Uitgelicht

‘De paus van de overheid’

In maart mogen we weer naar de stembus om de leden voor de Tweede Kamer te kiezen. Ik moet zeggen dat ik het steeds moeilijker en lastiger vind om een keuze te maken. Moeilijk niet omdat er steeds meer partijen zijn, omdat Kamerleden zich afscheiden en een (eigen) nieuwe partij beginnen en ze het allemaal beter denken te weten. Nee, al die malloten en de partijen die ze hebben opgericht komen zeker niet voor mijn stem in aanmerking. Nee, het wordt me steeds moeilijker gemaakt door het gebrek aan besef bij Kamerleden van hun rol, positie, invloed en vooral hun verantwoordelijkheid.

Bestand:Lid van de Tweede Kamer voor de VVD dhr. Edzo Toxopeus  interrumpeert de fractiev, Bestanddeelnr 919-6733.jpg - Wikipedia
Bron: Wikipedia

“De gemeente Wijdemeren gaat nog eens kijken naar de zaak van een vrouw met een bijstandsuitkering, die ruim 7000 euro moet terugbetalen. Ze ontving boodschappen van haar moeder en had dat aan de gemeente door moeten geven, oordeelde de rechter,” zo lees ik bij de NOS. Gevolgd door Tweede Kamerleden die zoals Lilian Marijnissen zich twitterend afvragen: Hoe een overheid een monsterlijke machine kan worden die mensen kapot maakt omdat niet het vertrouwen voorop staat maar het wantrouwen.”  Of zoals enig PVV-lid Wilders: “dat de overheid “dus helemaal niets” heeft geleerd van de toeslagenaffaire.” En zij zijn niet de enige. Ik word er heel erg moe van. Ze hebben gelijk en toch word ik er heel erg moe van of beter gezegd teleurgesteld of nog beter gezegd boos.

Ze hebben gelijk. Dat wantrouwen voorop staat en dat dit de overheid tot een ‘monsterlijke machine’ maakt die mensen kapot kan maken, daarover schreef ik al eerder. Nee, ik word moe, teleurgesteld en boos van de manier waarop zij zich met hun woorden buiten de overheid plaatsen. De overheid, dat zijn anderen. Dat zijn ‘hardvochtige ambtenaren’ en rechters die de vastgestelde regels toepassen. Met hun manier van praten, plaatsen zij zich buiten de overheid. Terwijl zij er integraal onderdeel van zijn. Sterker nog, zij zijn lid van het belangrijkste onderdeel van onze overheid. Zij zijn lid van de Tweede Kamer. Een Kamer die namens en voor ons besluit. Een Kamer die namens ons wetten vaststelt waaraan we ons allemaal moeten houden. ‘Ja maar ik of wij hebben tegen die wet gestemd’, zal menig politicus roepen. Tegen een wet stemmen, weerhoudt hen er echter niet van om te pleiten voor een ‘harde aanpak’ bij geconstateerde fraude. Neem bijvoorbeeld het debat over bijstandsfraude door Turkse Nederlanders van 6 februari 2019. De handelingen doorlezend kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat de ene partij fraude nog steviger wil aanpakken dan de andere.

Even wat citaten. “Ik kan me nog de debatten met mevrouw Klijnsma hierover herinneren. Die uitzonderingen moeten een keer stoppen, want er zit altijd aan het eind van het verhaal nog een ambtenaar in de gemeente die allerlei uitzonderingsbepalingen mag toepassen waardoor alsnog half geïmporteerd Nederland een uitkering krijgt.”  Aldus PVV’er De Graaf. Nu kan het dat hij alleen voor strengheid pleit ten opzichte van ‘geïmporteerd Nederland’. Op dit taalgebruik werd hij aangesproken, niet op zijn pleidooi om ambtenaren de ruimte om uitzonderingen te maken, af te nemen.

