Uitgelicht

Election files 5: demonstratierecht

“Want ja: er is een demonstratierecht. Maar er is géén recht op chaos, overlast en misbruik van politiecapaciteit. Het is tijd dat het gezag weer gezag wordt.” Met die woorden sluit een artikel van Mark Jongeneel bij De Dagelijkse Standaard. Jongeneel schrijft zijn artikel naar aanleiding van een berichtje van PVV-Kamerlid Peter van Haasen. Die stelde: “Er is een demonstratierecht, maar er is ook legitimiteit voor de onderuitputting van de politie waardoor belangrijke zaken blijven liggen.” Een bijzonder artikel naar aanleiding van een bijzonder bericht, Genoeg aanleiding voor deel vijf in de reeks Election Files waarin de vrijheid van meningsuiting en in het verlengde ervan het recht op demonstratie centraal staan.

Een bijzonder artikel naar aanleiding van een bijzonder bericht. Het eerste bijzondere aan het bericht van Kamerlid Van Haasen is het kromme Nederlands dan hij gebruikt. Dat is zorgwekkend maar daar gaat het mij nu niet om. Volgens Jongeneel is: “Het demonstratierecht (…) heilig in een democratische rechtsstaat. Maar wat links Nederland er inmiddels van gemaakt heeft, is een vrijbrief voor blokkades, intimidatie, bezettingen en structureel politie-inzet misbruik.” Hier begint het bijzondere. Jongeneel wijst een schuldige en dat is links Nederland: “Elke keer opnieuw moeten agenten in Den Haag opdraven omdat radicale klimaatactivisten of anti-Israël-betogers weer een kruispunt, gebouw of doorgaande weg bezetten.” Ik vraag me af of iemand die tegen het optreden van Israël in Gaza of de manier waarop de Nederlandse regering hierin acteert, demonstreert of iedereen die zich inzet voor het klimaat automatisch links is.

Met de voorbeelden die Jongeneel noemt en dit ‘links’ noemen vergeet hij dat er andere voorbeelden zijn van demonstreren waar agenten bij moeten opdraven. Zo kan ik me boeren herinneren die wekenlang snelwegen en kruispunten bezetten en rommel zoals hooi, mest, autobanden en asbest op wegen deponeerden en dat soms ook nog in brand staken. Die distributiecentra van supermarkten blokkeerden. Ook kan ik me demonstranten tegen de komst van asielzoekerscentra herinneren die varkenskoppen en -poten ophingen, met vuurwerk gooiden, gemeentehuizen min of meer bestormden en raadsleden lastigvielen. Ik kan me ‘woedende Katwijkers herinneren die demonstranten belaagden. Ik kan me zwarte-piet-activisten herinneren die een snelweg blokkeerden en zwarte-piet-activisten belaagden. Jongeneel noemt deze voorbeelden niet terwijl die ook: “structureel verstoringsgedrag van (…) beroepsactivisten (is), vaak professioneel georganiseerd en gericht op maximale ontwrichting. Niet het gesprek zoeken, maar de boel lamleggen.” In dit citaat van Jongeneel stond voor het woord beroepsactivisten het woord ‘links’. Ook bij deze activiteiten keek: “de politie machteloos toe, omdat de capaciteit volledig wordt leeggetrokken door dit soort acties. Wijkagenten? Tekort. Aangiften? Stapelen zich op. Veiligheid in de buurt? Onder druk.” Of: “Het (…) onverantwoord beleid (is) dat dit toestaat,” zoals Jongeneel betoogt, daar ga ik in deze Prikker dieper op in.

Dat dieper ingaan begint met een laatste opmerking over het gebruik van ‘links’ en het selectieve benoemen van voorbeelden door Jongeneel. Jongeneel heeft een ander wereldbeeld dan de demonstranten en actievoerders waar hij zich tegen verzet. Dat mag. Dat wereldbeeld mag hij uiten in woord en schrift maar ook in een demonstratie. Dus als hij pleit voor: “Verwijderen. Beboeten. Vervolgen. Zoals het hoort in een rechtsstaat waarin de wet geldt voor iedereen – óók voor wie denkt boven de samenleving te staan omdat hij een protestbord vasthoudt,” dan geldt dat ook voor hem. Dan kan het niet zo zijn dat de ene groep wel op straat mag demonstreren en de andere groep niet. Dan moeten niet alleen de milieuactivisten worden verwijderd, beboet en vervolgd, maar ook de boeren en demonstranten tegen een AZC. De overheid mag dit niet bij de ene groep wel doen en bij de andere niet puur omdat het ene in het straatje van de overheid past en het andere niet. Dat is in strijd met het eerste artikel van onze Grondwet. Dat stelt dat: “Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld,” en dat: “Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, (…)niet (is) toegestaan.”

