Niet standpunten maar identiteit

“De kiezers van de PVV stemmen op de PVV vanwege de standpunten. Dat moet je er altijd even bij zeggen, omdat het een tijdje in de mode is geweest om ze andere motieven toe te kennen.” Aldus Sheila Sitalsing in een column in de Volkskrant. In die column verbaast ze zich over Wilders’. Terwijl er nog niet eens is onderhandeld: “heeft Wilders nu al driekwart van zijn verkiezingsprogramma publiekelijk uit het raam moeten gooien. Er is elke week wel een draai, zo veel inmiddels dat hij er duizelig van moet zijn.”  maar om dat gedraai gaat het mij niet. Het gaat mij om de uitspraak dat mensen op de PVV stemmen vanwege de standpunten van die partij. Zou het werkelijk?

Stemmen mensen op een partij vanwege de standpunten van die partij? Ja, is het populaire antwoord. Bij verkiezingen bestudeer je de programma’s van de partijen, je wikt en weegt en bepaalt vervolgens welke partij het beste aansluit bij jou standpunten en dat is de partij waar je op stemt. Maar gaat het werkelijk zo? Het Nederland van de twintigste eeuw werd gekenmerkt door het begrip verzuiling. Het was de periode waarin wat we, in navolging van de politicoloog Arend Lijphart, de ‘pacificatie-politiek noemen, hoogtij vierde. 

Eigen foto

Nederland kende drie grote zuilen: “De drie zuilen kwamen voort uit de geestelijke stromingen van het Rooms-Katholicisme, het Humanisme en de Hervorming.[1] Binnen deze zuilen liepen sociaaleconomische scheidslijnen. Cru gezegd kende Nederland drie parallelle samenlevingen die weinig met elkaar hadden. Als katholiek ging je naar een katholieke school. Lag je in een katholiek ziekenhuis. Voetbalde je katholiek. Was je bij een katholieke vakbond of werkgeversvereniging. Vlogen je duiven katholiek. En stemde je katholiek. Voor protestanten gold, afgezien van dat mandement, hetzelfde. Je ‘karakter, talent en moraal’ deden er hooguit binnen ‘je eigen zuil’ toe. Als protestant kreeg je geen werk bij een katholieke werkgever. Huwelijken met andersgelovigen waren zeer zeldzaam. Immers: twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen.

Volgens Lijphart, en de geschiedenis geeft hem daarin gelijk, was “Het nationaal saamhorigheidsgevoel in Nederland (niet) sterk, maar sterk genoeg om aan de centrifugale neigingen van de zuilen weerstand te bieden.[2] Die saamhorigheid zag er als volgt uit: “De pacificatie-politiek was het proces, waarin de problemen die in de onderlinge betrekkingen tussen de zuilen grote spanningen opleverden, toch op vreedzame manier werden opgelost. Het was een proces van vredestichting en de schepping van een zekere mate van consensus tussen de zuilen, waar oorspronkelijk weinig consensus bestond. … De pacificatie-politiek heeft veel weg van politiek op internationaal niveau. In beide gevallen is de consensus gering en moeten alle strijdvragen door ‘nationale’ (of zuilen-) leiders worden onderhandeld. [3]  Een katholieke arbeider mocht dan wellicht overeenkomstige belangen hebben met een uit de algemene zuil. Die laatste behoorde dan bij het socialistische deel van de algemeen zuil, ze trokken niet samen op tegen de werkgever.

Voor de overgrote meerderheid van de kiezers, bestond kiezen uit het kleuren van het vakje van de partij van jouw zuil. Een katholiek stemde voor 1940 op de RKSP en na 1945 op de opvolger, de KVP en niet op een partij die voor de arbeiders opkwam.  Een protestantse ondernemer stemde op de CHU of de ARP en niet op een partij die voor ondernemers opkwam. Om het met een huidig begrip te beschrijven, het gros van de kiezers stemde op het belangrijkste kenmerk van hun identiteit en dat was hun religie. In de jaren zestig van de vorige eeuw, begon dit te veranderen. Voor steeds meer mensen werd het geloof een steeds minder belangrijk iets en de kerkgang liep terug. Mensen zochten naar een andere manier dan religie om zichzelf te omschrijven. Met name de op religie gebaseerde zuilen ondervonden hiervan de gevolgen. Tot de Kamerverkiezingen van  1963 haalden de drie grote op religie gebaseerde partijen, de KVP, ARP en de CHU steevast de helft van de zetels. In 1976 waren deze partijen gefuseerd in het CDA en behaalden nog maar een derde van de zetels en vanaf de jaren negentig werden dat er steeds minder.

Ik heb het niet onderzocht maar ik denk dat ik er niet ver naast zit als ik schrijf dat die neergang geen gevolg is van kiezers die de partij verlieten vanwege de standpunten. De neergang is, naar mijn inschatting, veeleer een gevolg van uitsterven van hun traditionele kiezer. De ouderen die nog met de verzuiling waren opgevoed en trouw op de partij van hun zuil stemden, stierven successievelijk. Van een soortgelijke ontwikkeling is ook de PvdA het slachtoffer geworden. Een niet op religie gebaseerde partij die opkomt voor de arbeiders, zou wel moeten varen bij die ontkerkelijking en ontzuiling. Dat zou inderdaad zijn gebeurd als er voor de rest niets was veranderd. Vanaf het midden van de twintigste eeuw, begon het percentage mensen dat werkzaam was in de industrie te dalen van 42% van de bevolking naar onder de 20%. Het aantal mensen met ‘Arbeider’ als belangrijkste kenmerk van hun identiteit nam af.

