Uitgelicht

Bevolkingskrimp

“Veel landen maken zich zorgen over dalende geboortecijfers en een vergrijzende bevolking. Nergens voor nodig, stelt de Amerikaanse demograaf Jennifer Sciubba. Deze ontwikkelingen zijn het gevolg van vooruitgang én nodigen ons uit de samenleving beter in te richten.” Met die woorden opent het interview van Lynn Berger van de Correspondent met Sciubba over lage geboortecijfers en krimp van de (wereld)bevolking als gevolg van het lage geboortecijfer. Ik dacht aan de Zwarte Dood, de pestepidemie in de veertiende eeuw.

Daarover later meer. Eerst het verhaal van Sciubba. Volgens Sciubba is die bevolkingskrimp het gevolg van het grote succesverhaal van de afgelopen anderhalve eeuw: “’het begon ermee dat industrialiserende landen meer dan honderd jaar geleden enorme vooruitgang boekten in het in leven houden van baby’s en kinderen, waardoor de gemiddelde levensverwachting omhoogging’, vertelt ze. ‘Dat gebeurde dankzij zaken als betere sanitatie, vaccinaties, betere volksgezondheid en betere voeding.’ De dalende kindersterfte vormde het begin van een ‘demografische transitie’ waarbij landen van een hoog geboorte- en sterftecijfer overgingen naar een laag geboorte- en sterftecijfer. Europese landen gingen eerst, de rest van de wereld volgde later.” De uitvinding van de pil zorgde voor een volgende succes en dat was dat het moment van kinderen krijgen een keuze werd. Dat gaf vooral vrouwen tijd en ruimte om te gaan studeren en werken.“Vervolgens is het ons gelukt om volwassenen langer en gezonder te laten leven. Op dat terrein valt nog meer te winnen: de levensverwachting van Nederlanders is hoog, maar die van Japanners is nog hoger. We weten dus dat het mogelijk is om het leven nog verder op te rekken.”

Tegenover dit succesverhaal staat een ‘angstverhaal’. Angst voor de gevolgen van krimp. Angst voor een gebrek aan menskracht om de ouder wordende bevolking te verzorgen. Angst voor te weinig pensioen. Angst voor geringe innovatie en arbeidsproductiviteit. Angst die leidt tot allerlei plannen om het geboortecijfer op te krikken. Dat is lastig zo betoogt Sciubba: “Juist omdat er heel veel redenen zijn voor het dalende geboortecijfer, is het moeilijk om er beleid op te maken. Stel, je doel is niet eens om het geboortecijfer omhoog te krijgen, maar om ervoor te zorgen dat mensen die kinderen willen krijgen ook kinderen kunnen krijgen. Waar begin je dan? Hoe zorg je dat mensen optimistischer zijn over de toekomst? Met een wet die zegt dat alle voorpagina’s vol goed nieuws moeten staan? Dat kan natuurlijk niet. We weten gewoon niet hoe het moet.” Alle acties van verschillende overheden hebben tot op heden geen effect.

“Maar hoe zou de toekomst er nog meer uit kunnen zien, en waar wil je naartoe bouwen? Willen we een samenleving met hoge consumptie, designer bags, plastische chirurgie en chique auto’s? Of misschien wel een heel andere toekomst? Dit is hét moment om hier groots over na te denken.” Sciubba adviseert: “kijk verder dan betaald werk: hoe zorg je dat ouderen betrokken raken en blijven als vrijwilligers of mentoren? Richt je hierbij vooral op de gemeenschap. Veel lokale gemeenschappen zijn beschadigd geraakt door onze individualistische, online manier van leven. Het versterken van die gemeenschappen maakt ons weerbaarder voor vergrijzing, omdat je daarmee ook zorgnetwerken opbouwt.”

En dan nu naar de Zwarte Dood waaraan ik moest denken. Ik moest hier om twee redenen aan denken. Als eerste omdat de Zwarte Dood in een korte periode voor een daling van de bevolking zorgde met een derde en in sommige gebieden een halvering. Dit niet als gevolg van een vrijwillige keus om minder kinderen te nemen. Daarin verschilt de veertiende eeuw van de huidige. Als tweede omdat er in de veertiende eeuw juist sprake was van sterke gemeenschappen waar mensen voor elkaar zorgden. Het was de tijd van de feodale landheer die de oogst afroomde. De kleine gemeenschappen die voor elkaar zorgden. Gemeenschappelijke gronden die hen hielp om te overleven. De gilden waarbinnen mensen elkaar steunden. Afgezien van die feodale landheer zou dat het soort samenleving (maar dan in 3.0 versie) kunnen zijn dat Sciubba voor ogen staat. In 3.0 versie want natuurlijk zonder de groepsdruk, de controle door de pastoor, het gebrek aan ruimte voor de eigen persoonlijkheid en ontwikkeling om een paar negatieve kanten van de veertiende-eeuwse samenleving te noemen. Met die negatieve kanten, ben ik waar ik wil zijn.

