Uitgelicht

Aanleiding en oorzaak

Op 28 juni 1914 vermoordde Gavrilo Princip, een lid van de Servisch nationalistische groep Zwarte Hand, de Oostenrijkse aartshertog Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie. Die moord wordt alom gezien als de aanleiding voor de Eerste Wereldoorlog. Een maand later, op 28 juli 1914 begon het vechten met de Oostenrijkse invasie van Servië. Die moord was echter niet de oorzaak voor het uitbreken van die oorlog. Aanleiding en oorzaak kunnen hetzelfde zijn, dat hoeft echter niet. Ik moest hieraan denken bij het lezen van een artikel van Jesse Frederik bij De Correspondent. Een artikel over de reden waarom mensen op radicaal en extreem rechtse partijen stemmen.

“Omstandigheden die iets onmiddellijk teweegbrengen of ten gevolge hebben,” de definitie die de Van Dale geeft voor aanleiding. Dezelfde Van Dale geeft:”datgene wat noodzakelijk een zeker gevolg met zich meebrengt (voor zover iets anders dit niet belet), met betrekking tot dat gevolg” als definitie voor oorzaak. Princips daad was de omstandigheid die onmiddellijk tot oorlog leidde. De oorzaak van de oorlog moet veeleer gezocht worden in de rivaliteit tussen de imperialistische Europese grootmachten. Grootmachten die zich via overeenkomsten in twee blokken hadden verenigd. Het Duitse keizerrijk dat zijn plek onder de ‘koloniale’ zon wilde en de rivaliteit met de Britten op zee wilde aangaan. De Britten die de Duitse ambities vreesden en zagen dat ze industrieel door de Duitsers waren overvleugeld. De Duitsers die de Russen vreesden. Dat veel grotere en volkrijkere land was zich aan het industrialiseren en zou in de nabije toekomst de Duitsers voorbij streven, zo vreesden de Duitsers. De Fransen die op wraak zinden voor de nederlaag van 1870 en de toen verloren gebieden Elzas en Lotharingen terug wilden. Het nationalisme van verschillende volkeren op de Balkan, de Serven voorop, bedreigden de Oostenrijk-Hongaarse veelvolkerenstaat. Om maar een paar van de oorzaken te noemen. Nu terug naar Frederiks artikel.

Een artikel waarin Frederik de verklaring voor de groei van radicaal en extreem rechts zoekt in migratie. Hij gebruikt hierbij het boek De Symfonie van onvrede van Catherine de Vries als contrapunt. De Vries houdt een pleidooi voor een nabije overheid. “Er is ,” zo betoogt De Vries, “geen tekort aan staat maar aan nabijheid van de staat.”1 Want:“Een nabije overheid is geen luxe, het is een productiefactor, net zo essentieel voor een gezonde economie als kapitaal en arbeid,”2 aldus De Vries: “Nabijheid is dus geen verlangen naar vroeger tijden maar een strategische voorwaarde voor een samenleving die wil groeien, wil vernieuwen en zichzelf opnieuw wil uitvinden.”3 En de overheid is niet meer nabij: “ door de politieke keuzes van middenpartijen het afschudden van ideologische veren, de uitverkoop van de staat aan de markt en het herdefiniëren van de kiezer als consument,”4 drijft mensen in de armen van radicaal rechts. Zo betoogt De Vries. Frederik hierover: ik ben sceptisch over dit genre kiezersduiding. Wanneer iemand op PRO stemt omdat die zich zorgen maakt over het klimaat, dan vinden we dat volstrekt vanzelfsprekend (niemand die er iets achter gaat zoeken). Maar als mensen zeggen ‘Nederlanders eerst!’, dan bedoelen ze opeens: ‘Mag de huisartsenpost weer open?’ Is dat niet een beetje vergezocht?”

Inderdaad als mensen zeggen ‘Nederlanders eerst’ en dat als reden aandragen voor een stem op een radicaal of extreem rechtse partij, dan geloof ik meteen dat ze op die partij stemmen vanwege het immigratieonvriendelijke standpunt van die partij. Dus Frederik heeft gelijk? Ja, hij heeft gelijk.