‘Protestant’ of ‘arbeider’ voldoen tegenwoordig niet meer als beschrijving van je persoonlijkheid. ‘We’ moeten dus op zoek naar een andere manier om onszelf te beschrijven. Een andere manier om onze identiteit te bepalen. De Vandale geeft twee betekenissen voor identiteit: ‘gelijkheid: je identiteit bewijzen’. Bewijzen dat je de persoon bent voor wie je je uitgeeft’ en als tweede: ‘eigen karakter’. De eerste verklaring heeft te maken met je paspoort: is iemand de persoon die hij zegt dat hij is. Over het gebruik van het woord in deze betekenis gaat het hier niet. Als we het over de ‘… identiteit’ hebben, dan hebben we het over de tweede betekenis: karakter. Maar wat is karakter? De Van Dale geeft vier betekenissen. De eerste, ‘figuur of letterteken’, valt af dan resteren er nog drie. Als eerste ‘iemands eigenschappen, aard, inborst’. Als tweede ‘goede eigenschappen’. De laatste ‘het eigenaardige, typische’. Van Dale gebruikt de betekenis vooral gericht op individuen. Identiteit zegt iets over jou maar ook over de anderen. Of zoals de Vlaamse psycholoog Paul Verhaeghe in zijn boek Identiteit schrijft: “het verschuivende beeldscherm van de buitenwereld, die steevast als spiegel voor die identiteit fungeert.[4]” Dus de vraag hoe het ‘ik’ zich verhoudt tot de ‘buitenwereld’. Dat verhouden tot de buitenwereld betekent bepalen bij welke groep je hoort en bij welke groep je niet hoort.

Hoe sturend de groep is waar je jezelf bij vindt horen, maakt Lilliana Mason duidelijk in haar boek Uncivil  Agreement. How politics became our identety. Mason levert, zoals ze schrijft, voor de Verenigde Staten: “het bewijs geleverd van de huidige staat van sociale polarisatie, waarin onze politieke identiteiten rondjes draaien om onze beleidsvoorkeuren in het aansturen van onze politieke gedachten, emoties en acties[5]alhoewel haar boek de huidige staat van de politiek in Amerikaanse samenleving probeert te verklaren, kan het ook een licht schijnen op Nederland.

Mason geeft een verklaring voor de ontstane bijna onbestuurbaarheid van de Verenigde Staten. “Hoewel het de aard van mensen is om zichzelf in te delen in op zichzelf staande groepen en de aard van die groepen is om verdeeldheid en conflicten te veroorzaken, worden maatschappijen gekenmerkt door het grote aantal verschillende groepsindelingen. Hoe meer verdeeldheid, hoe vrediger en coöperatiever een samenleving kan zijn.[6] Door die verschillende groepen was er altijd wel een productieve meerderheid te vinden bestaande uit politici uit beide grote partijen. Wat zij in de Verenigde  Staten constateert is dat die verschillende groepen de afgelopen jaren steeds mee ‘in lijn’ zijn gevallen met partijlijnen en er in toenemende mate maar een groepsverdeling ontstaat: Republikeins versus Democratisch. Gevolg hiervan is dat productieve meerderheden op inhoud wellicht nog wel mogelijk zijn maar er niet gaan komen omdat de partij die aan de macht is wint en de andere verliest. Dat is precies wat we de afgelopen maanden zagen rond migratie. Inhoudelijk was er een akkoord, maar het kwam er niet omdat Biden dan zou winnen en die winst zou de Republikeinse ster (van in dit geval Trump) verbleken.

Het antwoord op een identiteitsvraag wordt door de groep gegeven. “Jij bent een trotse Duitser.”  Dat antwoord kreeg ‘Hans’, de fictieve persoon in Francis Fukuyama’s boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek in de negentiende eeuw als antwoord op de vraag ‘wie ben ik’. En dat werd nader ingevuld met: “ erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[7] Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts.

Door het wegvallen van ‘protestant’ of ‘arbeider’ moesten mensen op zoek naar een nieuwe beschrijving van hun identiteit. Daarbij zijn er twee mogelijkheden. Kwame Anthony Appiah beschrijft ze in een interview met de Volkskrant . De eerste is een lichte identiteit: “Het is de kunst je niet in dat verhaal vast te bijten en je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.”  De andere is een zware, uitsluitende vorm van identiteit: “Als je een nationale identiteit bouwt die doet alsof iedereen al duizend jaar in Nederland woont, sluit je mensen uit die niet ergens anders naartoe zullen gaan. Maar het is perfectly fair om bijvoorbeeld te zeggen: Nederland is een land dat niet wordt gedefinieerd door religie.’” 

De oude ‘verzuilde’ identiteiten waren zwaar en uitsluitend. De periode sinds het wegvallen ervan kenmerkte zich door, om  Mason te aan te halen: “grote aantal verschillende groepsindelingen.”  Maar net als in de Verenigde Staten, lijken in Nederland die verschillende groepsindelingen in toenemende mate in lijn te vallen met politieke hoofdstromingen. Ik zeg bewust hoofdstromingen en niet partijen want in tegenstelling tot in de Verenigde Staten met twee partijen, kent Nederland een keur aan partijen. Die hoofdstromingen zijn aan de ene kant nationalistisch en conservatief en aan de andere kant internationalistisch, individualistisch en progressief.

Polarisering die, naar mijn mening, een gevolg is van aan de ene kant het ‘Nederlandse identiteitsnationalisme’ en aan de andere kant het intersectionele denken over identiteit. Beide manieren van denken zorgen ervoor dat identiteit zwaar en uitsluitend wordt. Voor identiteitsnationalisten tellen alleen de ‘echte Nederlanders’ en tot die groep behoor je alleen als je het met hen eens bent. Voor intersectionele identiteitsdenkers tel je alleen als je ‘geen privilege’ hebt. Beide manieren van denken trekken als waren het magneten aan die  verschillende groepsindelingen. En daarbij harmoniseren de standpunten van mensen naar de extremen toe en zorgen ervoor dat de twee hoofdstromingen steeds verder polariseren. De eigen opvattingen worden aangepast aan de groep waartoe ze behoren.

