‘Dictatuur van de minderheid’

Op de site Opiniez pleit YorienvdH voor een nieuwe onafhankelijkheidsverklaring. De eerste onafhankelijkheidsverklaring, het Plakkaat van Verlatinghe, is volgens de auteur wat op de achtergrond geraakt. Een bijzondere constatering omdat het document recentelijk nog is uitgeroepen tot pronkstuk van Nederland. Tot een paar jaar geleden werd er, behalve onder enkele historici, helemaal niet over het Plakkaat gesproken, is dat niet een signaal dat het juist op de voorgrond is geraakt? Dat even terzijde.

Plakkaat_van_Verlatinghe_KB

Foto: Wikimedia Commons

YorienvdH vindt dat er een nieuwe onafhankelijkheidsverklaring moet komen, niet om van onze koning af te komen, maar, om het kort samen te vatten ‘de macht terug te geven aan de burger’. Nu kun je je afvragen of de burger ooit de macht had, maar dat is een ander verhaal. Het gaat mij om een van de argumenten die YorienvdH aanvoert: “In verschillende plaatsen wordt de winnaar van de gemeenteraadsverkiezingen bewust buitengesloten van de formatiebesprekingen, zoals in Barendrecht, Rotterdam, Tilburg, Ede, Roermond, Oss, Sint Anthonis.”  

Maar wie is winnaar? Laten we eens een voorbeeld uitwerken: de gemeente Venlo. Bij de laatste verkiezingen werd de nieuwe partij, EenLokaal, de grootste met zeven zetels. Een winnaar! Of toch niet? De partij is een samenraapsel van verschillende partijen die in de vorige raad samen tien zetels hadden. Is er dan sprake van winst? Dan de PVV, die deed voor het eerst mee en heeft nu vier raadszetels, een duidelijke winnaar. Of toch niet? De partij behaalde net geen tien procent van de stemmen, bij de laatste verkiezingen voor de Tweede Kamer waren dat er meer dan twintig. 50Plus deed ook voor het eerst mee en kreeg drie zetels, maar geldt daar niet, net als voor alle nieuwkomers, dat ze altijd winnen ook al krijgen ze maar één stem? 

Crucialer, waarom zou de grootste partij niet gewoon buiten de boot mogen vallen? Gaat het er in onze lokale, maar ook landelijke, democratie niet om dat er een college of regering wordt gevormd die op een meerderheid van de zetels in raad of Kamer kan rekenen? Betekent dat niet ook dat die coalitie een meerderheid van de stemmen heeft behaald? 

Zuur voor de ‘buitengesloten’ grootste partij, maar niet ondemocratisch of oneerlijk. Zeker geen reden om een ‘onafhankelijkheidsverklaring’ voor op te stellen. Sterker, zou het het meer rechten of nog sterker het verplicht mee moeten doen van de grootste partij niet een soort ‘dictatuur van de minderheid’ zijn?

Democratisch experiment

“De versplintering van de gemeenteraad in steeds meer fracties biedt een kans tot vernieuwing en daarmee tot andere vormen van overleg, samenwerking en coalitievorming.” De eerste zin van een artikel van Hans Bekkers bij Binnenlandsbestuur. Dit is de conclusie uit een rapport dat de bestuurskundigen Paul Frissen en Martin Schulz schreven in opdracht van de provincie Overijssel. De beide onderzoekers concluderen dat het: “systeem van politiek bedrijven via gedisciplineerde coalitievorming met strakke binding (…) door de versplintering van het politieke landschap in steeds meer en kleinere fracties ‘lastiger (wordt), zo niet onmogelijk’. Daarom is een nieuwe, verruimende politiek nodig.”

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Foto: Wikimedia Commons

Bij het lezen van dit artikel moest ik denken aan het boek Counter-Democracy. Politics in an age of distrust van de Fransman Pierre Rosanvallon dat ik momenteel aan het lezen ben. Voor Rosanvallon is democratie veel meer dan ‘verkiezingen’. Democratie versterkt door op hoofdlijnen drie vormen van tegen-democratie: waakzaamheid, aanklacht en beoordeling. Waakzaamheid in de vorm van bijvoorbeeld de pers of actiegroepen die de volksvertegenwoordigers kritisch volgen en beslissingen beïnvloeden. Gebeurt er iets dat niet door de beugel kan, dan wordt de verantwoordelijke voor die keuze aangeklaagd, Halbe Zijlstra kan erover meepraten. Als laatste beoordeling, beoordeling door onderzoek en evaluatie maar ook door de verantwoordelijke voor de rechter te dagen. De Urgenda-zaak is een mooi voorbeeld hiervan. Vormen van tegen-democratie die de democratie versterken maar die risico’s inhouden.

