheidden van hun buitenlandse aanvallers. En het belangrijkste verschil (althans in de ogen van de Grieken zelf) was hun politieke organisatie. Zoals de Griekse waarnemers keer op keer benadrukten, zaten de Perzen en hun bondgenoten onder de duim bij een machtige autocraat. Maar in Griekenland deden ze dingen anders. Griekse burgers waren vrij omdat ze zichzelf bestuurden.” ii Op het beeld dat de Grieken van zichzelf en van de Perzen hadden, is het nodige aan te merken vandaar ook de toevoeging tussen haakjes van De Dijn. Maar ook daarin verschillen de oude Grieken niet zoveel van de hedendaagse mensen. Omdat Europa en dan vooral het westelijk deel ervan, de Grieken als de bakermat van hun cultuur en samenleving zien, is dat vertekende Griekse beeld in het westerse doorgesijpeld. Doorgesijpeld met enige vervorming. Vervorming omdat de belangrijkste bron betreffende de oorlog tegen de Perzen Herodotus is. De, zoals hij wordt genoemd, vader van de geschiedwetenschap.

Nu is niet te achterhalen of Herodotus (die leefde tussen 485 en 425) werkelijk de eerste geschiedschrijver was. Wat we zeker weten is dat hij de geschiedschrijver is van het oudst bewaarde ‘geschiedenisboek’, zijn Historiën. Alles wat ik zag, hoorde en onderzocht. Het is daarmee een van de belangrijkste bronnen die ons inzicht geven in het denken in het oude Griekenland. In zijn Historiën beschrijft hij de oorlog tussen de Grieken en de Perzen en de lange aanloop ernaartoe, een periode van circa 560 tot 479 BCEiii. Aangezien Herodotus waarschijnlijk in 484 is geboren, schrijft hij vooral over zaken die hij niet zelf heeft meegemaakt en die hij ‘van horen zeggen’ heeft. Of zoals hij zelf in de ondertitel schrijft: ‘’ Alles wat ik zag, hoorde en onderzocht.” iv Zijn Historiën is een echt geschiedenisboek, omdat hij schreef over een gebeurtenis of beter een reeks gebeurtenissen die zich deels voor zijn geboorte en deels in zijn heel vroege jeugd afspeelden, de Perzische oorlogen aan het begin van de vijfde eeuw voor onze jaartelling en de aanloop ernaar. Oorlogen met drie bekende slagen. Iedereen die nu de marathon loopt, treedt in de voetsporen van Pheidippides. Volgens de bekende legende rende Pheidippides van Marathon naar Athene, sprak daar de woorden ‘gegroet, we hebben gewonnen’ en viel dood neer. Hiermee deed hij verslag van de slag bij Marathon in 490 alwaar de Grieken de Perzen in de eerste Perzische oorlog versloegen. Deze versie hebben we te danken aan Pioutarchos die deze bijna zes eeuwen nadien optekende. De tweede bekende slag is die bij Thermopylae in 480 alwaar een van de koningen van Sparta, Leonidas, met een kleine strijdmacht trachtte het ver in het overtal zijnde Perzische leger tegen te houden. De Perzen wonnen die slag maar leden er zeer grote verliezen. De film 300. Rise of an Empire verhaalt over deze slag. Als laatste de slag op zee bij Salamis vlak na die bij Thermopylae ook in 480 die de Perzen verloren en die koning Xerxes deed besluiten zijn poging om de Griekse gebieden te onderwerpen te staken.

Vrijheid was voor de oude Grieken dus meebesturen en: “Dit onderscheidde hen van de Perzen, die niet alleen onderworpen waren aan absolute heersers als Xerxes, maar hun onderwerping ook onbewogen leken te aanvaarden.” De Perzen werden in de ogen van de Grieken: “overheerst en geknecht” v en waren daarom ‘slaaf’. Vrijheid geplaatst tegenover slavernij is van nog veel vroeger datum: “dit onderscheid was bekend bij alle samenlevingen in het Nabije Oosten. Mesopotamische talen als het Akkadisch en Soemerisch hadden woorden voor ‘vrijheid’(respectievelijk andoeraroem en amargi), die net als het Oudgrieks het tegenovergestelde van persoonlijke onderworpenheid aanduidden. We vinden al verwijzingen naar ‘vrijheid’ tegenover juridische slavernij in Mesopotamische documenten uit het derde millennium v.Chr,” vi aldus De Dijn. Het onderscheid tussen vrijheid en slavernij speelt in zeer veel culturen een rol.

De oude Grieken voegde aan dat oude begrip vrijheid een nieuwe dimensie toe. Daar waar vrijheid en slavernij in alle andere culturen betrekking had op het individu, verbreedden de oude Grieken de begrippen naar het politieke niveau van een samenleving. De Grieken waren vrij omdat ze zichzelf bestuurden, de Perzen waren, hoe rijk en machtig ze ook waren, slaven van hun Grote Koning. Herodotus verhaalt van een tocht die Sperthias en Boulis maakten naar het hof van de Perzische Grote Koning. Een tocht om een boete te betalen voor de dood van een door de Perzische Grote Koning Darius gezonden afgezant. De Spartanen hadden deze afgezant in een put gegooid: “met de aanbeveling daaruit aarde en water mee te nemen.” vii Op weg naar het Perzische hof kwamen ze langs bij: “Hydarnes, een Pers, militair bevelhebber over de kuststeden van Azië. Deze man onthaalde de Spartanen gastvrij en stelde hun tijdens de ontvangst de vraag: ‘Spartanen, waarom bent u zo afkerig van vriendschap met de koning? U ziet toch dat de koning de kunst verstaat verdienstelijke mannen eer te bewijzen, wanneer u naar mij en naar mijn positie kijkt. Zo kan het ook u vergaan: als u zichzelf aan hem overgeeft, kan ieder van u (want u hebt zich bij hem de naam van verdienstelijke mannen verworven) over een deel van Griekenland gaan heersen, als een voorrecht dat de koning u schenkt.’” Spartanen zagen het echter anders: “Hydarnes, de raad die u ons geeft berust maar op één kant van de zaak! U geeft die raad op grond van uw ervaring met het ene, maar het andere hebt u niet ervaren. Wat slaaf zijn betekent, weet u, maar leven in vrijheid hebt u nooit meegemaakt en u weet niet of vrijheid zoet is of niet. Als u met vrijheid kennis zou maken, zou u ons aanraden haar niet alleen met speren, maar ook met bijlen te verdedigen.” viii

Daarmee hebben we drie betekenissen van vrijheid. Als eerste Joplin’s ‘nothing left to loose’. Als tweede de individueel vrijheid die staat tegenover slavernij. En als derde de politieke door vrijheid te verbinden aan het besturen van een politieke eenheid, vrijheid is zelf deel hebben aan het bestuur van je stad of land.

In het redactioneel Commentaar van een van de eerste edities van De Andere Krant wordt een uitspraak van Spinoza aangehaald in relatie tot vrijheid. Die: “al in 1673 stelde dat het doel van de staat vrijheid is. De staat moet er alles aan doen om iedereen een zo vrij mogelijk leven te laten leiden.” Volgens de auteur van het Commentaar, Sander Compagner, gaat het daar mis want: “Bij iedere crisis is de reactie van de verschillende overheden om hun controle op de samenleving te vergroten. Dit gaat ten koste van onze vrijheid.” ix De staat die vrijheden inperkt in plaats van iedereen een zo vrij mogelijk leven te laten leiden. Precies dat wat er, zo betoogt de auteur, bij de aanpak van de coronacrisis gebeurt. Met de definitie van Joplin zou je dat anders kunnen beoordelen: de controle van de staat zorgt ervoor dat je weer minder te verliezen hebt en je dus vrijer wordt. Als we Joplin even vergeten en kijken naar Spinoza. Compagner ziet een overheid die de burger wil controleren. Hij zoekt daarbij steun bij de genoemde zeventiende-eeuwse filosoof die immers verkondigde dat het doel van de staat vrijheid is’. Dat Spinoza dat verkondigde is niet te ontkennen, maar wat bedoelde hij daarmee? Bedoelde hij daarmee dat de overheid ons allen niet mag beperken en ons vrij moest laten om onze hartstochten na te jagen? Met andere woorden wat verstaat Spinoza onder vrijheid?

