Waarom moeilijk doen …

Topsalarissen. Politiek Nederland maakt zich er geregeld druk om. Nu komt minister Hoekstra, zo lees ik in de Volkskrant, met het idee om: “topsalarissen van bestuurders van banken en verzekeraars (te) kunnen terugvorderen zodra hun bedrijven in de problemen komen en daardoor aangewezen zijn op staatssteun.”  Daarnaast zoekt hij naar mogelijkheden om topbestuurders te verplichten om aandelen waarin ze worden uitbetaald voor een periode vast te laten houden. Hoe lang die periode is, moet nog nader worden bepaald: “Het belang van de bestuurders wordt daarmee volgens de minister meer in lijn gebracht met het langetermijnbelang van de bank en de maatschappij.”

belastingdienst

Foto: Flickr

Een deel van de Kamer vindt dit niet genoeg: “GroenLinks wilde er eerder met een wet voor zorgen dat bestuurders niet langer hun vaste beloning in aandelen kunnen krijgen. Ook drong de partij aan op een vetorecht voor de minister van Financiën over salarisverhogingen bij ‘cruciale banken’ zoals ING.” Dat kan volgens Hoekstra niet. Hoekstra’s wil bij de verdere behandeling van zijn plannen: “rekening houden met de concurrentiepositie van Nederland in Europa.” Daarom worden: “Alle relevante partijen zoals aandeelhouders, vakbonden, deskundigen en commissarissen (…) bij de vormgeving van eventuele wetsvoorstellen betrokken.” Of dat veel goeds beloofd daaraan kun je, met de plotselinge afschaffing van de dividendbelasting in het achterhoofd, twijfelen. Daar bleken immers alleen de multinationals in het algemeen en Shell en Unilever in het bijzonder, relevante partijen te zijn. Dit even terzijde.

Waarom zoeken onze politici toch naar moeilijke, lastig uit te voeren en controleren maatregelen? Dit terwijl er zeer eenvoudig uit te voeren maatregelen zijn die meteen een einde maken aan bovenmatige beloning en dat niet alleen als een bedrijf staatssteun moet aanvragen. Waarom kiezen onze volksvertegenwoordigers niet voor een forse verhoging van de inkomstenbelasting bij salarissen van boven de Balkenende-norm? Een verhoging tot bijvoorbeeld 90% ? Een tarief dat de Verenigde Staten tot in de jaren zestig hanteerden. Dan levert ieder miljoen dat een topman meer krijgt van zijn werkgever, de staat 9 ton op. Als er daarnaast wordt ingezet op het minder ‘cruciaal’ maken banken, dan wordt het ook nog eens makkelijker om een bank te laten omvallen. Iets wat niet verkeerd zou zijn.

Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan?

Loondispensatie, werkbonus of …?

“Noem dat dan ook geen sociale dienst meer, en stort dat geld op de rekening onder de noemer ‘werkbonus’ (wat het is) in plaats van uitkering (wat het niet is).” Een van de laatste zinnen uit de wekelijkse column Het spel en de knikkers van Frank Kalshoven in de Volkskrant. In zijn column breekt Kalshoven een lans voor de ‘loondispensatieplannen’ van Staatssecretaris Van Ark. Die plannen komen er in het kort op neer ‘arbeidsgehandicapten’ te betalen voor dat wat ze ‘produceren’ en dat kan minder dan het minimumloon zijn. Voor een aanvulling moeten ze bij de gemeente zijn die hen daar bovenop uitkeert tot het minimumloon wordt bereikt. Volgens Kalshoven is het hoge minimumloon het probleem: “Dit klinkt sympathiek, en zo is het ook bedoeld, maar het heeft als onbedoeld nadeel dat wie dat niet kan terugverdienen voor een werkgever, werkloos thuis op de bank belandt.”

Sociale werkvoorziening

Foto: PxHere

Zou zo’n ‘vernoeming’ werkelijk helpen? Zo zijn ‘ombuiging’, ‘besparing’ en ‘herprioritering’ andere woorden voor bezuinigingen. Voor degene die het betreft voelt het waarschijnlijk allemaal hetzelfde. Zou, als ‘arbeidsgehandicapte, een ‘werkbonus’ werkelijk anders ‘voelen’ dan een uitkering?

