De boterham en het beleg

“Hoe helpen we werkgevers en overheid van hun flexverslaving af?” Die vraag stelt Tuur Elzinga, vicevoorzitter en kandidaat voor het voorzitterschap van vakbond FNV zich bij Joop. Als ‘flexwerker’ trok dit artikel mijn aandacht. Gelukkig biedt hij zich aan als: “flextherapeut om onze samenleving voor werkenden een stuk zekerder maken.” Laten we eens naar zijn therapie kijken.

File:Demonstranten met muziekinstrumenten en spandoek Geen afbraak sociale zekerheid, Bestanddeelnr 932-7800.jpg
Bron: nationaal archief

“Als het maar even kan, alle risico’s afwentelen op de zwakkere partij. De gedetacheerde, de zelfstandige, de uitzend- of oproepkracht. Dan hoef je geen pensioenpremie of sociale lasten af te dragen en het bedrijf draagt geen risico van ziekte of gebrek aan werk. Dat is de kern van flexverslaving.” Zie hier de symptomen van de ‘flexverslaving’ aldus Elzinga. En: “De overheid heeft dit volop gestimuleerd, via wetgeving. Ze heeft er ook volop van geprofiteerd. En doet dat nog.” Dat laatste biedt aanknopingspunten voor de therapeut: “Flex is immers gevolg van jaren bewust beleid in de politiek. En bewust beleid kan dit ook weer terugdraaien. Daarom wil ik met de FNV de komende vier jaar de boer op met een één-miljoen-vaste-banen-plan.” Therapeut Elzinga heeft drie medicijnen in zijn koffertje. Als eerste: “Door nieuwe banen zoveel mogelijk aan te bieden als vast werk. De overheid moet hierbij om te beginnen het goede voorbeeld geven.” Zijn tweede medicijn: “Door bestaande onzekere contracten om te zetten in vast werk.” Op het derde medicijn kom ik straks terug. Tot nu toe klinkt het logisch. Als flex een probleem is, dan werken we alleen nog maar met vaste banen.

Is flex wel het probleem? Als ZZP’er zie ik twee problemen. Als eerste onzekerheid en als tweede machtsverschil. Onzekerheid is een probleem voor de flexwerker: heb ik morgen nog een klus? Want, geen klus is geen inkomen en zonder dat inkomen geen eten om het heel cru en plat te maken. Als tweede is de onderhandelingspositie van de meeste flexwerkers niet al te sterk. De opdrachtgever kan kiezen uit meerdere flexwerkers, de meeste flexwerkers hebben niet altijd de keuze uit meerdere opdrachten. De twee problemen versterken elkaar. Immers hoe langer je als flexwerker zonder klus zit, hoe dringender je de klus nodig hebt. Vast werk zou dit kunnen oplossen: je hoeft je geen zorgen meer te maken om je inkomen.

Alhoewel geen zorgen? Als er weinig werk is dan zal die werkgever mensen ontslaan. Gebeurt dat niet dan gaat de werkgever failliet en verliezen alle werknemers hun werk. Vast werk geeft daarmee ook geen zekerheid. Daarom pleit Elzinga, en dat is zijn laatste medicijn, ervoor om: “door wetgeving de werkenden met onzeker werk meer bescherming geven. Dus voor alle werkenden dezelfde wettelijke zekerheid bij ontslag, werkloosheid, ziekte, arbeidsongeschiktheid en pensioenbescherming.” Zo wordt er ook in geval van ontslag zekerheid geboden.

Maar als zekerheid voor iedereen dan toch het doel is, waarom zijn dan de eerste twee ‘medicijnen’ nodig? Dan is alleen dat derde medicijn toch voldoende? Als we dat als uitgangspunt nemen, dan is er ook een andere manier om die zekerheid te bieden. Dan is een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen wellicht een veel interessantere oplossing. Interessanter om verschillende redenen.

Een onvoorwaardelijk basisinkomen lost het onzekerheidsprobleem van een flexwerker op. Nee, niet het hebben van een volgende klus, maar het inkomen en dus een ‘boterham. De flexer zal nog steeds een volgende klus moeten zoeken om zijn boterham te ‘beleggen’. Dat hij die ‘boterham’ al heeft verandert wel zijn onderhandelingspositie in zijn zoektocht naar een klus en dus dat ‘beleg’. Dit geeft meer macht om klussen te weigeren en die macht verzwakt de positie van de opdrachtgever.

Als tweede is het interessanter omdat een onvoorwaardelijk basisinkomen eenvoudiger uit te voeren is dan specifieke wetgeving die Elzinga voorstaat. Daar is geen toezichts- en controle systeem voor nodig. Dan kan de omvang van het UWV en de diverse gemeentelijke sociale diensten fors worden ingekrompen.