Met onze Grondwet komen we ook meteen bij de basis van het recht op demonstreren en dat is de in artikel 7 van de Grondwet opgenomen vrijheid van meningsuiting. Dat artikel stelt dat niemand voorafgaand: “verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.” Van dit recht maakte de ‘rote Fahne’ gebruik. Hoe de man werkelijk heette wist bijna niemand, maar zo ongeveer iedereen wist in Venlo in de jaren tachtig over wie je het had als je ‘rote Fahne’ noemde. Een man die in de Venlose winkelstraten vol passie reclame stond te maken voor het communisme en daarbij de Duitse communistische krant Die Rote Fahne aanprees. Als een goed marketeer wist hij dat een groot deel van het winkelend publiek in Venlo in die tijd bestond uit Duitse fabrieksarbeiders. Ook Arnol Kox, de Eindhovense straatprediker maakte van dit recht gebruik. De wet geeft ons allemaal het recht om in de openbare ruimte onze mening te uiten. Daarvoor is geen toestemming, of zoals de Grondwet het zegt voorafgaand verlof, van wie dan ook nodig.

Deze vrije meningsuiting is de basis onder het demonstratierecht. Een demonstratie is niets meer en niets minder dan een van de manieren om een mening te uiten, een manier waarbij mensen in groepsverband hun mening kenbaar maken. Een bijzondere manier die ook in onze Grondwet is opgenomen in artikel 9: “Het recht tot vergadering en betoging wordt erkend.” Juist vanwege het groepsverband is dit aparte artikel opgenomen. Want grote groepen die hun mening uiten zijn van een andere orde en dynamiek dan een individu zoals ‘ rote Fahne’. Vanwege die mogelijke dynamiek is het tweede lid van artikel 9 opgenomen: “De wet kan regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.”

Een demonstratie vindt plaats in de publieke of openbare ruimte. De ruimte waar mensen elkaar ontmoeten en met elkaar omgaan. De ruimte waar ik wil demonstreren, jij naar je grootmoeder wilt reizen en weer iemand anders zijn geld probeert te verdienen met een foodtruck of krantenkiosk. Daarom moeten demonstratie van tevoren worden aangemeld. Daarom kan de overheid regels stellen. Maar dan alleen maar ter bescherming van de volksgezondheid, het belang van het verkeer en het bestrijden en voorkomen van wanordelijkheden. Dus niet omdat de inhoud van de demonstratie niet bevalt. Basisuitgangspunt hierbij is dat de demonstratie doorgaat.

Drie redenen om regels te stellen en regels te stellen om de openbare orde te waarborgen. Verbieden is daarbij de meest vergaande vorm van regels stellen. Uitgangspunt hierbij is dat demonstreren geen verstoring van de openbare orde is. Het uiten van een mening is immers bij uitstek onderdeel van een democratische openbare orde. Een cruciaal onderdeel. Een afspraak kan zijn dat een stuk van een snelweg bezet mag worden gedurende een bepaalde periode. Op die manier krijgen de actievoerders de gelegenheid hun punt te maken. Blijven ze daarna de weg nog bezetten, dan kan en moet de politie optreden want dan verstoort dezelfde demonstratie wel de openbare orde. Een demonstratie kan verboden worden als de kans groot en reëel is dat een demonstratie tot wanordelijkheden leidt, de derde reden voor het stellen van regels aan een demonstratie. Daar moet de overheid echter zeer terughoudend mee omgaan want de rechten van burgers worden erdoor aangetast.

“Legitimiteit voor de onderuitputting van de politie,” is daarbij geen onderdeel dat in de afweging een rol speelt. Of in beter Nederlands want dat van Van Haasen is gebrekkig: het beschikbaar hebben van voldoende politieagenten is geen argument om een demonstratie te verbieden. Van “misbruik van politiecapaciteit” is al helemaal geen sprake. Een groep die wil demonstreren vraagt niet om politiecapaciteit. Die vraagt om te demonstreren op een bepaalde plek op een bepaald tijdstip. Dat het bevoegd gezag, de burgemeester, de politie inzet om de demonstratie te begeleiden, is een keuze van de burgemeester. Niet van de mensen die willen demonstreren. Burgemeesters kunnen ook een andere afweging maken dan het inzetten van politie.