Toch is het een interessante gedachte. Laten we die gedachte in gedachte eens een stap verder voeren. Als we werkelijk willen dat het voor de betreffende mensen niet anders voelt, waarom dan niet een ‘werkbonus’ voor iedere volwassene? Een werkbonus ter hoogte van bijvoorbeeld het huidige bijstandsniveau. Een werkbonus die je door te gaan werken kunt aanvullen tot het minimumloon, modaal of een topsalaris?

‘Onbetaalbaar en onnodig’ zal menigeen roepen. Waarom zou bijvoorbeeld de topman van ING nog een werkbonus moeten krijgen bovenop zijn toch al veel te hoge salaris? Wat als de bijverdiensten onbelast zijn totdat iemand het minimumloon behaalt? En wat als die topman er ondanks die werkbonus netto niets op vooruitgaat en misschien zelfs wel wat op achteruit? Als hij die werkbonus gewoon terugbetaalt door een verhoging van de inkomstenbelasting? Zou dat niet ook een flinke besparing op de uitvoering van de sociale zekerheid betekenen?

Wat belangrijker is, als we Kalshoven volgen, dan zouden er bijna geen ‘arbeidsgehandicapten’ meer zijn. Zij die dan nog wel tot die groep behoren, die echt niet kunnen werken, daar maken we een aparte regeling voor. Lijkt dit niet verdacht veel op een basisinkomen?

‘Pak ze waar het pijn doet’

“Formaties duren voort totdat VNO-NCW en hun grote leden tevreden zijn.” Dit schrijft Syp Wynia in Elsevier in een artikel waarin hij de dominante invloed van de grote bedrijven op het kabinetsbeleid bekritiseert. “zo daalde de vennootschapsbelasting in Nederland deze eeuw van 35 procent naar 25 procent en gaat het derde kabinet-Rutte daar weer 4 procent vanaf halen. Daarbovenop wordt de dividendbelasting afgeschaft, uitsluitend om de multinationals en hun buitenlandse aandeelhouders te plezieren.” De slachtoffers? “Het midden- en kleinbedrijf verpietert onder de lobby- en chantagekracht van VNO-NCW,” en: “de welvaart van een land als Nederland.” De leidende politici winnen omdat ze: “als (ze) uitgeregeerd zijn, (…) plaats(nemen) in de lobbymachine van de multinationals. Zo zijn de Nederlandse manieren.” 

johan-falk-tyst-diplomati.36448

Illustratie: Subscene

Dat dit niet alleen de Nederlandse manier is, lieten Joseph Stiglitz in The Price of Inequality en Joseph Vogl in Het Financiële regime al zien. Vogl voegde er voor de financiële sector al een historische component aan toe door terug te gaan naar de tijden van de Republiek. Een historische component die in De onzichtbare hand van Bas van Bavel centraal staat. Een boek dat ik kort geleden behandelde. Het afschaffen van de dividendbelasting is hiervan een mooi voorbeeld. Geen onderwerp van welk verkiezingsprogramma dan ook en wel een van de eerste maatregelen die een nieuw kabinet neemt. Als kiezer en burger sta je machteloos. Je enige kans ligt bij de volgende verkiezingen alleen duurt het nog een jaar of vier voordat het zover is en wie denkt er dan nog aan?

Nu keek ik gisteren een aflevering van de Zweedse politieserie Johan Falk. Een serie waar iedere aflevering ongeveer de lengte heeft van een speelfilm. In deze aflevering was de stiefdochter van politieman Johan Falk gegijzeld door Estse criminelen die haar biologische vader afpersten. Als kijker weet je dan dat ze dat beter niet hadden kunnen doen. ‘We moeten ze pakken waar het pijn doet’, sprak de leider van de politie-eenheid van Falk. Dat bleken drugs te zijn, zo bleek uit informatie van een Zweedse crimineel die inmiddels als informant voor de politie werkte. Hij wist te vertellen dat de Esten het grote geld verdienden met drugs en dat er een grote zending onderweg was per veerboot.