Spinoza deed deze uitspraak in 1670 in een van zijn belangrijke werken het Tractatus theologico-politicus. Het werd anoniem gepubliceerd en dat wat niet voor niets omdat hij pleitte voor volledige vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid. Zaken die in de zeventiende eeuw nog lang geen gemeengoed waren. Hij sprak vooral over burgerlijke en politieke vrijheid. Over de manier waarop een staat bestuurd zou moeten worden en beschreef democratie als: “het meest natuurlijke staatsbestel, dat het dichtst in de buurt komt van die vrijheid die de natuur ieder mens schenkt. Want in een democratische staat draagt niemand zijn natuurlijk recht volledig aan een ander over zodat hij daarna niet meer hoeft te worden geraadpleegd; hij draagt het over aan de meerderheid van de volledige gemeenschap waar hij deel van uitmaakt. Op die manier blijven alle mensen gelijk, zoals ze waren in hun natuurlijke staat.” x

Hij schreef niet over het ‘recht op de kroeg’ of de vrijheid een festival te bezoeken of op vakantie te gaan. Daar handelde zijn hoofdwerk Ethica dat na zijn dood verscheen over. Daarin zet hij vrijheid tegenover slavernij. En nee, niet slavernij in de zin van het bezitten van andere mensen, dat trouwens ook een manier is om vrijheid te beschrijven. Spinoza’s slaaf zit in ons allen. “Het menselijk onvermogen om de gevoelens te matigen en in te tomen noem ik slavernij.” En vervolgt met: “Een mens die aan zijn gevoelens onderworpen is, is immers niet onafhankelijk, maar afhankelijk van het lot; en hij is dusdanig in de macht van dat lot dat hij vaak gedwongen is het slechte te volgen, hoewel hij iets ziet wat beter voor hem is.” xi Voor Spinoza was en is een vrij mens een mens die volgens de rede leeft en niet volgens zijn hartstochten: “De mens die door de rede wordt geleid, is vrijer in de staat – waar hij volgens het gemeenschappelijk besluit leeft – dan in eenzaamheid, waar hij alleen zichzelf gehoorzaamt.” xii Vrijheid is leven volgens de rede en niet de hartstochten. Nu moeten we Spinoza in zijn tijd zien en die tijd was de zeventiende eeuw de eeuw van de ontluikende Verlichting een stroming waarvan René Descartes, de basis legde met de woorden cogito ergo sum: ‘ik denk, dus ik ben’. Descartes wilde alles kunnen beredeneren en twijfelde aan alles. Met deze woorden creëerde hij een eerste zekerheid. Dat is de achtergrond van Spinoza’s definitie van vrijheid: leven volgens de rede en niet de hartstocht. Meer dan 300 jaar nadenken en redeneren hebben ons geleerd dat onze rede ook bijzonder goed is om hartstochten als rede te verkopen en omgekeerd ook om rede tot hartstocht te verklaren. De rede kent veel dwalingen. Wie kent er nog de frenologie. De leer dat het karakter uit de vorm van de schedel afgeleid kan worden, die bepaalde knobbels zou vertonen. De leer waaraan we de begrippen ‘wiskunde’ en talenknobbel’ te danken hebben. En de ervan afgeleide studie naar de vorm en afmeting van de schedel, de craniometrie, de studie van de vorm, afmetingen en onderlinge verhoudingen van de botten van de menselijke schedel. Dit met als veronderstelling dat hoe groter de schedel was, hoe intelligenter de mens was. Als dat werkelijk zo zou zijn, dan zouden niet wij, de Homo sapiens, hebben overleefd, maar de Neanderthaler. Hun schedel en herseninhoud was groter dan die van de mens. De beoefenaren van deze wetenschap konden, geleid door de rede, uitstekend beredeneren waar er toch echt sprake was van wetenschap. Galileo Galilei is een voorbeeld van het omgekeerde wetenschap tot ‘hartstocht’ maken. Hij toonde aan dat het heliocentrische wereldbeeld van Copernicus meer was dan een wiskundig model. Iets wat niet in het kerkelijke wereldbeeld paste.

Spinoza pleitte voor vrijheid op de oud- Griekse manier, het recht om jezelf mee te besturen. Hij koppelde dat aan democratie. Nu leven we in een democratie, we besturen ons dus zelf. Compagner betoogt nu dat het handelen van die die overheid, wij zelf dus, onze vrijheid beperkt. De overheid die zich onze vrijheid toe-eigend. Dat is tegen het zere been van Compagner. Hij hanteert een andere definitie van vrijheid. Voor Compagner lijkt vrijheid te betekenen: ‘doen wat je wilt’.

‘Doen wat je wilt’ klinkt mooi en leuk. Maar met ‘ doen wat je wilt’ is conflict niet ver weg. Wat ik wil en dus doe, zou jou wel eens flink kunnen hinderen. Als ik met 160 kilometer per uur over de linker weghelft wil racen en dat doe, en jij komt me tegemoet, dan ben je niet blij met mij. ‘Doen wat je wilt’ wordt ook wel negatieve vrijheid genoemd. Het begrip negatieve vrijheid komt, net als trouwens positieve vrijheid, uit de koker van de filosoof Isaiah Berlin. Die sprak erover in zijn inaugurale rede op 30 oktober 1958. Die rede is uitgegeven in een klein boekje met als titel Twee opvattingen over vrijheid. Twee betekenissen van vrijheid waarbij het: “niet (gaat) om twee interpretaties van één begrip, maar om sterk afwijkende, onverenigbare houdingen ten opzichte van de doeleinden van het leven.”xiii Berlin omschrijft negatieve vrijheid als volgt: “ “het domein waarbinnen het aan het subject – een persoon of groep personen- wordt overgelaten of zou moeten worden overgelaten, om te doen of te zijn wat in zijn vermogen ligt, zonder tussenkomst van andere personen.”xiv Berlin spreekt over het ‘domein waarbinnen’ en daar kunnen we uit concluderen dat Berlin ook wel inzag dat dit niet de complete samenleving zou kunnen zijn. Verkeersregels zijn toch nodig. Hij zal zijn klassiekers ook wel hebben gekend, in dit geval John Stuart Mill en zijn boek Over vrijheid. Een klassiek werk over vrijheid en de beperkingen ervan. Mill over die beperking : “Zodra een deel van iemands handelen nadelig is voor de belangen van anderen, valt het onder de jurisdictie van de maatschappij, en wordt het een punt van discussie of het algemeen belang al dan niet gediend zal zijn als men ingrijpt.” xv Jurisdictie van de maatschappij is een mooie manier om te zeggen dat de overheid mag ingrijpen. Cruciaal zijn de woorden ‘nadelig voor anderen’. Als iets nadelig is voor anderen dan kan de overheid haar machtsmiddelen gebruiken om in te grijpen en de anderen te beschermen tegen het individu. Dat beschermen hoeft niet te betekenen dat iets wordt verboden. Sterker nog, dat is niet nodig als er maar voldoende maatregelen worden genomen om het nadelige effect voor de ander weg te nemen.

Laten we eens kijken naar voorbeelden. Als eerste roken. Dat iedereen mag roken staat voor mij buiten kijf net zoals ook andere genotsmiddelen zoals alcohol en drugs gebruikt mogen worden. Ben je als aanhanger van negatieve vrijheid dan ook meteen voor roken in publieke ruimten? Daarvoor moeten we naar Mills schadebeginsel. De schade die een persoon door te roken aan zichzelf toebrengt is geen reden voor overheidsingrijpen. Maar, roken verschilt hierbij van alcohol en bijvoorbeeld een pilletje xtc, omdat de rook door anderen kan worden ingeademd en die rook kan hun gezondheid schade toebrengen. Die schade is aantoonbaar en berekenbaar in een verhoogde kans op kanker en minder lang leven. Die verhoogde kans op kanker leidt tot hogere uitgaven voor gezondheidszorg. Roken kan anderen dus schade toebrengen. Dit kan overheidsingrijpen rechtvaardigen. Om die hogere gezondheidskosten te betalen kan de prijs van het genotsmiddel kunstmatig worden verhoogd door het extra te belasten. Dat doet onze overheid ook bij tabak en alcohol. Het kortere leven bij meeroken wordt hier niet door voorkomen. Daaraan draagt een verbod op roken in publieke ruimtes wel bij. Dit voorkomt immers dat iemand ongewild meerookt. Een beperking van vrijheid van de roker die je kunt verdedigen. Vanuit het gezichtspunt van de negatieve vrijheid kan daarmee toch een rookverbod in publieke ruimtes worden onderbouwd. Een tweede voorbeeld: de maatregelen om klimaatverandering tegen te gaan. Daarvoor kun je een soortgelijke redenering hanteren. Uitstoot van bijvoorbeeld koolstofdioxide kan schadelijk zijn voor land, levensstijl, lijf en leden van anderen. Zelfs een aanhanger van negatieve vrijheid kan daarom verdedigen dat er maatregelen worden genomen om de nadeligheid voor de belangen van anderen te voorkomen of te compenseren. Het beprijzen van de uitstoot van koolstofdioxide en de opbrengsten ervan gebruiken om die nadelen voor anderen te compenseren is goed verdedigbaar voor een aanhanger van negatieve vrijheid. Een laatste voorbeeld: het dragen van een boerka. Wie wordt in zijn belangen geschaad door de geringe kansen op de arbeidsmarkt van de boerkadrager? Of dat die persoon zich uitsluit van een groot deel van het maatschappelijk verkeer? Niemand, alleen de drager van de boerka. Maar wat als die boerka onder druk wordt gedragen? Wordt die druk weggenomen door een verbod? Ook als dat het geval is, is het dan niet vreemd dat het slachtoffer van de druk wordt gestraft en niet de dader? Vanuit het gezichtspunt van de negatieve vrijheid is een boerkaverbod niet te onderbouwen.