Sterker nog, die gemeentelijke sociale diensten zijn dan overbodig. Er hoeft niet gecontroleerd te worden of er drie keer is gesolliciteerd en ook de ‘tandenborstelcontrole’ is overbodig. En daarmee raak ik een derde reden waarom een onvoorwaardelijk basisinkomen interessant is. Het ‘ontmenselijkende’ karakter van de manier waarop nu invulling wordt gegeven aan de sociale zekerheid vervalt. Mensen worden weer gewoon als mensen gezien. Niet als ‘minderwaardigen’ omdat ze nog moet ‘(re)integreren’. Dit zal bij velen heel veel stress en dus ziektekosten en vooral levensjaren schelen.

Als laatste, maar er zijn nog wel meer redenen te bedenken, komt deze oplossing ook tegemoet aan de wens voor flexibiliteit van werkgevers en ook de overheid, want daar flex ik voornamelijk. ‘Vast werk’ en ‘banen voor het leven’ zijn iets van vroeger. Als we nu kinderen moeten opleiden voor banen en werk dat nog niet bestaat, hoe ‘zeker en vast’ is dan een vaste baan? Als baanonzekerheid het nieuwe normaal is, is het dan niet slimmer om ‘zekerheid’ op een andere manier te bieden dan via een onzekere vaste baan? Jammer dat een kandidaat-voorzitter van de FNV in het verleden blijft hangen.

‘Tante Truus’

Ik moest vandaag weer denken aan ‘tante Truus’. Nee, niet mijn twee tantes die toevallig Truus heten, maar aan ‘tante Truus’ van Onno Ruding. Die tante waarbij je als werkloze liever op de koffie zat dan dat je ook maar iets deed, al was het maar werk zoeken. Hij, VVD-fractieleider Klaas Dijkhof, noemde Rudings ‘tante Truus’ niet, maar toch deden zijn uitspraken mij aan haar denken. Dijkhof lijkt te denken dat mensen ‘niets doen’ omdat ze bijstand krijgen, terwijl het gros bijstand krijgt omdat ze niets kunnen doen omdat er geen plek voor hen is. Dat is niet de enige dubieuze omkering van de werkelijkheid in Dijkhofs redeneringen te lezen in de Volkskrant.

bedelaar

Foto: Flickr

Als het aan Dijkhof ligt, wordt de bijstand verlaagd en kan een bijstandsgerechtigde door zijn best te doen meer verdienen: “We kunnen allemaal een keer pech hebben. Dan maken we een systeem zodat de pechvogel niet crepeert, maar wel zijn best moet doen om zo snel mogelijk weer op eigen benen te staan.”  Wat je dan moet doen? “Een aanvulling van de bijstandsuitkering tot het huidige niveau is alleen mogelijk voor wie de taal spreekt, een opleiding volgt, solliciteert, of ‘iets nuttigs doet voor de medemens.” Gelukkig hoef ik me geen zorgen te maken want ik spreek ‘de taal’, tenminste, dat hoop ik. Een tweede bijzonder omkering van de werkelijkheid van Dijkhof. Want is de bijstand niet ooit in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat mensen op eigen benen kunnen blijven staan als ze ‘een keer pech hebben’? Om ervoor te zorgen dat ze dan niet van de goedertierenheid van hun familie en buren afhankelijk zouden zijn of nog erger de ‘kerkelijke armenzorg’ of de bedelarij? 

“Volgens Dijkhof komt daarmee de ‘wederkerigheid’ weer terug in het nu te anonieme stelsel van sociale zekerheid,” zo valt te lezen. Wederkerigheid, het modewoord van de afgelopen jaren in overheidsland en daarom zullen velen beamend knikken als ze dit lezen. De vraag is of dat terecht is? Want was die anonimiteit niet juist een van de fundamenten van het stelsel? Inderdaad was er vroeger een niet anoniem stelsel van ‘sociale zekerheid’. Dat was het stelsel van de kerkelijke armenzorg, de filantropie en de bedelarij. Toen was duidelijk wie er aanspraak maakte op die ‘sociale zekerheid’. Een zeer stigmatiserend en vernederend gebeuren waar het ‘anonieme stelsel van sociale zekerheid’ een einde aan heeft gemaakt.

Het wederkerige ‘voor wat hoort wat’ dat Dijkhof terug wil, maakte geen deel van uit van dat ‘anonieme stelsel’ en dat was precies de bedoeling. Zou Dijkhof terug willen naar het stelsel van de ‘armenhuizen’ waar je bed, bad en brood kreeg en vervolgens als ‘tegenprestatie’ te werk werd gesteld?