De Zwarte Dood leidde in West Europa tot andere arbeidsverhoudingen. Er kwam geleidelijk een einde aan de feodale verhoudingen. Pacht verving het feodalisme en daarmee werd betaling in fysieke opbrengst vervangen door betaling in geld. Je zou kunnen zeggen dat het kapitalisme werd geboren. Toevallig of niet, groeide ook het verzet tegen de almacht van de kerk. Onder andere Johannes Hus en John Wycliff betoogden dat een priester niet nodig was voor een relatie met God. Zij planten het zaad dat Luther en Calvijn konden oogsten. Door de directe relatie met God die ontstond door het uitschakelen van de ‘tussenpersoon’, de priester, werd het individu geboren. Hier begon de strijd voor vrijheid. Die begon met de eigen keuze voor een verbinding met God en leidde tot de Verlichting en uiteindelijke en na lange tijd tot de ontwikkeling van onze democratie en rechtsstaat.

Hier begon een ontwikkeling die, en nu sla ik een eeuw of vijf over, de laatste ruim vijftig jaar onder een neoliberale wind leidde tot doorgeschoten individualisme. Een ontwikkeling waar vrijheid is verworden tot de consumerende homo economicus. Een homo economicus kiest voor het eigen geluk en dat geluk is vooral genot. Dit met alle gevolgen voor het klimaat, de natuur maar ook de samenleving en onze democratische rechtsstaat en dus ook voor het geboortecijfer. Die keuze voor het eigen geluk en genot maakt ook dat de keerzijde ervan, pech, ellende maar ook de gevolgen van ouderdom, ook van jou als individu zijn. De na de zwarte dood ingezette ontwikkeling loopt nu tegen haar grenzen aan. Grenzen die we nu proberen te verleggen via onder andere arbeidsmigratie maar ook met technologie. Die eerste keuze zegt het gros niet te willen, maar met houding en gedrag kiest dat gros er wel voor. Die tweede keuze komt in een tijd van afhankelijkheid van een paar grote techbro’s met grote risico’s. Risico’s die nog worden vergroot omdat die techbro’s de meest geperverteerde vorm van liberalisme en vrijheid aanhangen: het libertarisme.

Sciubba heeft gelijk dat we daar nu groots over moeten nadenken. Onze veertiende-eeuwse voorouders konden dat niet. Zij werden verrast door de Zwarte Dood. Zij konden alleen reageren. Wij kunnen ageren. Wij hebben de tijd en ruimte om een weloverwogen keuze te maken. Angst is daarbij een slechte raadgever, of zoals Franklin Delano Rooseveldt het formuleerde ‘We’ve got nothing to fear but fear itself.’ Helaas is angst wel de tegenwoordig politiek dominante emotie. Angst voor verlies. Angst voor de toekomst. Angst voor de ander.

Angst die in de veertiende eeuw de vorm aannam van bijzondere rituelen zoals de praktijk van de flagellanten. Vaak voorafgegaan door kaarsendragers gingen ze in het wit gekleed naar de plaatselijke kerk. Daar ontdeden ze zich van hun bovenkleding en bedekten hun onderlijf met witte doeken en liepen zichzelf geselend rondjes. Ze begonnen geselliederen te zingen en zweepten zich op het ritme van de muziek af. Na zo’n eerste ronde vielen ze op hun knieën en geselden ze zich nog wat meer. Dit herhaalde zich daarna nog twee keer vaak met nog pijnlijkere voorwerpen. Het geheel werd afgesloten met de ‘geselaarspreek’ die rechtstreeks van God zou komen en voor de toehoorders was bedoeld. Daarna vertrokken ze weer naar de volgende plek en daar herhaalde het ritueel zich de volgende dag. Ze waren populair bij een flink deel van het volk omdat ze zich niets van de kerkelijke hiërarchie aantrokken en omdat men geloofde dat hun zelfkastijding god gunstig zou stemmen waardoor er een einde zou komen aan de crisis. Zo waren de flagellanten en ook grote delen van het volk ervan overtuigd dat deze manier van boetedoening de pest een halt zou toeroepen. Het tegendeel was echter het geval. Hun trektocht maakte het de pest makkelijker om zich te verspreiden.