Hoe het afliep, vertel ik niet. Waar het mij om gaat is de uitspraak: ‘We moeten ze pakken waar het pijn doet.’ Zou dat niet ook voor die multinationals gelden? Als kiezer en burger is onze macht beperkt, maar hoe zit het met onze macht als consument? Hoe zouden die multinationals reageren als we hun producten inruilen voor die van een ander? Voor producten van kleine lokale bedrijven?

Spekken aandeelhouders

Als begunstiger van De Correspondent krijg je iedere dag een berichtje over nieuwe en soms ook wat oudere artikelen die op dit medium zijn verschenen. Vandaag las ik het volgende in dat bericht: “Het Europees Parlement wil de Europese begroting flink laten groeien, merkte correspondent Tomas Vanheste. Mede om – voor het eerst in de geschiedenis van de Unie – de defensie-industrie een impuls te geven.” Het artikel meldt dat de Europese begroting  met 30% groeit. Een belangrijk deel van dat geld is bestemd voor defensie en voor komende twee jaar is alvast 500 miljoen uitgetrokken voor steun aan de Europese defensie-industrie.

war-618899_960_720

Foto: Pixabay

Vanheste: “Voor Europese samenwerking op defensiegebied is zonder twijfel iets te zeggen. Zolang je geen volbloed pacifist bent, lijken zaken als gezamenlijk inkopen van materieel en slim verdelen van de taken zeer verstandig. Maar moet je daarvoor een financiële injectie geven aan de wapenindustrie? Is die dan niet winstgevend genoeg om de eigen research te financieren, waar het geld voor bedoeld is?” Terechte vragen lijkt mij. Zeker als je bedenkt dat het Europese project tot nu toe geen defensiepoot had.

Nu moest ik bij het lezen van dit artikel denken aan het boek De onzichtbare hand van Bas van Bavel, dat ik gisteren besprak. Van Bavel onderzocht markteconomieën en zag dat ze allemaal ten onder gingen en dat in de fase voor de neergang, kapitaal vooral in de financiële markten wordt geïnvesteerd. Vooral, maar niet als enige. Een andere sector die het in deze fase voor de wind gaat, is de militaire sector. Om hun machtspositie te behouden investeerden de overheden van die markteconomieën veel geld in oorlogen, onderdrukking en bewapening. Die investeringen bekostigden ze met leningen op de kapitaalmarkt en die leningen werden terugbetaald uit belastinginkomsten. Gevolg hiervan was dat er nog meer geld uit de reële economie werd getrokken en via de rente op de leningen ten goede kwam aan de extreem vermogenden.

Zou het kunnen dat dit ook in de Europese Unie aan de hand is? Dat de gewone belastingbetaler de beurs moet trekken om de rendementen van de vermogende aandeelhouders nog verder te spekken?

Markteconomieën

De afgelopen weken maakte politiek en opiniërend Nederland zich druk om de salarissen van topmensen uit het bedrijfsleven. Dit keer was een forse verhoging van het salaris van ING topman Hamers de aanleiding. Dat salaris moest ‘promoveren van de eerste naar de eredivisie’. Ik moest hieraan denken toen ik het naschrift bij het boek De onzichtbare hand van Bas van Bavel las.

Schema Van Bavel.jpg

Illustratie: Bas van Bavel, De onzichtbare hand, pagina 384-385

“Gevoelsmatig is deze aandacht (voor dergelijke salarisverhogingen die ‘graaien’ en ‘immoreel’ worden genoemd) misschien begrijpelijk, maar voor de grote fundamentele ontwikkelingen is deze focus grotendeels misplaatst,” aldus Van Bavel. Hij ziet een breder probleem dan immoreel handelen van individuen. Het is “een probleem dat eigen is aan de dynamiek van de markteconomie zelf, dus aan het systeem als geheel.” 