Het grote risico van deze ontwikkeling is in de Verenigde Staten al naar voren gekomen en dat is dat de groepen steeds vijandiger tegenover elkaar staan en het algemene belang ondergeschikt raakt aan de ‘winst’ van de eigen partij. Neem voorbeeld van het migratieakkoord dat er niet kwam dat ik hierboven al noemende, maar ook: “een wet om de prijzen van medicijnen te limiteren, een verkiezingsbelofte van Donald Trump in 2016,” Dat door de regering Biden ingediende voorstel: “kreeg van de Republikeinen geen enkele steun,” zoals de Volkskrant in haar Commentaar schrijft. In Nederland zien we ook al ontwikkelingen in die richting. Een voorbeeld hiervan is het op voorhand al niet in zee willen gaan van bijvoorbeeld de VVD en NSC met de combinatie GroenLinks/PvdA en de verkettering Frans Timmermans de leider van die combinatie.

Tijd om ‘identiteit’ minder belangrijk te maken. Tijd om de nationale identiteit inclusief te maken op de lichte ‘Appiah’ manier en dus: “je identiteit flexibel te houden, om onnodige polarisatie tussen bevolkingsgroepen te vermijden.” In plaats van je vast te bijten:  “in dat verhaal,” waarbij je er pas bij hoort als je: “duizend jaar in Nederland woont.” Maar ook tijd om te stoppen met je identiteit beschrijven als een verzameling ‘kruispunten’ van onveranderlijke kenmerken van iemand, zoals man, zwart, hetero, cis enzovoorts met de bijbehorende machtsstructuren maar de persoon als geheel te zien.

Het waren, naar mijn mening, niet de standpunten van Wilders die kiezers op hem deden stemmen, maar de groep waartoe ze naar eigen gevoel behoorden. De groep die hen een half jaar eerder op de BBB deed stemmen, in 2019 op de FvD van Baudet en in 2021 op de VVD. Die laatste partij loopt een groot risico op een splitsing tussen de twee vleugels die de partij van oudsher in zich combineert namelijk de conservatieve en de liberale. Die laatste is van oudsher internationalistisch en gericht op individuele ontplooiing en dat staat haaks op de kant die de partij op is gegaan. Dat het niet om de standpunten ging lijkt te worden bevestigd door peilingen die laten zien dat hij nog meer zetels zou krijgen ondanks het ‘in de koelkast’ zetten van driekwart van zijn programma.


[1] A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek,, pagina 29

[2] Idem, pagina 99

[3] Idem, pagina 99

[4] Paul Verhaeghe, Identiteit, pagina 14

[5] Lilliana Mason, Uncivil agreement. How politics became our identity,  pagina 16 (eigen vertaling)

[6] Idem 24 (eigen vertaling)

[7] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 91

Wil de echte fascist nu opstaan?

Nee ik ben Paul Cliteur niet aan het stalken. Het is toeval dat ik nu weer een prikker aan hem wijd. In een schrijven van Cliteur bij De Dagelijkse Standaard lees ik: “Ik plaats het woord “antifascisme” tussen aanhalingstekens om tot uitdrukking te brengen dat ik zelf dit “antifascisme” niet zie als een oprechte afwijzing van fascisme. Het tegenovergestelde zelfs. Volkert van der G. was, of is, een fascist in de zin dat hij gebruik wilde maken van grof geweld om Fortuyn “te stoppen”. En de Oekraïense paraplu-terrorist uit Gent en de Groningse jongeling die, door hun ideologie verblind, geweld aanwenden tegenover Baudet hebben veel meer met echt fascisme gemeen dan de slachtoffers van hun gewelddadige acties.” Geheel in de stijl van Herman Emmink in het programmama Wie van de Drie dacht ik: ‘Wil de echte fascist nu opstaan?’

Bron: Flickr

Cliteur ziet sinds de verkiezingen van 22 november veiligheidsrisico’s vanuit twee kanten. Aan de ene kant het islamitisch jihadisme: “Nu Wilders de beoogde premier is van Nederland zal de dreiging vanuit Pakistan alleen maar groter worden. Hij heeft geen 6 bewakers om zich heen nodig, maar 12.”  De tweede bedreiging: “die van het “antifascisme”, is groot. Het “antifascisme” manifesteerde zich in 2002 met Volkert van der G. Onlangs stak het opnieuw de kop op in Gent toen een Oekraïner Baudet op zijn hoofd sloeg met een verzwaarde paraplu daarbij “fascismo” roepend. Enkele weken daarna herhaalde zich deze gang van zaken, zij het nu met een bierflesje waarmee Baudet werd geslagen tijdens een cafébezoek in een café in Groningen.” Maar die ‘antifascisten’ zijn eigenlijk fascisten als ik Cliteur mag geloven, want ze gebruiken geweld.

Nu is een van de kenmerken van het fascisme de verering van machtsvertoon en geweld. Dat fascisten geweld gebruiken en vereren wil niet meteen zeggen dat iedereen die dat doet meteen een fascist is. Fascisten vinden het gebruik van geweld te verdedigen als het gericht is tegen het omverwerpen van de bestaande maatschappelijke orde. Als het hoofd van Baudet staat voor de bestaande maatschappelijke orde, dan zou de daad op fascisme kunnen wijzen. Als er echter iets kenmerkend is voor Baudet dan is het dat hij zich verzet tegen de bestaande maatschappelijke orde. Zijn hoofd staat juist voor het verwerpen van de maatschappelijke orde en lijkt mij daarmee geen goed symbool om je verzet tegen de maatschappelijke orde te uiten. Dat lijkt mij van dezelfde orde als je verzetten tegen roken door een rookmarathon te houden.

Fascisme heeft echter nog meer kenmerken. Zo is het extreem nationalistisch. Nu ken ik de denkbeelden van de hanteerders van de paraplu en het bierflesje niet. Die van Baudet en zijn Forum voor Democratie wel. De partij wil dat Nederland zich terugtrekt uit zo ongeveer alle internationale samenwerking. Of zoals ze het zelf noemen: “Een intelligente uittreding uit de Europese Unie. In hetzelfde licht moet de betrokkenheid van Nederland bij andere internationale organisaties (EVRM, WEF, WHO, NAVO) worden herzien.” En: “Internationale verdragen opzeggen die onze beleidsvrijheid inperken, zoals het VN vluchtelingenverdrag dat ons dwingt tot het opnemen van migranten.[1]Helaas wordt niet duidelijk hoe zo’n intelligente uittreding eruit ziet en lijkt de partij zich niet te realiseren dat ieder verdrag dat je tekent, je bindt en dus beperkt. Hieruit concludeer ik dat de partij extreem nationalistisch is.