Maar, om Frederiks collega Simon van Teutem aan te halen: ‘Vraag mensen of het een slecht jaar was voor hen en hun familie, en slechts een minderheid knikt instemmend. Vraag diezelfde mensen of het een slecht jaar was voor hun land, en de meerderheid antwoordt met een somber ja, zoals de grafiek hieronder laat zien.” ‘Met mij gaat het goed met ons slecht.’ Dit ondersteunt het betoog van De Vries. De overheid is immes ‘onze’ vertegenwoordiger. Dus De Vries heeft gelijk? Ja, ook zij heeft gelijk.

En daarmee ben ik bij de reden waarom ik aan Princip en de Eerste Wereldoorlog moest denken. Geeft Frederik niet de aanleiding voor de groei van radicaal en extreem rechts en De Vries de oorzaak? Frederik:“In 1994 vond iets meer dan de helft van Nederland dat we meer asielzoekers moeten terugsturen dan toelaten, in 2023 vond 63 procent dat.” Een kleine groei, maar daar gaat het mij niet om. Het gaat mij erom dat dit standpunt in 1994 niet leidde tot meer dan veertig zetels voor extreem en radicaal rechtse partijen. De extreem rechtse Centrum Democraten van Janmaat die een antimigratiestandpunt verkondigden (‘als wij aan de macht komen dan schaffen we de multiculturele samenleving af’) haalden in dat jaar wel geteld drie hele Kamerzetels. Waarom toen drie en nu meer dan veertig. Waarom, en daar komt het tweede cijfers, baseerde: ‘Maar liefst 35 procent van de kiezers (…)bij de verkiezingen in 2023 (…)hun stem vooral (…)op het onderwerp migratie,” en was dat in 1994 niet het geval?

Volgens Frederik:”hoeft (het) niet per se te verbazen dat in een vertegenwoordigende democratie populaire standpunten vroeg of laat vertegenwoordigd worden. Zeker als die standpunten – bijvoorbeeld: door de komst van meer asielmigranten naar Europa – in het hoofd van veel kiezers relevanter zijn geworden.”Dat hoeft inderdaad niet te verbazen. Het roept echter wel vragen op. Hoe komt het dat politici zich vooral op dit thema focussen? Is het thema dominant geworden omdat er kiezers te halen waren, of werd het thema dominant gemaakt en stroomden daarna de kiezers toe? Maar vooral waarom werd dit thema dominant?

De ‘vreemdeling’ of ‘de ander’ is altijd een welkome schuldige in tijden van onzekerheid. Hitler behaalde pas resultaat na de economische crisis van 1928. Pas toen vele Duitsers alles kwijtraakten en de regering machteloos naar de ‘markt’ keek vond zijn retoriek met de joodse medemens als zondebok ingang bij een groot deel van het volk. Pas toen duidelijk werd dat de Weimar Republiek geen mogelijkheden had en zag om de gewone Duitser te helpen en ondersteunen werd het ‘niet nabij zijn’ een probleem.

Van ‘alles verloren hebben’ is nu geen sprake. Met ‘mij’ gaat het immers goed, met ‘ons’ niet zo. Maar die ‘ik’ is wel bang om ‘te verliezen wat ‘ik’ heb’ en ‘ik’ twijfel eraan dat ‘wij’, de overheid er dan is om mij te helpen. ‘Ik’ twijfel eraan omdat die ‘ik’ al vier decennia van ‘ons’, de overheid, te horen krijg dat ‘ik’ verantwoordelijk ben voor mijn eigen geluk en succes en dus ook voor mijn eigen ongeluk en succesloosheid. Ik schrijf bewust succesloosheid en niet falen omdat het niet hebben van succes iets anders is dan falen. En ‘ik’ zie al vier decennia dat multinationale – en later techbedrijven niets in de weg wordt gelegd om ‘mij’ uit te buiten. ‘Ik’ zie, tenminste een deel van de ‘ikken’, dat het klimaat verandert en dat ‘ik’ daarvoor verantwoordelijk wordt gemaakt terwijl de grote vervuilende bedrijven buiten schot blijven. ‘Ik’ zie, net als de Duitser van eind jaren twintig van de vorige eeuw, een regering die machteloos is omdat ze zichzelf machteloos laat maken door mensen die denken dat alle zegeningen van de markt komen. Dit terwijl een sterke markt niet zonder een sterke overheid kan.