Ik moest denken aan die tegen-democratie toen ik het artikel van Bekkers en de uitspraken van Frissen en Schulz las. Zou de aanwezigheid van deze inmiddels sterke tegen-democratische krachten ook gebruikt kunnen worden voor een gedurfder experiment? Een experiment met een andere vorm van democratische vertegenwoordiging, namelijk loting van volksvertegenwoordigers en dus maximale ‘versplintering’? Volksvertegenwoordiging als een democratische plicht. Het loten van raadsleden gecombineerd met de verkiezing van de burgemeester? Een burgemeester die via zijn uitverkiezing het mandaat krijgt om zijn beleid uit te voeren maar daarvoor wel de middelen en de goedkeuring van de gelote raadsleden moet verkrijgen? Raadsleden die zonder last en ruggespraak hun werk kunnen doen en niet bezig hoeven te zijn met hun herverkiezing. De kans dat ze voor een volgende termijn worden geloot is immers bijzonder klein.

Het kiezen van de bestuurlijk verantwoordelijke en het loten van de controlerende en regelgevende macht, zouden we een dergelijk experiment aandurven?

Hiddema, het parlement en de rechter

“Als wij dat debat willen, is het prettig dat je met een rechterlijk vonnis kunt komen. Want die rechter oordeelt niet langs politieke voorkeuren.” Dit zegt de tweede man van het Forum voor Democratie, Theo Hiddema, zo lees ik bij Elsevier. Dat debat zou dan moeten gaan over het al of niet racistisch zijn van uitspraken van leden van het Forum voor democratie. Over die uitspraken en het al of niet racistische karakter ervan wil ik het niet hebben.

Hiddema

Foto: Wikimedia Commons

Waarover wel? Over het alleen willen voeren van een debat over de gedane uitspraken als er een rechterlijke uitspraak ligt. Is dat niet een zeer bijzondere opvatting voor een lid van het parlement? Zijn het niet juist de leden van het parlement die voorop moeten gaan in het voeren van het debat? Kiezen wij de leden van het parlement niet juist om het maatschappelijk debat te voeren, om daarin voor te gaan en vervolgens op basis van dat debat te besluiten of en zo ja hoe er gehandeld moet gaan worden?

Hoeveel vertrouwen heeft het Forum voor Democratie in de democratie als zij pas een debat wil voeren na een rechterlijke uitspraak? Welk nut heeft een debat nog wanneer eerst de rechter om een uitspraak wordt gevraagd?

Wat fundamenteler. Als we de redenering van Hiddema doordenken, pleit hij dan niet gewoon voor een samenleving waarin rechters bepalen wat er moet gebeuren? En zijn redenering helemaal doorvoerend, pleit hij hier voor afschaffing van het parlement? Immers een debat voeren waarvan de uitkomst al vaststaat, de rechter heeft immers ‘zonder politieke voorkeuren’ besloten wat we moeten vinden, lijkt zinloos. Als hij het dan toch zo ziet, waarom stapt Hiddema niet gewoon uit het parlement en probeert het gehele partijprogramma van het Forum via de rechter gerealiseerd te krijgen?

Een laatste vraag aan Hiddema. Wat als de rechter anders oordeelt dan u hoopt? Als de rechter u ongelijk geeft en er geen sprake is van smaad of laster? Als de rechter Ollongren naspreekt en zegt: “De partij van Baudet lijkt geobsedeerd te zijn door één van de weinige taboes …, het praten over rassen in het politieke debat?”  Wat doet u dan? Beschuldigt u dan, in navolging van Wilders, de rechters van het hebben van ‘politieke voorkeuren? Van het behoren tot het ‘elite-kartel’ dat het volk eronder houdt?

Democratie meer dan verkiezingen?

