Logica van de koude grond

“Je zou verwachten dat als een van de grootste nettobetalende leden van een vereniging vertrekt, de contributie aan het bestaande budget ook omlaag gaat.” Een zin uit een schrijven van Derk Jan Eppink op de site van Forum voor Democratie. De vereniging waarover Eppink schrijft is de Europese Unie en het nettobetalende lid dat vertrekt is Groot Brittannië. Ik moest toch even achter mij oren krabbelen toen ik dit las. Het vertrek van een lid moet ertoe leiden dat de contributie voor de andere leden omlaag gaat. Hoe zou de penningmeester van een amateurvoetbalclub dit zien?

De club heeft een aantal velden, kleedlokalen en een kantine die moeten worden onderhouden. Wellicht moet er nog een lening op die gebouwen worden afgelost. Ze moet betalen voor gas, water en licht, maar ook voor ballen en andere materialen. Dit alles wordt betaald uit de contributie die de leden betalen. Zouden die kosten dalen en dus de contributie kunnen worden verlaagd als er een lid vertrekt? Ik vrees eerder dat het omgekeerde het geval is. 

Nu is de Europese Unie een bijzondere vereniging. Zij probeert iedereen, ieder land en iedere streek binnen haar vereniging ‘op te stoten in de vaart der volkeren’ om het zo te noemen. De totale uitgaven voor dat ‘opstoten’, moeten worden betaald door alle leden. Dat gebeurt, door ieder land te laten bijdragen. Het ene gebied, Nederland bijvoorbeeld, is al verder ‘opgestoten’ dan het andere, bijvoorbeeld Roemenië. Dit betekent dat de Unie meer investeert in Roemenië dan in Nederland. Roemenië krijgt dan meer geld dan het bijdraagt en Nederland minder. Nederland is, zoals dat wordt genoemd, een ‘netto-betaler’, Roemenië een ‘netto-ontvanger’. Groot-Brittannië was ook zo’n ‘netto-betaler’ en die verlaat de club. Daarmee vervallen alle ‘investeringen’ van de Unie in Groot-Brittannië en ook de bijdrage van de Britten aan de Unie. Omdat de Britten een ‘netto-betaler’ zijn, ontstaat er een gat in de begroting van de Europese Unie. De vraag die Eppink helemaal buiten beschouwing laat, is de vraag achter het ‘netto-betalerschap’ Als ‘opstoten in de vaart der volkeren’ het doel is van de Unie, moeten we in Nederland dan niet blij zijn dat we ‘netto-betaler’ zijn? Dat betekent immers dat we het verst zijn ‘opgestoten’. 

Zou dat gat opgevuld kunnen worden door een verlaging van de contributie  voor de overige leden? Zoals iedere penningmeester van een vereniging weet, is het erg lastig om een tekort te dekken door de inkomsten te verlagen. Het enige wat er dan gebeurt is dat het tekort verder oploopt.

Het gat kan op drie manieren worden gedicht. Als eerste door in de uitgaven te snijden en de inkomsten gelijk te houden. Een eenvoudige en pijnloze manier van ‘snijden’ heeft de Unie al laten liggen. Namelijk het snijden in parlementsleden. De ‘stoeltjes’ die de Britten verlaten, worden verdeeld over de andere landen. Eppinks partij profiteert hiervan, ze krijgen er een stoeltje bij. Ware het niet dat die toevalt aan een aanhanger van ‘ketter’ Otten. Hierover heb ik geen partij gehoord. Snijden betekent dat er minder ‘opgestoten kan worden in de vaart der volkeren’. Als je dat rechtvaardig wilt doen dan snijd je in steun aan gebieden die het verst zijn ‘opgestoten’, bijvoorbeeld Nederland en ontzie je gebieden, zoals Roemenië die nog wel wat ‘opstoting’ kunnen gebruiken. Gevolg hiervan zal zijn dat de ‘netto-betalers’ nog grotere ‘netto-betalers’ zullen worden. De uitgaven aan de Unie blijven immers gelijk en de inkomsten uit de Unie dalen. De Roemenen zullen er niets van merken. Hun inkomsten en uitgaven blijven gelijk. 

De tweede manier om het gat te dichten is door, bij gelijkblijvende uitgaven, de inkomsten te verhogen. Ieder land betaalt dan meer contributie bij gelijkblijvende bijdragen uit de Unie. Nederland wordt ook dan een grotere ‘netto-betaler’. Roemenië betaalt meer contributie bij gelijkblijvende inkomsten uit de Unie. De pijn wordt op deze manier verdeeld over alle leden. De derde manier om uitgaven en inkomsten weer in evenwicht te brengen, is een combinatie van de eerste twee manieren. Ook in dat geval zal ‘netto-betaler’ Nederland meer gaan bijdragen. Welke variant het meest eerlijk en rechtvaardig is, laat ik graag aan anderen over. Helder mag zijn dat Nederland in alle drie de scenario’s meer moet betalen. Hoeveel meer, geen idee. 