Iets verder in het debat is VVD’er Nijkerk-De Haan aan het woord: “Zoals wij eerder al hebben ingebracht, betekent dit wat ons betreft dat gemeenten en de Sociale Verzekeringsbank uitkeringen bij geconstateerde fraude niet alleen stopzetten, maar ook moeten terugvorderen. Tijdens de begrotingsbehandeling van vorig jaar november hebben mijn collega Wiersma en collega Peters van het CDA precies hierover een motie ingediend, een motie die de staatssecretaris vraagt om twee zaken op te pakken: bevorderen dat gemeenten actief invulling gaan geven aan hun verplichting om bij aangetoonde fraude een boete op te leggen en de onterecht ontvangen uitkeringsbedragen terug te vorderen.” En daarmee kennen we meteen ook de positie van het CDA. Vanwege de aanleiding voor het debat, de bijstandsfraude door Turkse Nederlanders vult Öztürk namens DENK iets verder aan: “Ook richting de woordvoerder van de VVD, mevrouw Nijkerken-de Haan, zeg ik: alle fraudeurs moeten wij aanpakken met z’n allen; dan zijn we unaniem.”

“ GroenLinks is niet naïef: waar nodig moet streng gehandhaafd worden. Er wordt namelijk in deze situatie publiek geld uitgegeven aan mensen die het niet nodig hebben. Overtreders moeten we bestraffen, want anders gaat het ook ten koste van het draagvlak voor sociale zekerheid. Wel pleiten we voor slim handhaven; dat heb ik al in meerdere debatten gedaan. Een slimme handhavingsstrategie, gekenmerkt door persoonlijke aandacht, leidt namelijk tot betere resultaten. Daar is ook veel onderzoek naar gedaan. Daarom willen wij dat er slim wordt gehandhaafd waar dat kan maar zeker ook streng waar dat nodig is.” Aldus de bijdrage van GroenLinks Kamerlid Renkema. Streng maar wel via een persoonlijke aanpak. Het CDA vult nog aan: “De meeste mensen vinden dat vertrouwen goed is, maar controleren beter. Zij vinden dat mensen zichzelf en elkaar de kans niet moeten geven de fout in te gaan. Misschien is dat geen idealistisch wereldbeeld, maar het is wel zo nuchter.” SP’er Van Dijk: “Dit is niet de eerste keer dat wij over bijstandsfraude debatteren. Het kwam al voorbij in maart 2011. Inmiddels zijn we acht jaar verder. Je zou dus verwachten dat er meters gemaakt zijn. Maar daar lijkt het niet op. En dat terwijl het helder is: fraude is ontoelaatbaar, die moet je opsporen en aanpakken, ongeacht de afkomst. …  Fraude moet je aanpakken zonder aanziens des persoons.”

Waarom zijn jullie dan boos? Wat is de boodschap die jullie, Kamerleden, hier afgeven? Ik kan tot geen andere conclusie komen dan: pak fraude zonder uitzondering heel streng aan! Als dit de opdracht is waarmee jullie een minister het bos in sturen en jullie kennen, al hebben jullie er misschien niet mee ingestemd, de betreffende wet, waarom dan zo boos en verbaasd? Maar wat erger is dan jullie boosheid, en dat is de oorzaak van mijn boosheid, is dat jullie duiken voor jullie medeplichtigheid. Of sterker nog, want medeplichtigheid is eigenlijk nog wat zwak uitgedrukt, waarom nemen jullie niet jullie verantwoordelijkheid hiervoor? Nee, als een schijnheilige van buiten naar binnen roeptoeteren en schande spreken, terwijl jullie de ‘paus van de overheid’ zijn.

Busvoetbal en de BB

Voetballen met een plastic bus waarin wasmiddel had gezeten. Dat was een van de favoriete pauzebestedingen gedurende mijn lagere schooltijd. Voor de jongeren onder ons, de lagere school was wat nu de groepen 3 tot en met 8 van de basisschool zijn. De eerste twee groepen noemde men toen de kleuterschool. Voetballen met bussen dus omdat een bal verboden was. Verboden en duur. Waarom begin ik hierover? Niet, tenminste niet alleen, omdat ik ouder word en met weemoed terugdenk aan de tijd dat ik mijn hele leven nog voor me had. Nee, ik begin hierover vanwege de goals van ons ‘veld’.

