Uitdagend en uitgedaagd

“Tot iets uitnodigen of verleiden; = tarten,” de betekenis die de Van Dale geeft aan het woord uitdagend. Ik wist het wel maar toch heb ik het maar even opgezocht omdat het de komende tijd belangrijk wordt. Minister Slob geeft namelijk extra geld aan scholen met ‘veel uitdagende leerlingen’ zo lees ik in de Volkskrant. “Deze scholen, volgens Slob zo’n 15 procent van alle schoolvestigingen, voelen het lerarentekort het meest: leraren vertrekken eerder en vacatures blijven langer onvervuld.”  Leuk voor het personeel van de betreffende scholen want die krijgen: “de komende twee schooljaren 8 procent extra loon” Dit roept vragen op.

Lagere-schoolklas in Oeffelt / Primary school class in Oef… | Flickr
Bron: Flickr

Op een van die vragen, of het werkelijk helpt tegen het lerarentekort, geeft Thijs Roovers van de Algemene Onderwijsbond al een antwoord: “Deze maatregel heeft een waterbedeffect tot gevolg: leraren worden weggehaald bij de ene school en gaan naar een andere, waar weer nieuwe tekorten ontstaan.” Geen structurele oplossing maar symptoombestrijding volgens de: “beproefde systematiek van de minister. Er wordt een pleister op een gapende wond geplakt. Vervolgens wordt dat verkocht alsof er plastische chirurgie is toegepast.” Door dat waterbed is de kans groot dat scholen met leerlingen die nu niet ‘uitdagend’ zijn, dat binnenkort wel zijn.

En daarmee kom ik bij het punt waarvoor ik de Van Dale raadpleegde: hoe bepaal je of een leerling uitdagend is? Welke leerling ‘verleidt’ jou? Welke leerling ‘nodigt tot iets uit’? Of om het nog anders te stellen, welke leerling doet “een beroep op al je capaciteiten”, om de betekenis die de Van Dale geeft van: “een uitdagende functie.” Of welke groep leerlingen bewerkstelligt dit om het te betrekken en dus de klas en school te betrekken: welke mix van leerlingen. Doen alleen ‘achterstandsleerlingen’ een beroep op al je capaciteiten? Of zouden ook leerlingen met een voorsprong ‘uitdagend’ kunnen zijn voor een docent? Of zou het uitdagende per docent verschillen? Het lijkt mij een ‘uitdaging’ om te definiëren wat ‘uitdagende leerlingen’ zijn.

Maar iets anders. Wie moet er in het onderwijs eigenlijk uitgedaagd worden? In deze hele discussie lijkt het erop alsof het de leerlingen zijn die de leraar moeten uitdagen. Zou het niet precies omgekeerd moeten zijn? Moeten de docenten niet juist de leerlingen uitdagen? Is het niet juist de taak van een docent om uit te dagen, om kinderen te verleiden om hun kennis en vaardigheden te ontwikkelen? Is het niet de docent die leerlingen moet verleiden om tot het leren van nieuwe zaken en zo het verleggen van hun grenzen? Is het niet juist het uitdagende van de functie van docent om via dat ‘beroep op al je capaciteiten’ de ontwikkeling van kinderen te stimuleren?

Burgerschapsvorming en versplintering

Elma Drayer vindt, in haar column in de Volkskrant, dat minister Slob groot gelijk heeft dat hij aandacht voor burgerschapsvorming wil verplichten. Aandacht voor burgerschapsvorming om” toenemende ‘mentale segregatie,” te bestrijden. ‘Leerlingen met verschillende denkbeelden die wel bij elkaar in de klas zitten, staan soms lijnrecht tegenover elkaar en zijn daarnaast maar matig geïnteresseerd in elkaar.” Om: “de ‘versplinterde identiteiten’ en de ‘versnippering’,” die een directeur van een school die zij aanhaalt signaleerde. Volgens Drayer is burgerschapsvorming de oplossing: “Het zal niet eenvoudig zijn om ook deze loodzware klus te klaren. Maar een andere weg? Ik zie hem niet.”

CBC_Classroom_1932

Foto: Wikimedia Commons

Dat mensen mentaal gesegregeerd zijn en dat die segregatie groot is en het vermogen om je in de ander in te leven een schaars goed is, valt dagelijks te zien. Neem het voornemen van Pegida om voor moskeeën een barbecue met varkensvlees te houden. getuigt dat niet van een compleet gebrek aan respect en inlevingsvermogen? Zo zijn er vele voorbeelden te noemen. Voorbeelden van mensen die zwelgen in het gelijk van de bubbel waarin zij verkeren. Die zelfs zo ver gaan dat ze erover denken een ‘eigen zuil’ op te richten. Voorbeelden van mensen waar ‘identiteit’ betekent anderen buitensluiten en verketteren voorbeelden van links en rechts.