‘Ik’ zie dit alles. En ‘Ik’ hoor ook al bijna vijftig jaar dat er politici zijn die ‘anderen’ de schuld geven. Politici zoals Janmaat en Frits Bolkestein die terecht constateren dat: “Het ontstaan van zwarte scholen (…) te betreuren,” omdat: “Gescheiden scholen (…) immers voorbodes van een gescheiden samenleving,” zijn. Maar die er vervolgens niets aan doen behalve dan ‘de ander’ de schuld te geven: “Gaan islamitische scholen niet juist de segregatie versterken? Welke islam wordt daar onderwezen: de ruimdenkende of de fundamentalistische? “ Politici die, te beginnen met Pim Fortuyn, navolgers hebben gekregen die ervoor hebben gezorgd dat dit het onderwerp was dat alle andere overschaduwde en er alles aan deden om het niet op te lossen. Sterker nog, er alles aan doen om het te verergeren. Dit om af te leiden van de zelf gekozen hulpeloosheid om problemen echt op te lossen. Om bijvoorbeeld de door Bolkestein al gesignaleerde segregatie op te lossen door artikel 23 van de Grondwet aan te passen en ieder kind hetzelfde openbaar onderwijs aan te bieden. Om het stikstof probleem op te lossen door de landbouw echt te hervormen en milieu- en dus toekomst bestendig te maken. Om het woningprobleem op te lossen door als overheid zelf woningen te bouwen. Om het probleem van de toenemende ongelijkheid in vooral vermogen recht te trekken door het belastingstelsel te hervormen en rendement uit en het doorgeven van vermogenveel zwaarder te belasten. Om de afhankelijkheid van Amerikaanse Big Tech op te lossen door als overheid een eigen informatietechnologie infrastructuur te bouwen. Dit liefst in Europees verband. En nu ik het toch over Europees verband heb, door vol voor Europese samenwerking te gaan en samen met de landen van de Unie te bepalen welke zaken gezamenlijk worden opgepakt. Maar dan wel een gemoderniseerde veel democratischere Unie die deze taken uitvoert zonder dat raden van ministers van landen zich daar nog tegenaan bemoeien.

Dit alles geschreven hebbend, denk ik dat Frederik gelijk heeft en dat mensen werkelijk op radicaal en extreem rechts stemmen vanwege het migratiestandpunt van die partijen. Voor wat betreft de oorzaak waarom dit thema het belangrijkste thema in hun overweging werd, daar zou, denk ik, De Vries wel eens een belangrijk punt kunnen hebben.

De Ballonnendoorprikker is nu ook te volgen op Bluesky: https://bsky.app/profile/frans.eurosky.social

1Catherine de Vries, De Sympfonie van onvrede. De opmars van radicaal rechts in Europa, pagina 133

2Catherine de Vries, De Sympfonie van onvrede. De opmars van radicaal rechts in Europa, pagina 172

3Catherine de Vries, De Sympfonie van onvrede. De opmars van radicaal rechts in Europa, pagina 176-177

4Catherine de Vries, De Sympfonie van onvrede. De opmars van radicaal rechts in Europa, pagina 23

Uitgelicht

Gecreëerde boosheid

“Geweld is onacceptabel. Maar de boosheid en radeloosheid bouwen zich al jaren op.” Woorden van Kamerlid Mona Keijzer in een debat naar aanleiding van de terroristische aanslag in Loosdrecht. Een reactie die bij het gros van de politici was te horen. Bij enkelen, zoals Markuszower, in nog wat stevigere woorden. Ware woorden. Alleen dan op een andere manier dan Keijzer ze bedoelde. Die boosheid en woede is opgebouwd door politieke avonturiers die electorale winst zagen in het opbouwen ervan. Een kleine geschiedenis.

Maar eerst even iets anders. Keijzer is een Kamerlid dat inmiddels twee politieke partijen heeft versleten, voor beiden in een regering zat en nu ‘voor zichzelf’ is begonnen. Zo’n carrière laat al zien waaraan het schort en niet alleen bij Keijzer, want zoals zij zijn er veel meer. Markuszower, Wilders, Eerdmans, de oude bekende Rita Verdonk en zo kan ik nog wel even doorgaan. Politici waarvoor ‘je zin krijgen’ of beter nog ‘aandacht’ belangrijker is dan problemen oplossen. Ze weten het allemaal beter maar samenwerken met anderen, iets wat toch echt nodig is om iets gedaan te krijgen, dat kunnen ze niet. Voor hen is het: my way or the Highway. Dan nu naar de kleine geschiedenis.