“(Z)e wantrouwen ons nog altijd fundamenteel. (…) het (is) nog steeds niet de bedoeling dat wij, de kleine mensen, daadwerkelijk ingaan op het aanbod om mee te doen.” Woorden van Sheila Sitalsing in haar column in de Volkskrant. Sitalsing komt tot deze conclusie op basis van de antwoorden van minister Ollongren. In die brief geeft Ollongren antwoord op vragen gesteld door politieke partijen over de afschaffing van het raadgevend correctief referendum. “Nou daarom. Omdat het kabinet dat vindt. Of juist niet vindt, al naar gelang de vraag.” zo vat Sitalsing de antwoorden samen.

demonstratie

Foto: Flickr

Over de vragen en antwoorden wil ik het niet hebben, ik heb de brief van de minister niet gelezen. Over wantrouwen schreef ik gisteren al en eindigde met de vraag: “Is onze democratie niet gebaat bij een gezonde dosis wantrouwen?”  Wantrouwen in de politiek. Als we Sitalsing mogen geloven, dan is dat wantrouwen wederzijds. Nu het ‘niet mee mogen doen’.

“ (D)emocratie vereist burgerbetrokkenheid. De overheid heeft legitimatie nodig” Een citaat van Pieter Winsemius in het artikel en een terechte constatering. Winsemius gaat verder: “Vraag in een zaal met honderd man: wie heeft er wel eens aan inspraak gedaan? Dan gaan zo’n vijftig, zestig handen de lucht in. Vraag je daarna: wie vond het bevredigend, dan blijven er een paar handen over. In de Bijlmer, dat was wel geestig, bleef er een hand over. Dat was de stadsdeelwethouder, die vond dat het wel goed liep.” Herkenbaar? Voor mensen die in de publieke sector werken wel. Besluiten over iets is namelijk keuzes maken en daarbij zullen altijd mensen ontevreden zijn. En mijn ervaringen leren mij dat met name mensen die ontevreden zijn naar inspraakbijeenkomsten komen, het niet eens zijn met iets.

Inspraakavonden en ook dat raadgevend correctief referendum zijn middelen om die burgerbetrokkenheid te organiseren en vorm te geven. Inderdaad is de opkomst bij ‘inspraakavonden’ vaak bedroevend en voorspelbaar. De opkomst bij verkiezingen, vooral voor lagere overheden, laat vaak te wensen over, maar is dat de enige manier om betrokken te zijn bij onze democratie, ze leveren echter nog steeds legitieme vertegenwoordigers op. Vertegenwoordigers die immers volgens de democratische regels zijn gekozen.

De vraag is echter of het slecht is gesteld met die burgerbetrokkenheid? Wat te denken van de vele actiegroepen, de demonstraties, de procedures tegen besluiten van de overheid, het ‘naming and shaming’ van bestuurders en politici die hun bevoegdheden misbruiken, de diverse (digitale) media, de onderzoekers die falend beleid aan de kaak stellen, de (groepen) inwoners die initiatieven nemen waarmee ze politici en bestuurders voor het blok zetten? Zijn dat niet ook tekenen van betrokkenheid bij de democratie? Is de democratie niet veel omvangrijker dan verkiezingen alleen?

Een gezonde dosis wantrouwen

“Van de respondenten geeft 57 procent aan geen vertrouwen te hebben in de lokale politiek.” Een zin in een artikel bij Binnenlandsbestuur. Het artikel geeft de resultaten van een onderzoek dat door een ander blad en een bedrijf is verricht. Interessant omdat over een kleine twee maanden gemeenteraadsverkiezingen zijn. Ook kent de helft van de respondenten ‘hun’ burgemeester niet, laat staan wethouders. Alarmerend natuurlijk, zeker dat gebrek aan vertrouwen. Dat is reden voor grote zorg.

vertrouwen

Illustratie: Pixabay

Als het parlement of een gemeenteraad het vertrouwen opzegt in een minister of wethouder, dan is het einde oefening voor deze minister of wethouder. Een bestuurder kan niet zonder het vertrouwen van de gekozen volksvertegenwoordigers. Politici die niet worden vertrouwd, winnen geen verkiezingen. Mensen kiezen politici die ze vertrouwen. Vertrouwen is belangrijk in politiek en bestuurlijk Nederland, een gebrek eraan is een probleem.

