Directe democratie

“Welke maatregel zou jij nemen om de Tweede Kamer beter in staat te stellen om zijn werk goed uit te voeren?” Die vraag stelt Simon van Teutem onder een artikel bij De Correspondent waarin hij concludeert dat de Kamer geen tanden heeft. Zelf stelt hij het volgende voor: “ Verdubbel daarom het aantal leden en vervijfvoudig stapsgewijs de ondersteuning. Ook zouden we serieus moeten nadenken over een kiesdrempel, om de wildgroei aan minifracties tegen te gaan. Bovendien hebben partijen zelf een verantwoordelijkheid – zij zouden meer moeten doen om hun meest ervaren volksvertegenwoordigers in de Kamer te houden.” Een goed idee?

Pericles in gesprek met de Atheners. Bron: Flickr

Om te beoordelen of het een goed idee is, moeten we eerst een beeld van het probleem hebben waarvoor het een oplossing moet zijn. “De Tweede Kamer moet het beleid van de regering controleren en wetten maken,” zoals Van Teutem terecht schrijft. “Een Kamerlid heeft gemiddeld twee medewerkers,” aldus Van Teutem terwijl de regering wordt gesteund door zo’n 124.000 fte aan ambtenaren. Dat is, zo schrijft Van Teutem:“ Alsof je het leger van Luxemburg vraagt om de grens van Oekraïne te bewaken tegen een aanval van de Russen.” Wat daarbij niet helpt is dat het aantal fracties steeds talrijker en kleiner wordt: “Door de wildgroei aan kleine partijen is het gemiddelde zetelaantal per fractie de afgelopen twintig jaar gehalveerd.” De steeds grotere rol van sociale media maakt het er niet makkelijker op. Die zorgen ervoor dat een Kamerlid meer bezig is met beeldvorming: “Steeds meer tijd besteedt de moderne politicus aan het markeren en uitstallen van ideeën, steeds minder aan het opbouwen van dossierkennis.” Dat gebeurt vooral door het stellen van vragen en indienen van kansloze moties: “Ooit waren moties bedoeld om inhoudelijk beleid te beïnvloeden, maar nu worden ze gretig gebruikt om de eigen standpunten te etaleren. Slaagt de motie, dan is dat mooi meegenomen. Wordt de motie geblokkeerd, dan kan de initiatiefnemer de concurrent publiekelijk aanvallen op haar stemgedrag. Een screenshot van de uitslag en 280 tekens aan geveinsde verontwaardiging zijn voldoende.” Ook neemt de tijd dat een Kamerlid in functie is af: “Het ambt verandert langzaam in een springplank voor andere beroepen. Bijna de helft (!) van de voormalig Tweede Kamerleden gaat aan de slag als belangenbehartiger of lobbyist.” Concluderend sluit hij af met: “Het speelveld van de machtscontrole staat op dit moment niet scheef, maar verticaal. Dat verander je niet met gerommel in de marge.” Zouden de oplossingen die Van Teutem voorstelt de verticale machtscontrole weer horizontaal kunnen krijgen?

Daarom even terug in de tijd. In 1814 werden de Staten Generaal de volksvertegenwoordiging in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden en vanaf 1815 bestond die volksvertegenwoordiging uit twee kamers. Nu moeten we het begrip ‘volk’ niet al te breed zien. Tot 1848 werden de leden van de Eerste Kamer door de koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer gekozen door de Provinciale Staten waarvan de leden weer uit de ‘edelen en notabelen’ bestonden. In het geheel niet ‘volks’ dus. Vanaf 1848 worden de leden van de Eerste Kamer door Provinciale Staten gekozen en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks door het volk. Nou ja het volk, alleen als je voldoende belasting betaalde, behoorde je tot het volk en mocht je stemmen. Pas sinds 1917 kennen we algemeen kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar en vanaf 1919 ook voor vrouwen. In deze strijd voor meer democratie wijkt Nederland niet zo veel af van andere Europese landen. De eerste keer dat het gehele volk mocht stemmen was in 1923.