Segregatie die wordt ondersteund door taal beginnend met woorden als allochtoon en autochtoon. Woorden als ‘integratie’ of ‘inburgering waarmee mensen buiten de groep worden geplaatst. Woorden zoals ‘Nederlandse, Turkse of … identiteit’. Woorden die worden gebruikt om onderscheid tussen mensen te maken. Woorden als ‘tweede, derde generatie migranten’ voor mensen die gewoon hier geboren zijn.

Segregatie die wordt ondersteund met beleid. Beleid dat onderscheid maakt tussen mensen op basis van zaken waar zij niets aan kunnen doen, zoals het geboorteland van hun ouders. Beleid zoals inburgeringscursussen en -examens die tot niets leiden, want na het behalen van dat examen wordt je nog steeds als ‘niet ingeburgerd’ gezien. Een status die zelfs je verre nazaten blijven behouden.

Dat we kinderen: “wegwijs (moeten) maken in ‘de spelregels van onze democratie’, dat zij kennis op moeten doen over het functioneren van de maatschappij, staat buiten kijf.  Dat was altijd al de opdracht van het onderwijs. Zou de mentale segregatie werkelijk minder worden met burgerschapsvorming in het onderwijs?

Wat zou daarbij effectiever zijn, de ‘wet Slob’ of het doel van het onderwijs verschuiven van de nadruk op een plek op de arbeidsmarkt en dus ‘werk, werk, werk’ naar voorbereiden op het leven? En, in het verlengde daarvan, economie zien als een middel in plaats van het doel dat het nu is?

Beste minister Slob,

Wat vindt u van het voorstel, zowel van de voorgestelde wettekst als de memorie van toelichting?” Die vraagt stelt de overheid, minister Slob van Onderwijs aan ons op de internetpagina waarop wij, inwoners van dit land, kunnen reageren op het wetsvoorstel verduidelijking burgerschapsopdracht in het funderend onderwijs. Beste minister Slob, van die gelegenheid maak ik graag gebruik. 

Internetconsultatie

Beste minister Slob, ik heb het wetsvoorstel en de toelichting erop met belangstelling gelezen. “Met dit wetsvoorstel is het voor scholen duidelijker waar burgerschapsonderwijs in ieder geval over moet gaan. Leerlingen krijgen hierdoor beter burgerschapsonderwijs en verwerven meer kennis en vaardigheden op dit gebied. Scholen hebben buiten deze kern de ruimte voor eigen invulling van het burgerschapsonderwijs.” Dat is het doel wat u met het wetsvoorstel wilt bereiken. Bijzonder omdat ik in de veronderstelling was dat het doel van het onderwijs altijd altijd al was om samen met ouders en andere opvoeders de kinderen voor te bereiden op het zelfstandig functioneren in de Nederlandse samenleving? Als dat het doel van het onderwijs is, is het dan niet vreemd dat er een apart vak ‘burgerschap’ zou moeten zijn? 

In de artikelen lees ik dat het gaat om “het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat,” Hoe moet dat, respect bijbrengen. Voor mij is respect iets wat je een andere persoon geeft, het is een vrijwillige daad. Past een dergelijke formulering niet veel meer bij een dictator, potentaat en wellicht zelfs de huidige Amerikaanse president? Die eisen dat ze worden gerespecteerd, die willen respect afdwingen en dat kan leiden tot veel, maar leidt zelden tot respect. 

Dan een slagje dieper. Gelooft u in de kracht van basiswaarden van onze democratische samenleving? Ik stel u die vraag omdat als u werkelijk gelooft in de kracht van deze waarden, ‘respect afdwingen’ niet nodig is, dan krijgen ze respect. Om de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring te citeren: “ We hold these truths to be self evident.” Deze tekst straalt weinig vertrouwen in die basiswaarden uit

Als laatste, als het actieve burgerschap en die sociale cohesie waar u in de toelichting over spreekt werkelijk een probleem zijn, is er dan niet wat anders nodig? Is er dan niet beleid op andere terreinen nodig. Beleid dat erkent dat de ‘onafhankelijkheid’ van het individu veel te ver is doorgeschoten? Beleid dat erkent dat een individu zonder een groep niets is. Beleid dat ‘werk, werk en nog eens werk’ wat minder belangrijk maakt en dat werk ziet als een middel tot een doel en niet als een doel op zich. Als cohesie het doel is dan is het ‘staand zingen van het Wilhelmus’, het kunnen ‘uitleggen waar dat lied over gaat’ en ‘een bezoek aan het Rijksmuseum’ gepruts en gerommel in de marge. Zonde van de tijd en het geld.