Of toch niet? Het vertrouwen in een politicus dat een individuele kiezer tijdens verkiezingen uitspreekt, kan best gepaard gaan met wantrouwen in de politiek als geheel. Waarom zouden mensen vertrouwen moeten hebben in de politiek als geheel? Is vertrouwen in politici en bestuurders als een burgemeester essentieel voor het goed functioneren van een democratie?

Als we de politiek en het bestuur zien als de macht, is vertrouwen dan nodig om die macht in te beheersen? Moet macht niet in balans worden gehouden door tegenmacht? Tegenmacht die niet per definitie ‘democratisch’ gekozen hoeft te zijn. Tegenmacht die niet ‘vriendelijk’ hoeft te zijn voor de macht. Zou tegenmacht gebaseerd op wantrouwen die macht beter scherp kunnen houden dan op vertrouwen gebaseerde macht?

Wantrouwende tegenmacht die politici en bestuurder op de huid zit, zou dat niet tot betere resultaten kunnen leiden? Moeten we daarom niet juist blij zijn met die 57 procent die aangeeft geen vertrouwen te hebben in de lokale politiek? Sterker nog, moeten we ons niet juist zorgen maken dat 43 procent vertrouwen heeft in de lokale politiek? Is onze democratie niet gebaat bij een gezonde dosis wantrouwen?

…langs elkaar heen lopen

“Kortom, hoe groter de gemeente, hoe slechter de herkenbaarheid van de gemeenteraad en hoe zwaarder haar taak om democratische controle uit te oefenen.”

Dit schrijft Geerten Waling over gemeentelijke herindelingen bij Elsevier. Waling ziet twee bezwaren tegen herindeling.

Landgraaf

Illustratie: Wikimedia Commons

Zijn eerste bezwaar verwoordt hij als volgt: “De gemeenteraden worden weliswaar groter, maar staan ook verder op afstand van de burger. De herkenbaarheid die zo belangrijk is voor de lokale politiek valt daarmee deels weg.” Een bekend argument: de afstand tussen politiek en burger. Nu heb ik me eerder al eens afgevraagd of de afstand tussen kiezer en gekozene niet inherent is aan onze democratie. Afgevraagd of het vertegenwoordigen van het volk niet iets anders is dan het ‘verkondigen van de mening’ van het volk. Dat het vertegenwoordigen van het volk betekent handelen namens het gehele volk en dat daarvoor afstand tot de burger van belang is.

“Ook zijn de dossiers in grote gemeenten ingewikkelder en neemt de omvang van het ambtelijk apparaat toe.” Aldus het tweede bezwaar van Waling. Een wat vreemd bezwaar omdat gemeenten in de basis allemaal dezelfde opdracht hebben. Als het rijk taken, zoals de zorg voor de jeugd of de ondersteuning van hulpbehoevenden aan de gemeente toebedeelt, dan bedeelt zij dit aan alle gemeenten toe. Laat nu het rijk steeds meer zaken bij de gemeente neerleggen omdat de gemeente de ‘meest nabije overheid’ is. Betekent dit niet dat dossiers in kleine gemeenten net zo complex zijn als in grote gemeenten? Een kleine gemeente moet, net als een grote voorbereid zijn op rampen, moet er rekening mee houden dat een jeugdige zeer dure zorg nodig heeft en die dus beschikbaar hebben voor als dit zich voordoet. Het enige verschil, is het verschil in aantal, in grotere gemeenten betreft het meer gevallen, en dus geld.

Dat verschil in aantal en geld maakt ook dat een grotere gemeente meer specialisme in huis heeft. Iets wat de kwaliteit van het bestuur ten goede komt. Dat verschil maakt dat kleinere gemeenten samen moeten werken. Als mijn ervaring bij de gemeentelijke overheid me iets heeft geleerd, dan is het dat samenwerking zeer veel energie, tijd en geld kost. Iedere gemeente wil haar eigenheid of zoals ze dat dan noemen ‘couleur locale’ behouden. Dit houdt meestal in dat iedere gemeente overal over mee wil denken, praten en besluiten. Dit is te begrijpen want iedere gemeente is ook verantwoordelijk. Tot efficiënte samenwerking leidt het zelden. Het leidt meestal tot ‘zo dicht mogelijk langs elkaar heen lopen’. Zo proberen ze de opgave aan te passen aan de gemeente, de bestuurseenheid.