Zoals gezegd zag Berlin twee opvattingen van vrijheid. Naast negatieve vrijheid schetste hij positieve vrijheid. Daar waar negatieve vrijheid kort geformuleerd neerkomt op vrij zijn van een verbiedende overheid, gaat positieve vrijheid over de mogelijkheden van iemand om iets te doen. Op zijn mogelijkheden om gebruik te maken van die negatieve vrijheid. Zo heeft iedereen de vrijheid om zijn mening op papier te zetten. Die vrijheid is bijna onbeperkt en dat zal een aanhanger van negatieve vrijheid deugd doen. Vanuit het gezichtspunt van de positieve vrijheid zal deze vrijheid ook worden toegejuicht, maar is de vrijheid van, niet voldoende. Om je mening op papier te verwoorden, moet je kunnen lezen en schrijven. Dus de mogelijkheid hebben om van een vrijheid gebruik te maken. Vanuit het gezichtspunt van de positieve vrijheid verwacht men daarom dat de overheid mensen onderricht en ze leert lezen en schrijven. Immers pas dan kunnen ze gebruikmaken van dit recht. De boerka weer als voorbeeld. Een boerka beperkt de drager in zijn mogelijkheden. De kansen op de arbeidsmarkt en op aansluiting bij het grootste deel van de samenleving, zijn beperkt. De boerka beperkt hierin net zoals het niet kunnen lezen en schrijven iemand beperkt om zijn mening op papier te zetten. Je kunt vanuit dit standpunt verdedigen dat een boerkaverbod de kans vergroot dat iemand werk vindt. Probleem is alleen dat de voormalige drager van de boerka dan wel de straat op moet. Als het gevolg van een verbod is dat die persoon zich in huis opsluit, dan verkleint het verbod de deelname.

Zo kent veel overheidsingrijpen een rechtvaardiging vanuit het gezichtspunt van de positieve vrijheid. Het onderwijs heb ik al genoemd en wat te denken van alle preventieve activiteiten op het gebied van de gezondheidszorg? Alle campagnes tegen roken, alcoholgebruik, suiker en campagnes voor bewegen en de schijf van vijf en haar opvolgers. Allemaal bedoeld om het gedrag van mensen in een bepaalde richting te beïnvloeden. Een richting waarvan de samenleving als geheel vindt dat het de goede richting is. Of denk aan veiligheidsgordels of een helm op de brommer. Maar ook de AOW en de andere sociale wetgeving. Die zijn allemaal gebaseerd op het positief vrijheidsbegrip. De AOW was immers, net als de werkloosheidswetgeving, bedoeld om een onafhankelijk leven mogelijk te maken. Onafhankelijk van de goedertierenheid van anderen. In haar bemoeienis met positieve vrijheid kan een overheid ook doorschieten. Dan wordt het betuttelend en gaat het te veel ten koste van de negatieve vrijheid. Zo kan een fervent aanhanger van het oude regime in de Sovjet Unie met recht en rede beweren dat het regime de vrijheid van mensen bevorderde terwijl het voor de mensen onder het regime kon voelen als een beknotting van hun vrijheid. Positieve en negatieve vrijheid zijn, zoals Berlin opmerkt, twee totaal verschillende houdingen ten opzichte van het doel van het leven. Tussen volledige negatieve vrijheid en het voormalige Sovjetregime zit een hele wereld aan mogelijkheden. De prettigste samenlevingen in deze wereld hebben een evenwicht gevonden tussen de twee vormen van vrijheid.

De meest bijzondere manier om vrijheid te definiëren stipte ik in mijn recente prikker Brood en Spelen aan. Die ligt in het verlengde van ‘doen wat ik wil’ van Compagner maar dan nog extremer. Haar vertegenwoordigers zien vrijheid in termen van de markt: vrijheid is consumptie. In zijn Techno optimstisch handvest betoogt Marc Andreessen dat technologie: “Bevrijdend (is) voor de menselijke ziel, de menselijke geest,” en een: “Uitbreiding van wat het kan betekenen om vrij te zijn, om vervuld te zijn, om te leven.” Artificiele intelligentie zou ertoe kunnen leiden dat: “ machines beslissingen voor ons nemen.” Als dat gebeurt, en dat zal, zo betoogt Andreessen gebeuren, dan: “wordt ruimschoots gecompenseerd door de vrijheid om ons leven in te richten die voortvloeit uit de materiële overvloed die wordt gecreëerd door ons gebruik van machines.”xvi Vrijheid is daarmee verworden tot materialisme. Iets wat Spinoza als slavernij zou betitelen.

Zo zie je maar weer dat de ene vrijheid de andere niet is. Wat de ene vrijheid noemt, is voor de ander een vorm van slavernij.

i Annelien de Dijn, Vrijheid. Een woelige geschiedenis, pagina 29-30

ii Idem, pagina 35

iii BCE = Before Common Era en betekent voor de gangbare jaartelling die begint met de veronderstelde geboortedatum van christus

iv De inleiding door de vertalers Michel Buijs en Wolther Kassies bij Herodotus, Historie. Alles wat ik zag hoorde en onderzocht, pagina 35

v Annelien de Dijn, Vrijheid. Een woelige geschiedenis, pagina 25

vi Idem, pagina 25-26

vii Herodotus, Historiën. Alles wat ik zag, hoorde en onderzocht, boek 7 133 (editie 2019 pagina 633)

viii Idem, boek 7 13 (editie 2019 pagina 633-634)

ix https://deanderekrant.nl/edities/6

x Geciteerd bij Annelien de Dijn, Vrijheid. Een woelige geschiedenis, pagina 205

xi Benedictus de Spinoza (vertaling Corinna Vermeulen), Ethica, pagina 179 (deel IV De slavernij van de mens of de kracht van de gevoelens)

xii Idem, pagina 237

xiii Isaiah Berlin, Twee opvattingen over vrijheid, uitgave uit 2010 van de Boom reeks Kleine Klassieken tekst op de kaft

xiv Idem, pagina 11

xv John Stuart Mill, Over Vrijheid, pagina 127

xvi The Techno-Optimist Manifesto

Uitgelicht

Election files 2: partijen uitsluiten

Na een kleine week gaf VVD-leider Dilan Yesilgöz antwoord op de vraag of haar partij nog in zee wil gaan met de PVV van Geert Wilders. “ Hij heeft opnieuw zijn kans verspeeld en heeft opnieuw zijn kiezers in de steek gelaten. In 2012 liep hij weg, terwijl ons land, op de rand van een economische crisis, juist behoefte had aan stabiliteit en leiderschap. Dertien jaar later, bleek er weinig veranderd. De laffe route van weglopen, is nog steeds de stijl van Wilders. Met zijn roekeloze gedrag, met zijn gebrek aan serieus uitgewerkte ideeën: keer op keer blijkt zijn eenmanspartij incapabel te zijn en niet te kunnen, maar vooral niet te wíllen leveren.” Met deze woorden lichtte zij haar besluit toe. Woorden waarmee Yesilgöz wil aangeven dat zij niet de partij en haar standpunten uitsluit, maar de persoon Wilders. Bijzonder omdat de partij alleen uit de persoon Wilders bestaat. Dat maakt het scheiden van de partij en de persoon lastig. In deze tweede Prikker onder de vlag Election files staat het uitsluiten van partijen centraal. Het uitsluiten van partijen is, zo betogen velen, niet democratisch want je sluit daarmee ook de kiezers van die partij uit. In deze Prikker onderzoek ik die uitspraak.

Onze Nederlandse democratie kenmerkt zich door de vele partijen. Partijen die allemaal een kans hebben op een zetel in de Tweede Kamer. Als een partij de kiesdeler haalt, dan krijgt deze partij een zetel in de Kamer. De kiesdeler wordt berekend door het totaal aantal uitgebrachte geldige stemmen te delen door 150, het aantal Kamerzetels. Sinds de invoering van het Algemeen kiesrecht is het nog nooit voorgekomen dat één partij meer dan de helft van de zetels veroverde bij een verkiezing. Gevolg hiervan is dat er altijd twee of meer partijen moeten samenwerken om tot een regering te komen die op steun kan rekenen van meer dan de helft van de Kamerzetels. Om een regering te vormen moeten er daarom altijd compromissen worden gesloten. Moeten partijen water bij hun wijn doen waardoor die wijn nooit zo smaakt als vooraf wordt gehoopt. Compromissen sluiten is makkelijker met partijen die dichtbij je staan qua denkbeelden. In een dergelijke constellatie is het niet handig als partijen elkaar al bij voorbaat uitsluiten. Immers, als partijen elkaar uitsluiten worden de mogelijkheden om een regering te vormen die op een meerderheid van de Kamerzetels kan steunen, beperkt. Er zijn immers minder ‘zetels’ die met elkaar willen samenwerken. Niet handig wil echter niet zeggen dat het niet democratisch is en dat daarmee kiezer buitenspel worden gezet.

