‘Parlementaire geschiedenis’

Het Rotterdams kunstinstituut Witte de With houdt de gemoederen flink bezig. Het instituut is, zo wordt beweerd, naar de straat waaraan het ligt, de Witte de Withstraat in Rotterdam genoemd. Die straat is weer genoemd naar een Nederlandse zeeman uit de zeventiende eeuw. Witte de With schijnt een zeer streng kapitein te zijn geweest voor zijn manschappen en als alle ‘kapiteins’ uit die tijd heeft hij ook in ‘de Oost’ zijn sporen (van vernieling, plundering en moord) nagelaten. Voor die tijd was zo’n staat van dienst niets bijzonders en voldoende om in de negentiende en twintigste eeuw als ‘zeeheld’ een straat naar je vernoemd te krijgen.

witte de with

Foto: Wikipedia

Kijkend door onze eenentwintigste eeuwse bril worden deze daden wat ‘anders’ beoordeeld. Een groep activisten, stel te vraag:

“How will this institution start to undo itself?”

Een bijzondere vraag, want wat vragen ze van het instituut? ‘To undo’ is ‘tenietdoen, ongedaan maken, of ‘losmaken’. Wat moet het instituut ongedaan maken? De zeventiende eeuwse daden van Witte de With? Dat lijkt me lastig voor een instituut in de eenentwintigste eeuw. Zelfs de eigen culturele uitingen van het instituut kunnen niet ongedaan worden gemaakt. Het instituut kan zich ‘losmaken’ door een andere naam te kiezen zoals het wil gaan doen. Al kun je je afvragen in hoeverre het zich los kan maken van haar eigen resultaten uit het verleden.

Die naamswijziging geeft ook meteen weer aanleiding tot discussie. Bij Elsevier vindt Gertjan van Schoonhoven het: “krankzinnig, zeker uit democratisch oogpunt,” dat het instituut haar naam wijzigt onder druk van een brief van deze groep activisten. Volgens Van Schoonhoven is het verleden iets van ons allemaal en niet alleen van activisten. Omdat het instituut bovendien met publiek geld wordt gefinancierd, is de naamgeving ook een publieke zaak:

“Dus gemeenteraad, dus parlement: doe jullie werk.” 

Op de redeneringen van de activistische briefschrijvers, net als op de wetenschappelijke onderbouwing ervan, is veel aan te merken. Redeneringen ‘witte superioriteit’ die niet verworpen kunnen worden, immers door ze te verwerpen bevestig je ze. Sterker nog, dat doe je al door er alleen vraagtekens bij te plaatsen. Op een wat grove manier plaats Van Schoonhoven deze kanttekeningen.

Volgens Van Schoonhoven gaat het hier om de “vraag hoe Nederland om moet gaan met andere, kritische opvattingen over het eigen koloniale verleden.” Het beantwoorden van die vraag: “mag geen onderonsje zijn van kunstenaars en activisten die vinden dat zij alléén recht van spreken hebben.”  Wat dit laatste aangaat heeft hij gelijk. Maar gaat hij niet de mist in met zijn oproep aan de gemeenteraad en het parlement? Gaat de Rotterdamse gemeenteraad over de naam van een onafhankelijk cultureel instituut dat zij subsidieert? Gaat het parlement over de geschiedenis en de manier waarop die wordt beoordeeld? De geschiedenis bij wet vastgelegd? Dat zou het begrip ‘parlementaire geschiedenis’ een heel andere betekenis geven.

Eerlijke geschiedschrijving

Het is er! Het verkiezingsprogramma van de nieuwe politieke partij DENK. Speciale aandacht vraagt de partij voor de zwarte bladzijden uit het Nederlandse verleden. Zo wil de partij formele excuses voor het slavernijverleden. Ook is de partij: “Vóór het dekoloniseren van onze straatnamen, bruggen, tunnels en musea, door kolonisatoren niet meer te vereren.” Dit wordt gevolgd door een voorbeeld: “De Coentunnel is vernoemd naar de wrede kolonisator Jan Pieterszoon Coen.”

saddamFoto: NRC

Het neerhalen van ‘onwelgevallige’symbolen uit het verleden komt vaker voor. Na de val van de Sovjet Unie werden vele beelden van Stalin, Lenin en monumenten ter ere van de grootheid van het Sovjetrijk van hun sokkel gerukt en vernield. Het eerste wat de Amerikanen deden toen ze Bagdad innamen, was het beeld van Saddam Hoessein van zijn sokkel trekken. De Taliban vernietigden de twee Boeddha’s van Bamyan en IS vernielde recentelijk nog tweeduizend jaar oude overblijfselen in Palmyra.

Het bijzondere aan de geschieduitingen in de openbare ruimte is, dat die altijd door de overwinnaars worden ‘geschreven’. Zo werden er in de jaren na de Tweede Wereldoorlog veel straatnamen vernoemd naar ‘prominente slachtoffers’ van de bezetting. Vanaf het moment dat nog levende verzetslui begonnen te sterven, kregen zij hun straatnaambordjes. Monumenten weerspiegelen de ‘algemene opinie’ van het moment waarop ze worden geplaatst. Hetzelfde geldt voor straatnamen. Zo is de Coentunnel in de jaren zestig gebouwd en vernoemd naar de toen nog populaire ‘Hollandse’ zeeheld. Straatnamen, monumenten en ook gebouwen maken het verleden tastbaar en laten zien hoe er over het verleden werd gedacht.

Het verleden van de Zeven Provinciën en later Nederland kan niet los worden gezien van de reizen naar de Oost en de West, trouwens de geschiedenis van de Oost en de West ook niet. Die reizen werden gemaakt in een heel andere tijd met hele andere opvattingen over goed en kwaad. Coen is inderdaad ook een wrede kolonisator, als we hem vanuit één bepaald huidig perspectief bekijken. Doen we Coen en met hem niet alle voorvaderen onrecht aan als we ze naast de morele maatlat van 2016 leggen?

DENK is: “Vóór het stimuleren van een ‘kleurrijk’ een eerlijker perspectief in de geschiedschrijving, door het opzetten van een faculteit voor Afro-Caribische en Indische geschiedschrijving.”  Dat het DENK’s perspectief van de geschiedenis kleurrijk wordt geloof ik wel, maar hoe eerlijk wordt die geschiedschrijving als hedendaagse opvattingen daarbij overheersen?