Waling pleit voor beter luisteren naar de bevolking, die meestal geen herindeling wil. Hij haalt het voorbeeld van Landgraaf aan, daar: “is inmiddels per referendum tegen de fusie gestemd.” Nu is Landgraaf zelf een fusiegemeente, zouden we hier niet uit kunnen concluderen dat mensen na verloop van tijd wennen aan het nieuwe en zich eraan hechten? Als dat zo is, zouden we in dit land dan in een keer de bestuurseenheid aanpassen aan de opgave?

Legers en vertrouwen in democratie

“De vrede in Europa, die we intussen al onwaarschijnlijk lang beleven, zou dus met een Europees leger nog meer worden veilig gesteld en extreem nationalistische of fascistische elementen weten zich bij voorbaat kansloos.”

Met die zin sluit Henk Witte zijn artikel bij Joop af. Witte pleit voor een Europees leger en dat kan en mag. Hij zal tegen- en medestanders op zijn weg vinden.

Leger

Foto: Pixabay

Of zo’n leger er wel of niet moet komen, daar gaat het mij niet om. Het gaat mij om een van de argumenten die Witte gebruikt: “Noch van de Russen, noch van de moslimwereld behoeven we, op wat individuele dwaallichten na, werkelijk bang te zijn. Het zijn vooral de ontwikkelingen binnen Europa zelf die op gespannen voet met onze vrije democratieën staan.” Dat Europese leger zou met name een rol moeten krijgen in het bestrijden van die extreem nationalistische of facistische elementen. Een rol die al begint met de afschrikking die uitgaat van zo’n leger. De afschrikking zou die elementen al de moed in de schoenen moeten doen zakken.

Lees ik het goed? Pleit Witte ervoor om dat leger met name binnenlands in te zetten? Pleit hij ervoor het leger in te zetten tegen binnenlandse politieke partijen en bewegingen? Wordt het leger zo geen speelbal van de politiek? Als we dit naar de Nederlandse situatie vertalen, dan zou het kunnen betekenen dat de vier partijen die het kabinet vormen, besluiten het leger in te zetten tegen het Forum voor Democratie. Je zou die partij immers ‘extreem nationalistisch’ kunnen noemen, net als trouwens de PVV en afhankelijk van je eigen ‘denkframe’ zou je ook het CDA, de VVD onder die noemer kunnen scharen. Lastig hierbij is dat die mede de regering vormen. Leiden Witte’s ideeën er niet toe dat het leger een binnenlandspolitiek instrument wordt? Zou het werkelijk verstandig zijn om die weg op te gaan?

Witte lijkt vooral te denken aan het inzetten van dat leger in andere Europese landen: “Sommige landen in Europa maken al een aardige beweging in de richting van een staat waarin democratie een ondergeschikte rol lijkt te gaan spelen.” Gaan dan de andere landen dat leger de opdracht geven om bijvoorbeeld Hongarije of Polen binnen te vallen om de regering aldaar af te zetten?

Is een van de kenmerken van een vrije democratie niet dat politieke meningsverschillen in het publieke domein worden bediscussieerd? Als iemand hierbij de wet overtreedt is het dan niet de taak van de politie en justitie om op te treden en van de rechter om recht te spreken? Zou een kenmerk van de Europese samenwerking niet moeten zijn dat een land dat de Europese democratische grondregels schendt, uit de EU wordt gezet en dus ook niet meer de vruchten van die samenwerking kan plukken? Getuigt het pleidooi van Witte niet van een gebrek aan vertrouwen in de kracht van de vrije democratie?

Een pleidooi voor chaos?