File:Oefening BB Bescherming Bevolking te Arnhem, massale voedseluitdeling, Bestanddeelnr 907-3388.jpg
Bron: Nationaal archief via WikipediaCommons

Die goals waren twee dikke stalen deuren. Twee stalen deuren in een prachtige, in de jaren vijftig, gebouwde school. Een school met twee verdiepingen. Vier klassen beneden en vier boven. De hoogste groepen boven, dus ‘echt’ de bovenbouw. Hoge klassen met grote ramen in stalen kozijnen. Klassen gebouwd rond een grote aula. In mijn geheugen waren die deuren wel vijfentwintig centimeter dik, maar hoe betrouwbaar is dat? Die stalen deuren gaven toegang tot de kelder onder de school. En niet zomaar een kelder, maar een ‘atoombunker’ zo werd er gezegd. Er waren echter pauzes dat we niet konden voetballen, dan stonden de deuren open en liepen er ‘mannen’ rond. ‘Mannen’ die waren van de ‘BB’. Ze sleepten spullen naar buiten of naar binnen en deden verder allerlei geheimzinnige zaken. Wij mochten dan niet ‘busvoetballen’ en eigenlijk ook niet bij de deuren in de buurt zijn. Dat weerhield enkelen van ons er echter niet van om ‘stiekem’ even binnen te kijken hoe het er uitzag. Daar zagen we bedden en voorraden van allerlei zaken bedoeld om die ‘kernbom’ te overleven.

Onze goals waren dus de deuren van een schuilkelder en die schuilkelder was het domein van de BB, de Bescherming Bevolking. “De B.B. is een naoorlogse organisatie opgericht door de overheid in 1952. De organisatie was onderdeel van de civiele verdediging en had als taak om de bevolking te beschermen tegen de onmiddellijke gevolgen van oorlogsgeweld gedurende de periode die nu bekend staat als de Koude Oorlog. Aan die taak is later uitbreiding gegeven door de B.B. ook in te gaan zetten bij rampen in vredestijd. De organisatie was verantwoordelijk voor het blussen van branden, redden van mensen en het ondersteunen van de bevolking ten tijde van oorlogsdreiging of de gevolgen van oorlogshandelingen.” Aldus de website van het Museum Bescherming Bevolking. Een in de kern overheidsdienst die vooral draaide op vrijwilligers. Nou ja vrijwilligers.  Veel vrijwilligers waren net zo ‘vrijwillig’ als de dienstplichtige soldaten. Het waren namelijk ‘buitengewoon dienstplichtigen’. Jongeren die wel goed waren gekeurd voor de dienstplicht maar die niet werden opgeroepen voor de werkelijke militaire dienst. Zo werd voorkomen dat het leger en de BB in tijden van crisis met elkaar concurreren over ‘personeel’.

Achter die goals van ons ‘busvoetbalveld’ ging een hele wereld verscholen. Een wereld gericht op het beschermen van de bevolking bij ‘oorlogs- en vredesrampen. Een wereld waar in de hoogtij dagen 165.000 mensen aan deelnamen. Aan die wereld moest ik denken toen ik in de Volkskrant de constatering van Marjolein van de Water las: “Het valt me vooral op hoe weinig slagkracht de GGD heeft. … Ik krijg een mailtje van de GGD met daarin pdf-documenten voor mij en mijn omgeving. …  ‘Laat je bij symptomen direct testen’, staat erin. Om vervolgens minstens drie dagen te moeten wachten tot het contactonderzoek begint, denk ik er achteraan. Het beleid komt me steeds vreemder voor. Waarom duurt alles zo lang?”