Wij schaffen, zodra wij aan de macht komen, de multiculturele samenleving af.’ Deze woorden sprak Hans Janmaat de leider van de politieke partij Centrum Democraten in de jaren negentig. De rechter veroordeelde hem tot een boete wegens discriminatie. Anders dan de naam doet vermoeden, iets wat vaker het geval is bij politieke partijen, waren de Centrum Democraten geen partij uit het centrum van het politieke spectrum maar extreem rechts en ook op het democratische gehalte viel het nodige af te dingen. Op het hoogtepunt van haar bestaan, in 1994, behaalde de partij drie Zetels in de Tweede Kamer. Janmaat was met zijn partij de eerste die zich afzette tegen mensen die korte of langere tijd geleden als immigrant naar Nederland waren gekomen. Nu was Janmaat een politieke kluns.

Wat Janmaat eigenlijk bedoelde was dat hij terug wilde naar een vroegere tijd toen Nederland nog Nederland was. Naar welke tijd is hem nooit gevraagd maar die tijd moet in ieder geval voor 1960 liggen. Wat hij daarbij vergeet is dat Nederland toen ook al ‘multicultureel’ was. Het was de tijd van de verzuiling. Een tijd waarin katholieken, protestanten, liberalen en socialisten er een heel andere cultuur op nahielden en elkaar als vijanden zagen. Hij verlangde, net zoals Wilders en Baudet nu, terug naar een verleden dat er nooit is geweest. Janmaat werd veroordeeld maar dat betekent niet dat het frame ‘multiculturele samenleving’ geen negatieve connotatie kreeg. Die kreeg het in toenemende mate.

De toenmalige VVD-leider Frits Bolkestein betoogde in de Volkskrant van 1991 dat ‘integratie met behoud van identiteit niet deugd. Hij maakte zich vooral zorgen over de islam: “Het ontstaan van zwarte scholen is te betreuren. Gescheiden scholen zijn immers voorbodes van een gescheiden samenleving. Gaan islamitische scholen niet juist de segregatie versterken? Welke islam wordt daar onderwezen: de ruimdenkende of de fundamentalistische? “ Volgens Bolkestein moest er niet gemarchandeerd worden met fundamentele beginselen zoals de scheiding van kerk en staat, de vrijheid van meningsuiting, de verdraagzaamheid en non-discriminatie. Bolkestein constateerde dat: “Kiezers vinden dat de politiek onvoldoende kennis neemt van hun problemen. Het vraagstuk van minderheden is een probleem dat voortdurend over de tong gaat in kroeg en kerk. Als dat niet genoeg wordt weerspiegeld in Den Haag, dan zeggen de kiezers: waarom zou ik nog stemmen? Een volksvertegenwoordiger die voorbijloopt aan wat er leeft bij het volk is geen knip voor de neus waard.”

Dat er problemen waren was evident en dat die besproken moesten worden ook. Alleen bereikte Bolkestein precies het tegengestelde en dat lag vooral aan de manier waarop hij het gesprek opende. Hij constateerde problemen en wees een schuldige aan: de islam is het gevaar! Een erg onhandige manier om een gesprek te beginnen over reële problemen.Gescheiden scholen wordt nu nog steeds als een probleem gezien. Het gesprek openen over deze uitwassen van het door delen van politiek Nederland zo bejubelde artikel 23 van de Grondwet dat de vrijheid van onderwijs garandeert, zou niet verkeerd zijn geweest. Dan waren we nu tenminste wat verder. Tien jaar later bracht Pim Fortuyn een soortgelijke boodschap met dezelfde schuldige sindsdien heeft Geert Wilders het stokje overgenomen en heeft die boodschap ook ingang gevonden bij nieuwe partijen en oudere partijen zoals de VVD. Dit verkeerde begin van een gesprek over terechte zorgen, speelt ons nu ruim 35 jaar later nog steeds parten.

Bolkestein en zijn navolgers leggen de nadruk op het ‘anders zijn’ van anderen. Ze creëren, geheel in lijn met het denken van Carl Schmitt, een strijd van WIJ tegen ZIJ. Hun WIJ is een Nederland uit een nooit geweest verleden. De ZIJ is een migrant en dan vooral een islamitische migrant. In die strijd is de winst van de een het verlies van de ander. Het begrip ‘Multiculturele samenleving kreeg hierdoor een negatieve connotatie terwijl elke samenleving multicultureel en aan verandering onderhevig is. Een samenleving is “het geheel van de met elkaar verkerende mensen,” aldus de Van Dale. Hoe vaststaand is dat geheel? Verandert een samenleving niet permanent omdat er mensen bij komen door geboorte en emigratie en er vallen mensen weg door sterfte en immigratie? Door kennisontwikkeling? Dit verandert immers mensen. Is een samenleving daarmee niet een fluïde iets en iets wat nooit ‘af’ of ‘compleet’ is?