Publicist Diederik Mallien geeft onze gekozen volksvertegenwoordigers een bijzondere rol en positie:

“namens het volk discussiëren en debatteren,”

want dat is wat representatief volgens hem betekent, aldus zijn artikel bij Joop. Eigenlijk doen ze niets meer en niets minder dan dat ik dadelijk in het café ga doen met mijn softbal-vrienden. Gewoon wat kletsen, maar dan wel goed betaald en met koffie van de zaak, terwijl ik mijn drankjes zelf moet betalen.

chaos

Illustratie: Pixabay

Mallien windt zich op over de manier waarop de Nederlandse kabinetten omgaan met het raadgevend correctief referendum en heeft heel bijzondere opvattingen over democratie waarvan ik hierboven al een voorbeeld optekende. In zijn artikel concludeert hij: “In een echte democratie moet het volk de mogelijkheid hebben voor of tegen te stemmen bij elke beslissing (die) wordt genomen door de regering.” Een prachtige conclusie en kunnen we op basis van die conclusie dan ook maar meteen concluderen dat er geen enkele ‘echte democratie’ is in deze wereld? Er zijn landen met referenda, er is echter geen enkel land waar ‘het volk’ bij elke beslissing van de regering de mogelijkheid heeft om voor of tegen te stemmen.

Er is van alles aan te merken op onze parlementaire democratie. Het duurt soms heel lang voordat er op belangrijke punten voortgang wordt geboekt. Maar, het werkt wel. Zou een samenleving met ‘Mallien-democratie’ kunnen functioneren? Het parlement kan in ieder geval worden afgeschaft. Het is immers een betaalde discussie en debat-club die verder niets toevoegt.

Wat zou de positie van de regering in zo’n democratie zijn? In onze democratie bestuurt de regering het land, ze neemt besluiten en die worden vervolgens uitgevoerd. Hoe zit dat in een ‘Mallien-democratie’? Wat is dan de rol van de regering? Besluiten nemen ze niet, dat doet immers ‘het volk’. Is de regering dan niet een adviesraad die ‘het volk’ adviseert hoe te kiezen? Een soort ‘Raad van State’, maar die hebben we toch al? Kunnen we dan een van de twee afschaffen?

Als we alle besluiten van gemeenten, provincies, het rijk en de EU bij elkaar optellen, dan is dat een flink aantal. Dan zouden we zo ongeveer iedere dag naar de stembus moeten om over een of meer onderwerpen te stemmen. En om goed gemotiveerd te kunnen stemmen, is inlezen en in even in de materie nodig. Dat zou een flinke dagtaak zijn, wanneer moet ik dan werken voor mijn geld? En als dat voor mij geldt, wie voert dan die besluiten uit?

Een mooi betoog op papier, maar chaos in de werkelijkheid? Toch maar even de goede kanten van onze parlementaire democratie koesteren? Voor de minder goede kanten zijn andere oplossingen mogelijk.

(On)democratisch

Struinend langs de diverse digitale media op zoek naar bijzondere berichten en redeneringen, kwam ik op de site Novini terecht. Een site voor The bigger picture, zoals haar ondertitel luidt. Een artikel met de kop We ‘knuffelen’ radicalisten de jihad in’, geschreven door David Pinto, trok mijn aandacht. Pinto schrijft over het ‘falende cultuurmarxistische’ Amsterdamse beleid om radicalisering te voorkomen, iets wat Pinto de pas overleden burgemeester Van der Laan verwijt. En via Van der Laan komt hij bij Martin Bosma terecht die hij graag als Amsterdamse burgemeester zou zien: “Bosma is een intellectueel, een voortreffelijk politicus, een buitengewoon kundig lid van het presidium van de Tweede Kamer en bovendien een aimabel mens.”

MEDION DIGITAL CAMERA

Foto: Wikimedia Commons

Het gaat mij niet over de persoon Bosma, ik ken hem niet, het enige wat ik erover zeg is dat hij een eenmanspartij vertegenwoordigt die zeer ver van mij af staat. Het gaat mij over de redenering van Pinto: “Bovendien, de PVV is de tweede partij in grootte van ons land. En vreemd genoeg, er is nog niet één burgemeester afkomstig van deze partij, terwijl de PvdA met haar magere 9 zetels, twee van de vier grote steden gijzelt. Hoe democratisch is dit eigenlijk?”  Pinto schetst hier een beeld van een partij die wordt achtergesteld en een andere partij die wordt bevoordeeld. Het beeld van Pinto komt er in het kort op neer dat de traditionele partijen (het ‘partijkartel’ van Thierry Baudet) de bestuursposten onder elkaar verdeelt, een ondemocratische bedoeling.