Bij de feodale heersers angst voor het verlies van arbeid. Ze waren bang dat de horigen die de pest hadden overleefd, zouden vluchten waardoor er niemand meer was om hun land te bewerken. Maar angst ook voor stijgende lonen voor vrije arbeiders. Dit probeerden ze tevergeefs tegen te gaan door beperkende wetgeving. Tevergeefse pogingen want wetten vragen om handhaving en die bleek onmogelijk omdat er overal een tekort aan arbeid was.

Ook nu zien we angst. Angst voor de toekomst die blijkt uit het willen terugkeren naar een verleden. Een verleden met een bevolking die homogeen blank, in pais en vree en in grote welvaart met elkaar samenleefde. Een verleden dat nooit heeft bestaan. Angst voor de ander blijkend uit ‘het strengste asielbeleid ooit’. Angst voor verlies aan welvaart die paradoxaal genoeg wordt bestreden met een influx van ‘anderen’ in de vorm van arbeidsmigranten.

Wat we nu ook zien is feodalisme 3.0. Feodalisme dat ons tot horige van het bedrijfsleven en dan vooral van de techbro’s. Want technologie is: ““Bevrijdend ,” zo betoogt Marc Andreessen in zijn Techno optimistisch handvest.Bevrijdend: “voor de menselijke ziel, de menselijke geest.” Hij ziet als een: “Uitbreiding van wat het kan betekenen om vrij te zijn, om vervuld te zijn, om te leven.” Artificiële intelligentie zou ertoe kunnen leiden dat: “machines beslissingen voor ons nemen.” Als dat gebeurt, en dat zal, zo betoogt Andreessen gebeuren, dan: “wordt ruimschoots gecompenseerd door de vrijheid om ons leven in te richten die voortvloeit uit de materiële overvloed die wordt gecreëerd door ons gebruik van machines.” Vrijheid is consumeren. Hiermee zijn we wel heel ver verwijderd van de individuele, economische en politieke vrijheid die vanaf de Zwarte Dood is bevochten.

Monopolistisch feodalisme 3.0 zoals bepleit door Peter Thiel. Want: “Competition is for losers’” aldus Thiel: “A world of perfect competition is a world where all the profits are competed away,” Een goed ondernemer streeft naar een monopolie maar praat er niet over. “Most people believe that capitalism and competition are synonyms. I believe capitalism and competition are antonyms.” Hij zal het niet van zichzelf zeggen maar Thiel toont zich hier een uitstekend leerling van Marx. Beiden zien het vergaren van zoveel mogelijk kapitaal als het doel van het kapitalisme. Beiden zien kapitalisme als het streven naar een monopolie. En beiden zouden hier wel eens gelijk in kunnen hebben. Waar beiden echter verschillen is dat Thiel dit streven verbindt met vrijheid en Marx niet. Waar Thiel naar streeft is naar bedrijven die monopolist zijn en daardoor kunnen vragen wat ze willen omdat de consument geen keus heeft. Een monopoly van een bedrijf mag dan wel, zoals Thiel betoogt, goed zin voor de winst van het bedrijf, het is slecht voor het algemeen belang en voor het individuele belang van het gros van de mensheid.

Dus ja, we moeten groots nadenken over hoe onze toekomst willen vormgeven want als we dat niet doen, dan belanden we in feodalisme 3.0. Een feodalisme zonder gemeenschappen die voor elkaar zorgen. Een feodalisme zonder commons die ons helpen te overleven en een feodalisme zonder steun van en voor elkaar.

Van Teutems misplaatst techo-optimisme  

Na het lezen van een artikel van Simon van Teutem met als titel Degrowth: op papier een oplossing voor bijna alles, in praktijk een dwaalspoor, moest ik denken aan een van de grootste economen uit de geschiedenis, bekend van het meesterwerk The general Theory of Employment, Interest, and Money, John Maynard Keynes. In 1930 schreef Keynes een essay met als titel Economic possibilities for our Grandchildren waarin hij vooruitkeek naar de wereld van zijn kleinkinderen. Ik moest eraan denken omdat zowel van Teutem als Keynes in dezelfde val trappen. Van Teutem bekritiseert de degrowth beweging en pleit voor decoupling, het los koppelen van CO2-uitstoot en economische groei: “méér produceren, maar steeds mínder uitstoten,” als oplossing voor het klimaatprobleem.