Een navolger van Bolkestein, toenmalig Kamerlid Malik Azmani liet in 2015 weten hoe hij integratie zag. Op de vraag van de Volkskrant of ook Nederlanders verantwoordelijk zijn voor integratie antwoordde hij: “Ik vind niet dat een ontvangende samenleving iets van haar identiteit moet afstaan.” Azmani’s antwoord roept nog aanvullende vragen op. Vragen die ook met helder en logisch nadenken te maken hebben. Is integratie of met een ander woord inburgeren eigenlijk wel mogelijk zonder verantwoordelijkheid van de ontvangende samenleving? Kun je integreren als de groep waarin je moet integreren niet meewerkt? Hoe kan een samenleving waarin geïntegreerd wordt precies dezelfde identiteit of cultuur behouden? Kan dat niet alleen als de nieuwkomers exacte kopieën worden van de reeds aanwezige mensen? Als ze niets van hun vorige leven behouden? Laat de werkelijkheid niet zien dat mensen altijd iets van hun land van herkomst behouden, al is het maar de eetcultuur?

In het door Bolkestein en zijn navolgers gecreëerd denkkader, is integratiebeleid dat erop is gericht om ZIJ tot WIJ te maken rationeel. Als we hen maar voldoende onderwijzen dan zien ZIJ wel in dat WIJ beter zijn en dan worden ZIJ als WIJ en hoeven WIJ niet te veranderen. Waaraan hierbij compleet voorbij wordt gegaan is dat die gecreëerde WIJ niet bestaat. Er is niet één Nederlandse cultuur waarin mensen overal hetzelfde handelen. Die Amsterdammer kan geen prins of prinses worden met de Vastelaovend in Venlo. Eén koekje bij de thee is geen Nederlands gebruik. De WIJ bestaat uit IKKEN die in verschillende samenstellingen verschillende zaken met elkaar gemeen hebben en op andere punten in andere samenstellingen van elkaar verschillen. Beleid dat erop is gericht om ZIJ om te vormen tot een niet bestaande WIJ is gedoemd te mislukken. Zeker omdat de boodschap die ervan uitgaat is dat de individuen die ZIJ vormen, want ook dat is geen homogene groep, anders zijn. Zij zijn anders maar omdat niet duidelijk is wie WIJ zijn zullen zij nooit worden als WIJ en zal het samen leven in de samenleving er niet beter op worden. Het meest bijzondere: volgens de wetten van de logica is het onmogelijk dat iets hetzelfde blijft als er iets anders aan wordt toegevoegd.

Daarmee kom ik tot de conclusie dat er sprake is van rationele irrationaliteit. Van rationele irrationaliteit is sprake als rationeel handelen uit eigen belang tot irrationele resultaten leidt. Binnen het frame dat de afgelopen 35 jaar is gebouwd, zijn alle maatregelen met betrekking tot integratie, inburgering en asiel rationeel. De resultaten zijn echter irrationeel. Ze zorgen ervoor dat er precies dat gebeurt waar Bolkestijn zich terecht zorgen over maakte, dat er een samenleving ontstaat met van elkaar gescheiden levende groepen. Die rationele irrationaliteit leidt tot fanatisme. Tot een intimiderende en onbemiddelde vorm van zekerheid die mensen in hun greep houdt en uiteindelijk met geweld voortstuwt. De gebeurtenissen in Loosdrecht en de vele gewelddadige protesten tegen de komst van een asielzoekerscentrum zijn hiervan het levend bewijs.

Nu wil ik Bolkestein nog wel het voordeel van de twijfel geven dat zijn bedoelingen goed waren. Wat je hem wel kwalijk kunt nemen is dat hij als ervaren politicus een beginnersfout maakte bij het aangaan van het gesprek. Die twijfel heb ik niet bij de Wildersen, De Vossen, Markuszowers en de Keijzers van tegenwoordig. Die stoken het de boosheid, de radeloosheid en het fanatisme op voor eigen gewin.