Waar de focus wel op zou moeten liggen? “Vermogensongelijkheid krijgt nauwelijks publieke aandacht, maar is voor de fundamentele ontwikkeling van economie en samenleving zeer relevant, niet vanwege de oneerlijkheid, maar vanwege de cruciale rol in de verwerving van maatschappelijke en politieke macht door de nieuwe marktelite.” Eenzelfde boodschap verkondigt de Amerikaans econoom Joseph Stiglitz in zijn boek The Price of Inequality.

Van Bavel voegt er een historische dimensie aan toe. In zijn boek onderzoekt Van Bavel markteconomieën uit het verleden en zoekt en vindt er een patroon in. Al deze markteconomieën doorliepen een soortgelijke cyclus. Gedurende de fases groeit het aantal armen en daalt het aantal vermogenden. Het vermogen van die vermogenden neemt wel steeds sneller toe.

Die cyclus (zie illustratie) begon met onrust en opstanden die leidden tot een grote mate van gelijkheid, vrijheid, zelforganisatie en sociale verbondenheid. Na verloop van tijd worden die zelforganisaties ondermijnd en wordt de markt de dominante manier voor het toewijzen van grond, arbeid en kapitaal. Mensen worden afhankelijk van de markt. Uiteindelijk gaat de financiële markt overheersen en wordt kapitaal vooral geïnvesteerd in financiële producten zoals staatsschulden. Die financiële producten leveren meer rendement op dan investeringen in de ‘productieve’ sector.

Via de staatsschuld hebben die vermogenden een stevige invloed op het bestuur van stad of land. Invloed die wordt vergroot door het ‘kopen’ van overheidsposities. Posities die vervolgens worden gebruikt om de regels van het spel naar eigen voordeel aan te passen. Daarnaast besteedt die nieuwe marktelite haar geld aan uiterlijk vertoon zoals grote huizen en kunst. “De marktelite is,” zo omschrijft Van Bavel het, “praktisch gezien de nieuwe feodale elite geworden. Machtsmiddelen worden ingezet om markten te vervormen naar eigen belang.”

Een interessante analyse waardoor je met andere ogen naar het heden kijkt.

Trumponomics

Stel de Trump-hotels komen erachter dat de goedkoopste lakenfabrikant veel minder geld aan hotelkamers bij Trump-hotels besteedt, dan dat hij lakens levert en de hotels besluiten er geen lakens meer af te nemen. De hotels geven die, bijvoorbeeld 10 miljoen, niet meer uit. Volgens hun eigenaar winnen ze daarmee. Gevolg is wel dat de gasten  moeten slapen op bedden zonder lakens. Natuurlijk kunnen de hotels zelf een ‘lakenfabriek’ beginnen voor eigen gebruik. Alleen zal de prijs van die lakens ook moeten worden doorberekend in de kamerprijs. Die zullen stijgen want als eigen lakens het goedkoopste zouden zijn, dan zouden de Trump-hotels al altijd zelf lakens hebben gemaakt. Die lakenfabrikant zal minder of zelfs niet meer overnachten in de Trump-hotels en dat betekent minder omzet voor de Trump-hotels. De, door de eigen lakens, duurdere kamers zullen minder worden geboekt. Zou ‘hotelmanager’ Trump deze keuze maken?

march-for-science-2252981_960_720

Foto: pixabay.com

President Donald J. Trump wel “When a country (USA) is losing many billions of dollars on trade with virtually every country it does business with, trade wars are good, and easy to win. Example, when we are down $100 billion with a certain country and they get cute, don’t trade anymore-we win big. It’s easy!” Een tweet waarmee hij zijn plannen voor het invoeren van importheffingen verdedigt. Plannen die een handelsoorlog kunnen ontketenen.