De volksvertegenwoordiging is een oplossing voor een probleem uit de negentiende eeuw. Maar wat was dat probleem? Of beter wat waren die problemen? Het eerste probleem was dat het lastig was om het gehele kiesgerechtigde volk met elkaar in gesprek te laten gaan en vervolgens een besluit te laten nemen, ondanks dat het in eerste instantie slechts een beperkte groep was. Lastig omdat je met een diligence er al gauw een dag over deed om van Maastricht in Den Haag te komen. Dat maakte het kiezen van vertegenwoordigers een goede optie. Zeker als de belangen van kiezer en gekozene redelijk één op één lopen.

Uit de manier waarop het volk dat mocht kiezen is gegroeid, kun je opmaken dat het belangrijkste probleem eruit bestond dat de machtigen hun macht wilden behouden. Het volk dat waren de gegoede burgers en niet het gepeupel en de keuterboeren. Dus werd het kiesrecht beperkt. Door druk vanuit vooral de emancipatiebewegingen van arbeiders en vrouwen in de negentiende eeuw, werd het recht om te mogen stemmen steeds verder uitgebreid totdat in 1923 voor het eerst iedereen mocht stemmen. Met het groter worden van de groep kiezers moesten de rijken en machtigen op zoek naar een andere manier om hun rijkdom en macht te beschermen. Dat werd, wat we nu de verzuilde samenleving noemen. Via de pastoor en de dominee werden de machtelozen opgeroepen om op geloofsgenoten te stemmen en niet op die goddeloze socialisten. In de top van die zuilen zaten de ‘edelen en notabelen’ die ervoor zorgden dat hun belangen goed werden beschermd. Daar waar ze hun ‘kiesvolk’ zoveel mogelijk probeerden te behoeden voor contacten met de andere ‘geloven’, gold dat niet voor henzelf. Zo konden de ‘edelen en notabelen’ hun belangen goed borgen en de macht behouden en bleven de machtelozen wat ze waren machteloos. Na de Tweede Wereldoorlog en zeker vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw werd dat ‘bekonkelen’ steeds lastiger. De kerken liepen leeg, de ‘kiezer’ werd steeds mobieler en daarmee werden de partijen van de notabelen steeds kleiner en de mogelijkheid  om hun belangen via de democratie te beschermen steeds geringer. De huidige vrijhandelsverdragen en het vrij laten bewegen van kapitaal over de wereld kun je zien als een manier van de huidige ‘edelen en notabelen’ om hun belangen veilig te stellen. Die verdragen en de bijbehorende organisaties vallen onder geen enkele vorm van democratische controle. Hierop kom ik binnenkort een keer terug want dat gaat voor waar ik het nu over wil hebben te ver. Voor nu is het genoeg dat we ons realiseren dat de volksvertegenwoordiging zoals die in de negentiende eeuw in het leven is geroepen vooral een construct was om het volk machteloos te houden. Dus om de democratie zoveel mogelijk te beperken.

Onze voorouders in de negentiende eeuw hebben een parlementaire democratie gevormd waarin: “de regering verantwoording verschuldigd is aan een parlement van door het volk gekozen vertegenwoordigers,”  zoals de Van Dale het omschrijft. Ze hebben niet gekozen voor een directe democratie. Een getrapte democratie vanwege de voor die tijd grote afstand tussen Groningen en Den Haag. Maar vooral omdat de ‘edelen en notabelen’ hun macht wilden behouden. Dat is makkelijker als je gelijken tot de volksvertegenwoordigers behoren. Het afstandscriterium is inmiddels achterhaald. In drie uur ben je van Groningen in Den Haag en via de digitale snelweg is het slecht één muisklik. Dus dat staat een directe democratie niet meer in de weg.

‘Maar je kunt toch niet met 13 miljoen[1] mensen tegelijk in debat over een onderwerp? Als je al een zaal kunt vinden waar zoveel mensen in kunnen.’ Zo’n grote zaal vinden is lastig en als je al zo’n zaal vindt dan zal het nagenoeg onmogelijk zijn om in die zaal een fatsoenlijk gesprek te voeren. Laat staan een gesprek dat moet leiden tot een besluit. De moderne informatie en communicatietechnologie maakt het echter in toenemende mate overbodig om allemaal op een zelfde plek te zijn om een gesprek te voeren. Die techniek maakt het ook in toenemende mate mogelijk om met veel mensen in gesprek te gaan.