Vernieuwen volgens Van Haga

‘Besteed er toch geen aandacht aan.’ Dat is wat mijn partner en eindredacteur zal zeggen als zij deze Prikker leest. Ik zal haar nogmaals zeggen dat ik het juist als mijn taak zie om wel aandacht te besteden aan mensen die iets zeggen wat ver bezijden de werkelijkheid is. Je bent immers Ballonnendoorprikker of je bent het niet.

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat het deze politieke week draaide om ‘de notulen’. En nu we het daarover hebben, lees alsjeblieft de column van Bert Wagendorp in de Volkskrant hierover. Die verheugt zich al op een “debat over de kabinetsnótulen over het debat over de nótulen.”  Ja, sinds het vorige democratische hoogtepunt, het debat van 1 april waarin Rutte een motie van afkeuring aan zijn broek kreeg en Annemarie Jorritsma notulen uitsprak met de nadruk op de o, lijkt het alsof iedereen, vooral van VVD huizen, het woord zo uitspreekt en dus moet er een accent aigu op de o en wordt het een ó.

Garden from the 18th century (1st half) | Tuin uit de 18e ee… | Flickr
Bron: Flickr

Nu gaat het me niet om die ó. Het gaat mij zelfs niet om de notulen, ik neem de VVD ó niet over. Het gaat mij om een uitspraak die voormalig VVD-er en nu FvD stemmenkanon, corona-ontkenner en huisjesmelker Wiebren van Haga in het debat deed, zo lees ik bij De Dagelijkse Standaard. Van Haga tegen D66 leider Kaag: “Kom op Sigrid. Stap in de voetsporen van de grote vernieuwers zoals Hans van Mierlo, Frits Bolkestein, Pim Fortuyn en Thierry Baudet en zorg dat het systeem verandert.” En toen moest ik even lachen. Ik moest lachen om het lijstje met ‘grote vernieuwers’. 

Laat ik ze eens lans lopen. Hans van Mierlo. Een van de oprichters van Democraten 66, het huidige D66 van de door Van Haga aangesproken Kaag. Een partij die in die tijd democratische vernieuwing preekte. De partij ging voor ‘radicale democratische vernieuwing: de invoering van een referendum, het afschaffen van de Eerste Kamer, een direct gekozen minister president, direct gekozen burgemeesters en het ‘dualisme’. Het dualisme is ver te zoeken, het ‘notulendebat’ en alles wat eraan vooraf ging, laat dat duidelijk zien. Burgemeesters en de minister-president worden nog steeds niet gekozen en de Eerste Kamer is er ook nog steeds. Het enige wat je een beetje ‘vernieuwend’ zou kunnen noemen, is het paarse kabinet. Een kabinet waaraan voor het eerst sinds 1917 geen confessionele partij meedeed.

En daarmee komen we meteen ook bij de tweede ‘vernieuwer’ Bolkestein. Ook die was betrokken bij dat kabinet maar niet echt van harte. Dit niet van harte ondersteunde paarse kabinet, is dan ook meteen het enige waarbij je de naam van Bolkestein en vernieuwing wellicht in één zin kunt gebruiken. Voor het overige was en is Bolkestein vooral een conservatieve neoliberaal, al zal hij dat laatste ontkennen.

Dan Pim Fortuyn. Zijn vroegtijdige dood door de laffe moordaanslag maakt het lastig om te beoordelen hoe vernieuwend Fortuyn zou zijn. Het verkiezingsprogramma 2002 van zijn partij straalt de neoliberale tijdgeest uit. Met passages als: “De loon- en prijsspiraal zal moeten worden doorbroken door uiterste terughoudendheid met reële loonsverhogingen. De koopkracht van de Nederlandse burger zal moeten worden beschermd door verlaging van de sociale premies en waar mogelijk belastingen.” Niet erg vernieuwend en ook de ‘gekozen burgemeester en minister-president’ stond al twintig jaar op het lijstje van die eerste ‘vernieuwer’. Wel ‘vernieuwend’ is het grote ego en in het verlengde ervan de hoge dunk van zichzelf die Fortuyn meebracht. Om het stevig te zeggen Fortuyn vernieuwde de politiek door er narcisme in te brengen. Of we hem daar dankbaar voor moeten zijn, waag ik te betwijfelen. Zijn partijgenoten bleken in ieder geval niet zonder hem te kunnen. De partij implodeerde binnen een jaar en de verschillende leden gingen ruziënd over straat, in de kamer en in het kabinet. Het enige vernieuwende wat we er, via het ‘lijntje met Pim’ van Herben, aan over hebben gehouden is de Joint Strike Fighter. Of we daar nu zo blij mee moeten zijn?

