Prestatiebeloning

“Wat als je de slechtst presterende 10 procent medewerkers in een organisatie zou vervangen door de beste 10 procent? In het bedrijfsleven levert het 4 tot 5 procent meer productie op.” Hiermee opent een interview van Wouter Boonstra met hoogleraar internationale economie Harry Garretsen in Binnenlandsbestuur. Hoe kun je tien procent van je slechtste medewerkers vervangen door tien procent van je beste medewerkers, die beste medewerkers heb je toch al in huis? Nu zal Garretsen het zo niet bedoelen. Het gaat mij om een andere passage in het interview. Ik lees er: “dat de helft van de werknemers in de publieke sector met liefde een deel van de salarisstijging opgeeft voor een prestatie-afhankelijke bonus. Onder de jongeren tot 45 jaar was het percentage voorstanders van een bonus zelfs 60 procent.” Zou die helft en de zestig procent van de jongeren tot 45 zich realiseren wat ze willen? Bij een prestatiebeloning word je beloond naar wat je presteert.

gras, fabriek, veld-, prairie, bloem, eten, gewas, biologie, landbouw, groenten, prei, allium, bebouwbaar, bloeiende plant, triticale, prei kas, allium ampeloprasum, gras familie, landplant, phragmites, prei veld, prei groeien, allium porrum, breedband prei, winter prei, Welsch ui, wicked prei, spaans ui, Asch prei, ui vlees, Ackerl auchs
Bron: pxhere.com

Mijn eerste schreden op de arbeidsmarkt zette ik als elfjarige in de ‘grote vakantie’ op een akker waar prei moest worden gepoot. Het salaris was een typisch voorbeeld van ‘prestatiebeloning’. Het werd bepaald door de hoeveelheid rijen die je pootte. En voor mij leek er geen einde aan zo’n rij te komen dus dat salaris viel wat tegen in vergelijking met wat oudere kinderen met meer ervaring in het poten van prei. In die tijd werd het salaris van veel van dergelijk seizoenswerk bepaald aan de hand van je prestatie: zoveel cent per kilo aardbeien of asperges. Na enkele jaren was ik erg bedreven in dergelijke werk. Alleen waren de tuinders toen overgestapt op een salaris per uur.

Prestatiebeloning is bedoeld als een prikkel waardoor de werknemer harder gaat werken. Bij het preipoten was het heel eenvoudig: poot je de meeste rijen dan verdien je het meeste. De tuinder weet vooraf precies hoeveel geld hij kwijt is aan het poten van de prei. Namelijk het aantal rijen maal de prijs per rij. De poters weten vooraf niet wat ze verdienen. Hun verdienste hangt namelijk af van de prestatie van hun collega’s. Om het cru te zeggen profiteren de snelsten van de langzaamste. De snelsten kunnen immers meer doen omdat de langzaamste minder doen. Als de tuinder zijn prei sneller in de grond zou willen hebben, dan zou hij bijvoorbeeld de langzaamste helft van de poters kunnen vervangen door poters die even snel zijn als zijn snelste helft. Zijn kosten zouden gelijk blijven, de prei zou eerder in de grond staan en … de poters zouden per persoon minder verdienen. De snelheid van de gemiddelde poter neemt immers toe waardoor er per ‘poter’ minder rijen gedaan kunnen worden.

De publieke sector is geen tuinderij waar prei moet worden gepoot. Voor die vijftig en zestig procent van de voorstanders van prestatiebeloning is het goed om toch eens wat beter naar die akker met prei te kijken. Als we bijvoorbeeld kijken naar de gemeentelijke begroting dan zien we dat daar een bedrag in is opgenomen voor het salaris van de ambtenaren. Zoveel geld is er per jaar beschikbaar voor salaris. Dat bedrag is gefixeerd. Het is de te vergelijken met de akker van de preiteler, die heeft een vast oppervlak. Hoe dat bedrag voor salarissen in de gemeentelijke begroting wordt verdeeld, staat nu vooraf vast. Ambtenaren zijn op een bepaald salarisniveau ingeschaald. Ze weten van tevoren wat ze krijgen. Stel we gaan de kant van de prestatiebeloning op en een deel van het ambtenarensalaris wordt ‘prestatieafhankelijk’. Dan wordt hetzelfde bedrag op een andere manier verdeeld over de ambtenaren. Zouden die vijftig en zestig procent hier allemaal van profiteren?