Even een klein intermezzo ter inleiding op het vervolg. Ik schrijf deze Prikker op het moment dat in Nederland het hitteplan in werking is getreden en voor de zuidelijke provincies code oranje is afgekondigd. In de weken hiervoor was het al enkele keren zeer warm wat leidde tot het aflassen en inkorten van bijvoorbeeld hardloopwedstrijden. Bij festivals worden extra waterpunten en plekken waar je je met zonnecrème factor 50 kunt insmeren, ingericht en als het regent krijgt iedereen gratis een plastic poncho. Dit allemaal om te voorkomen dat er mensen sterven van de hitte. Begin jaren tachtig bezocht ik op tweede pinksterdag enkele jaren achtereen het Burgemeester Damen sportpark om Pinkpop te bezoeken. Jan Smeets en zijn club waren verantwoordelijk voor de bands, de podia en de kraampjes met t-shirts en eten en drinken. Zelf was je verantwoordelijk voor de zonnecrème, een stuk landbouwplastic om op te zitten of je tegen de regen te beschermen en voor een parasol of iets anders wat voor schaduw kon zorgen. Van een hitteplan en code oranje hadden we nog nooit gehoord. Het kwam niet bij ons op om Smeets aansprakelijk te stellen voor een eventueel verbrande rug of door de regen vernield kapsel. In de ruim veertig jaar is er veel veranderd. En daarmee ben ik waar ik wil zijn.

In zijn boek De onvoltooide rechtsstaat laat Ybo Buruma, aldus de tekst op de achterkant van het boek: “ zien hoe de Nederlandse rechtsstaat vanaf de negentiende eeuw geleidelijk aan is ontstaan en zich steeds aanpast aan veranderende omstandigheden en opvattingen.” Hij beschrijft hierin zes periodes en doet dit aan de hand van een kinderboek dat voor hem de tijdgeest van die periode weergeeft. De periode van 1995 tot en met 2025 noemt hij de risicosamenleving. Die kenmerkt zich doordat er: “aandacht wordt gevraagd voor het lot van slachtoffers en waarin zowel van de overheid als van burgers wordt verlangd dat zij verantwoordelijkheid nemen om slachtofferschap te voorkomen.1” Een samenleving die erop is gericht om risico’s zoveel mogelijk te voorkomen en waarbij toch vooral naar de overheid wordt gekeken.

Een samenleving van risico inventarisaties en evaluaties, met rampen- en calamiteitenplannen die de opvolgers van Jan Smeets allemaal moeten hebben. En niet alleen concertorganisatoren, ook organisatoren van sportwedstrijden. En niet alleen zij maken dergelijke plannen, dat doet ook de gemeente waar de activiteit plaats heeft. Op basis daarvan wordt bekeken wat er nodig is om het evenement met een zo klein mogelijke kans op een calamiteit te laten plaatsvinden. Bij dat wat er nodig is hoort ook de inzet van politie. Dit is ook de manier waarmee naar demonstraties wordt gekeken.

Al die maatregelen hebben positieve effecten. Het aantal calamiteiten is zeer beperkt. Ze hebben ook negatieve effecten. Zo leiden al die maatregelen tot hogere kosten voor de organisatoren en dus ook hogere toegangsprijzen. Zo kon ik voor fl. 35 (net geen € 16) een dag naar Pinkpop. Dit jaar kostte een dagkaart € 155,=. Nu zal dat voor een deel ook het gevolg zijn van de gages van de bands. Het leidt ook tot een groot beslag op de politiecapaciteit. Politiecapaciteit die niet ingezet kan worden om criminaliteit te bestrijden.

Hier kunnen andere keuzes worden gemaakt. We kunnen met z’n allen meer risico accepteren. We kunnen, net zoals vroeger, meer uitgaan van de eigen verantwoordelijkheid van mensen. Ervaringen opgedaan tijdens het profvoetbalseizoen 2024-2025 laten zien dat dit best mogelijk is. Verschillende wedstrijden verliepen zonder noemenswaardige problemen ondanks dat er door een politiestaking geen agenten waren om deze wedstrijden te begeleiden.