Ik moest het een paar keer lezen, maar het staat er echt: als je een handelstekort hebt en je stopt met die handel dan win je. Inderdaad houd je het geld dat met die handel is gemoeid dan in je zak. Daar staat tegenover dat je het product ook niet krijgt. Wat als je dat product vervolgens toch nodig hebt en je moet op zoek naar een alternatief? Als er een goedkoper alternatief was, bijvoorbeeld kwalitatief evenwaardig staal uit het eigen land, dan had je dat waarschijnlijk al afgenomen, dan had je dat niet uit het buitenland gehaald. Betekent dat niet dat je alternatief altijd duurder is, ook maken in eigen land? Als je dat duurdere product, bijvoorbeeld weer dat staal, verwerkt in andere producten, worden die producten dan niet ook duurder? Verkoop je die producten in je eigen land, dan zijn je inwoners duurder uit en kopen ze er wellicht minder van. Verkoop je ze ook nog in het buitenland, dan verkoop je daar ook minder of wellicht niets meer. Inderdaad blijft al je geld in eigen land als je niet met het buitenland handelt, maar zijn veel hogere prijzen en dalende koopkracht daarvan niet het gevolg?

Trumponomics, economie volgens Trump, begint vorm te krijgen. Het ‘trickle down’ geloof, het geloof dat belastingverlaging voor de rijken ‘naar beneden druppelt’ en ervoor zorgt dat ook de armen rijker worden, is al gereanimeerd via de belastingplannen. Nu het geloof dat handelsoorlogen te winnen zijn, terwijl ervaringen uit het verleden uitwijzen dat handelsoorlogen alleen maar verliezers kennen. De rijken, zoals Trump, zal het niet zo veel deren. De rekening zal worden betaald door Jo Sixpack en Jan Modaal.

Startkwalificatie funest

“Het CPB: ‘Jongeren met een mbo 3-diploma in ons cohort hebben nog vaker een baan’ dan jongeren met alleen een startkwalificatie. Eerst maar eens een einde maken aan het grootste probleem: geen jongere van school zonder startkwalificatie.” De laatste zinnen van Frank Kalshoven in zijn wekelijkse column in de Volkskrant van zaterdag 17 februari. Kalshoven reageert op een rapport van het Centraal Planbureau waarin verslag wordt gedaan van het wedervaren van de ‘jaargang MBO 2006’. Uit dit onderzoek blijkt dat eenvijfde geen diploma heeft behaald en eenvijfde een mbo 2 diploma en dus een startkwalificatie. Zonder diploma kom je heel lastig aan het werk en met mbo 2 houdt het ook niet over, aldus het rapport.

graduation-995042_1920

Illustratie: pixabay.com

Terecht maakt Kalshoven zich druk om die jeugdigen die het mbo zonder diploma verlaten. Zou het daarbij helpen om als doel te stellen dat geen jongere van school mag zonder startkwalificatie? Als het stellen van het doel het probleem zou oplossen, dan zou het probleem al opgelost moeten zijn. Het beleid van de overheid is immers: niemand van school zonder startkwalificatie. Precies dat wat Kalshoven adviseert.

Als je op startkwalificaties wordt afgerekend, dan ga je op startkwalificaties sturen. Voor een groot deel van de jeugdigen is dit geen probleem, ze halen dat zonder al te veel problemen en veelal zelfs op hun sloffen. Voor een klein deel, eenvijfde van mbo-leerlingen, is dit wel een probleem. Dat probleem zou wel eens kunnen zijn dat zij het niveau niet hebben om een startkwalificatie te halen.

Op basis van het CPB-rapport beschrijft Kalshoven deze groep wat nader. In die groep: “zijn de mbo-instromers die niet direct van het voortgezet onderwijs kwamen oververtegenwoordigd. De schoolloopbaan van deze jongeren liep in het primair en voortgezet onderwijs al niet op rolletjes, en het mbo slaagt er maar bij een deel van de studenten in dit te repareren.” Inzet gericht op een ‘hopeloze missie’? Als alle inzet erop erop is gericht om iets te laten halen wat ze niet kunnen halen, is die inzet dan niet gericht op een ‘faalervaring’?

Zou juist het doel niet het probleem zijn? Zou het helpen als we het doel anders formuleren? Als het doel van al het onderwijs is om jeugdigen een bij hen passende plek te laten vinden in de samenleving? Niet een diploma maar een passende plek in de samenleving? Zou dat tot tot meer ‘maatschappelijk rendement’ leiden? Belangrijker, zou dat tot meer geluk leiden voor de betreffende mensen?