Komen we bij de laatste ‘grote vernieuwer’ op het lijstje van Van Haga, zijn partijleider Thierry Baudet. Zijn narcisme kunnen we sinds Fortuyn niet meer vernieuwend noemen. Ook de ‘chaos en trammelant’ binnen zijn partij is niet echt vernieuwend. Dat deed in 1994 met het Algemeen Ouderen Verbond al haar intrede in politiek Nederland. Verder kan ik niets vernieuwend ontdekken. Voor Baudet ligt de vernieuwing in de achttiende eeuw.

Nee, de laatste ‘grote vernieuwing’ in het Nederlandse stelsel is inmiddels ook al meer dan honderd jaar oud en dateert van 1917. Het jaar van de introductie van artikel 23, de onderwijsvrijheid, in onze Grondwet. Maar voor deze Prikker belangrijker, het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en het districtenstelsel, dat D66 in de jaren zestig van de vorige eeuw weer wilde invoeren, werd afgeschaft. Maar wat belangrijker is, een wijziging die het de leiders van de verschillende bevolkingsgroepen of zoals ze toen heetten zuilen, mogelijk maakte om ‘voor hun schaapjes, over hun schaapjes maar niet met hun schaapjes’ te regeren. En dat is precies het systeem dat er nu voor zorgt dat we als kiezer zeer weinig invloed hebben op wie ons regeert. Weten we meteen hoe ‘vernieuwend’ Van Haga is.

Think different

In zijn boek Over Vrijheid behandelt de Engelse filosoof John Stuart Mill de relatie tussen het individu en de publieke opinie. Mill: “Het begin van alle wijsheid of verheffing komt en moet van individuen komen; meestal eerst van één individu.” En als we de geschiedenis bezien, dan staan dwarsdenkers inderdaad steeds aan de basis van vernieuwing en ontwikkeling. Daarom hebben democratische machthebbers, volgen Mill, de plicht om in tijden dat de druk van de publieke opinie groot is naar dit individu te luisteren: “Juist in deze omstandigheden moeten uitzonderlijke personen niet afgeschrikt, maar aangemoedigd worden om anders te handelen dan de massa.*”

Think DifferentIllustratie: gazoz5.deviantart.com

Hieraan moest ik denken bij het lezen van een artikel in Elsevier. Een artikel waarin de krant bericht over een interview van de NRC met Frits Bolkestein. In dat interview pleit Bolkestein voor het afsluiten van de buitengrens van de Europese Unie. Volgens Bolkestein kan de EU het aantal vluchtelingen niet aan en zal het tot integratieproblemen leiden.

Het gaat mij niet om de grenzen sluiten of de eventuele (on)mogelijkheid van integratie. Ook daar is een en ander over te zeggen. Het gaat om de volgende zin: “Er is allerwegen op Orbán gescholden vanwege onmenselijk gedrag maar hij doet tenminste waar wij allemaal om vragen.”

Bolkestein spreekt blijkbaar namens een groep die allemaal hetzelfde wil. Wie zijn die ‘wij’ waar Bolkestein het over heeft? Zijn dat alle Nederlanders of slechts een deel ervan? Behoor ik ook bij die ‘wij’? Mij is niets gevraagd en hoe kan Bolkestein dan weten wat ik wil? Vraag ik om hekken om Europa? Daar was ik me niet van bewust. Hoe groot is die ‘wij’? Dat lijkt me wel belangrijk om te weten.

En vooral waarom vragen ‘wij’ dat? Welke redenering en welke argumenten gebruiken ‘wij’? En welke alternatieven zijn mogelijk? Zouden dat niet de vragen zijn die een politicus en landsbestuurder zou moeten stellen, alvorens tot actie over te gaan? En kan dat er niet toe leiden dat bestuurders wel eens anders moeten handelen dan ‘wij’ vragen? Is het dan niet de taak van de leider om dat besluit uit te leggen ook als dat tot veel onbegrip leidt? Is dat niet wat wij van leiders vragen?

Computerfabrikant Apple had het in 1997 goed gezien: Think different

* Zie John Stuart Mill, Over Vrijheid Uitgeverij Boom 2009, pagina 115