Bron: Flickr

Eerst de bijzondere kritiek op degrowth. “Degrowthers zijn ervan overtuigd dat de wereldwijde economische activiteit moet krimpen in plaats van groeien en dat we welzijn boven winst moeten plaatsen. Zodoende gebruiken we minder grondstoffen en energie. De beweging is dan ook pleitbezorger van ‘consuminderen’; het bewust begrenzen van onze consumptie als samenleving.”  Maar, zo betoogt Van Teutem: “wie er langer over nadenkt, ontdekt dat het in praktijk ingewikkelder is dan de beweging het doet lijken. Minder werken en minder kopen betekent immers ook: minder belastinginkomsten voor de overheid.” Dit gat dichten met hogere belastingen zal lastig worden want: “vind dan maar eens steun voor hogere belastingen: als je al minder betaald krijgt, wil je over dat lagere salaris niet ook nog eens meer belasting betalen.” Minder werken mag dan wel betekenen dat: “jij meer tijd hebt voor vrienden en mantelzorg, maar ook dat de overheid minder geld heeft voor verpleeghuizen, leraren, openbaar vervoer, sociale woningbouw, warmtepompen, zonnepanelen, isolatie, en ga zo maar door. Anders gezegd: luxe kost geld, maar een duurzame verzorgingsstaat ook.”  Stoppen met groeien betekent het opblazen van de economie zo betoogt Van Teutem. Logisch toch?

Of niet? Want betekent consuminderen automatisch dat het bbp slinkt en er minder belastingen binnenkomen? Een voorbeeld. Iemand koopt per jaar 10 T-shirts van per stuk €5 bij de Primark. T-shirts die na 10 keer dragen van ellende uiteen vallen. Dat draagt dan voor €50 bij aan het bruto binnenlands product (bbp). Die persoon besluit het roer om te gooien en te gaan consuminderen. Hij koopt nu per jaar nog maar 2 T-shirts van goede kwaliteit en eerlijk geproduceerd. T-shirts die pas na 100 keer dragen uiteen vallen. T-shirts die € 25 per stuk kosten. De bijdrage aan het bbp is €50. Twee keer dezelfde bijdrage waarover eenzelfde hoeveelheid btw wordt betaald. Twee keer een gelijke bijdrage aan het bbp. Consuminderen hoeft niet automatisch tot krimp te leiden. Is minder inkomen een probleem als je minder spullen koopt? Als je die tv op je slaapkamer niet koopt? Als je niet iedere drie jaar een nieuw mobieltje koopt maar er tien jaar meedoet? Als je niet meedoet aan de laatste mode, maar kleren draagt totdat ze versleten zijn? Zou het dan niet kunnen dat minder inkomen geen probleem is? Minder geld voor collectieve voorzieningen hoeft niet te leiden tot minder diensten. Een heel simpel voorbeeld. Veel van wat nu betaald wordt en dus meetelt voor het bbp, gebeurde vroeger zonder betaling. Mensen pasten zonder betaling op elkaars kinderen en poetsten het huis van de oude buurman. Dat deden ze gewoon zonder betaling en je zag het niet in het bbp terug. Nu gaan de kinderen naar de kinderopvang en komt de thuiszorg bij de buurman poetsen en telt het wel mee. Als er iets de economie heeft ‘opgeblazen’ maar dan als een ballon, dan is het wel het professionaliseren en reguleren van dit soort zaken. In mijn jeugd kon je met 4 jaar naar de kleuterschool. Voor jongere kinderen was er geen kinderopvang. Er waren procentueel gezien en ook feitelijk, veel meer kinderen dan nu. De bijdrage van wat nu de kinderopvang branche is aan het bbp was €0. In 2014 was dat €3,36 miljard, 0,5% het bbp.