“Het criterium ‘startkwalificatie’ doet z’n werk aardig,” zo luidt de titel van Kalshovens column. Voor het grootste deel van de jeugdigen gaat dit op, alleen voor de meest kwetsbaren niet. Zou voor deze jeugdigen niet gelden: ‘startkwalificatie funest’?

Doel, middel en mens

Vandaag nogmaals een prikker met statushouders als aanleiding. Gisteren vroeg ik me af of je van ‘falen’ kunt spreken als er mensen in het algemeen en statushouders in het bijzonder, gebruik maken van de bijstand. In het Commentaar in de Volkskrant borduurt Sander van Walsum voort op ‘inburgering’ van statushouders. Voor hem is het duidelijk: “Voormalige vluchtelingen inzetten op plaatsen waar zij in een economische en maatschappelijke behoefte voorzien: dat zou de kern van inburgeren moeten zijn.” Menigeen zal nu JA knikken. Zet statushouders daar in waar er economisch of maatschappelijk behoefte aan is. Goed voor de statushouder en goed voor de economie en de samenleving.

doel

Illustratie: Pixabay

Toch wat kanttekeningen of beter gezegd wat vragen bij deze redenering. Is inburgering geslaagd als iemand een bijdrage levert aan de economie? Betekent dat dan dat iemand die geen betaald werk verricht niet ‘ingeburgerd’ kan zijn? Zijn Nederlanders zonder betaald werk dan ook niet ‘ingeburgerd’?

Een slagje dieper. Mensen inzetten daar waar de economie en de samenleving hen nodig heeft? Wie bepaalt dan wat de economie of de samenleving, waar nodig heeft? Als die ‘wie’ dat voor statushouders kan, bepalen, mag die ‘wie’ dat dan ook voor Nederlanders bepalen? Zoudt u het accepteren als iemand anders voor u gaat bepalen dat u vuilnisman of verpleger moet worden? Dat is, zo betoogt Van Walsum, wat statushouders zouden moeten accepteren.

Verwordt een mens zo niet tot een middel dat kan worden ingezet voor ‘hoger doel’? Een doel dat door anderen wordt bepaald. Zoudt u een middel willen zijn, een middel dat kan worden ingezet? Hoe vrij is een mens als hij een middel is?

Wie faalt er?

Frank Kalshoven besteedt in zijn Het spel en de knikkers aandacht aan een experiment van de gemeente Veldhoven. Een experiment waarbij de begeleiding van statushouders aan private investeerders wordt gelaten. Die zorgen voor de begeleiding en als het hen lukt om de statushouder twee jaar uit de bijstand te houden, dan krijgen ze zes keer het bijstandsbedrag als beloning. Lukt dit niet, dan krijgen ze niets. 

succes

Illustratie: PxHere

Kalshoven schetst drie reacties. Als eerste de ‘schande’ reactie: “Dit is het toppunt van economisering van de samenleving en de afbraak van onze collectieve voorzieningen.” Als tweede de ‘goed zo’ reactie: “Niets werkt zo heilzaam als marktwerking, met sterke financiële prikkels voor investeerders om resultaat te boeken.” En als laatste de afwachtende, onderzoekende’ reactie: “Interessant, vertel verder.” Hij beveelt de derde aan: “Omdat markten en prikkels vaak falen. En omdat de overheid er vaak niet in slaagt te organiseren wat we willen. Marktfalen én overheidsfalen zijn alomtegenwoordig en daarom moeten we, zonder vooroordelen, kijken naar wat werkt.”