Voor wat betreft demonstraties is dat een te rechtvaardigen keuze. Te rechtvaardigen door demonstraties te zien als wat ze zijn: meningsuitingen in groepsvorm behorende bij de openbare democratische orde. Dat accepteren kent twee kanten. Aan de ene kant moet de rest van de samenleving accepteren dat een groep demonstreert om de mening te uiten en aan de andere kant moeten de demonstranten de eventuele regels die een burgemeester stelt, accepteren. De ene kant moet accepteren dat een snelweg gedurende bijvoorbeeld 2 uur is bezet door actievoerders. Een goed functionerende democratische orde is ook in hun belang en weegt zwaarder dan een iets langere reistijd. De andere kant, de actievoerders, moeten accepteren dat ze na bijvoorbeeld twee uur weer moeten verdwijnen met al hun meegebrachte spullen. Als gezegd, politiecapaciteit is geen reden om regels op te leggen aan demonstraties laat staan deze te verbieden. Die moeten doorgaan want ze vormen een belangrijk onderdeel van onze democratie. Feyenoord-AJAX is dat niet.

Het beperken van het recht op demonstratie, waar Jongeneel, Van Haasen en andere politici voor pleiten, is een weg die we hierbij niet op moeten gaan. Degenen die voor beperking ervan pleiten moeten zich goed realiseren dat er een moment kan komen dat de rollen omgedraaid zijn. Dat een overheid die er iets anders tegenaan kijkt, hun demonstratie verbiedt. Het gezag waar Jongeneel nu om vraagt kan zich ook tegen hem keren.

1 Ybo Buruma, De onvoltooide rechtsstaat. Tijdgeest en recht 1813-2025, pagina 17

(On)gezond verstand

“Laat Baudet de leiding nemen in een openbaar debat over dit onderwerp, waarbij emotie niet mag overheersen. Laten we praten over cijfers, feiten en resultaten. Laten we ophouden met het creëren van slachtoffers waar er geen zijn. Veiligheid is geen vraagstuk van links of rechts, maar van realisme. En realisme is wat Nederland nodig heeft. Laat het gezond verstand zegevieren!” Zo eindigt een artikel van Mark Jongeneel bij de Dagelijkse Standaard. Ik heb grote twijfels of met het realisme van Baudet, zoals Jongeneel het noemt, het gezonde verstand zegeviert.

Volgens Baudet, zo lees ik wordt: “ het begrip “etnisch profileren” vaak misbruikt (…) om elke vorm van selectief handelen door de politie te demoniseren.” Maar: “Als je kijkt naar de statistieken dan blijkt dat bepaalde groepen vaker betrokken zijn bij criminaliteit.”   Dat is, zo betoogt Jongeneel een feit en geen mening. En tot zover klopt het. Bepaalde groepen zijn oververtegenwoordigd in bepaalde vormen van criminaliteit. Zo zijn belastingontduikers vaak miljonairs. Als de politie op basis van statistieken handelt dan is dat: “niets meer of minder dan het toepassen van wiskunde op veiligheidsbeleid.” Dat maakt het logisch, aldus Baudet en in zijn verlengde Jongeneel, om: “Als algoritmes laten zien dat personen met bepaalde kenmerken (zoals leeftijd, locatie of criminele voorgeschiedenis) vaker betrokken zijn bij strafbare feiten, dan is het logisch dat de politie zich daarop richt.” Want, zo gaat Jongeneel verder: “We kunnen ons niet veroorloven om sentimentele ideeën over gelijkheid boven praktische oplossingen te plaatsen. Als we willen dat iedereen veilig is, moeten we accepteren dat sommige maatregelen ongemakkelijk voelen. Maar dat betekent niet dat ze oneerlijk zijn.”  En: “Critici beweren dat dit soort methodes leidt tot discriminatie en een zelfversterkende cyclus van marginalisering,” die verkondigen onzin want: “Discriminatie is wanneer je mensen behandelt op basis van wie ze zijn, niet op basis van wat ze hebben gedaan of waarschijnlijk zullen doen.” Dit is dus, zo betoogt Jongeneel gezond verstand. Maar dan toch even.