Laat ik eens een voorbeeld uitwerken. Een bedrijf of gemeente heeft 200 medewerkers die nu allemaal 100 verdienen. Dit betekent dat er 20.000 aan salaris beschikbaar is. Stel we gaan nu een vijfde verdelen op basis van prestatie. Dan is er 16.000 als basissalaris beschikbaar, dus 80 per persoon en zit er 4.000 in de ‘prestatie-pot’. Presteren doe je als je meer dan gemiddeld produceert. Dit betekent dat je alleen als je tot de beste 50% behoort, in aanmerking komt voor een prestatiebonus. Verdeel je die ‘prestatie-pot’ recht evenredig over de 100 meer dan gemiddeld presterende medewerker, dan ontvangen die ieder 40 extra en hebben ze een inkomen van 120. Dan ga je ervan uit dat de best presterende vijftig allemaal evenveel presteren. Maar hoe ‘prestatie belonend’ is het als je iemand die net iets meer dan gemiddeld presteert evenveel bonus toekent als de allerbest presterende? Om ook daar de prestatie leidend te laten zijn, maken we een staffeling. We verdelen die bovengemiddeld presterende 50% in vier even grote groepen van 25 personen. Het best presterende kwart van die 50% krijgt 40% van de ‘prestatie-pot, dus 1.600, het tweede kwart 30% en dus 1.200, het derde kwart 20% of te wel 800 en het laatste kwart 10% en dus 400. Alhoewel ook weer niet helemaal ‘prestatie-belonend’, verdelen we de delen van de pot recht evenredig over de groepen. Wat zien we dan? Dan zien we dat de slechts presterende 100 medewerkers per persoon 80 verdienen. De 25 (12,5%) net boven gemiddelde scorende medewerkers verdienen 80 plus een bonus van 16 (400 gedeeld door 25). De volgende 25 verdienen 80 plus een bonus van 32 (800 gedeeld door 25). De op een na best presteerden 25 verdienen 80 plus een bonus van 48. De best presterende 25 medewerkers verdienen 80 plus een bonus van 64.

Anders dan de tuinder die zijn akker sneller gepoot wilde hebben, vervangt dit bedrijf of gemeente, niet die minst presterende medewerkers. Tenminste niet bewust, maar dat wil niet zeggen dat onbewust niet hetzelfde gebeurt. Van de ene kant zullen de minst presterende medewerkers wellicht ander werk zoeken omdat hun beloning vermindert. Ze krijgen nu immers nog maar 80 terwijl het eerst 100 was. Aangelokt door de bonus, zal hun plek worden ingevuld door ambitieuze lieden die verwachten tot de best presterende medewerkers te horen. Als dat zo is, dan stijgt de gemiddelde productie en dus de norm waaraan je moet voldoen om voor een bonus in aanmerking te komen.

In dit voorbeeld gaat meer dan 60% van de medewerkers achteruit in salaris. Dat betekent dat ook een deel van de voorstanders van prestatiebeloning het met minder zal moeten doen dan ze nu krijgen. De productiviteit van het bedrijf of de gemeente stijgt en dat is positief. Snellere ‘poters’ zorgden ervoor dat de prei van de tuinder sneller was gepoot en de poters eerder naar huis konden tegen dezelfde arbeidskosten voor de tuinder. Anders dan de akker van de tuinder, is het werk bij een gemeente oneindig. Via de prestatiebeloning gebeurt immers meer voor hetzelfde geld, de ‘gemeentelijke poters’ gaan niet eerder naar huis, ze doen meer in dezelfde tijd. Dat is positief voor het bedrijf of gemeente, maar is het ook goed voor de werknemers? Ze moeten steeds harder werken voor hetzelfde of minder geld. Harder en meestal ook langer. Een tweede, vooral voor de minder productieve medewerkers interessante, manier om je ‘prestatiebonus’ te halen, is door meer tijd aan het werk besteden. Door langer te gaan werken. Zouden de vijftig en zestig procent voorstanders van prestatiebeloning zich dit allemaal realiseren? Ik waag het te betwijfelen.

Inhuur, Japanse duizendknoop en varkens

Bij TPO gaat SP-kamerlid Ronald van Raak helemaal los. Hij heeft het gemunt op ‘externen’ die worden ingehuurd door de overheid: “Bij sommige ministeries wordt in plaats van de afgesproken tien procent bijna 20 procent van de totale personeelskosten uitgegeven aan externe medewerkers. Bij gemeenten is de inhuur van externen in vijf jaar eveneens verdubbeld tot gemiddeld 20 procent, in een aantal provincies is dat zelfs opgelopen tot meer dan 30 procent. In dit land kan geen verandering worden doorgevoerd of consultancy bureaus zetten hun voet tussen de deur.” 

Japanse duizendknoop overwoekert oude trein in Beekbergen. Bron: wikipedia

Hij moest, toen hij dit las, denken aan de bijna onuitroeibare uitheemse plant de  Japanse duizendknoop: “Je kunt hem uit de grond trekken, je kunt er gif op loslaten, je kunt hem in de brand steken, helpen doet het allemaal niet. Met zijn sterke wortels en woekerende stengels duikt hij telkens weer op en verdringt hij alle andere planten.” Ook voor de oplossing keek hij naar die plant: “Het beste lijkt nog het consequent maaien en afvoeren van de plant.” De ‘maaimachine’ die hij voorstelt is een wet die zijn eerdere ‘norm’ van 10% uitgaven aan externen tot wet verheft. Het geld dat daarmee wordt bespaard: “kunnen we investeren in het aannemen en opleiden van goede eigen medewerkers. Een wet die een einde moet maken aan de woeker van de consultancy.”