Als je het iets anders bekijkt, dan lijken Baudet en zijn partij een permanente strijd te voeren om de eigen natie te laten overleven te midden van andere staten en laat dat ook een van de kenmerken van het fascisme zijn. Of dat voor de hanteerders van de paraplu en het bierflesje ook op gaat, weet ik niet. Een permanente strijd tegen: de weg-met-ons mentaliteit die onze politieke, culturele en journalistieke elites doordrenkt. De oikofobie. Want die verklaart de slappe knieën van kartelpolitici, de schaamte voor onze geschiedenis, het weggeven van onze gulden, de sfeerloze, liefdeloze architectuur.”  Zoals hij het bij TPO omschreef.

Een ander kenmerk van fascisme is dat het een autoritaire structuur kent met aan het hoofd een leider waaraan charismatische eigenschappen worden toegekend. Nu ken ik de structuur waar binnen de hanteerders van de paraplu en het bierflesje opereren, niet. Die van het FvD, de partij van Baudet en Cliteur lijkt wel iets van een autoritaire structuur te kennen. Toen er na de verkiezingen van 2021 wat discussie binnen de partij ontstond, werden de criticasters de partij uitgebonjourd en vervolgens met ‘pek en veren’ overladen. Of ze stapten er zelf uit waarna ze de FvD en haar leider met ‘pek en veren’ overlaadden.

Het fascisme streeft naar een totalitaire staat die de volledige controle heeft over de sociale, culturele organisaties binnen de samenleving. Nu ken ik de ‘controlebehoefte’ van de hanteerders van de paraplu en het bierflesje opereren, niet. Van de FvD is bekend dat ze werken aan een eigen zuil , ‘Forumland’. Voor de jongeren onder ons. Zuil slaat terug op de periode van het midden van de negentiende- tot de jaren zeventig van de twintigste eeuw. Daar waar ‘nostalgisten’ als Wilders en ook Baudet hoog opgeven over ‘de Nederlandse identiteit en normen en waarden gebaseerd op joods, christelijk, humanistische grondslag, kende Nederland in die tijd veel verschillende identiteiten. Zo kende het land de katholieke, de Nederlands hervormde, de gereformeerde, de lutheraans, de joodse, de liberale, de sociaaldemocratische en ik vergeet er vast nog wel een, identiteit. Mensen leefde in die ‘identiteit’ en het contact met de andere identiteiten was er nauwelijks tot niet. Immers: ‘twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen’. Als katholiek deed je je boodschappen bij een katholieke bakker, je ging naar de katholieke kroeg, je stemde op de KVP, je voetbalde katholiek en zelf je duiven vlogen katholiek. Sociaaldemocraten deden dat sociaaldemocratisch en hervormden hervormd. Met ’Forumland’ wil Baudet en zijn club ook zoiets waarbij hij in de top stevige controle heeft over alles binnen ‘Forumland’.  Daarmee raken we nog een ander kenmerk van fascisme namelijk het streven naar sociale eenheid en de opheffing van klassen- en belangentegenstellingen en controle over de economie.

Fascisme streeft naar de instelling van een politieke dictatuur. Nu weet ik niet of de hanteerders van de paraplu en het bierflesje streven naar een politieke dictatuur. De manier waarop binnen de FvD met tegenspraak wordt omgegaan en het streven naar ‘Forumland’ komt nogal totalitair: “waarin alles ondergeschikt wordt gemaakt aan de alles controlerende staat, “ aldus de Vandale En die omschrijving gaat verder met de woorden: “die meestal als dictatuur is ingericht.”

Volgens de definitie van de Britse historicus Roger Griffen maken fascisten gebruik van de mythe van een ‘nationale wedergeboorte’. Voor de toekomstige glorie moeten we terug naar het verleden. Mussolini wilde terug naar de moderne versie van het Romeinse Rijk. Hitler wilde met zijn Derde Rijk voortborduren  op twee eerdere ‘Duitse rijken’ Als eerste de grootsheid van het Eerste Rijk,  het Heilige Roomse Rijk der Duitse naties van de periode van de negende eeuw totdat Napoleon er en einde aan maakte. Nu viel het met de grootsheid en vooral de eenheid van dat Rijk behoorlijk tegen. Als tweede het Tweede Rijk, het Duitse Keizerrijk dat in 1871 ontstond en bestond tot 1918 toen de keizer Wilhelm II voor zijn leven vreesde, zijn biezen pakte en naar Nederland vluchtte. Baudet. Of de hanteerders van de paraplu en het bierflesje ook zo’n fascinatie hebben voor een periode in het verleden, weet ik niet. Baudet wel. Hij wil terug naar de tijd van de:  “delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood’,” zoals hij in 2019 in een interview bij een Zwitserse krant zei. En wanneer was dat? “This reached its apex, I believe, in the eighteenth century,” de tijd van de: “bourgeois society, bourgeois traditions, the bourgeois way of life of ordinary people.” 

Het fascisme is, volgens de definitie van de Amerikaanse Historicus Stanley G. Payne, antiliberaal, anticommunistisch en anticonservatief.  Nu weet ik niet hoe de hanteerders van de paraplu en het bierflesje naar de wereld kijken. Van Baudet weten uit het interview met de Zwitserse krant, dat hij zich afzet tegen alle partijen, want die waren allemaal: “representatives of the “liberal” or “liberalist” philosophy where emancipation of the individual is the ultimate aim. Maximum equality, maximum individual liberty.” Hij staat er anders in: “It’s the philosophy that starts from the understanding that we are paradoxical beings. We want to be free and, at the same time, we want to be embedded. We want to be individuals, but we also want to be members of a group. In a proper society, there’s an equilibrium there, a delicate balance that has culminated in what we might call ‘the individual properly understood.’”  En naar die tijd wil hij ‘vooruit’. Vooruit naar een Eenentwintigste-eeuwse variant van zijn droombeeld van de Achttiende-eeuwse bourgeoissamenleving.