Critici die zeggen dat op deze manier handelen zelfbevestigend is, praten geen onzin. Als je om, Baudets eufemisme te gebruiken, statistisch profileert en alle miljonairs op belastingfraude gaat onderzoeken, dan zul je veel frauderende miljonairs vinden en daardoor zal uit de statistieken blijken dat het percentage frauderende miljonairs nog toeneemt. Dat is nog niet eens het meest kromme aan Jongeneels en Baudets betoog.

Discriminatie is wanneer je mensen behandelt op basis van wie ze zijn, niet van wat ze hebben gedaan, schrijft Jongeneel terecht en hij volgt Baudet daarin. Vervolgens pleit hij ervoor om mensen te behandelen op basis van bepaalde kenmerken zoals leeftijd, locatie en wat ze zijn en niet van wat ze hebben gedaan. De gegevens uit een bepaald bestand zeggen namelijk niets over de daden van de persoon die wordt aangehouden. Ze zeggen iets over een verzameling eerder aangehouden personen. Als een agent iemand staande houdt op basis van wat Baudet ‘statistisch profileren noemt, gebeurt die aanhouding dan op basis van wat die persoon heeft gedaan? Nee, die persoon wordt niet aangehouden op basis van wat hij of zij heeft gedaan, maar op basis van wie hij of zij is. Jongeneel en Baudet zeggen daarmee in feite dat iedere miljonair een belastingontduiker is. Ze verklaren de daden van een deel van de miljonairs, van toepassing op alle miljonairs.

Dit is veel meer dan ‘ongemakkelijk. Dat kun je eufemistisch ‘statistisch profileren noemen, het is discriminatie van mensen op oneigenlijke gronden en daarmee etnisch profileren. Als de ervaringen uit het verleden ons iets leren, dan is het dat een dergelijke aanpak er niet toe leidt dat ‘iedereen veilig is’.

By your command

Volgens Mark Jongeneel  heeft het missionaire kabinet:  “lak (…) aan de fundamenten van onze parlementaire democratie.”  Aldus een artikel van zijn hand bij De Dagelijkse Standaard. Dat is nogal een beschuldiging. Een erg zware beschuldiging. En dit allemaal omdat Minister Weerwind van rechtsbescherming  weigert de door de NSC en SGP ingediende motie om het wetsvoorstel dat de administratieve geslachtswijziging voor een trans gender persoon makkelijker moet maken, in te trekken. Weerwind ziet het anders. In een tweet laat hij weten: “Ik weiger de motie uit te voeren, omdat het een zorgvuldig wetgevingsproces torpedeert en het de kans ontneemt om over deze belangrijke wet de dialoog met de Kamer te voeren.” ‘Zorgvuldig proces’ klinkt heel anders dan ‘lak aan de fundamenten van de parlementaire democratie’. Allebei kan niet dus moet er iemand naast zitten maar wie?

 Jongeneel: “In een schrijnend voorbeeld van deze trend weigert minister van Rechtsbescherming, D66’er Franc Weerwind, een motie van de Tweede Kamer uit te voeren – een motie die duidelijk het sentiment van de Nederlandse bevolking vertegenwoordigt.” In een tweet verwoordt Pepijn van Houwelingen van het tijdelijk Kamerlid voor Forum voor Democratie het op een iets andere manier: “Waar haalt zo’n minister (‘minister’ betekent nota bene ‘dienaar’) het lef vandaan om een motie van de Tweede Kamer, dat wil zeggen een bevel van het orgaan dat de taak en plicht heeft de soeverein van dit land, DE NEDERLANDSE BEVOLKING, te vertegenwoordigen, niet uit te voeren?”  Toen ik die tweet las moest ik denken aan de serie Battlestar Galactica en de Cylons die erin een rol speelden. Van Houwelingen ziet een minister als een Cylon die alleen maar ‘by your command’ zegt en doet wat hem is opgedragen.