Dat zou ook mijn reactie zijn, maar het gaat mij niet om de statushouders en het Veldhovense experiment. Het gaat mij om ‘marktfalen’ of ‘overheidsfalen’. Van ‘falen’, als je het zo wilt noemen, is sprake als een gesteld doel niet wordt gehaald. In deze casus is dat het aan het werk krijgen van een statushouder of wat breder getrokken, een bijstandsgerechtigde. Als je het zo benadert, dan schiet de overheidsbenadering tekort. Immers iedere bijstandsgerechtigde is dan een bewijs van dat falen. In Veldhoven geven ze nu ‘de markt’ de kans. Nu is het niet ondenkbeeldig dat er ook dan nog statushouders zullen zijn die een beroep zullen gaan doen op de bijstand, faalt de markt dan?

Wat moeten we dan doen als zowel de overheid als de markt faalt? Een mix maken? Zal ook die aantonen dat er statushouders zijn die hun weg vinden en anderen die dat niet doen? Zou het aan de doelstelling kunnen liggen? Aan het uit de bijstand krijgen van mensen? Dat er geen sprake is van ‘markftalen’ noch van ‘overheidsfalen’? Moeten we na jaren van ‘bijstand’ en pogingen om mensen eruit te krijgen, niet concluderen dat op de ‘markt’ niet voldoende plekken zijn voor iedereen?

Economische schade door discriminatie?

Arbeidsmarktdiscriminatie stond de afgelopen week weer hoog op de ‘media-agenda’. De oorzaak: een reportage van het tv-programma Radar waaruit bleek dat bijna de helft van de arbeidsbemiddelaars meewerken aan discriminatie op afkomst. In zijn Het spel en de knikkers in de Volkskrant, gaat Frank Kalshoven in op de economische kant van de zaak: “Als we weten wat discriminatie kost en hoe die kosten veroorzaakt worden, kunnen we scherper nadenken over manieren om die kosten terug te dringen. Het lijkt niet zo gek om te denken dat die kosten gauw in de miljarden lopen. Denk even mee.” Van die oproep van Klashoven maak ik graag gebruik.

coins-1726618_960_720

Illustratie: pixabay.com

Een woord vooraf, ik verafschuw discriminatie. Toch zou de uitkomst van die kostenberekening wel eens heel anders uit kunnen vallen dan Kalshoven denkt. Kalshoven onderscheidt drie groepen gediscrimineerden: mensen die door discriminatie geen werk vinden, mensen die hierdoor werk onder hun opleidingsniveau vinden en mensen die worden gediscrimineerd op hun werk. Deze mensen leiden ‘schade’. Eerste probleem bij het berekenen van de schade is dat het lastig is om aan te tonen dat de situatie van een individu het gevolg is van discriminatie. De schade bestaat uit: inkomensschade, ‘uitkeringsschade’ en psychische schade. En dan de berekening: “Laat honderdduizend mensen geen werk vinden door discriminatie. Stel dat ze zonder discriminatie een modaal salaris bij elkaar zouden werken à 37 duizend euro per jaar. Vermenigvuldig: 3,7 miljard euro per jaar. De orde van grootte van de discriminatiekosten is miljarden per jaar (en tientallen miljarden op langere termijn).”

Vergeet Kalshoven niet iets, en dan bedoel ik niet de psychische en uitkeringskosten? De baan die iemand niet krijgt, of een baan op lager niveau omdat hij wordt gediscrimineerd, gaat naar iemand anders. Die krijgt die € 37.000 per jaar en had die anders niet gekregen. Dan was die persoon werkloos geweest of had wellicht onder zijn niveau gewerkt. Van bijvoorbeeld twintig sollicitanten kan er maar één de functie krijgen en als ze allemaal even geschikt zijn, maakt het dan voor de economie iets uit wie de baan krijgt? Voor A en B maakt het wat uit wie de baan en dus die € 37.000 krijgt, voor de economie telt alleen het getal. Ook voor de ‘uitkeringsschade’ maakt het niets uit, A of B krijgt een uitkering dus de kosten zijn gelijk.

Resteert de psychische schade. Alleen kent ook die psychische schade een keerzijde, psychische problemen betekent namelijk ook werk voor psychologen en therapeuten. Discriminatie is, zoals gezegd, afschuwelijk en moet worden bestreden. Zullen we ons voor de bestrijding ervan toch maar bij de ethische en juridische argumenten houden?