Voor wat betreft ‘de kiezer buiten spel zetten, het volgende. De keuze van een partij om een andere in de ban te doen, betekent niet dat die partij de betreffende kiezers buitenspel zet. Zo’n besluit belet niemand om te stemmen op de partij van voorkeur. Bij verkiezingen wordt geen enkele kiezer buitenspel gezet. Zo’n uitspraak schept duidelijkheid. De kiezer weet voordat het vakje wordt gekleurd wat de gevolgen zijn van zijn stem op een van de beide partijen. Een stem op een van beide partijen betekent dat er niet met de andere wordt samengewerkt. Hierdoor wordt geen enkele kiezer buitenspel gezet. Alle partijen kunnen gewoon hun parlementaire werk doen waarvoor ze gekozen zijn. De metafoor van ‘buitenspel zetten’ is een verkeerde. Want als er in het geval van uitsluiting vooraf sprake is van ‘buitenspel zetten’, dan worden er na de formatie nog veel meer kiezers ‘buitenspel gezet’. Dan staat de gehele oppositie ‘buitenspel’. Kern van het spel is nu juist een strijd tussen coalitie en oppositie. Een spel dat voor de kiezer duidelijk maakt dat er andere keuzemogelijkheden zijn. Dat de meerderheid niet de wijsheid in pacht heeft. Het uitsluiten van een partij zet niemand ‘ buitenspel’ en is ook niet ondemocratisch.

Sterker nog, het uitsluiten van een partij kan juist zeer democratisch zijn. Een democratie staat open voor iedereen. Ook voor partijen die aan haar en vooral de rechtsstaat willen ondermijnen en afschaffen. Partijen die de basisnormen, waarover ik in de eerste Prikker in deze reeks schreef, aan de laars lappen. Elke zichzelf respecterende democratische partij doet zo’n partij in de ban. Ermee samenwerken is een hellend vlak. De PVV is zo’n partij. Een partij die uitblinkt door het gebrek aan democratie. Ze bestaat uit en draait om een persoon, Wilders, en kent geen interne tegenspraak. Een van de belangrijkste kenmerken van een democratie is juist tegenspraak. Het is een partij die de mensen verdeelt en ongelijk behandelt. Een partij die de rechterlijke macht ondermijnt door te spreken over ‘D66-rechters’, door rechters ‘knettergek’ en ‘PVV-haters’ te noemen en die het parlement ‘nep’ noemt. Dat laatste is bijzonder omdat hij geen conclusies uit trekt. Hij blijft lid van dat neppe parlement en is inmiddels het langst dienend Kamerlid. De PVV is echter niet de enige partij die op democratische en rechtsstatelijke gronden in de ban gedaan moet worden. Ook de Staatkundig Gereformeerde Partij zou om die redenen in de ban gedaan moeten worden. De partij behandelt vrouwen op een andere manier dan mannen en dat is in strijd met onze Grondwet.

In zijn boek Protecting Democracy in Europe. Pluralism, Autocracy and the future of the EU beschrijft Tom Theuns manieren waarop: “ autocratische invloeden in het beleid en de wetgeving van de Europese Unie op coherente wijze kunnen worden ingeperkt.”1 Hij onderscheidt hiervoor op hoofdlijnen twee mogelijkheden om autocraten binnen de EU in te perken. Als eerste wettelijke inperking van autocratische landen. Dit kan op een zachte manier, door: “sociale druk, dialoog en controle.2 Dit is de manier waarop de EU tot nu toe acteert tegen autocratische en naar autocratie neigende landen. Het kan ook op de harde manier, door: “maximaal coherente uitsluiting.3Dit moet ertoe leiden dat een autocratisch land, zo betoogt Theuns: “binnen de passende grenzen die worden gesteld door normatieve coherentie en de legitieme reikwijdte van de bevoegdheden van de EU, hoe minder democratisch een EU-lidstaat wordt, hoe minder invloed het over het algemeen zou moeten hebben op de wetgeving en beleidsvorming van de EU.” De tweede manier is: “politieke indamming. … Dit kan in de vorm van verschillende vormen van politieke niet-coöperatie en geen gebaren van goede wil, zoals gedeelde fotomomenten, uitwisseling van geschenken, gezamenlijke persconferenties en openbare felicitatieboodschappen uit te wisselen. … (A)utoritaire actoren in de EU-politiek moeten zoveel mogelijk politieke legitimiteit en prestige worden ontnomen door pro-democratische EU-actoren.4Een soortgelijke lijn kan ook worden gevolgd bij het omgaan met anti-rechtsstatelijke partijen.

Maximaal coherente uitsluiting is het van tevoren aangeven niet met een dergelijke partij samen te willen werken. Politieke indamming door niet met deze partijen te praten en door ze geen podium te bieden. Dus ook geen Kamer voorzitterschap van de Kamer. Want samenwerken met dergelijke partijen ondermijnt onze democratie en onze rechtsstaat. Daarom ageerde ik eind 2023 ook sterk tegen het advies van verkenner Plasterk om: “Te onderzoeken of er overeenstemming is of kan worden bereikt tussen de partijen PVV, VVD, NSC en BBB over een gezamenlijke basislijn voor het waarborgen van de Grondwet, de grondrechten en de democratische rechtsstaat.” Zoals ik toen aangaf zou: “Een zichzelf respecterende democraat zegt dat de in de Grondwet opgenomen grondrechten niet ter discussie staan. Een zichzelf respecterende democraat adviseert niet samen te werken met een partij die de in de Grondwet opgenomen rechten wil beperken. Een zichzelf respecterende democraat waarschuwt voor dit hellend vlak in plaats van het te adviseren.” Helaas hebben de VVD, NSC en VVD dat gesprek wel gevoerd. Daarmee hebben ze onze rechtsstatelijke democratie een slechte dienst bewezen. Een slechte dienst omdat het leidde tot de meest incompetente regering in onze parlementaire geschiedenis. Maar vooral een slechte dienst omdat de partijen aangaven dat die rechtsstatelijke democratie onderdeel van onderhandeling is en dus bij hen niet in goede handen is.

Dat de democratische rechtsstaat bij deze partijen niet in goede handen is, bleek ook bij de val van de regering. Aanleiding voor die val was het ‘tienpuntenplan’ van Wilders. De drie andere partijen gaven allemaal aan dat ze de tien punten wilden laten onderzoeken. Op zich is dat niet verkeerd. Dat is het achter wel als er punten bij zitten die in strijd zijn met onze democratische rechtsstaat en enkele van de punten zijn dat. Het afnemen van het Nederlanderschap van iemand met een dubbele nationaliteit na een gewelds- of zedenmisdrijf is in strijd met de democratische rechtsstaat. Het maakt namelijk dat Nederlanders verschillend behandeld kunnen worden. Door dit idee van Wilders niet expliciet af te wijzen, laten deze partijen zien dat zij het niet zo nauw nemen met de grondrechten. Dit laat zien dat het vlak dat met het advies van Plasterk is gaan hellen, verder is gaan hellen.

Het vlak is gaan hellen maar het is nog niet te laat. Daarvoor is het wel nodig dat echte democratische partijen erkennen dat de PVV en de SGP geen democratische partijen zijn en dat er met hen geen zaken worden gedaan. Minstens zo belangrijk is dat de reguliere media dit her- en erkennen. Dat zij deze partijen beschrijven voor wat ze zijn: niet democratisch en niet rechtsstatelijk. Aan de ene kant om de sociale druk op te bouwen en aan de andere kant door geen aandacht te besteden aan deze partijen. Door hun plannen, ideeën en in het geval van Wilders ook zijn x-berichten te negeren. En in verkiezingstijd door ze niet te interviewen en niet uit te nodigen voor lijsttrekkersdebatten. Dit steevast met de vermelding dat ze niet worden gevraagd omdat ze niet democratisch zijn.

1 Tom Theuns, Protecting Democracy in Europe. Pluralism, Autocracy and the future of the EU, pagina 127

2 Idem, pagina 133

3 Idem, pagina 137-138

4 Idem, pagina 143

Uitgelicht

Election files 1: Wo ist das Volk?