Maar gelukkig, en daarmee komen wij bij Van Teutems pleidooi voor ‘ontkoppelen’: “we kunnen al die angstaanjagende crises doorstaan zonder degrowth en consuminderen. Er is een toekomst mogelijk waarin twee miljard mensen van de armoede worden bevrijd, zonder dat de aarde naar de knoppen gaat. En waarin Nederlandse peuters een beter leven hebben dan jij en ik nu – net als kleuters in Burundi,” aldus van Teutem. Die oplossing: “wordt door economen in jargon decoupling genoemd. Economische groei en CO2-uitstoot hoeven niet hand in hand te gaan; er zijn landen die steeds méér produceren, maar steeds mínder uitstoten.” Zonnepanelen, windmolens, waterkracht, Nederland is er al ver mee en: “Nu is het niet het moment om onszelf af te remmen en het draagvlak voor ambitieus klimaatbeleid te slopen, maar om als de wiedeweerga ontwikkelingslanden te helpen om dezelfde transformatie te ondergaan.” Een goed idee om landen met minder middelen te helpen met minder vervuilende manieren van energieopwekking dan het verbranden van kolen, olie en gas. Er is echter één probleem daarover straks meer. Eerst terug naar Keynes en zijn kleinkinderen.

Kleinkinderen die inmiddels waarschijnlijk ook zelf al kleinkinderen hebben. Die kleinkinderen zouden door de voortschrijdende technologische ontwikkelingen nog maar 15 uur hoeven werken voor een vier tot acht keer hoger welvaartsniveau. Volgens Keynes is het: “waar dat de behoeften van mensen onverzadigbaar lijken. Maar ze vallen uiteen in twee klassen — die behoeften die absoluut zijn in de zin dat we ze voelen ongeacht de situatie van onze medemensen, en die welke relatief zijn in de zin dat we ze alleen voelen als hun bevrediging ons verheft boven, ons superieur doet voelen aan, onze medemensen. Behoeften van de tweede klasse, die het verlangen naar superioriteit bevredigen, kunnen inderdaad onverzadigbaar zijn; want hoe hoger het algemene niveau, hoe hoger ze nog zijn.Volgens Keynes kan er: “een punt worden bereikt, misschien wel veel eerder dan we ons allemaal bewust zijn, waarop deze behoeften zijn bevredigd in de zin dat we er de voorkeur aan geven onze verdere energie te besteden aan niet-economische doeleinden.” Keynes baseerde dit op het verleden van de mensheid: “als we, in plaats van in de toekomst te kijken, in het verleden kijken – we ontdekken dat het economische probleem, de strijd om het bestaan, tot nu toe altijd het primaire, meest dringende probleem van het menselijke ras is geweest – niet alleen van het menselijke ras, maar van het hele biologische koninkrijk vanaf het begin van het leven in zijn meest primitieve vormen. [1] En met dat probleem uit de weg, zou de mens wel eens andere keuzes kunnen maken. Dat is niet uitgekomen zoals we kunnen constateren. Wel die toename van het welvaartsniveau, niet die 15 uur.

Waar Keynes zich op verkeek en ook van Teutem zich op verkijkt, daarom moest ik aan Keynes denken, is de aard van de moderne mens. Die moderne mens, die volgens Keynes wel eens andere keuzes zou maken, heeft inderdaad andere keuzes gemaakt dan Keynes hoopte. Bij die keuzes speelt de technologische ontwikkeling een belangrijker rol. De moderne mens koos er namelijk voor om de tijd die vrijkwam door productiestijging als gevolg van technologische ontwikkeling te gebruiken voor meer productie en meer producten. Een weefgetouw dat een trui in de helft van de tijd gereed krijgt, maakt dat er twee keer zoveel truien worden gemaakt en ook gekocht. De benenwagen en het paard werden ingeruild voor een trein, auto en vliegtuig met als gevolg dat we meer en verder reizen dan ooit te voren. Elektrische apparaten worden steeds energiezuiniger toch stijgt het energiegebruik omdat we steeds meer elektrische apparaten gebruiken. Harde schijven worden steeds groter, de programma’s die we erop laten draaien ook. Die moderne mens gaat ver op vakantie en om daar echt vakantie te vieren moeten anderen zorgen voor het natje,  droogje en vermaak. Die moderne mens ging zelfs zover dat het opvoeden van kinderen voor een deel wordt uitbesteed aan  anderen: de kinderopvang. Dat de buurman helpen, werk is geworden.