Ik moest eraan denken omdat het mij helemaal niet vreemd voorkomt dat het lang duurt. Niet vreemd om drie redenen. Als eerste de manier waarop de zaak is georganiseerd. Onze ‘rampenstructuur’ is gebouwd op vier poten: politie, brandweer, geneeskunde en gemeente. Vier poten met eigenlijk maar twee verantwoordelijken. De politie werkt in politie regio’s en valt onder het ministerie van Justitie en Veiligheid. De andere drie zijn een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Alleen voor twee van de drie, het geneeskundige en brandweerdeel, moeten die gemeenten verplicht samenwerken. Het brandweerdeel is georganiseerd in opgelegde veiligheidsregio’s. En die veiligheidsregio’s komen niet overeen met de politieregio’s. Van die laatsten zijn er tien, van die veiligheidsregio’s vijfentwintig. In het geneeskundige deel speelt de GGD een belangrijke rol en daarvan zijn er nog meer. Ook de GGD is in de meeste gevallen een samenwerkingsverband tussen verschillende gemeenten. Dit zorgt voor flinke bestuurlijke drukte. In crisistijd bieden de onderliggende wetten een mogelijkheid de ‘voorzitter van de veiligheidsregio’ te benoemen tot ‘enige bij uitsluiting bevoegd’ om aan bepaalde zaken toepassing te geven. Zaken die in normale omstandigheden tot de bevoegdheid van de burgemeester behoren. Die voorzitter wordt daarmee eigenlijk de ‘burgemeester’ van de hele regio. Alleen is er geen ‘gemeenteraad’ van de hele regio.

Als tweede is onze ‘beschermingsinfrastructuur’ niet gebouwd op een langdurige crisis. En zeker geen crisis met een virus als oorzaak. Het gezondheidsdeel, de zogenaamde Geneeskundige Hulpverlening bij Ongevallen en Rampen, wordt namelijk gevuld met mensen uit de reguliere zorgorganisaties en dan in eerste instantie door medewerkers van de GGD. Dat werkt prima bij ongelukken en rampen zoals een de vuurwerkramp, het ontsporen van een trein of neerstorten van een vliegtuig. Dan wordt het reguliere werk even stop gezet en richt alle aandacht zich op die ramp. Na de ramp wordt er even alles op alles gezet om de ontstane achterstand in het reguliere werk in te halen. Regulier werk als inenten van kinderen op bepaalde leeftijden en het volgen van de ontwikkeling van kinderen op de verschillende momenten, het werk van de consultatiebureaus en de schoolartsen. Bij een langdurige crisis zoals de huidige, gaat zich dat wreken. Wat we nu ook zien is dat de capaciteit onvoldoende is om tot het gewenste niveau op te schalen. Daarom is het ook niet verwonderlijk dat, zoals in de Volkskrant is te lezen:  “Het geploeter bij de GGD’s (…) de grootste zorg van de Kamer” is. Omdat, zoals Kamerlid Marijnissen het in de krant verwoordt: “Hun bron- en contactonderzoek is het ‘fundament’ onder de Nederlandse corona-aanpak en dat staat nu op losse schroeven.” En dat is, volgens haar VVD-collega Hayke Veldman: “Onbegrijpelijk en onverantwoord. Dit had gewoon geregeld moeten zijn.” 

Stevige woorden en daarmee komen we bij de derde reden waarom ‘alles zo lang duurt’. Die reden heeft te maken met geld. De GGD in Nederland is, zoals al gezegd, niet één grote organisatie. Bijna alle GGD’en in Nederland zijn samenwerkingsverbanden van meerdere gemeenten. Bijna allemaal, alleen Amsterdam heeft een eigen GGD. Die samenwerkingsverbanden zijn gebouwd op de Wet gemeenschappelijke regelingen. In die ‘regeling’ brengen de deelnemende gemeenten taken onder en voor de uitvoering van die taken stellen zij geld beschikbaar. Budget voor die consultatiebureaus, schoolartsen en andere taken. Het budget en daarmee ook het personeel van de GGD, is afgestemd op die taken. En zoals bekend mag zijn, zitten de meeste gemeenten niet erg goed in de slappe was dus er is ieder jaar weer discussie of het niet met een ‘onsje minder’ kan en of de indexering vanwege de gestegen lonen en prijzen echt wel nodig is.