Op 29 oktober 2025 gaan we in Nederland weer naar de stembus om een nieuwe Tweede Kamer te kiezen. Weer, want het is de derde keer in vierenhalf jaar. Dit terwijl de Grondwet in artikel 52 stelt dat de zittingsduur van de Kamer vier jaar is. In de periode tot en met de verkiezingen zal ik onder de noemer van de ‘verkiezingsfiles’ aandacht besteden aan deze verkiezingen en onze parlementaire democratie en democratische rechtsstaat. Vandaag de eerste in deze rij. Deze eerste handelt over het begrip volk.

Het volk wil …’ en dan er iets achteraan. En de wil van het volk moet dan koste wat het kost uitgevoerd worden. “De wil van het volk’ moet triomferen. Maar wat wil het volk? Voor het woord volk kan ook ‘de kiezer’ of ‘de Nederlander’ worden ingevuld. Volgens Wilders en met hem de leiders van de VVD, BBB en NSC was dat het ‘ strengste asielbeleid ooit’. Deze partijen bezetten samen 88 van de 150 Kamerzetels. Een meerderheid en daarmee bepaalden zij ‘wat het volk wil’. Sterker nog, PVV-leider en enigst lid Wilders ziet het nog anders: het volk wil wat hij wil want zijn partij behaalde de meeste zetels. Laten we eens wat nader naar het begrip volk kijken. Dit doe ik met de vraag ‘ wo ist das Volk’ als begin. Want zo duidelijk als in de dagen van de val van de Duitse muur, toen de demonstranten ‘wir sind das volk’ riepen, is het niet.

Bron: Wikipedia

Volk: de digitale Van Dale geeft zes betekenissen waarvan er twee relevant zijn voor deze nadere studie. Als eerste de: “historisch gegroeide gemeenschap van erfelijk verwante mensen met min of meer gelijke taal en gewoonten: het Engelse volk.” Als tweede: “de gezamenlijke bewoners van een staat.” Door de woorden erfelijke leest de eerste betekenis als een zeer uitgebreide familie. Dit is de manier waarop Wilders, Trump, Orban en in hun spoor veel anderen het volk zien. Het volk dat zijn de ‘echte Nederlanders’ en wie ‘echt’ is, bepaalt vooral degene die zich erop beroept. Bij de tweede betekenis ontbreekt die historische context. Het volk zijn de mensen die in het hier en nu in een staat wonen.

In zijn Spinoza-lezing uit 2012 kent de Franse denker over democratie Pierre Rosanvallon het volk veel meer dimensies toe. Volgens Rosanvallon is het volk onmisbaar in een democratie, ook al is het zoals hij beweert: “in de democratie structureel nergens te vinden.” Het volk is onmisbaar. Het beroep dat politici erop doen is gevaarlijk. Gevaarlijk voor mensen en voor de democratie. Als het volk nergens te vinden is: “hoe dan de structurele crisis van de vertegenwoordiging te boven te komen die eruit voortvloeit en onze gevoelens van in de steek gelaten zijn aanwakkert, die de ontgoocheling en het wantrouwen tegenover de instituties voeden?1”.

Veel politici zoeken die in de versimpeling. Het volk is wat de meerderheid wil: 50 procent plus één. Weer andere politici versimpelen door het volk te beperken tot specifieke groepen. Ze hanteren de eerste betekenis uit de digitale Van Dale. Weer anderen, zoals Trump en zijn aanhangers, combineren die twee; Omdat Trump tot president is verkozen, is hij samengesmolten met het volk: zijn wil is de volkswil. Als hij spreekt over het volk, dan wordt ‘het volk’ beperkt tot ‘echte Amerikanen’ en wie dat zijn is vaag. Een transgender behoort er in ieder geval niet toe. Iemand met een donkere huidskleur of een Spaanstalige moet zich zorgen maken net als iemand die op de democraten stemde. Rosanvallon kiest bij zijn zoektocht naar het volk voor een andere weg. In plaats van de versimpeling zoekt hij de simplificering. Hij ziet vijf dimensies van het volk.

Als eerste, ook al in de vorige alinea genoemd, het ‘rekenkundige volk’, dat bezit: “een beslissende, zowel sociale als procedurele consistentie.” Immers: “We kunnen eindeloos discussiëren over de definitie van het algemeen belang, over wat de beste politiek is om op dit of dat gebied te voeren, maar het feit dat 51 meer is dan 49 maakt een einde aan alle discussies.” Hij gaat verder met zijn tweede dimensie: “Maar het volk manifesteert zich ook als een historische constructie,” en daarmee zijn we bij de grondwet: “Dit volk/principe laten leven betekent dus een juridisch volk laten leven, en niet slechts een electoraal of rekenkundig volk. Vandaar de rechtvaardiging van de superioriteit van de constitutionele orde boven de orde van de kortstondige meerderheid.” Als we in onze huidige wereld om ons heen kijken, dan zien we dat op verschillende plekken wordt getornd aan de superioriteit van de constitutionele orde. We zien dat tornen in meer en minder gevorderde staat in Hongarije, de Verenigde Staten en Polen. Maar ook Nederland is er niet van gevrijwaard. Dat de vier partijen die de recentelijk gevallen regering vormden eerst een rechtsstatelijke verklaring opstelden, wijst op tornen aan die orde. Een derde dimensie van het begrip ‘volk’ is: “de figuur van de verwachtingen, ontgoochelingen, betwistingen of beproevingen van het gemeenschappelijke leven, dat op een gegeven moment over een stuk uit het collectieve leven vertelt of het tot uitdrukking brengt.” Dit volk bestaat volgens, Rosanvallon: “ofwel via instituties die handelen leiden – bijvoorbeeld syndicaten -, ofwel via zijn directie manifestatie in de revolutionaire momenten die verlengd worden door het verhaal dat ze vergezelt.” De vierde dimensie:“is het volk bestaande uit ‘willekeurige individuen’.” Dit volk drukt zich uit:“via peilingen of van het toeval afhangende uitingen, waarderingsmechanismes van de een of ander.” De laatste dimensie is:“het volk zowel als belofte als herinnering, het volk als bouwer van een toekomstige geschiedenis en als erfgenaam van een traditie.” Dit volk wordt vertegenwoordigd door:“de kunst, de literatuur, de sociale wetenschappen, de onderzoeken en allerlei getuigenissen.” Dit is het volk waar politici zich op beroepen als ze over waarden en tradities spreken. Het volk waar Wilders en Trump het over hebben als ze over ‘het volk spreken, de ‘echte’ Nederlander of Amerikaan.

Daarmee is de vraag naar het hoe de structurele crisis van vertegenwoordiging te boven te komen, niet beantwoord. Dat antwoord begint, zo betoogt Rosanvallon, met het accepteren van de complexheid:“We moeten het volk dus begrijpen als een structureel onbepaald object, maar een waarvan de bepaling benaderd kan worden door vergroting van de erkenning van zijn verschillende vormen.” Accepteren want: “in deze vermeerdering ontstaat het leven, en niet simpelweg in het zoeken naar een enkel principe dat alle mogelijkheden ervan uitputtend zou bevatten.” ‘Het volk’ spreekt zich op zeer veel verschillende manier uit. Zeer veel verschillende manieren, met veel verschillende stemmen en veel verschillende inhouden. Daar moet ruimte voor zijn, dat moeten we koesteren en niet versimpelen.

Die complexiteit vraagt om terughoudendheid van mensen die het volk vertegenwoordigen: onze volksvertegenwoordigers en bestuurders. Terughoudendheid die ermee begint je te realiseren welke dimensie van het volk ze vertegenwoordigen. Ze vertegenwoordigen het volk in de eerste twee dimensies van Rosanvallon: ze besluiten namens het volk bij meerderheid en ze vertegenwoordigen de constitutionele orde.

Twee dimensies die elkaar raken maar die ook met elkaar kunnen conflicteren. In de eerste dimensie beslist de meerderheid maar wat die meerderheid beslist kan het volk in de tweede dimensie aantasten. Neem de roep om het demonstratierecht te beperken. Een besluit bij meerderheid om het demonstratierecht te beperken tast het volk, de constitutionele orde, aan. Een extreem voorbeeld hiervan is het ontnemen van de Nederlandse nationaliteit van mensen met een dubbele nationaliteit als zij zich schuldig maken aan gewelds en zedendelicten. Iets waar Wilders in een van zijn tien punten die het kabinet Schoof deed vallen voor pleitte. Dit tast de constitutionele orde aan omdat het bij het straffen van mensen voor misdaden, onderscheid maakt op basis van iets wat niet ter zake doet.

In hun boek How Democracies Die betogen Steven Levitsky en Daniel Ziblatt dat er twee basisnormen zijn die voorkomen dat een democratie op dit punt ontspoort. Zij onderzoeken de Amerikaanse democratie maar deze twee basisnormen zijn universeel voor iedere democratie. Die normen zijn: “Wederzijdse tolerantie, of begrip dat concurrerende partijen elkaar accepteren als legitieme rivalen, en tolerantie, of het idee dat politici terughoudendheid moeten betrachten bij het inzetten van hun institutionele bevoegdheden.2Tolerantie en terughoudendheid moeten voorkomen dat onze samenleving uit het lood slaat.