Of de hanteerders van de paraplu en het bierflesje fascisten zijn, weet ik niet. Het denken van Baudet tikt wel veel kenmerken van fascisme aan.


[1] Het programma van hoop, optimisme en herstel, pagina 10

Die goeie ouwe tijd

Vroeger was Nederland een geweldig land waar iedereen goed met elkaar kon opschieten. Tenminste als ik Juliaan van Acker mag geloven. Dat vroeger is van voor de tijd van de massa-immigratie. In die goede ouwe tijd werden: “Mensen (…) beoordeeld op basis van hun karakter, hun talenten en hun moraal. Nederlanders voelden zich Nederlander,” aldus Van Acker in een artikel bij TPO. Een wel erg rooskleurig beeld van het verleden. Nu is Van Acker al in de tachtig en geboren in Vlaanderen dus wellicht kent hij de Nederlandse geschiedenis onvoldoende.

The Good Old Days / Dystopia | Brewery Green, Leeds | Tim Green | Flickr
Bron: Flickr

Nu is hij niet de enige met een rooskleurig beeld van het verleden. Zo verlangt ook Baudet terug naar een mythisch verleden van de deugdzame bourgeoisie waarnaar hij terug wil, dit even terzijde. Terug naar Van Acker. Wellicht is dit gebrek aan kennis van het Nederlandse verleden terug te voeren op zijn eigen verleden. Hij werd in 1940 geboren in Vlaanderen. Toch kan dit niet echt als excuus gelden want behoort Vlaanderen niet tot België? Een land waar mensen al sinds de oprichting in 1830 worden beoordeeld op de taal die ze spreken en niet op de ‘hun karakter, talenten en moraal’?

Nu is Van Acker niet de eerste en zeker niet de enige Vlaming die naar het ‘noorden’ trok. In de zestiende en zeventiende eeuw gingen veel Vlamingen hem voor in een golf van massamigratie vanuit Vlaanderen naar Zeeland en Holland. Ik denk echter niet dat Van Acker die periode van massa-immigratie bedoeld. Ik denk dat hij het heeft over de periode vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw. De komst van arbeiders, eerst vanuit Italië en Spanje en later vanuit Marokko en Turkije. Dat ‘gelukkige Nederland’ waar ‘karakter, talent en moraal’ centraal stonden, moeten we dus zoeken voor de jaren zeventig van de vorige eeuw. Laten we die tijd eens wat nader beschouwen.

Het eerste wat opvalt aan die periode is dat ‘karakter, talent en moraal’ van de vrouwelijke helft van de bevolking er helemaal niet toe deed. Daar werd niet naar gekeken. Sterker nog, tot en met 1956 werden ze niet handelingsbekwaam geacht. Hun vader of man hadden die macht. Als ze trouwden, dan was dat een wettelijke reden voor ontslag. Iets wat een jaar later werd afgeschaft. En die afschaffing veranderde de mores maar geleidelijk.

Het was ook de periode waarin wat we, in navolging van de politicoloog Arend Lijphart, de ‘pacificatie-politiek noemen, hoogtij vierde. “De pacificatie-politiek was het proces, waarin de problemen die in de onderlinge betrekkingen tussen de zuilen grote spanningen opleverden, toch op vreedzame manier werden opgelost. Het was een proces van vredestichting en de schepping van een zekere mate van consensus tussen de zuilen, waar oorspronkelijk weinig consensus bestond.” De tijd waarin: “Het nationaal saamhorigheidsgevoel in Nederland (niet) sterk (was), maar sterk genoeg om aan de centrifugale neigingen van de zuilen weerstand te bieden.[1] Nu zet Lijphart het scherp weg. Nederland dreigde nooit echt uit elkaar te vallen. Veel met elkaar hadden de verschillende bevolkingsgroepen niet. Als katholiek ging je naar een katholieke school. Lag je in een katholiek ziekenhuis. Voetbalde je katholiek. Was je bij een katholieke vakbond of werkgeversvereniging. Vlogen je duiven katholiek. En stemde je katholiek. Dat in 1954 zelf bij mandement van de Nederlandse bisschoppen. Voor protestanten gold, afgezien van dat mandement, hetzelfde. Je ‘karakter, talent en moraal’ deden er hooguit binnen ‘je eigen zuil’ toe. Als protestant kreeg je geen werk bij een katholieke werkgever. Huwelijken met andersgelovigen waren zeer zeldzaam. Immers: twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen.

We zijn er echter nog niet. Zelfs als man binnen je eigen zuil draaide het niet om je ‘karakter, talent en moraal’. Als arbeiderskind was je gedoemd om na je leerplichtige periode als arbeider in de fabriek te belanden alwaar je vader ook werkte. Alleen als je op exceptionele kwaliteiten werd ‘betrapt’, de schoolmeester je gunstig gezind was en je ouders als niet als lastig bekend stonden, maakte je kans op een vervolg van je schoolloopbaan en dus op een andere carrière dan arbeider in de fabriek waar pa ook werkte. Bij het opbouwen van die carrière zat je verleden als arbeiderskind je wel dwars. Je ouders misten immers het netwerk dat het kind van de fabrieksdirecteur of notaris wel had. Iets waar veel nieuwkomers nu ook last van hebben.

Nee, die goeie ouwe tijd waarnaar Van Acker terugverlangt is vooral oud.


[1] A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, pagina 99

Lukkassens ‘ingewikkelde helderheid’

“De overal voelbare uitsluiting brengt de realisten tot het inzicht dat zij het Hobbesiaanse tijdsgewricht moeten verwelkomen, als zij ooit nog inspraak willen hebben in de toekomst van hun land.” De laatste zin van een artikel van Sid Lukkassen bij TPO. Een bijzonder artikel. Bijzonder vanwege het denken van Lukkassen. Op dat ‘Hobbesiaans tijdsgewricht’, en wat we ons daarbij moeten voorstellen, kom ik later terug.

