Drugs en Pandora’s doos

Deze week probeerde D66 de discussie over de legalisering van drugs nieuw leven in te blazen. In de Volkskrant een interview met drugsonderzoeker Jon Caulkins. Volgens Caulkins is het niet eerlijk: “om alleen de nadelen van huidig beleid te vergelijken met de gehoopte voordelen van ander beleid.” Caulkins heeft een punt dat voor een eerlijke afweging alle voor-, en nadelen tegen elkaar moeten worden afgewogen. Maar hoe ‘eerlijk’ is hij zelf?

Bij legalisering van drugs wordt volgens Caulkins een doos van Pandora gesloten, de doos van de drugscriminaliteit en de ellende die hierdoor wordt veroorzaakt. Maar er wordt een andere doos van Pandora geopend: “legaliseren (leidt) tot minder geweld, maar meer verslaafden. … meer mensen kruipen bijvoorbeeld doorgesnoven achter het stuur of slaan hun geliefde in elkaar.” En als legalisering tot meer verslaafden leidt? Dan: “is legalisering na invoering nauwelijks terug te draaien.” Als dat je wel lukt dan is handhaving: “een grotere nachtmerrie (…) dan ooit: de drugsmaffia maakt weer de dienst uit, maar nu met een veel grotere clientèle.” Caulkins zal, als drugsonderzoeker, weten dat zijn tweede doos van Pandora al lang geopend is. Ondanks het illegale karakter ervan worden drugs ook nu gebruikt. Ook nu al treft de politie bij controles ‘doorgesnoven’ mensen achter het stuur aan. 

Volgens Caulkins is: “Sinister aan legalisering (…) dat het leeuwendeel van de consumptiegroei zou komen door probleemgebruikers. …Een pleidooi voor coke-legalisering zou vooral steunen op matige ‘snuifduiven’, maar zij zijn slechts dekmantels voor de veel profijtelijkere probleemgebruikers. Een legale drugsindustrie zou een grote financiële prikkel hebben om mensen verslaafd te maken en te houden.” Dat grote deel van die potentiële probleemgebruikers, is waarschijnlijk ook nu al probleemgebruiker en dus ook nu al de grote afnemer van drugs. 

Dan de prikkel om mensen te laten gebruiken en liefst zoveel mogelijk. Als we kijken naar de tabaksindustrie dan zien we inderdaad een prikkel om mensen verslaafd te houden. Iets waar ook reclame voor alcohol en tabak een flinke steen aan bijdragen. Alleen doet Caulkins het voorkomen alsof die prikkel er nu niet is. Inderdaad is er geen tv-reclame voor bijvoorbeeld cocaïne of xtc. Dat wil niet zeggen dat de illegale industrie mensen niet probeert te prikkelen tot gebruik.

Nu we het toch over prikkelen tot gebruik hebben. De ervaringen met tabak en alcohol laten zien dat de mens ook te sturen is in het niet gebruiken van genotsmiddelen. Te sturen via voorlichting aan de ene, en accijnzen aan de andere kant. Zo herinner ik me als ‘blaag’ van een jaar of tien de verjaardagen van mijn ouders. Sigaretten en sigaren werden op tafel gezet voordat het bezoek kwam. Vervolgens kwamen de ‘ooms en tantes’ met hun kinderen. Wij gingen met die kinderen buiten verstoppertje spelen of blokjesvoetballen. Als we na een uurtje dorst hadden liepen we de kamer in en dan zagen we in het bovenste deel van die kamer een wolk van rook. Een wolk die naarmate het feest vorderde steeds dichter bij de vloer kwam. Tegenwoordig staan er geen rookwaren meer op tafel. Sterker nog, er rookt niemand meer. Met alcohol gaat het ook die kant op. Tegenwoordig slaat zelfs 007 (Daniel Craig) in een reclame van een groot bierconcern zijn martini af voor 0,0 met de woorden ‘ik ben aan het werk’. 

Om in Caulkins ‘dozen van Pandora’ metafoor te blijven. Beide dozen zijn geopend. Legalisering sluit de ‘criminaliteitsdoos’. Als we kijken naar de ‘gebruikersgewelds- en verslavingsrisico’s doos’,  dan biedt legalisering mogelijkheden om juist die doos beheersbaar te krijgen en te houden.

Verslaafd en borderline

Een van de opdrachten bij de Jeugdwet die per 1 januari 2015 van kracht werd, is zoveel mogelijk proberen te normaliseren. In plaats van de jeugdige uit zijn omgeving te lichten en hem te ‘behandelen’, moet gekeken worden hoe de jeugdige met zijn omgeving kan omgaan én de omgeving met de jeugdige. Of zoals in de memorie van toelichting beschreven staat:”Aan dit wetsvoorstel ligt de visie op de pedagogische civil society ten grondslag waarin ieder kind een veilige omgeving om zich heen heeft, waarin de school, de naschoolse opvang, de sportclub en de buurt een belangrijke rol spelen. Investeren in een positieve opvoeding, talentontwikkeling, een succesvolle schoolloopbaan en doorstroom naar werk ligt aan de basis van welbevinden, economische zelfstandigheid en democratisch burgerschap. Algemene jeugdvoorzieningen zoals de kinderopvang, de jeugdgezondheidszorg, scholen, sportclubs, buurthuizen, jongerenwerk en vrijwillige inzet dragen bij aan een positief opgroei- en opvoedklimaat.” De wetgever wil dat de samenleving problemen met jeugdigen zoveel mogelijk oplost. Dat is een nobel streven en daar kan niemand iets op tegen hebben. In ’t Schaep met de 5 pooten werd immers al gezongen: “We benne op de wereld om mekaar om mekaar om mekaar om mekaar te helpen, nietwaar?”