Een voorbeeld om dit duidelijk te maken. In Nederland worden rechters op voorspraak en advies van de Landelijke selectiecommissie rechters voor het leven benoemd door de Kroon en dus door de regering. Tot op heden is die benoeming een formaliteit en bemoeit de regering zich hier inhoudelijke niet mee. Een voorbeeld van het terughoudend inzetten van een institutionele bevoegdheid. Die terughoudendheid heeft er tot op heden voor gezorgd dat de politieke voorkeur van rechters geen rol speelt bij hun benoeming. Niets staat echter een toekomstige regering in de weg om de terughoudendheid te laten varen en rechters te benoemen op grond van hun politieke voorkeur. Dit met alle gevolgen voor de constitutionele orde.

Als we naar onze Nederlandse democratie kijken dan zien we dat deze basisnormen onder druk staan. Het dedain en zelfs de haat waarmee bijvoorbeeld GroenLinks/PvdA leider Timmermans wordt benaderd door het grootste deel van de rechterkant van het politieke spectrum getuigt van weinig tolerantie. Het willen regelen van zaken via een noodwet getuigt niet van terughoudendheid om institutionele bevoegdheden in te zetten. Net zoals de manier waarop Wilders met zijn ‘10 punten’ zijn zin wilde doordrijven, getuigt niet van terughoudendheid. Maar ook besluiten van beperktere orde, zoals het niet meer nakomen van bestuurlijke afspraken en convenanten die door een eerder kabinet zijn gemaakt, getuigen niet echt van terughoudendheid.

Ook een andere dimensie van het volk staat onder druk door gebrek aan terughoudendheid. Dat is het volk handelend via instituties. Instituties zoals actiegroepen die zich voor specifieke doelen inzetten. Kamerleden, zoals SGP-leider Stoffer, die dergelijke organisaties willen belemmeren te procederen tegen de staat omdat ze het, zoals in de Volkskrant van 26 juni 2024 verwoordt: “onverteerbaar (vinden) dat kleine (linkse) milieuorganisaties met een onduidelijke achterban via de rechtbank besluiten van de democratisch gekozen (rechtse) volksvertegenwoordiging kunnen ‘overrulen’. ‘Hoeveel leden heeft Urgenda? De representativiteit zit hier in deze Kamer. Wíj controleren het kabinet en niet clubs als Urgenda, gesponsord en gesubsidieerd door de Postcodeloterij’, zei Stoffer vorig jaar tijdens dat klimaatdebat.” Stoffer stond hierin niet alleen want dit belande in het Hoofdlijnenakkoord in de passage: “Er wordt onderzocht of en hoe nadere vereisten gesteld kunnen worden aan de representativiteit van belangenorganisaties met een ideëel doel.3Die passage heeft nog niet tot wetgeving geleid. De schade is daarmee nog beperkt. Maar dat er over dergelijke zaken wordt nagedacht laat zien dat basisnormen onder druk staan.

Anders dan Stoffer beweert, zit het volk niet alleen in het parlement waar Stoffer onderdeel van uitmaakt. Het volk kent meerdere gedaanten en al die gedaanten hebben een plek in een democratische en rechtsstatelijke samenleving. ‘Het volk’ zit op veel meer plekken, wordt op veel verschillende manieren vertegenwoordigt en spreekt zich op veel verschillende manieren uit.

1 De Spinozalezing is opgenomen in: Pierre Rosanvallon, Democratie en Tegendemocratie, pagina 65-89. De verschillende dimensies van het begrip volk waarnaar in deze Prikker wordt verwezen, worden beschreven op pagina 78-82

2 Steven Levitsky, Daniel Ziblatt, How Democracies Die. What History Reveals About our Future, pagina 8 (eigen vertaling)

3 Zie het Hoofdlijnenakkoord pagina 18

Uitgelicht

De simpele wereld van Plasterk

En tenslotte moet er in Europa en in Nederland echt opeens zo enorm veel geld naar defensie, of kan dat een snippertje minder?” Met die terechte vraag sluit Ronald Plasterk in De Telegraaf een column van zijn hand1. Een terecht vraag waaraan ik in een eerdere Prikker al aandacht besteedde. En bijzondere column over de oorlog in Oekraïne en de gevolgen die dit heeft in Nederland.

Rusland is de oorlog begonnen en dat is fout want een ander land binnenvallen mag niet. Maar het wordt complexer, zo betoogt hij: “als je de geschiedenis erbij pakt.” Complexer want: “Ten eerste is het oostelijke deel Oekraïne qua cultuur meer Russisch dan Oekraïens: de meeste mensen op de Krim spreken Russisch. Oekraïne was volledig onderdeel van de Sovjet-Unie. Tot het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 werden de aanduidingen Rusland en Sovjet-Unie steevast door elkaar gebruikt. De precieze indeling binnen de Sovjet-Unie werd door de rest van de wereld als een interne kwestie beschouwd. Oekraïne was zelfs binnen de Sovjet-Unie onderdeel van Rusland totdat de opvolger van Stalin, Chroesjstjov, zelf geboren Oekraïner, het in 1954 als geste indeelde bij Oekraïne.”

Uit de film 300: De Spartanen onder Leonidas bij Thermopylae. Bron: Flickr

Voor wat betreft het laatste, de Krim was tot 1954 onderdeel van de Sovjetrepubliek Rusland en werd toen inderdaad door Chroesjstjov ingedeeld bij de Sovjetrepubliek Oekraïne, een republiek waarvan in 1917 voor het eerst sprake was. En ja, dat indelen van de Krim was een interne aangelegenheid van de Sovjet-Unie. Deze vergissing is Plasterk vergeven. Voor wat betreft het belangrijkste, de constatering dat de Russische inval in Oekraïne fout is, die verandert niet met de door Plasterk geconstateerde complexiteit van de geschiedenis. Die inval blijft nog steeds fout.

Wat ook fout is, is de manier waarop Plasterk de door hem geschetste historische complexiteit gebruikt om die fout begrijpelijk te maken. Dat er culturele verwantschap is of dat men eenzelfde taal spreekt, maakt nog niet dat het ene land het recht heeft om die delen van dat andere land in te nemen. Dat Nederlanders, volgens de Duitsers, tot de Germaanse volkeren behoorde, maakte nog niet dat ze in 1940 het recht hadden Nederland binnen te vallen. Met dit argument zouden de Spanjaarden hun voormalige wereldrijk terug kunnen veroveren. Er is immers culturele en taalkundige verwantschap. En geeft die spraakverwarring waarbij de Sovjet-Unie en Rusland door elkaar werden gebruikt, de Verenigde Staten het recht om heel Noord-, Midden en Zuid-Amerika te bezetten omdat het land wel eens wordt ‘verward’ met Amerika. Een ‘spraakverwarring’ waaraan Plasterk zich in zijn column ook schuldig maakt?

Dan het ‘volledig onderdeel zijn van de Sovjet-Unie’. Dat lijkt verdacht veel op Poetins argument dat hij het ‘groot Rusland” van weleer nastreeft. Dan kunnen de andere voormalige Sovjetrepublieken hun borst wel nat maken. Met zo’n redenering kan Nederland ook weer beslag leggen op Indonesië en als we toch bezig zijn het voormalige Nieuw Amsterdam. Maar, pech voor Nederland want Frankrijk kan zich Nederland dan weer toe-eigenen en een broer van Macron als ‘koning’ op de troon zetten. Alleen zullen de al eerder genoemde Spanjaarden daar tegen inbrengen dat de Nederlanden toch echt ooit van hen waren. Behalve dan dat de Italianen daar weer tegenin kunnen brengen dat dit toch allemaal bij het Romeinse Rijk hoort.

Volgens Plasterk is de weg via het Internationaal Strafhof heilloos: Dat Strafhof huist in Den Haag en geen enkele grote wereldmacht is er lid van: de Verenigde Staten, China, Rusland en India zijn allemaal geen lid. Het oordeel over Poetin toont vooral aan hoe relatief nutteloos het Strafhof is; niemand denkt dat politieagenten naar het Kremlin gaan met een arrestatiebevel.”De kans op dat laatste is inderdaad klein en inderdaad zijn er landen die geen lid zijn van het Strafhof. Dat maakt een veroordeling echter nog niet nutteloos. Met een veroordeling wordt een daad tot een misdaad verklaard. En mocht het onverwachte toch gebeuren en er een geslaagde opstand tegen Poetin komen, dan biedt die veroordeling een mooie weg om het probleem het land uit te krijgen. Iets waar de Duterte, de voormalig president van de Filipijnen over mee kan praten. Het recht is het enige wat ons behoed voor het recht van de sterkste.