Leviathan, van Thomas Hobbes. Bron: Wikipedia

Laat ik vooraan beginnen. Lukkassen stelt: “vroeger was de elite nationaal georiënteerd, met een sterk besef van Leitkultur en patriottisme, terwijl de arbeiders zich oriënteerden op de internationale klassenstrijd. Maar in de jaren negentig sloeg dit om… :”  Een analyse, zo zegt hij, van Pim Fortuyn die hij als een feit presenteert niet nader toelicht. Nu zien we tegenwoordig vaker dat beweringen van Fortuyn door zijn navolgers en aanhangers als een feit of  ‘waarheid’ worden gepresenteerd. Maar hoe feitelijk is dit feit of is dit een interpretatie? 

Neem de arbeiders en die internationale klassenstrijd. Op hét moment dat de arbeiders voor het internationale en tegen het patriotisme konden kiezen, kozen ze massaal voor het patriotisme. Dat moment kwam in de zomer van 1914 na het schot waarmee Gavrillo Princip een einde maakte aan het leven van Frans Ferdinand, de aartshertog van Oostenrijk. Als de arbeiders toen voor elkaar en dus voor internationale samenwerking hadden gekozen, dan was er wellicht geen oorlog uitgebroken die we nu de Eerste Wereldoorlog noemen. Immers zonder arbeiders geen miljoenen soldaten en geen fabrieken die wapens produceren. De arbeiders kozen toen voor patriotisme en dus voor het vaderland.

En aan de andere kant, hoe ‘nationaal georiënteerd, met een sterk besef van Leitkultuur en patriotisme’ was die elite? Een van de verwijten die de ‘elite’ wordt gemaakt is dat ze het land hebben ‘verkwanseld’ aan die vermaledijde internationale en vooral Europese samenwerking. Internationale samenwerking die juist een aanvang nam aan het einde van die Eerste Wereldoorlog: de Volkenbond werd opgericht. Niet meteen een succes maar wel een voorloper van de Verenigde Naties die na de ellende van de Tweede Wereldoorlog ontstond. Een periode waarin ook de Europese samenwerking een aanvang nam. Of was dit, immers ruim voor de jaren negentig, op initiatief van de  ‘internationalistische’ arbeiders.

Lukkassen vervolgt: “… bedrijven profiteerden van outsourcing en open grenzen, dus ook de elite werd zeer mobiel. De nieuwe elite was ‘wereldburger’ en identificeerde zich met transnationale instituties zoals de EU. Juist de arbeider bleef aangewezen op de directe leefomgeving – de werkende klasse werd nationalistischer en keerde zich tegen de open grenzen.”  Nieuwe elite wil zeggen dat er een wisseling van de wacht heeft plaatsgevonden. Dat de ‘oude’ elite is vervangen. Waarom zou die ‘oude’ elite grenzen openen als dat haar einde zou betekenen? Als zij door een ‘nieuwe’ zou worden vervangen?

Een alinea verder: “politieke correctheid (beknelt) de sociale mobiliteit (…) wat uitmondt in een nieuwe verzuiling met bijbehorende spraakcodes.” Wacht eens. Politieke correctheid leidt tot verzuiling? Maar waren het niet de jaren zeventig tot en met begin deze eeuw die door Lukkassen en anderen worden bestempeld als de hoogtijdagen van de ‘politieke correctheid’? De jaren dat Janmaat en zijn boodschap: “Wij schaffen, zodra we de mogelijkheid en de macht hebben, de multiculturele samenleving af,” verketterd werden. De jaren dat visionair Bolkenstein werd weggehoond. Jaren die culmineerden in de ‘demonisering’ van Pim Fortuyn. Laat dat nu juist de jaren zijn dat de zuilen ten graven werden gedragen. De jaren van grote sociale mobiliteit. De Jaren dat er geen ‘duivel’ meer sliep tussen ‘twee geloven op een kussen’. De jaren dat de kerken massaal leegliepen. 

Of is bij Lukkassen de wens de vader van de gedachte? Hij pleit immers geregeld voor het oprichten van een nieuwe zuil en dat doet hij ook weer in dit artikel. De: “Zuil van het nieuwe realisme, ook wel humanistisch realisme genoemd. Hier huist de gewortelde burgerij: soevereiniteit, vrij denken en de harde waarheid durven zeggen staan centraal.”  Let op de woorden waarmee Lukkassen deze zuil, waarvan hij de ‘bedenker’ is, beschrijft: ‘realisme’, ‘gewortelde burgerij’ en de ‘harde waarheid zeggen’. Woorden waarmee hij ook iets zegt over degenen die er volgens hem niet bijhoren. Dat zijn namelijk ‘idealisten’ die  ‘zweven’ want ongeworteld en die terugschrikken voor de ‘waarheid’ of erger nog, die de waarheid niet kennen. Uit die zuil moet, helaas voor het volk, de nieuwe elite (al weer een) komen: “een generatie onafhankelijke denkers opstaan die met elkaar de degens kruisen en opnieuw in gesprek gaan over de grote thema’s.” Maar hoe onafhankelijk zijn die ‘denkers’ als ze moeten opereren binnen de ‘Zuil van Lukkassen’?

En jawel hoor, dat is de beschrijving van een andere zuil, de grote tegenpool, de: “De linksliberale Zuil: de centrale denkbeelden zijn hier utopistisch denken vanuit ‘one-worldism’ en cultuurrelativisme. Dit is de Zuil van de mainstream media en het partijkartel. Het uitgangspunt is dat de wereld toegroeit naar broederschap en eenheid. Waar er botsingen tussen culturen optreden worden deze botsingen gerelativeerd of uit het nieuws gecensureerd.”  Die zuil: “vernietigt de mogelijkheid van een democratie gebaseerd op een inhoudelijke uitwisseling van argumenten.” Een zuil waarbinnen men denkt; “vanuit het slachtofferschap van kwetsbare groepen. Die groepen hebben in hun beleving een gezamenlijk vijandbeeld: dit is de Westerse man als kolonisator en burgerlijke kapitalist. Als je die ‘harde waarheid’ zegt, dan lig je eruit: “Gebruik echter woorden als ‘dobbernegers’ of ‘islamisering’ en je ligt er direct uit.” Als dit naast: “De islam (DENK, Diyanet)” en “Het christendom (Biblebelt, Reformatorisch Dagblad)” de smaken zijn waaruit je kunt kiezen, dan lust ik geen enkele van die ‘maaltijden’.