Is het zo vreemd dat er nog geen PVV-burgemeester is? Om burgemeester te worden, moet je als eerste solliciteren op een vacante burgemeesterspositie. Als er geen PVV-er solliciteert, kan er geen PVV-er worden benoemd. Als de PVV burgemeesters wil, dan zullen ze eerst moeten solliciteren, daar begint het. Vervolgens kiest een vertegenwoordiging van de gemeenteraad in de betreffende gemeente enkele sollicitanten uit die op gesprek mogen komen. Als er al een politieke keuze wordt gemaakt, dan gebeurt dat door de partijen in de gemeenteraden. De PVV ontbreekt op lokaal niveau waardoor ze de boot hier kunnen missen. Wie kun je dat verwijten?

Als laatste het woord gijzelen. Wie houdt de PvdA gevangen? De betreffende burgemeesters hebben normaal gesolliciteerd en zijn benoemd. Dit is op de democratisch vastgestelde manier gebeurd. Inderdaad is de PVV de tweede partij en heeft de PvdA maar negen zetels. Een klein jaar geleden, had de PvdA er nog achtendertig en was zij de tweede partij van het land, iets wat de afgelopen vijftig jaar redelijk gebruikelijk was. Burgemeestersbenoemingen staan los van kamerzetels.

Pleit Pinto ervoor dat na iedere Tweede Kamerverkiezing alle burgemeesters ontslag moeten nemen en de burgemeestersposten vervolgens naar rato over de partijen worden verdeeld? Als hij dat wil, dan moet hij ervoor zorgen dat er voldoende kamerleden in beide kamers hem steunen om de Grondwet te wijzigen. Dat is democratie meneer Pinto.

Democratische oorlog

“Robots die zich tegen de mens keren, robots die de wereld overnemen, het zijn scenario’s waarover al decennia sciencefictionfilms worden gemaakt. In essentie verschillen blockbusters als Terminator en The Matrix weinig van het verhaal van de Golem die al in de vroege Talmoed opduikt.” 

De openingszinnen van een artikel van Sietse Bruggeling in de Volkskrant. Volgens Bruggeling worden de gevaren van automatische en autonome gevechtssystemen schromelijk overdreven. 

terminator

Foto: Flickr

Dergelijke wapens kunnen juist helpen om levens van onschuldigen te sparen en vernietiging te voorkomen. “Als het ons lukt daarover een intelligente discussie te voeren, zonder fabels en horrorverhalen, kunnen autonome en onbemande systemen ons helpen te bereiken wat we met z’n allen zo graag willen: minder oorlogsslachtoffers.”  De discussie daarover moeten we nu voeren, want: “We hebben nu een kans om democratisch te bepalen wat onze toekomstige manier van oorlogvoeren gaat worden. Die moeten we niet laten voorbijgaan door ons te verliezen in sciencefiction-scenario’s.” 

Zou bij het voeren van die intelligente discussie niet juist ook met de horrorscenario’s rekening moeten worden gehouden? Een kenmerk van techniek is dat deze niet goed of slecht is. Techniek kan voor goede of slechte doeleinden worden aangewend. Dat er haken en ogen aan autonome gevechtssystemen zitten lijkt Bruggeling zich ook te realiseren: “Hoe voorkomen we dat deze wapens in verkeerde handen vallen of worden gehackt? En als we zelflerende wapens willen, nog weer een stap verder in het automatiseringsproces, van wie moeten ze dan leren?” Terechte vragen waar er nog een paar aan kunnen worden toegevoegd. Hoe kunnen we voorkomen dat kwaadwillenden zelf dergelijke wapens ontwikkelen? Met name de vraag van wie de zelflerende wapens moeten leren is een interessante. Als de geschiedenis iets laat zien dan is het dat ‘zelflerende apparaten (mensen) niet alleen leren van goede voorbeelden. Zou dat bij zelflerende machines ook kunnen gebeuren?

Een bijzonder probleem in de redenering van Bruggeling levert het op zich nobele streven om democratisch bepalen wat de toekomstige manier van oorlogvoeren is. Stoten we daar niet op een probleem? Hoe bepaal je iets democratisch terwijl zeer veel landen niet democratisch zijn? Zelfs al waren alle landen democratieën, zou een land dat een oorlog dreigt te verliezen, zich aan de gemaakte afspraken houden? Immers, als de hele wereld democratisch zou zijn, zouden er dan nog oorlogen worden gevoerd?