Daarmee kom ik bij het ‘ontkoppelingsprobleem’ van Van Teutem. Zijn er genoeg grondstoffen om wereldwijd mensen een auto, laat staan elektrisch, te laten rijden, en een dito fiets, step enzovoorts? Met bijna 18 miljoen Nederlanders, hebben we iets meer dan 9 miljoen auto’s, dat is per twee inwoners één auto. In de VS hebben ze nog meer auto per persoon. De wereld kent nu 8,1 miljard inwoners (tenminste op het moment dat ik dit schreef en de link opnam). Per twee personen één auto betekent ruim 4 miljard auto’s. Volgens TopGear reden er in 2020 1,4 miljard auto’s op onze planeet. We zijn inmiddels vier jaar verder en laat het er nu 1,5 miljard zijn. Dat is één auto op 5,5 mens. Of er voldoende grondstoffen zijn om de wereld naar de Nederlandse verhouding, laat staan die in de Verenigde Staten, te laten groeien, waag ik zeer te betwijfelen. En met die auto alleen ben je er niet. Meer auto’s betekent ook meer asfalt. En dan hebben we het alleen nog maar over auto’s en niet over kleren, elektronica en al die andere spullen en al helemaal niet over de nieuwe ‘gadgets’ die nu nog niet uitgevonden zijn maar die straks weer iedereen moet hebben. Want dat gaat gebeuren als de moderne mens zijn gedrag niet verandert.

De mens was niet altijd modern en gericht op bezit en meer, meer, meer. Sterker nog. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis was bezit vooral ballast voor de Homo Sapiens. Voor een  nomadische jager-verzamelaar en zo hebben onze voorouders zeer lang geleefd, was bezit hinderlijk. Bezit moest worden meegesleept van de ene naar de andere plek. Als je moet ‘slepen’, dan ‘sleep je alleen dat mee, wat je echt nodig hebt. Een kast met schoenen voor alle gelegenheden, sterker nog, meer schoeisel dan hetgeen je aan je voet draagt, heb je dan niet nodig. Zeker niet als de materialen om nieuwe te maken als de oude versleten zijn, op iedere plek voorhanden zijn. Pas toen de mens een sedentair werd, ging hij meer spullen verzamelen. En voor spullen geldt hoe meer ruimte hoe meer spullen, weet iedereen die een kelder of zolder heeft want daar verzamelen zich de zaken die niet echt nodig zijn. Of beter, die echt niet nodig zijn. Zaken die niet echt nodig zijn liggen met hun broertjes of zusjes in een kast, de ‘keukenlijken’. En echt spullen verzamelen en de ‘inloopkast’ vullen, ging de mens pas doen toen de behoefte van de eerste klasse, zoals Keynes ze noemde, gegarandeerd waren. De ene mens, die van adel en later de gegoede burgerij begon daar al vroeg mee en zette de trend. Voor anderen, zoals het gros van onze Nederlandse grootouders, brak dat moment in de loop van de vorige eeuw aan en voor een flink deel van de mensheid moet dat moment nog aanbreken. Ik schrijf hier bewust ’zette de trend’ want mensen spiegelen zich aan elkaar en dan vooral aan degenen die boven hen lijken te staan.

Technologie mag dan wellicht op termijn de CO2 uitstoot tot een minimum beperken maar daarmee is het probleem van een ‘te grote voetstap’ niet opgelost. Daarvoor is meer nodig dan technologie. Daarvoor is toch echt een gedragsverandering nodig. “Uiteindelijk gaat het niet om intenties, maar om politiek: mensen stemmen niet massaal voor het collectief en tegen hun persoonlijke belang. En zelfs als ze dat zouden doen, verzwakken we met een kleinere economie juist het instituut dat we zo hard nodig hebben om problemen het hoofd te bieden: de overheid. En houden we arme landen arm,” zo schrijft Van Teutem. Dat mensen niet massaal tegen hun eigenbelang stemmen, vraag ik me af. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het eigen belang van het gros van de mensen die op de PVV hebben gestemd anders is dan ‘uit de EU’. Ik kan me ook niet aan de indruk onttrekken dat het eigen belang van het gros van de mensen die op BBB stemden anders is dan, om het cru te formuleren, meer ‘stront op het land’. Degrowth hoeft niet te leiden tot een zwakkere overheid. Zonder gedragsverandering gaat technologie ons niet redden. Van Teutems techno-optimisme is misplaatst.


[1] John Maynard Keynes, Economic possibilities for our Grandchildren, pagina 4