Die Nieuwe Zuil is: “het best te begrijpen als een reddingsboot.” Een reddingsboot die: “qua economisch verkeer en sociale samenhang sterk genoeg is om op eigen benen te staan.” Probleem voor de Zuil van Lukkassen is dat de vertegenwoordigers van zijn ‘nieuwe zuil’ in niet aanbod komen: “Vandaag moeten we constateren dat er een brede flank is ontstaan van partijen en bewegingen die hoe dan ook worden uitgesloten van tastbare invloed. .… Zo vernietigt men de legitimiteit van verkiezingen en van de democratie.”Daarom adviseert Lukkassen om (…) lak te hebben aan het grote deugen en ook te praten over zaken als immigratie, integratie, islam en identiteit. Nu zal de ironische linksmens zeggen: “Het gaat al jaren nergens anders over”. Maar het probleem is juist dat de klasse die hierover spreekt onder de vierde Zuil valt, en dus is uitgesloten van de beleidsmachine. Die situatie zal veranderen –  als dit niet gaat met brieven en debatten, dan moet het maar vanaf de straat.” Nu is het winnen van verkiezingen in Nederland nooit een garantie geweest voor deelname aan een regering. De oude CPN, de Boerenpartij, de SP en ook GroenLinks zijn daar net als de FvD voorbeelden van. Dat wil echter niet zeggen dat degenen die niet tot de regering behoren geen macht hebben. Neem de omgang met vluchtelingen. Daar hoor je nu politici van VVD, CDA en PvdA huizen dingen zeggen en beleid steunen dat hun voorgangers zich doet omdraaien in hun graf. Dit allemaal onder invloed van de ‘Zuil van Lukkassen.

Want het duurt niet lang: “totdat de democratie totaal ontspoort en een totalitair karakter krijgt.” En: “Op dat moment moet de Nieuwe Zuil voldoende ‘hardheid’ bezitten, oftewel standvastigheid, om deze totalitaire besluiten naast zich neer te kunnen leggen en weerbare tegendruk te kunnen bieden.”  Wordt, en daarmee kom ik terug op het “Hobbesiaanse tijdsgewricht’ dat de Zuil van Lukkassen moet verwelkomen, de democratie totalitair of zou het kunnen dat Lukkassen moeite heeft met de uitkomst van het democratische debat? Zegt Lukkassen hier niet eigenlijk: ‘als we onze zin niet krijgen, dan beginnen we een burgeroorlog?’

‘Nee, niet wij, jullie zijn begonnen,’ werpt Lukkassen tegen: “Fortuyn en Theo van Gogh zijn uit de weg geruimd; Wilders leeft al jaren onder zware beveiliging en dat zijn we gaan aanvaarden als min of meer normaal. Zijn uitspraken over de islam krijgen meer politieke en morele veroordeling dan het feit dat die beveiliging überhaupt nodig is. Onder de dreiging van geweld is zijn cartoonwedstrijd wel afgelast. Cabaretiers maken geen grappen meer over Mohammed. Edwin Wagensveld werd opgepakt voor het dragen van een varkensmuts, hoewel daar geen wettelijk precedent voor bestaat. Schooldirecties dwingen leraren om zich te verontschuldigen voor het tonen van een spotprent van Charlie Hebdo, al dient de prent om discussie los te maken.” Een indrukwekkende opsomming van gebeurtenissen, maar wat is het verband ertussen? Is dit, zoals Lukkassen lijkt te suggereren, ‘bewust’ beleid van de ‘Links liberale zuil’? Een complot? En wat adviseert Lukkassen ons als je iemand tegenkomt die in complotten gelooft? (O)p dat moment verlaten we het gesprek en treden we toe tot de natuurtoestand. Dan is het conflict niet meer met woorden, maar wordt het conflict fysiek. In Oud-Nederlands: wie niet horen wil, moet maar voelen.” Een advies dat de Ballonnendoorprikker afraadt. Afraadt omdat hij niet in complotten gelooft maar ook een ander niet zijn recht omdat wel te doen, wil ontzeggen en geweld afwijst. Als deze mens immers gelukkig is met zijn ‘complot’ wie ben ik dan om dat geluk ‘af te nemen’. 

“Clarity is the ultimate sophistication,” aldus het motto van Lukkassen. “Ieder maakt zijn eigen regels en dus zijn er geen regels. Iedereen is soeverein over zijn eigen leven – alles is geoorloofd,” beschrijft hij terecht als kenmerken van een Hobbesiaanse tijdsgewricht’. De ‘clarity’, “Helderheid, duidelijkheid” die Lukkassen geeft is niet erg sophisticated, “subtiel, verfijnd of ver ontwikkeld” aldus de eerste vertaling van het woord sophisticated. Het komt gewoon neer op pakken wat je pakken kunt. Hoe “wereldwijs, ontwikkeld”, de tweede betekenis van het woord, is het complotdenken waarvan hij blijk geeft? Een ingewikkeld complot verpakt in ronkend en bombastisch taalgebruik. En laat nu “ingewikkeld” de derde betekenis van sophisticated zijn. Alleen ‘verkoopt’ dat in de Nederlandse vertaling wat minder: ‘helderheid is de ultieme ingewikkeldheid’.  


Beste dokter

Bij Opiniez is Jan Gajentaan in een fictief gesprek met zijn dokter. Op de vraag wat het probleem is, antwoordt Gajentaan: “Er vormen zich parallelle samenlevingen … Je hebt niet meer het gevoel dat we één geheel zijn. In de jaren zestig en zeventig gaven we af op de burgerlijke jaren vijftig, die ik overigens zelf niet heb meegemaakt. Maar als ik nu foto’s van de jaren vijftig zie, lijkt het of het een tijdperk was van harmonie en levensvreugde. De mensen hadden het niet breed, maar ze waren niet zo verdeeld en wantrouwend als nu.” Ach die heerlijke stabiele jaren vijftig waarin de mensen in harmonie en plezier leefden. Wie zou daar niet naar terug willen?