Begin dit jaar schreef ik een Prikker met als titel In defence of democracy. Aanleiding voor die Prikker was de vraag (h)oe bescherm je de democratische rechtsstaat tegen hen die haar af willen schaffen?” Die vraag stelde GroenLinks leider Jesse Klaver zich op de website van zijn partij. Klaver pleitte onder meer voor een zo groot mogelijk democratisch ‘WIJ’. Iets waar ik me in kan vinden maar dan wel aangevuld met het versterken van dat WIJ door ons onderwijs te richten op het versterken van democratische vaardigheden. Toen ik die Prikker schreef, wist ik niet dat de Canadees Ierse Roslyn Fuller een boek had geschreven met dezelfde titel. Een boek waarin ze een vlammend betoog houdt voor directe democratie en waarin ze de bezwaren hiertegen fileert.

Directe democratie lost het probleem dat Van Teutem signaleert ook op. Directe democratie lost trouwens verschillende problemen van onze vertegenwoordigende democratie op. Politici willen worden herkozen en hebben daarom een fixatie op de korte termijn. Directe democratie lost dit probleem op, zo betoogt Fuller terecht omdat: “it does not have electoral cycles and therefore no arbitrary deadlines by when a policy needs to be a proven succes.[2] Directe democratie maakt de echte verhoudingen met betrekking tot een onderwerp duidelijk. Nu stemmen we op een partij maar niemand is het eens met alles wat die partij verkondigd. Zelfs de meest verstokte leden van een partij denken op punten anders. Dit zorgt ervoor dat er zaken gebeuren waarvoor in de samenleving geen meerderheid is en dat andere zaken niet gebeuren terwijl er wel een meerderheid voor is. In een directe democratie gebeurt dat niet: “voters don’t need the approval of others in order to cast their own votes, nor are they obliged to agree with others on a long list of issues in order to have an impact. If you want to be tough on crime but don’t include drug possession in that, that’s up to you.[3]Ook voorkomt het abrupte wijzigingen van beleid na verkiezingen.

Ook het probleem dat Van Teutem signaleert, is in één klap opgelost. Opgelost omdat het niet meer bestaat. Opgelost omdat de macht dan bij het volk ligt en het volk de regering controleert. Van Teutem wil het aantal Kamerleden verdubbelen en hun ondersteuning vervijfvoudigen. Dat betekent van 150 naar 300 Kamerleden en van 300 naar 1.500 ondersteuners. Een verviervoudiging van de ‘regeringscontrole. Vier keer zoveel is flink. Ik denk dat iedereen blij zou zijn met een verviervoudiging van zijn salaris. Een directe democratie betekent een toename van de ‘regeringscontrole’ van 450 naar 13.000.000, dat is bijna 28.900 keer zo veel. Ik denk dat de toeslagenaffaire dan veel eerder aan de orde zou zijn gesteld. Sterker nog, het zou zomaar kunnen dat die niet eens had plaatsgevonden.

Wordt het niet eens tijd dat we de slag naar directe democratie gaan maken? Daarbij meteen aangetekend dat we dit niet van de ene op de andere dag moeten doen. In haar boek beschrijft Fuller verschillende interessante technische hulpmiddelen die directe democratie kunnen ondersteunen. Hiermee moeten we experimenteren zodat we die technieken kunnen verbeteren. Zou het klimaatbeleid niet een interessant onderwerp zijn om hiervoor als pilot te dienen? Dus geen burgerberaad met 1.000 via het lot geselecteerde burgers, maar een beraad met 13.000.000 burgers van dit land? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.[4] Zo sprak Pierre Rosanvallon in zijn Spinozalezing van 2012. Via de directe democratie geven we daar op de meest uitgebreide manier handen en voeten aan. Op die manier vergroten we het WIJ maximaal en versterken we ook onze democratie maximaal. De moeite van het proberen waard!