Doorvechten en Poetin verslaan (is) onrealistisch,” aldus de titel van de column. “Wat moet je je daarbij voorstellen: Zelenski die optrekt naar Moskou en de Oekraïnse vlag plant op het Kremlin?” Dat Zelenski die vlag gaat planten is niet realistisch maar er zijn meer overwinningen mogelijk dan de totale overwinning gesymboliseerd door het planten van die vlag. Zo zat Xerxes I de heerser van het Perzische rijk nog steeds stevig op zijn troon na de vernederende nederlaag tegen de veel geringere Griekse strijdkrachten onder leiding van de Spartaanse koning Leonidas en zijn 300 hoplieten in de slag bij Termopylae en de vernietiging van zijn vloot door de Grieken onder leiding van de Atheners aangevoerd door Themistocles in de slag bij Salamis. Xerses droop af want een grootse overwinning zat er niet meer in. Het restant van zijn troepen, onder leiding van Mardonius werd in de slagen bij Plataeae en Mycale verslagen. De Perzen waren verslagen zonder dat er ook maar één Griekse vlag op een van de Perzische koningssteden werd geplaatst. Het rijk bleef nog bestaan totdat Alexander de Grote zo’n 150 jaar later Darius III versloeg en het hele Perzische rijk veroverde. Om een oorlog te winnen, hoef je de vijand niet te verslaan. Voor degenen die een recenter voorbeeld willen. De Verenigde Staten verloren de oorlog in Vietnam zonder dat er een Vietnamese vlag op het Witte Huis werd geplaatst. Of de nederlaag van de Sovjets en recentelijk ook de Verenigde Staten en de NAVO in Afghanistan.

Er zijn maar twee realistische mogelijkheden: heel veel geld verschaffen voor zoveel mogelijk wapens, om het bloedvergieten te verlengen: of op zo kort mogelijke termijn een vredesakkoord,” zo vervolgt Plasterk. En is: “het kleinste kwaad (…) om zo snel mogelijk te stoppen met bloedvergieten op basis van ongeveer de status quo.” Zou hij er hetzelfde over denken als zijn buurman 20% van Plasterks tuin zou annexeren omdat die ‘cultureel’ altijd al veel op de tuin van de buurman leek. Er stonden immers voor het grootste deel dezelfde planten in en de schaduw van die mooie eik viel toch vooral in de tuin van de buurman.

Natuurlijk wil bijna iedereen bloedvergieten stoppen. Maar net zoals er tussen een overwinning en een totale overwinning hele werelden zitten, zitten er hele werelden tussen een akkoord om bloedvergieten te stoppen en een vredesakkoord. Daarvoor hoeven we alleen maar naar die andere oorlog te kijken, de al meer dan honderd jaar durende oorlog tegen het Palestijnse volk. In die honderd jaar zijn er al verschillende akkoorden gesloten om het bloedvergieten te stoppen. Van vrede is echter nog steeds geen sprake. Of neem de bijna tweehonderd jaar durende Frans-Duitse strijd. In die strijd werden verschillende akkoorden gesloten. Zo beëindigde de Vrede van Frankfurt de oorlog van 1870-1871. Dat akkoord bleek geen beletsel voor een nieuwe oorlog die in 1914 startte. Een oorlog die in 1918 met de vrede van Versailles werd beëindigd. Weer een akkoord dat niet voorkwam dat er in 1939 een nieuwe oorlog uitbrak. Die Frans-Duitse strijd werd pas beëindigd toen er na de vernietigende Tweede Wereldoorlog voor een andere oplossing dan een akkoord werd gekozen namelijk Europese samenwerking in plaats van rivaliteit. Om de oorlog in Oekraïne te beëindigen is meer nodig dan een akkoord om de wapens neer te leggen. Namelijk een gedeelde visie op dewereld waarin beide partijen zich zonder rancune kunnen vinden en die verder gaat dan het neerleggen van de wapens. Zolang die er niet is wordt huidig bloed gespaard ten koste van toekomstig bloed en wordt er veel geld verschaft voor het kopen van wapens om dat toekomstige bloed te vergieten.

Plasterk gaat verder: Van oudsher was links tegen militarisme tegen kruisraketten, voor het gebroken geweertje, voor dienstweigeren. Links was veel pacifistischer dan rechts. Nu zien we een omkering: links wil de defensiebudgetten snel verhogen. Het is niet duidelijk tegen welke vijand Nederland zich opeens enorm zou moeten bewapenen. Amerika zal het niet zijn. China is heel ver weg, dus kan het alleen gaan over Rusland, maar we zien dat Rusland al moeite heeft om zijn voormalig stukje Oekraïne te verdedigen.” Even voor Plasterk, Rusland verdedigt dat stukje Oekraïne niet, het valt het aan. En ja, het heeft daar moeite mee. Voor wat betreft tegen welke vijand we ons zouden moeten bewapenen is het antwoord simpel, tegen iedere mogelijke vijand, ook mogelijk de Verenigde Staten. Hoe dit moet, weet ik niet maar dat het zorgvuldig moet, heb ik al eerder betoogd. De sneer naar links is bijzonder. Bijzonder omdat de strijd tegen de kruisraketten zich in een heel andere tijd afspeelde dan nu. Een tijd waarin twee ideologisch met elkaar in conflict zijnde supermachten die elkaar en de rest van de wereld vasthielden in de MAD-doctrine: Mutual Assured Destruction. Nog meer kernwapens veranderden daar niets aan. De wapens om elkaar en de wereld gegarandeerd te vernietigen hebben ze nog steeds. Van een bipolaire wereld is echter geen sprake.

Rechts in het politieke spectrum staat Trump. In de Nederlandse media is geen sympathie voor Trump te vinden. Zijn botte stijl geeft ook geen aanleiding tot warmte. Maar juist in deze kwestie is deze voorman van politiek rechts nu de vredes duif.” Aldus Plasterk. Trump als vredesduif, een heel bijzondere constatering. Ja, bij zijn inauguratie sprak hij uit de geschiedenisboeken in de willen gaan als ‘peace maker’ en klopte zich op de borst voor het eerste wapenfeit in die richting: een wapenstilstand in Gaza. Die wapenstilstand is al weer langer voorbij dan hij heeft geduurd en Israël maakt zich op voor het ‘innemen’ van delen en wellicht zelfs de gehele Gaza-strook, zo bericht de NOS. De zelfverklaarde ‘peace maker’ staat instemmend te knikken en wil het gebied, nadat het is ontdaan van de bevolking, wel als een bouwproject ontwikkelen tot een oord voor rijke patsers zoals hijzelf. Zijn acties om tot vrede te komen tussen Rusland en Oekraïne richten zich vooral op het afpersen Oekraïne en met stroop om de mond smeren van Rusland. Daar komt bij dat het juist Plasterks ‘vredesduif’ is die aandringt op Europese bewapening en het verhogen van de defensiebudgetten.

1 Zie voor de column dit bericht op LinkedIn

Uitgelicht

Het oog op de bal

Deskundig gelul of gelul van een deskundige? Die vraag stelde ik me toen ik hoogleraar staats- en bestuursrecht Wim Voermans bij BarLaat het volgende hoorde zeggen over het vonnis dat de Franse politica Marine Le Pen trof:Hier komen dus de rechter en de democratie tegenover elkaar te staan en je wilt de ruimte zo open mogelijk houden voor het publieke debat. Iedereen moet zich kandidaat kunnen stellen want de kiezer moet als rechter optreden en niet de rechter.1Ik viel van mij stoel.

bron: Flickr

De rechter en de democratie tegenover elkaar? Ik dacht het niet. Democratie en rechtsstaat botsen hier niet. Stel ze had een moord gepleegd. Is het dan ook aan de kiezer om hierover te oordelen? Als politici de wet overtreden, en dat deed Le Pen volgens de Franse rechter, dan moeten ze gestraft worden net als iedere andere burger. Voor het vervolgen van misdrijven hebben we in Nederland het openbaar Ministerie en in Frankrijk het Bureau du Procureur. Die klagen namens de staat aan en vervolgens is het in Frankrijk net als in Nederland aan de rechter om een uitspraak te doen. Als de wetgever ontzegging van het passief en/of kiesrecht onderdeel van die straf heeft gemaakt, dan kan de rechter dit als straf opleggen. Stel ze had een moord gepleegd op. Als de procedure Voermans gevolgd zou zijn, dan zou er een snaar zijn geraakt. Namelijk een rechtsstatelijke en grondwettelijke. Dan zouden voor politici andere regels gelden dan voor iedere andere burger. Dan betekent populariteit onschendbaarheid. Dat lijkt me niet de kant die we op moeten.

Toen ik weer op was gekrabbeld viel ik stijl achterover toen ik op LinkedIn een post van de faculteit Staats- en Bestuursrecht van de Universiteit van Leiden zag. Een post waarin Voermans uitspraken zonder commentaar en kritische kanttekening worden aangehaald. Bijzonder!