Laten we die plant even links liggen en concentreren we ons op de overheid. Van Raak gooit alles op één hoop als je wat dieper in de materie duikt, dan zit er een wereld van verschil tussen de ene en de andere ‘extern ingehuurde’. Inderdaad zijn er dure consultants van dure bureaus voor ICT-projecten. En inderdaad meneer Van Raak: “ze krijgen vaak torenhoge vergoedingen, ook als hun projecten volledig blijken te falen.”  De vraag is echter waarom deze projecten vastlopen? Zou dat falen misschien ook wat met de complexiteit van de overheid in het algemeen en ‘waaiende politieke winden’ in het bijzonder, te maken kunnen hebben? Met de ‘politieke bemoeienis’ tot in detail waarvoor Van Raaks partijgenoot en collega Van Dijk pleit. In het bedrijfsleven gaan ICT-projecten trouwens ook vaak niet zoals ze zijn bedoeld. Zie Facebook en recentelijk Youtube.

Er zijn ook ZZP’ers die worden ingehuurd om een zieke of zwangere ambtenaar tijdelijk te vervangen. Dan heb je een bijzondere categorie, de externe die via een payroller binnenkomt op een reguliere functie. Die wordt niet meteen in dienst genomen, maar moet het eerste jaar via die payroll constructie bewijzen of hij zijn vaste aanstelling wel waard is. En dan heb je natuurlijk de poetsers en kantinemedewerkers. Oh, nee dat is geen inhuur, daar hebben we een dienst van gemaakt die wordt ‘ingekocht’. Dan zijn er reorganisaties die overheden verlammen omdat ze goede krachten wegjagen en de rest apathisch maken. Inhuur is dan de oplossing om de ‘gaten te vullen.’ En er wordt wat ‘gereorganiseerd’ in overheidsland: van afdelingen, naar sectoren en dan naar de, tegenwoordig populaire,  domeinen.

Een bijzondere categorie zijn de ‘probleemonderzoekers’. Die worden om verschillende redenen ingehuurd. Soms, waarschijnlijk de minst gebruikte reden, omdat er daadwerkelijk behoefte is om iets nader te onderzoeken. Wat vaker komt het voor dat bestuur en/of politiek geen besluit durven te nemen en daarom tijd kopen door ‘de zaak’ nogmaals door een externe te laten onderzoeken. Meestal hebben de eigen ambtenaren het dan al goed van alle kanten bekeken. 

Een bijzondere reden die de laatste jaren vaker voor lijkt te komen is dat een bestuurder een advies in een bepaalde (politieke) richting wil, een richting die de eigen onafhankelijke ambtenaren met redenen niet voorstellen. En je kunt een ambtenaar niet dwingen om een advies in een bepaalde richting te geven. Deze bestuurders zoeken eigenlijk een veredelde, excusé le mot, ‘tiep-miep’ die precies doet wat zij zeggen.

Als laatste een reden die een speciale alinea waard is. ‘De overheid moet kleiner’. Een opdracht die zich vaak vertaald in x fte die moeten worden geschrapt. Wat er niet bij wordt gezegd en waartoe bestuurders en politici, op een enkele uitzondering na ook niet toe bereid zijn, is erbij aan te geven welke taken er dan worden weggestreept. Resultaat van zo’n operatie is dat de achterblijvers het werk niet afkrijgen, de bestuurder zijn ‘belangrijke klus’ wel gedaan wil hebben en dan is … inhuren de oplossing. Even terzijde, het moeten schrappen van fte’s op de loonlijst leidt soms tot heel bijzondere keuzes. Bijvoorbeeld door een vermindering van fte te bereiken door een dienst buiten de deur te zetten. Fte-taakstelling gehaald zonder ook maar een cent kostenbesparing waarvoor het eigenlijk was bedoeld. Sterker nog, de kosten stijgen dan vaak. 

Wat ik hiermee wil zeggen is dat de ‘ingehuurde’, ‘de inhuurder’ niet kan dwingen om in te huren. Het initiatief om in te huren gaat, anders dan Van Raak beweert, uit van de ‘inhuurder’. Die heeft een reden waarom hij inhuurt. Die redenen zijn soms goed en soms niet, maar altijd op initiatief van de ‘inhuurder’. Van Raak wil dit nu met een ‘wettelijk vastgelegd percentage’ bestrijden. Zou dat helpen of zouden Van Raak en zijn collega’s de hand niet veeleer in eigen boezem moeten steken en kijken naar de keuzes die ze zelf maken?

Bron: Public Domain Pictures

Trouwens, die Japanse duizendknoop is bewust ooit door iemand naar hier gehaald. Of toen de ‘woekerkwaliteiten’ bekend waren, is mij niet duidelijk. Wel werd me, naar enig zoekwerk, een oplossing aangeboden die de plant wel ‘met wortel en tak’ uitroeit: het varken: ”Ze eten het bovengrondse deel van de plant op maar ze eten ook de wortel die ze uit de grond wroeten.” Als we de metafoor doorzetten, zijn de bestuurders en politici dan de  ‘varkens’?