40993123261_f2b78fef1b_b

Foto: Flickr

Die jaren vol levensvreugde onder de donkere schaduw van ‘ de bom’. De bom die bijna viel door de Koreaanse oorlog, de onrust in Oost-Duitsland in 1953, De Suez-crisis in 1956 al viel die ‘gelukkig’ samen met de Hongaarse opstand zodat de ‘Russen’ daar hun handen vol aan hadden. De jaren van dekolonisatie-oorlogen in onder andere Vietnam en Algerije.

Die gezellige jaren vijftig waarin de mensen zo harmonieus met elkaar sportten, muziek maakten en boodschappen deden. Maar dan wel in ‘eigen kring’ om een term uit de leer van de gereformeerde politicus Abraham Kuyper te gebruiken. En die eigen kring was de eigen ‘godsdienst’. Zo gezellig dat zelfs de duiven apart moesten vliegen en er bijna de ‘sociale doodstraf’ stond op het kopen van een brood bij een bakker uit een ‘andere kring’. 

Die harmonieuze jaren waarin de Nederlandse bisschoppen een mandement (een herderlijk schrijven) uitbrachten waarin zij hun ‘schaapjes’ verboden om lid te zijn van alles wat ook maar naar socialisme riekte. Wie niet gehoorzaamde kwam niet meer in aanmerking voor de sacramenten en kon zijn plek in de hemel wel vergeten. 

Of zoals zoals Lijphart in zijn klassieke werk Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, concludeerde: “Om de stabiliteit van de Nederlandse democratie in de periode 1917-1967 te verklaren kunnen we geen beroep doen op een sterk nationaal saamhorigheidsgevoel,” 

De dokter van Gajentaan adviseert: “Meneer Gajentaan, graag drie maal daags deze kalmeringsmiddelen innemen. Ik voeg er een middel aan toe, dat er voor zorgt dat u de werkelijkheid wat vrolijker bekijkt dan zoals deze eigenlijk is. De publieke omroep kunt u beter een tijdje vermijden, net als Twitter. Dan komt u de komende maanden wel door. Komt u daarna gerust weer eens langs!”. 

‘Uit uw blik begrijp ik dat u ook iets wilt zeggen meneer de Ballonnendoorprikker, is dat zo,’ vraagt de dokter. ‘Wel dokter, als ik meneer Gajentaan zo aanhoor, dan zou ik hem willen adviseren zich eens meer te verdiepen in het verleden. Wat verder te kijken dan de foto’s. Misschien dat hij het heden dan wat beter in perspectief kan plaatsen.’

De puinhopen van rechts

Identiteitspolitiek, een onderwerp waarover ik geregeld schrijf. Ook vandaag weer, nu is een gesprek  tussen Sid Lukkassen en de Belgische Manel Mselmi bij ThePostOnline de aanleiding. Volgens beiden is ‘identiteitspolitiek’ iets van ‘links’ en is het gedoemd te mislukken. Dat ‘identiteitspolitiek’ gedoemd is te mislukken, heb ik al eerder betoogd. De nadruk wordt immers gelegd op het verschil tussen mensen. Dat het alleen ‘links’ is die een dergelijke politiek bedrijft, dat waag ik toch zeer te betwijfelen.

vuilnis

Foto: Flickr

Nu krijgt ‘links’ al jaren de schuld van alles rondom migranten, terwijl de geschiedenis iets heel anders laat zien. Die laat namelijk zien dat ‘links’ het in Nederland nooit voor het zeggen had. Het CDA en haar voorlopers en/of de VVD maakten gedurende de gehele na-oorlogse tot en met het heden, deel uit van de regering. Die laat zien dat de migratiepolitiek vanaf de jaren zestig zo ongeveer Kamerbreed werd gesteund. Die laat zien dat zowel links, midden als rechts de vaders zijn van het zogenaamde ‘multiculturele drama’, als er al sprake is van een ‘drama’.

De geschiedenis laat ook zien dat in eigen groep verkeren en eigen politieke partijen oprichten een heel Nederlandse traditie is die ‘verzuiling’ wordt genoemd. Want die joods-christelijke traditie die wordt geroemd, vocht zich jaren lang de tent uit en leidde eind negentiende eeuw de verzuiling in, de gepacificeerde voortzetting van de religieuze strijd. Verzuiling die zover ging dat voetballen per religie moest en zelfs de duiven vlogen gescheiden. Zou een ‘hervormde’ duif die met steun van de here Jesus vloog trouwens beter vliegen dan een katholieke met ‘godszegen’?  Die verzuiling zet zich ook nu nog voort alleen worden de zuilen steeds kleiner omdat iedereen zijn eigen ‘identitaire’ zuil wil. Bij Opiniez betoogt Jan Gajentaan dat er maar een nieuwe zuil moet komen van de ‘stille meerderheid’.

Die ‘stille meerderheid’, wie dat ook moge zijn en het is twijfelachtig of het wel een ‘meerderheid’ is, bestaat uit ‘echte’ Nederlanders. Zo interpreteer ik het betoog van Gajentaan. En daarmee zijn we meteen aanbeland bij de ‘rechtse’ bijdrage aan de ‘identiteitspolitiek’. Een bijdrage die van nieuwkomers ‘integratie’ verwacht in die Nederlandse identiteit waarover ik eergisteren schreef. Alleen is die ‘integratie’ of ‘inburgering’ nooit ‘af’. Er is altijd wel een reden waarom iemand er niet bijhoort en een zoveelste generatie Turk, Marokkaan of welk land dan ook is. Zou dit niet ook hebben kunnen bijdragen aan het in eigen schulp kruipen van migranten?

Een kleine twintig jaar geleden concludeerde Pim Fortuyn dat paars er een puinhoop van had gemaakt. Vanaf 2002 heeft rechts dit aangegrepen om een ‘streng inburgeringsbeleid’ te voeren. Is de tijd nu rijp om te concluderen dat het ‘inburgeringsbeleid’ van rechts, tot een puinhoop leidt?