[1] Nederland kent ruim 13 miljoen kiesgerechtigde inwoners. Bron:  https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2021/09/kiesgerechtigden-2021

[2] Roslyn Fuller, In defence of democracy, pagina 211

[3] Idem

[4] Pierre Rosanvallon, Democratie en tegendemocratie, pagina 76

Markt, overheid en/of samenleving

 “Daarmee laten de partijen zich vangen door het achterhaalde concept van de vorige eeuw: markt versus overheid. Terwijl ‘méér samenleving’ het echte antwoord biedt.” Aldus Richard de Mos en Bert Blase van de politieke partij Code Oranje in een artikel bij Joop. Meer samenleving, dat is hun antwoord, niet ‘meer overheid’ tegenover ‘de markt’. Een bijzonder betoog. Zo pleiten ze voor: “het organiseren van burgertoppen en burgerjury’s.” Naar aanleiding van een oproep een ‘klimaatburgerberaad’ te houden, heb ik recentelijk drie Prikker gewijd aan het ‘burgerberaad’, de democratie en het belang voor de democratie van, naar de woorden van Pierre Rosanvallon, de tegendemocratie dus dat ga ik nu niet meer doen. Nee, bijzonder om een andere reden.

File:Seacon Stadion - De Koel.jpg
Bron: WikimediaCommons

De auteurs schetsen een soort driehoek met in de punten de markt, de overheid en de samenleving. Punten die met elkaar concurreren. Volgens de auteurs moet de punt ‘samenleving’ worden versterkt: “Voorbij de hokjesgeest van links en rechts Omdat de samenleving dit wil én het voor het zeggen heeft.” Nu vraag ik me af hoe de auteurs weten wat ‘de samenleving wil’. De samenleving is net zo diffuus als het begrip volk. De samenleving is overal en nergens. Het is: “het geheel van de met elkaar verkerende mensen,” aldus de Van Dale. En mensen verkeren op zeer veel verschillende manieren met elkaar. Zo verkeer ik, in coronatijden helaas onmogelijk, geregeld met andere aanhangers van VVV in stadion De Koel, maar ook met mijn softbalvrienden van De Mustangs. Voor mijn werk verkeer ik als zzp-ende beleidsadviseur in wisselend gezelschap. Ik verkeer in Venlo, Limburg, Nederland, de Europese Unie en de wereld. Dit even terzijde.

Terug naar de driehoek van de auteurs waarvan de punt ‘samenleving’ moet worden versterkt via de ‘burgertoppen’ die: “eigenaar van concrete vraagstukken,” moeten worden gemaakt. Hier begint het bijzondere. De inwoners moeten eigenaar worden van concrete vraagstukken. Maar beste auteurs, de inwoners van dit land zijn al eigenaar van alle maatschappelijke vraagstukken. Vraagstukken zoals de klimaatverandering, de zorg, de aanpak van het coronavirus zijn ‘onze’ vraagstukken. Vraagstukken die we op twee manieren kunnen aanpakken: samen of als individu en daarmee zijn we aanbeland bij de twee andere hoekpunten van de driehoek: de overheid en de markt.

Laat ik met de overheid beginnen. De overheid is van ons, de inwoners van dit land. Ze is niet van zichzelf, van de koning of wie dan ook. Ja, in vroeger tijden was dat anders, toen was de overheid slechts van een klein deel van ons en zelfs van slechts één persoon. Nu is de overheid van ons. Het is ons, om het zo te zeggen, instrument om vraagstukken samen aan te pakken. Vraagstukken die we samen willen of moeten aanpakken. Een van de eerste ‘vraagstukken’ die, in het gebied dat nu Nederland heet, samen werd aangepakt, was de bescherming tegen het water. Via de overheid kunnen we ervoor zorgen dat: “het prijsmechanisme ten gunste gaat werken voor onze maatschappelijke doelen, in plaats van haaks erop,” iets wat de beide auteurs graag willen. Immers alleen de overheid kan wetten vaststellen en belasting heffen.  

Dan de markt, is die niet ook van ‘ons’ de inwoners van dit land? Is de markt niet het middel waarmee we vraagstukken aanpakken die we niet samen willen oppakken? Niet samen omdat we de eigen keuze bij dit vraagstuk belangrijk vinden. Zo belangrijk dat we niet willen dat anderen die keuze mede voor ons maken.