Enigszins hersteld van die val achterover las ik het Commentaar van Peter Giesen in de Volkskrant. Terecht constateert hij dat: “ Het (…) de rol van de rechter (is) om wetten toe te passen, niet om aan politiek te doen. Als een scheidsrechter van een voetbalwedstrijd in de tweede minuut een zware overtreding constateert, zal hij de rode kaart moeten trekken, ook al beïnvloedt hij daarmee het verloop van de wedstrijd.” Bijzonder in zijn betoog is dan weer dat hij het discutabel vindt dat: “Le Pen is uitgesloten op basis van het oordeel van één rechter, wiens oordeel in hoger beroep ongedaan kan worden gemaakt.” Dit is niet discutabel. Daar is die rechter voor aangenomen en de wetgever heeft dat zo bepaald. En ja, in hoger beroep kan er anders worden besloten. Als dat gebeurt, dan is dat de nieuwe situatie en moeten we van daaruit verder. Daarop vooruitlopen heeft geen zin want het zou net zo goed kunnen dat de rechters in hoger beroep het vonnis bekrachtigen of zelfs nog zwaarder straffen.

Het zijn bijzondere tijden. Tijden waarin het lastig is om het oog op de bal te houden. Zelfs voor mensen wiens werk het is.

1 Vanaf ongeveer minuut 14.54.

Uitgelicht

Von Kreyfelts’ stropop

“Dus laten we stoppen met het heilige aura rond ‘de pers’ alsof die vanzelfsprekend boven alle kritiek verheven is. Journalisten zijn geen priesters. En wie de vrijheid van meningsuiting alleen verdedigt zolang het uit zijn eigen kring komt, is niet voor vrijheid, maar voor controle.” aldus Max von Kreyfelt in een artikel op LinkedIn. Bij het lezen van het artikel moest ik denken aan een stropop en dat schreef ik er ook onder. Een stropopredenering of stropop is een manier van redeneren waarbij je niet het werkelijke standpunt van je tegenstander weerlegt, maar een karikaturale variant ervan. Het is een drogredenering, een redenering die niet correct is maar wel aannemelijk lijkt.

bron: Flickr

Volgens Von Kreyfelt, zo begint hij zijn artikel, is: “Vrijheid van meningsuiting is geen persvrijheid—en het wordt tijd dat we dat hardop zeggen.” Volgens Von Kreyfelt leidt dit: “tot een hardnekkige verwarring in het publieke debat.” En dat is dat : “vrijheid van meningsuiting (…) hetzelfde als persvrijheid,” is. Vrijheid van meningsuiting is er voor iedereen en dat is, volgens Von Kreyfelt: “het fundamentele recht om iets te vinden, iets te zeggen, te choqueren, te verwarren, te confronteren. Zonder voorafgaande toestemming, zonder angst voor vervolging.” Deze definitie is correct op de woorden ‘zonder angst voor vervolging’ na. Persvrijheid is zo betoogt Von Kreyfelt: “een professioneel privilege: de ruimte voor journalisten en mediakanalen om te publiceren zonder staatsinmenging, zonder censuur, zonder dreiging. Het is een noodzakelijke pijler onder een gezonde democratie.” En hij vervolgt: “Maar het is géén schild tegen kritiek, géén vrijbrief voor misleiding, en zéker geen eigendomsrecht op de waarheid.”

Dit lijkt het een feitelijk verhaal. Artikel 6 eerste lid van onze Grondwet stelt dat: “Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren,” en lid 2 en 3 verbreden dit tot alle mogelijke middelen waarmee je je gedachten of gevoelens kunt openbaren. Het eerste lid gaat echter nog verder: “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Door deze toevoeging kun je wel worden vervolgd voor de gedachten of gevoelens die je uit. Welke geuite gedachten of gevoelens strafbaar zijn, wordt geregeld in het Wetboek van strafrecht. Zo zijn smaad, laster en het oproepen tot geweld strafbaar. Het wordt je niet vooraf verboden om je mening te uiten, je kunt er na het uiten echter wel voor worden bestraft.

Von Kreyfelt: “Willen we een volwassen democratie, dan moeten we dit onderscheid scherp trekken. De vrije meningsuiting hoort bij de burger. De persvrijheid hoort bij een beroepsgroep. De eerste is een mensenrecht. De tweede is een beroepsvoorrecht. En de één mag nooit worden ingezet om de ander te beperken.” Dit is onzin. De vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid zijn één en dezelfde. Ze stoelen allebei op hetzelfde artikel 6 van de Grondwet en zijn allebei een grondrecht. De vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid zijn twee kanten van dezelfde medaille. Zonder vrijheid van meningsuiting is er geen vrijheid van pers en zonder vrijheid van pers en dus ook radio of televisie (artikel 6 tweede lid) of welk ander middel dan ook (artikel 6 derde lid) wordt het uiten van een mening erg lastig. Dan rest alleen je eigen stem. Persvrijheid is een grondrecht geen beroepsvoorrecht. Persvrijheid is er voor iedereen. Iedereen, niet alleen een journalist, kan publiceren zonder staatsinmenging. Journalisme is geen recht, het is een manier van werken voor het verzamelen, beoordelen en publiceren van informatie.

Volgens Von Kreyfelt: “gedragen veel gevestigde media zich alsof hun persvrijheid hen automatisch tot hoeder van de meningsvrijheid maakt. Alsof kritiek op hén gelijkstaat aan een aanval op de democratie. Ze framen zichzelf als het baken van redelijkheid en ratio, en iedereen die daar buiten valt—te radicaal, te ongehoord, te ongefilterd—wordt weggezet als bedreiging.” En hij gaat verder: “juist in naam van “de vrije pers” worden tegenwoordig meningen onderdrukt. Schrijvers worden geweerd van podia. Academici worden gecanceld. Onafhankelijke platforms worden weggezet als gevaarlijk, omdat ze zich onttrekken aan de codes van de institutionele journalistiek. En ironisch genoeg zijn het vaak journalisten zelf die oproepen tot het deplatformen van andere stemmen.” Dat journalistieke media schrijvers of wetenschappers niet vragen om deel te nemen aan een praatprogramma of hun artikelen niet plaatsen, wil niet zeggen dat de vrijheid van meningsuiting wordt onderdrukt of dat zij ‘gecanceld’ worden. Mijn vrijheid om een stuk te schrijven betekent niet automatisch dat een krant dat stuk moet plaatsen. Het is aan het medium om te bepalen wat het plaatst en wat niet. Als mijn bijdrage daar buiten valt, wil dat nog niet zeggen dat het betreffende medium mij als een bedreiging van haar redelijkheid ziet.

Ik ben trouwens erg benieuwd welk platform dan ‘onafhankelijk is’? Een vraag die ik Von Kreyfelt ook stelde maar waarop ik tot op heden nog geen antwoord heb. En ja, platforms die zich onttrekken aan de journalistieke codes en die kunnen gevaarlijk zijn. Door dit woord te gebruiken wekt Von Kreyfelt de suggestie dat een journalistiek medium afhankelijk is en dat klopt. Maar dat geldt voor ieder platform of medium. Daarin verschilt Twitter niet van de Volkskrant of de Ballonnendoorprikker. Ja ook de Ballonnendoorprikker is afhankelijk. Het hangt namelijk af van mij, de schrijver die de Ballonnendoorprikker als pseudoniem gebruikt. Zonder die schrijver was er geen Ballonnendoorprikker.

En daarmee hebben we de stropop: de karikaturale vertekening van de werkelijkheid. Van de grondwettelijke werkelijkheid en van de journalistieke werkelijkheid. In onze Grondwet zijn de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van pers twee kanten van deze medaille. Ze staat niet tegenover elkaar. Het is van tweeën een. Kranten die iets niet plaatsen of talkshows die iemand niet uitnodigen maken zich niet schuldig aan het beperken van de vrijheid van meningsuiting. Er is geen plicht voor een medium om alles wat wordt ingezonden, te plaatsen. Het staat ieder medium daarin vrij eigen keuzes te maken. De suggestie dat er ‘onafhankelijke platforms’ zijn, en dat die tegenover de ‘afhankelijke journalistieke platforms’ staan, is onzin. Het zal best dat een enkele journalist zich ‘boven alle kritiek verheven’ vindt. Het beeld dat de complete journalistieke wereld zich zo ziet, is een zeer grote vertekening van de werkelijkheid. Deze karikatuur schets Von Kreyfelt omdat hij vindt dat journalistieke media te weinig aandacht besteden aan bepaalde gedachten en gevoelens. Dat kan en mag hij vinden en die gedachte of mening mag hij uiten en dat doet hij ook. Net zoals ik hem erop mag wijzen dat hij hierbij gebruik maakt van een stropop, mag vragen naar onderbouwing en ik het gebruik van een stropopredenering schadelijk mag vinden.