Laten we blij zijn dat Eppink geen ‘penningmeester’ is. Wat meer zorgen baart, is dat dergelijke ‘logica van de koude grond’ er bij het Forum voor Democratie in lijkt te gaan als gods woord in een ouderling. 

Cliteur en terreur

“De oorzaken van het terrorisme zijn niet materieel, maar cultureel. Het heeft te maken met een overweldigend verschil van opvatting over kernwaarden.” Dit schrijft FvD Eerstekamerlid Paul Cliteur bij TPO. “Jawed S., Junaid I., de aanslagplegers op de redactie van Charlie Hebdo en de terroristen van de Bataclan denken heel anders over kernwaarden dan de burgers van Nederland en Frankrijk.Toen ik dit las, moest ik denken aan terrorisme-deskundige Beatrice de Graaf. Zij noemt terroristen in het DWDD-college de ‘klunzen en losers’ van de geschiedenis. Combineren we die twee dan is het zijn van ‘kluns en losers’ cultureel bepaald. Zou dat zo zijn?

De executie van Maximillien Robespierre. Bron: Wikimedia Commons

Cliteur richt zijn schrijven aan de Amsterdamse burgemeester Halsema. Volgens Halsema, en nu citeer ik Cliteur, ligt het aan: “teleurstelling of frustratie,”  veroorzaakt door het leven: “in wijken waar de bewoners worstelen met armoede en discriminatie hun loyaliteit met de ‘rechtsgemeenschap’ op het spel kan komen te staan.” Als we Halsema volgen dan is Terrorisme een gevolg van sociale condities waarin mensen verkeren. De verkeerde diagnose aldus Cliteur: Halsema gaat daarmee haar: “voorgangers Cohen en Van der Laan,” achterna die hebben: “jammerlijk gefaald bij het bedwingen van dit gevaar.” 

Twee verklaringen. Aan de ene kant ‘cultuur’ als oorzaak. Het vreemde is echter dat lang niet iedereen die zich in die ‘culturele’ situatie bevindt, ‘terrorist’ wordt. Bijzonder is ook dat enkele plegers van aanslagen tot kort voor hun daad helemaal niet ‘bekend’ stonden als fanatieke aanhanger van die ‘cultuur’. Zij stonden eerder bekend als (kleine) crimineel. Aan de andere kant de ‘sociale condities’ als oorzaak. En ook hier is het vreemd dat niet iedereen in die ‘conditie’ het schopt tot ‘terrorist’. Ook hier is het bijzonder dat plegers van terroristische daden helemaal niet uit situaties die Halsema beschrijft, komen. Zo waren de ouders van RAF lid Ulrike Meinhof historici die hun dochter de mogelijkheid boden te gaan studeren.  Ook van Bin Laden kun je veel zeggen, maar niet dat zijn ouders in een ‘achterstandswijk’ woonde.

Als we in het verleden duiken, dan zien we dat terreur niet iets is van een specifieke cultuur. Zoals ik begin dit jaar al schreef, is terrorisme afgeleid van la Terreur, een periode uit de Franse revolutie. Terreur heeft sinds die tijd een bijzondere omkering meegemaakt. In oorsprong was het het de staat die burgers ‘terroriseerde’. Robespierre de Fransen, Hitler als eerste de Duitsers, Stalin de Russen, Mao de Chinezen, Ho de Vietnamezen en Pol Pot de Cambodjanen Nu zijn het burgers die de staat ‘terroriseren’. En ook dat kent ‘geen grenzen’. Type ‘terrorisme’ in op Wikipedia en je vindt een keur aan voorbeelden uit verschillende culturen en streken van de wereld. Hieruit mag duidelijk zijn dat terrorisme niet ‘cultuur specifiek’ is zoals Cliteur beweert.

Beide ‘diagnoses’, om in Cliteurs vocabulaire te blijven, geven geen antwoord waarom iemand overgaat tot het plegen van terreur. Toch is er iets aan de diagnose van Cliteur dat zorgen baart. Als die ‘verklaring’ maar lang genoeg wordt herhaald, dan zou die verklaring wel eens haar eigen waarheid kunnen creëren. Door steeds te blijven herhalen dat terrorisme ‘cultuurbepaald’ is, lopen we het risico dat die cultuur en terrorisme als synoniem worden gezien. Daarmee worden mensen gestigmatiseerd en wordt de kans groter dat ze uiteindelijk het gedrag gaan vertonen dat Cliteur hun nu toedeelt.