Creëren de auteurs hier tegenstellingen die er niet zijn? ‘Markt’ en ‘overheid’ vormen geen driehoek met of staan niet tegenover ‘samenleving’, het zijn instrumenten die wij, de samenleving, kunnen gebruiken om verdelingsvragen te beantwoorden.

Democratie

In mijn vorige Prikker vroeg ik me af of burgerberaden, zoals Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voorstellen, een verrijking zijn voor onze democratie. Met betrekking tot het klimaatbeleid constateren zij dat: “de transitie (…) nog geen gedeeld project van alle Nederlanders (is). Lang niet iedereen voelt zich vertegenwoordigd door de ruim honderd partijen en organisaties die in juni 2019 het Klimaatakkoord sloten. Dus ontbreekt het vaak aan draagvlak, met name waar maatregelen mensen direct in hun straat en in hun woning treffen. Veel mensen voelen zich niet gehoord. Nu is er heel veel aan te merken op de manier waarop het klimaatakkoord tot stand is gekomen.

Verkiezingen: Nieuwe clowns in hetzelfde circus!" | Flickr
Bron: Flickr

Zoals ik in die vorige Prikker al betoogde, hebben we al ‘volksberaden’ die precies dat kunnen wat het door de beide auteurs beoogde burgerberaad kan én zelfs meer: ze kunnen ook nog besluiten. Die beraden zijn de door ons gekozen volksvertegenwoordigingen. Laten we eens wat dieper naar die gekozen volksberaden kijken. Die volksvertegenwoordigingen zijn namelijk niet uit de lucht komen vallen, die zijn langzaam gegroeid naar wat ze nu zijn. Staten Generaal, dat is nu de naam van de Eerste- en Tweede kamer samen. In de zestiende eeuw was het een gezamenlijk vergadering van de vertegenwoordigers van de zeventien provinciën. Die vertegenwoordigers waren geen ‘gewone mensen’. Het waren edelen uit de verschillende provinciën. Zij zagen zich als vertegenwoordigers en belangenbehartigers van het volk. De belangen van dat volk moesten immers behartigd worden bij de vorst. De belangen van dat volk leken erg veel op de belangen van de adel. Adel waarin rijke kooplui zich inkochten via huwelijken. De overgrote meerderheid van het volk had niets te zeggen en in te brengen.

In 1814 werden de Staten Generaal de volksvertegenwoordiging in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden en vanaf 1815 bestond die volksvertegenwoordiging uit twee kamers. Nu moeten we ook hier het begrip ‘volk’ niet al te breed zien. Tot 1848 werden de leden van de Eerste Kamer door de koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer gekozen door de Provinciale Staten waarvan de leden weer uit de ‘edelen en notabelen’ bestonden. In het geheel niet ‘volks’ dus. Vanaf 1848 worden de leden van de Eerste Kamer door Provinciale Staten gekozen en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks door het volk. Nou ja het volk, alleen als je voldoende belasting betaalde, behoorde je tot het volk en mocht je stemmen. Pas sinds 1917 kennen we algemeen kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar en vanaf 1919 ook voor vrouwen. In deze strijd voor meer democratie wijkt Nederland niet zo veel af van andere Europese landen. De eerste keer dat het gehele volk mocht stemmen was in 1923. Pas vanaf dat moment zouden we kunnen spreken van een ‘burgerberaad’. En ook daar zijn kanttekeningen bij te plaatsen.