Nee, ik ga niet vallen over het denigrerende ‘zo’n minister. Het gaat mij erom of de regering bij monde van minister Weerwind iets doet wat getuigt van het hebben van lak aan de fundamenten van onze parlementaire democratie. Daarvoor naar de Nederlandse Grondwet en in het bijzonder artikel 82. Dit artikel regelt in het eerste lid wie er voorstellen van wet mag indienen: “Voorstellen van wet kunnen worden ingediend door of vanwege de Koning en door de Tweede Kamer der Staten-Generaal.”  De formulering, ‘door en vanwege de koning’ is een omslachtige omschrijving van het kabinet. “De regering wordt gevormd door de Koning en de ministers” zo bepaalt artikel 42 eerste lid van de Nederlandse Grondwet. En op grond van het tweede lid (“De Koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk”) is het kabinet (de regering minus de koning) het orgaan dat ‘vanwege de koning’ voorstellen van wet kan en mag indienen. Hieruit mogen we concluderen dat het kabinet via minister Weerwind volgens de ‘fundamenten van onze parlementaire democratie, het recht heeft om een wetsvoorstel in te dienen.

‘Maar die motie dan? Die is tocht door onze democratisch gekozen volksvertegenwoordiging aangenomen?’ Dat is inderdaad het geval, de vertegenwoordiging van het Nederlandse volk, de Tweede Kamer, heeft die motie aangenomen. Of die motie, zoals Jongeneel beweert, het sentiment van de Nederlandse bevolking’ vertegenwoordigt, is iets van een heel andere orde. Dus Van Houwelingen heeft een punt dat de minister, in zijn rol als dienaar, de motie moet uitvoeren? Nee, Van Houwelingen heeft geen punt. Het staat kabinet of een bewindspersoon is niet verplicht een aangenomen motie uit te voeren. Het is vervolgens aan de Kamer om daaraan een conclusie te verbinden. Als er zwaar aan wordt getold dan kan de Kamer een motie van afkeuring of zelfs van wantrouwen aannemen tegen de betreffende minister of het gehele kabinet. In het laatste geval valt het kabinet. In het eerste geval, als het tegen een minister is gericht dan zijn er twee mogelijkheden. De eerste mogelijkheid is dat de minister ontslag neemt. De tweede mogelijkheid is dat de regering als geheel er zo zwaar aan tilt dat ze als geheel haar ontslag indient. Zo’n motie ontneemt het kabinet Met of zonder een motie, het kabinet kan gewoon wetsvoorstellen indienen  zonder daar vooraf instemming voor te vragen aan de Tweede Kamer.

Een door het kabinet ingediend wetsvoorstel moet vervolgens volgens de regels van onze parlementaire democratie door de Tweede Kamer worden behandeld. Dat is de dialoog met de Kamer waarover Weerwind spreekt. En, aldus artikel 84 eerste lid van de Nederlandse Grondwet: “Zolang een voorstel van wet, ingediend door of vanwege de Koning, niet door de Tweede Kamer onderscheidenlijk de verenigde vergadering is aangenomen, kan het door haar, op voorstel van een of meer leden, en vanwege de regering worden gewijzigd.”   Uiteindelijk stemt de Tweede Kamer over het voorstel en,: “Zodra ( artikel 85) de Tweede Kamer een voorstel van wet heeft aangenomen of tot indiening van een voorstel heeft besloten, zendt zij het aan de Eerste Kamer, die het voorstel overweegt zoals het door de Tweede Kamer aan haar is gezonden,”  Dus als de Tweede Kamer problemen heeft met een wet dan kan ze die wijzigen en er uiteindelijk tegen stemmen.

Weerwind heeft het bij het rechte eind. Hij doet niets wat niet mag en kan in onze parlementaire democratie. Hij heeft er zeker geen lak aan. Een Kamerlid, zoals Van Houwelingen zou dit moeten weten maar heeft er blijkbaar lak aan.

Populistische paniekzaaierij

“Wat een nachtmerrie die zich in het mooie Ierland ontvouwt! De Ierse regering heeft het bizarre en ronduit verwoestende plan aangekondigd om meer dan 1 miljoen stuks vee te ruimen. Je leest het goed, een miljoen! Het vee dat de ruggengraat van de Ierse landbouwsector vormt, wordt zonder pardon op het slachtblok gelegd.” Zo lees ik in een artikel van Mark Jongeneel bij De Dagelijkse Standaard. “Als deze plannen doorgang vinden, kunnen we niet anders dan cynisch grijnzen wanneer de Ieren zich de komende jaren afvragen wie de schuldige is van de opkomende hongersnood. Het antwoord zal dan voor de hand liggen. Niet de natuur, niet de economie, maar hun eigen overheid. De overheid die met haar roekeloze beslissingen haar eigen landbouw heeft vernietigd.”  Een dreigende hongersnood in Ierland?