DSM V

Wat als de Belg, Dirk de Wachter, gelijk heeft? Hij vergelijkt in zijn boek ‘Borderlinetimes. Het einde van de Normaliteit’ onze samenleving met de stoornis Borderline: “BPS of Borderline Personality Disorder is ‘een diepgaand patroon van instabiliteit en intermenslijke relatie, zelfbeeld en affecten en van duidelijke impulsiviteit, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties… .” Hoe normaal is de samenleving?

De bijbel voor psychische of psychosociale stoornissen de DSM V bevat naast borderline ook verslaving als stoornis. Iemand is verslaafd als hij drie of meer van de volgende zeven kenmerken vertoont binnen twaalf maanden:

  1. Tolerantie treedt op, dat wil zeggen dat er steeds meer van het verslavende middel nodig is om het gewenste effect te bereiken of dat steeds minder effect optreedt bij het gebruik van eenzelfde hoeveelheid van het verslavende middel;
  2. Er treden ontwenningsverschijnselen op, specifiek voor dat middel, of er worden gelijksoortige middelen genomen om de ontwenningsverschijnselen het hoofd te bieden;
  3. Het middel wordt in steeds grotere hoeveelheden genomen, over een langere tijd dan eigenlijk de bedoeling was;
  4. Er is de drang om te stoppen met het middel, verschillende (mislukte) pogingen zijn ondernomen om te stoppen, te minderen;
  5. Veel tijd wordt gestoken in het verkrijgen van het middel en/of het gebruiken van het middel;
  6. Belangrijke sociale activiteiten, werk en/of vrijetijdsbesteding worden opgegeven of verminderd voor het middelengebruik;
  7. Ook al weet de persoon dat het middel dat wordt genomen zorgt voor fysieke of psychologische aandoeningen of verslechtering daarvan, hij of zij blijft doorgaan met het gebruik ervan.

De DSM V is er om een individu te beoordelen, maar wat als de samenleving langs deze kenmerken wordt gelegd. Economische groei is de norm en die groei moet het liefst stevig en robuust zijn. Als de groei een half procent is dan noemen we het zwakke groei en we vergelijken ons altijd met landen die een hogere groei hebben. Die doen het beter. Met een beetje fantasie kun je beweren dat onze samenleving aan het eerste criterium voldoet.

Als de economie krimpt, dan ontstaat paniek en slaat de stress toe. Ook het tweede kenmerk, de ontwenningsverschijnselen, lijkt van toepassing.

Hoe hoger de groei, hoe beter het wordt beoordeeld. Groei wordt beoordeeld in vergelijking met andere landen en andere perioden. Het streven is daarbij om het beter te doen. Ik ben geen psycholoog en kan daarom niet goed beoordelen of daarmee wordt voldaan aan het derde kenmerk.

Het vierde kenmerk is slechts bij een klein deel van de samenleving te herkennen en nog zeker niet doorgedrongen tot politici en bestuurders. De samenleving zit nog in de ontkenningsfase: nee, wij zijn niet verslaafd. Economische groei staat centraal in politiek en beleid. In  verkiezingstijd komt dit bijvoorbeeld tot uiting en gaat het debat vooral over een paar tienden meer of minder economische groei bij het uitvoeren van de maatregelen uit de verkiezingsprogramma’s. Hierbij vervult het Centraal Plan Bureau de rol van ‘onafhankelijk scheidsrechter’. Alsof de modellen die hierbij worden gebruikt vrij van waarden en interpretaties zijn. Dus ja, veel tijd wordt gestoken in het verkrijgen van economische groei en daarmee aan het vijfde kenmerk.

Als het daarbij tegenzit, dan moet er worden bezuinigd en dat gebeurt vooral op zaken waarvan het economische rendement lastig tot niet te berekenen is, zaken zoals cultuur, sport en natuurbeheer. Zaken die wel belangrijk zijn voor het functioneren van een samenleving (zesde kenmerk).

Ook is bij een groot deel van de samenleving inmiddels het besef doorgedrongen dat we, het voor ons overleven zo belangrijke milieu, schoon water, schone lucht, schone bodem, de vernieling in helpen als het zo door gaat. Dat de grondstoffenvoorraad zo snel wordt uitgeput dat het leven van onze kinderen en kleinkinderen in gevaar komt. Het besef is er maar het wordt nog steeds verdoofd door het geloof in het technisch vernuft, de technologische ontwikkeling zal de reddende engel zijn en voor alle problemen oplossingen vinden.

Kan de conclusie worden getrokken dat onze samenleving niet alleen aan borderline lijdt, maar ook nog verslaafd is? Zouden de problemen met de jeugdigen voor een deel niet een gevolg kunnen zijn van deze ‘ziekte’ van de samenleving?