In de inleiding van zijn boek La contre-démocratie schets de Fransman Pierre Rosanvallon het dubbele van democratie: “Historisch heeft de democratie zich namelijk altijd doen kennen als zowel een belofte als een probleem. De belofte van een stelsel dat afgestemd is op de behoeften van de samenleving die gebaseerd is op de verwerkelijking van de dubbele imperatief van gelijkheid en autonomie. En het probleem van een realiteit die deze nobele idealen verre van ingelost heeft.” Dit heeft er volgens Rosanvallon toe geleid dat: “Het democratisch project (…) zelfs daar waar het was geproclameerd steeds onvoltooid (is) gebleven, of het nu ruw geperverteerd, subtiel versmald of als vanzelf tegengewerkt is. In zekere zin hebben we, in de sterkste betekenis van het woord, nooit volledig ‘democratische’ regimes gekend.” Het stukje parlementaire geschiedenis in de vorige alinea geeft een mooie opsomming van die versmallingen en tegenwerkingen. In zijn pamflet Tegen verkiezingen geeft David Van Reybrouck een bijzondere tegenwerking. Volgens Van Reybrouck is het instrument ‘verkiezingen’ in de basis bedoeld als een ‘tegenwerking’. Volgens Van Reybrouck, en nu vat ik het heel kort samen, zijn verkiezingen bedoeld als een poging van de aristocraten om de macht te behouden. En als je kijkt naar het gros van de parlementariërs in verleden en heden, dan zie je dat de bovenkant van de samenleving er structureel is oververtegenwoordigd. Nu is dat geen bewijs van Van Reybroucks gelijk, wel laat het zien dat mensen met meer macht het makkelijker hebben in een democratie.

In 2012 gaf de al genoemde Rosanvallon de Spinozalezing. In die lezing constateert hij ‘democratische onbepaaldheid’ een begrip dat hij als volgt definieert: “het subject van de democratie, haar doel en procedures (gaan samen) met spanningen ambiguïteiten, paradoxen, aporieën, asymmetrie en overlappingen die de definitie en het begrip ervan  problematisch maken en derhalve ook een bron zijn van de vele vormen van ontgoocheling.”  Rosanvallon onderscheidt er vijf die ik hieronder behandel.

Als eerste zijn er structurele spanningen. Die openbaren zich bij de keuze van de volksvertegenwoordigers. In een volksvertegenwoordiger zoeken we twee kwaliteiten. Als eerste ‘nabijheid’ kan ik me herkennen in de volksvertegenwoordiger of zoals Rosanvallon het beschrijft: “de vertegenwoordiger als valoriserende stand-in, getrouwe uitdrukking en stem van de vertegenwoordigde.” De partij GeenPeil zette tijdens de verkiezingen van 2017 extreem in op ‘nabijheid’. De partij beloofde alle stemmingen via digitale peiling aan het volk voor te leggen en in de Kamer vervolgens te stemmen naar de uitkomst van de peiling. De tweede kwaliteit die we zoeken in een volksvertegenwoordiger is ‘geschiktheid’: “de vertegenwoordiger als vertrouwensman, geïnformeerde afgevaardigde,” aldus Rosanvallon. Twee kwaliteiten die: “elkaar vaak uitsluiten en moeilijk in één vertegenwoordiger te verenigen zijn.”  En, zo vervolgt hij: “Bovendien verwijzen ze vaak naar de waardering van twee verschillende politieke momenten: dat van de verkiezingscampagne en dat van de regeringsdaad.” Als nabijheid het belangrijkste is, dan is loting de beste manier om een volksvertegenwoordiging te kiezen. Zo willen de beide auteurs ook het door hen voorgestelde burgerberaad vormgeven. Zoeken we ‘geschiktheid’ dan zijn verkiezingen beter. Probleem is echter dat we allebei zoeken. Daar komt een ander probleem bij en dat is dat een vertegenwoordiging nooit een afspiegeling van het gehele volk kan zijn. Het ‘burgerberaad’ van de auteurs zal ook tegen de problematiek van ‘nabijheid’ en ‘geschiktheid’ aanlopen. Want vindt iedereen dat de mensen in het beraad hen ‘nabij’ zijn? En zelfs als die nabijheid er is, dan is de kans reëel dat de ideeën waarmee het burgerberaad komt door een flink deel niet ‘geschikt’ wordt gevonden. Een gedragen oplossing is niet per definitie de meest geschikte oplossing.