Bron: Flickr

Jongeneel: “Wat een ironie! Ierland, dat in de 19e eeuw werd geteisterd door de Grote Hongersnood, waarbij een miljoen mensen stierven door mislukte oogsten, wordt nu opnieuw bedreigd door honger. En deze keer is het niet door een mislukte oogst, maar door de opzettelijke destructie van hun landbouwsector.”  Nee, opzettelijk en nog schokkender: “deze ontwrichtende plannen lijken te zijn opgetrokken uit de blauwdruk van het World Economic Forum (WEF). De beruchte ‘Great Reset’, met zijn streven naar een globaal gecontroleerde economie en bevolking.”  Helaas, zo betoogt Jongeneel, blijft de Ierse regering doof voor protesten tegen deze maatregel want die is: “te druk bezig met hun eigen agenda. Die agenda is even simpel als schokkend: een massale toename van de bevolking door middel van immigratie in de komende twee decennia. De groene heuvels van Ierland, ooit bezaaid met grazende koeien, dreigen te veranderen in een dichtbevolkte menselijke jungle. Het is een scenario dat ons koude rillingen geeft, maar de regering omarmt dit als een ambitieus toekomstbeeld.”

Nu even naar de geschiedenis. Die Grote Hongersnood, of zoals de Ieren zeggen An Gorta Mór. Een hongersnood die het land tussen 1845 en 1852 trof. De directe aanleiding was de aardappelziekte die Phytophthora infestans. Een schimmel die de aardappelen aantast en oneetbaar maakt en die in die jaren de aardappeloogsten in heel Europa trof. Aangezien het grootste deel van de Ieren leefde van de aardappel, werd het land hard getroffen. Directe aanleiding wil zeggen dat er ook andere oorzaken zijn die bijdroegen aan de ellende. Nee, het verminderen van de veestapel in de voorafgaande jaren was niet een van die die indirecte oorzaken. De ellende was niet zo groot geweest als de Ieren gewoon het graan dat in Ierland werd geteeld, hadden kunnen opeten. Helaas lag dat in de schuren van de Engelse landheren en die verkochten het liever voor veel geld op de wereldmarkt dan dat ze de Ieren van de hongerdood redden.

Het huidige Ierland telt ongeveer 5 miljoen inwoners. In 1840 woonden er zo’n 6,5 miljoen mensen in Ierland. Het land moet toen dan wel een ‘dichtbevolkte menselijke jungle’ zijn geweest om Jongeneels woorden aan te halen.  Er stierven tijdens An Gorta Mór zo’n miljoen Ieren van de honger. En dat niet alleen. Nog eens zo’n 2,1 miljoen Ieren verlieten hun land en trokken naar Engeland, Schotland en de Verenigde Staten. Aan het begin van de  twintigste eeuw woonden er nog  zo’n 3,5 miljoen mensen in Ierland. Er moeten dus nog ongeveer 1,5 miljoen mensen bij komen voordat Ierland de bevolkingsomvang van 1840 evenaart.

En nu even naar die koeien. In Ierland lopen zo’n 6,5 miljoen koeien rond. Het land produceert 1,14 miljoen ton rundvlees per jaar. Dat is zo’n 230 kilo per Ier. Als de Ieren dit allemaal zelf op zouden eten, dan konden ze 630 gram rundvlees per dag eten Alleen de Denen en Nieuw-Zeelanders scoren hier hoger. De Nederlandse vleeskoeien produceren ongeveer 170 kilo rundvlees per hoofd van de bevolking. Als de Nederlanders dit alleen zelf zouden opeten, dan moesten ze 466 gram rundvlees per dag eten. Die Ierse koeien produceren ook melk. In 2019 was dat ongeveer 8.000.000.000 liter melk. Dat is 1.600 liter per Ier per jaar, dus meer dan vier liter per dag. Even ter vergelijking. De Nederlandse koeien produceerden in 2021 14.2 miljard kilo melk. Aangezien 1 liter 1,032 kilo weegt, zijn dat 13, 76 miljard liter en dat is 786 liter per Nederlander, iets meer dan 2 liter per dag.

Als de Ieren werkelijk verhongeren als de Ierse Koeienstapel met 1 miljoen dieren wordt verkleind dan moeten we in Nederland inmiddels al lang zijn gestorven van de honger. Het artikel van Jongeneel is niets meer en niets minder dan populistische paniekzaaierij.