Om het ‘gewoon te regelen zijn twee dingen nodig. Als eerste geld en als tweede snel inzetbaar personeel. Over geld wordt altijd gesteggeld en snel inzetbaar personeel is niet beschikbaar. Dat moet ‘tijdelijk worden ingehuurd’ waarbij moet worden geconcurreerd op de arbeidsmarkt. En daarmee kom ik weer bij het ‘busvoetbal’ of beter gezegd: de BB. Zou een nieuwe BB niet een oplossing kunnen zijn voor het personeelsprobleem in tijden van langdurige crisis? Een ‘buitengewone maatschappelijke dienstplicht’ voor onze jongeren waarbij de jeugdigen worden opgeroepen in tijden van crisis en af en toe voor een oefening. Dit gewoon naast werk of studie. Zou dat een idee zijn?

Grenzen, grensgebieden en grenzenloos

“Grensgebieden zijn poreus, grenzen zijn dat niet. Bij de grens eindigt alles … . Een grensgebied is minder hard.” Een passage uit het boek Stadsleven. Een visie op de Metropool van de toekomst van Richard Sennett dat ik al eerder als inspiratie gebruikte. Een passage waaraan ik moest denken toen ik een betoog van SP’ers Lilian Marijnissen en Arnout Hoekstra in de Volkskrant las.

Bron: Wikimedia Commons

“Deze oneerlijke concurrentie moet stoppen: het slepen met werknemers zet juist mensen tegen elkaar op,” betogen de SP’ers. Want, ‘ongebreidelde arbeidsmigratie’ zet mensen tegen elkaar op en heeft: “ontwrichtende gevolgen… eenderde van de jongeren is uit het land vertrokken. Jongeren die in Letland werden opgeleid, werken in Nederland voor het minimumloon.” Daarom: “pleit de SP al jaren voor een vergunningplicht voor uitzendbureaus zodat we malafide bureaus eindelijk kunnen aanpakken. Daarnaast moeten we arbeidsmigratie beter reguleren om grootschalige uitbuiting en verdringing te voorkomen. Er dient een einde te komen aan de subsidiemaatregelen en fiscale routes waardoor lonen kunstmatig laag blijven.” Immers: “Echte internationale solidariteit bestrijdt uitbuiting, ontwrichting en verdringing hier én daar, en stopt de concurrentie op onze arbeidsvoorwaarden die door Brussel is gestart.”

Echt internationale solidariteit. Mooie woorden, maar wat betekenen ze? De SP’ers pleiten voor begrenzing van de mobiliteit van arbeid. Het (grotendeels) sluiten van de grenzen door de ‘arbeidsmigratie te reguleren’ zal er best voor zorgen dat de Letse bevolking in Letland blijft. Of het de levens van deze Letten zal verbeteren, kun je afvragen. Die Letten komen hier immers niet uit weelde werken voor het minimumloon. Die komen hier voor dat minimumloon werken omdat het ze in Letland een beter leven oplevert. Van het geld dat ze hier in een half jaar verdienen, kunnen ze daar een paar jaar leven. En als ze dat een paar keer doen, dan kunnen ze in Letland iets beginnen.

Zou er na het sluiten van de grenzen ook geld naar Estland verplaatsen? Nu is geld sinds het einde van de afspraken van Bretton Woods heel mobiel geworden. Geld kent geen grenzen en ‘flitst’ zoekend naar rendement en dus meer geld in enkele seconden de wereld over. Ook goederen zijn, door het wegnemen van handelsbelemmeringen, steeds mobieler geworden. Dus geld zou zomaar naar Letland kunnen ‘flitsen’. Het ‘flitst’ er echter niet naar toe en dus moeten de Esten, net als vele anderen, naar de plekken waar het geld wel naartoe ‘flitst’.  

Zou de uitbuiting, ontwrichting en verdringen geen gevolg zijn van de grenzeloze wereld van het geld en de begrensde wereld van mensen zonder geld? Immers, mensen met geld zijn overal welkom zelfs zonder enige vorm van ‘inburgering’. Die mogen overal hun ‘geluk’ zoeken.