De tweede ambiguïteit vloeit, volgens Rosanvallon: “voort uit het niet overlappen van twee constitutieve definities van hetzelfde object.” Dat object is ‘het volk’. “Het volk is zowel het korps van burgers, dat naar een idee van eenheid, een vorm van totaliteit verwijst, als een sociale vorm, die diversiteit, pluraliteit en zelfs verdeeldheid impliceert.” Tegenwoordig spelen politici als Wilders en Baudet met die ambiguïteit. Spelen door te spreken over ‘het volk’ als die eenheid terwijl ze slechts een klein deel van de diversiteit van de ‘sociale vorm’ bedoelen. Het volk in de sociale vorm spreekt nooit met één stem en bij onze besluitvorming moet een meerderheid worden gevonden door zoveel onderdelen van de ‘sociale vorm’ achter een voorstel te verzamelen dat er een meerderheid ontstaat. Deze ambiguïteit zal ook in het klimaat ‘burgerberaad’ van de auteurs sluipen. Zoals de auteurs terecht constateren: “bijna iedereen hecht belang aan een gezonde, fijne leefomgeving.” Wat ‘gezond en fijn’ is daar beginnen mensen te verschillen en vooral als het maatregelen betreft om daar te komen, dan verschillen mensen net zo van mening als: “over wat de beste voetbalclub is, wie The Voice moet winnen, en wie de verkiezingen.”

Als derde constateert Roasanvallon ‘functionele asymmetrieën: “Als we in aanmerking nemen dat de democratie het dubbele doel heeft de bestuurders te legitimeren en de bestuurden te beschermen, dan moeten we wel vaststellen dat die twee functies elkaar niet kunnen dekken. De legitimering berust op het vormen van een vertrouwensband tussen bestuurders en bestuurden, terwijl de bescherming van de bestuurden juist uitnodigt tot het organiseren van het wantrouwen” De coronapandemie brengt deze asymmetrie duidelijk naar voren. Maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, roepen veel verzet en wantrouwen op en de legitimiteit van de maatregelen wordt ter discussie gesteld.

Als vierde moeten we democratie zien in haar tijd en ruimte. Volgens Rosanvallon: “is er een duidelijk verschil tussen een democratie op het moment van haar constitutie en een permanente democratie.” Wat democratisch is en welke instituties er nodig zijn verschilt in de tijd. Rosanvallon geeft een voorbeeld: “Op het moment van de Franse Revolutie leek het ondenkbaar om vertegenwoordigers te kiezen voor de duur van meer dan een jaar; bovendien werd er elke week een nieuwe voorzitter van het parlement gekozen!” Naast ‘tijd’ kan ook ‘ruimte’ variëren. Met ‘ruimte’ bedoelt hij dat wat de kern is van de democratie. Rosanvallon: “lange tijd heeft men gedacht dat het gezin de werkelijke school van de democratie was, omdat men in het gezin er het duidelijkst vorm aan geeft. Anderen zeiden dat het lokale niveau de school van de democratie is, omdat de vanzelfsprekendheid van de gemeenschap zich niet hoeft uit te drukken door middel van de oprichting van een institutie. De groep bestaat er direct als gemeenschap.” De recente decentralisatie van verantwoordelijkheden naar gemeenten werd onderbouwd met argumenten in deze lijn. Sinds het midden van de negentiende eeuw is de natie echter dé, om Rosanvallons woord te gebruiken, school van de democratie. Tegenwoordig ondervindt die school concurrentie van een nieuwe supranationale, namelijk de Europese Unie maar ook van het lokale. Bij het aanpakken van de klimaatproblematiek speelt ‘ruimte’ een belangrijke rol. Klimaat trekt zich immers niets aan van door de mens verzonnen ‘fictionele feitelijkheden’ als landsgrenzen.

Als laatste kent democratie, zoals Rosanvallon het noemt: “pluraliteit van vormen en domeinen.” Wat moeten we hieronder verstaan? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.” Een wereld van gelijken waarbij iedereen betrokken is, iedereen het woord kan nemen, zich kan informeren. Daarvoor is geen apart ‘burgerberaad’ nodig.

Een andere aanpak, zoals het door de auteurs voorgestelde burgerberaad leidt wellicht tot andere resultaten, maar of het er ook voor zorgt dat iedereen zich gehoord voelt? Of het resultaat op draagvlak bij iedereen kan rekenen? Of er niet aan de legitimiteit van de oplossingen zal worden getwijfeld? Of er niet aan de ‘ruimtelijkheid’ zal worden getwijfeld? Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.