Vertegenwoordigd en afgespiegeld?

In Apeldoorn is iets gebeurd wat in deze tijd niet kan, zo lees ik bij Joop. In een artikel beklagen de fractievoorzitters van de SP en de Partij voor de Dieren zich. Niet over het beleid van de gemeente, nee over: “de nieuwe coalitie deze week, die (wederom) vijf witte mannen voordraagt als wethouders.” De beide dames, Sunita Biharie en Maaike Moulijn vragen zich af of: “dat een afspiegeling (is) van Apeldoorn? Waar zijn onder anderen de vrouwen, mensen met een andere culturele achtergrond en mensen met een beperking?” Het antwoord op de ‘afspiegelingsvraag’ is natuurlijk NEE.

spiegelbeeld

Foto: Gratis foto: Kat, Afspiegeling, Zwart, Witte – Gratis afbeelding op …

Nu kwam kortgeleden een andere gemeente, Gemert-Bakel, in het nieuws. Vier van de vier wethouders zijn vrouw, zo meldde het Eindhovens Dagblad. Dit leidde tot mooie berichten en positieve geluiden. Niemand stelde de vraag of dat nieuwe college wel een afspiegeling is van Gemert Bakel. Geen vragen naar waar de mannen, mensen met een andere culturele achtergrond (het zijn immers vier ‘witte’ vrouwen) of mensen met een beperking zijn. Geen woorden als:  “Laten we voorop stellen dat elke inwoner zich in het bestuur zou moeten kunnen herkennen als voorwaarde om samen met bestuurders een inclusieve samenleving te vormen. Afspiegeling is daarom belangrijk. Het is daarnaast van belang dat bestuurders mensen kunnen verbinden van verschillende achtergronden en met verschillende perspectieven. Zij moeten hiervoor veel verschillende groepen inwoners kunnen bereiken en de taal van die inwoners kunnen spreken.” Waarom is ‘oververtegenwoordiging’ in de Apeldoornse casus een probleem en in de Gemert-Bakelse niet? 

Fundamenteler, waarom moet ‘elke inwoner zich kunnen herkennen’ in een college of regering? Als dat een voorwaarde of een vereiste is voor een college of regering, dan is er tot op heden geen enkele regering geweest waarin me herken of dat mij afspiegelt. Ten eerste omdat het wel erg druk zou worden in een college of regering, maar ook in een gemeenteraad of Kamer als die het spiegelbeeld, want dat is de letterlijke betekenis van afspiegeling, zouden moeten zijn van het land. 

Ten tweede, en dan neem ik ‘afspiegelen’ minder letterlijk, dat in die colleges blanke mannen van middelbare leeftijd de boventoon voeren, wil dat zeggen dat ik me, blanke man van middelbare leeftijd, vertegenwoordigd of afgespiegeld voel? Draait het in de politiek niet om de inhoud om iemands kijk op het leven en de toekomst? Voor mij in ieder geval wel en als iemand, blank, zwart, man, vrouw, in een rolstoel of de honderd meter lopend in acht seconde, mij op die punten weet te raken, dan vertegenwoordigd die persoon mij, dan voel ik mij afgespiegeld. 

Raadslid aan de keukentafel!?

Raadsleden schijnen om te komen in het werk en vooral de verwachtingen waaraan ze moeten voldoen, zo valt te lezen op de site Binnenlandsbestuur. Raadsleden: “zitten klem tussen de selfiedemocratie in (de) wijk en de alles bedisselende regio. Ze bezwijken onder stapels stukken, de groepsdwang om toch vooral veel vragen te stellen, moties te bakken en het luisterend oor te zijn voor menig maatschappelijke misstand.” Adviseur Kirsten Veldhuijzen van de Raad voor het Openbaar Bestuur: “Doe als uw burgemeester en trek uw dorp of stad in en neem waar. Ga keukentafelen en stel met mij vast dat je in het stadhuis alleen de samenleving niet verandert. Daar heb je als publieke bemanning elkaar en de keukentafel voor nodig.”

keukentafel

Foto: Flickr

De site van de Rijksoverheid ziet de volgende taken voor raadsleden: “Raadsleden bepalen de belangrijkste punten van het beleid van de gemeente. Ze controleren of het college van burgemeester en wethouders (college van B&W) het beleid goed uitvoert. De leden van de gemeenteraad maken de begroting en controleren het financiële jaarverslag van de gemeente. Ieder gemeenteraadslid is een volksvertegenwoordiger. Een lid van de gemeenteraad moet dus goede contacten met de inwoners van de gemeente hebben.” Met de ‘keukenktafel’ adviseert Veldhuijzen raadsleden om voor die goede contacten te kiezen.

Is het een taak van een raadslid of welke volksvertegenwoordiger dan ook om de samenleving te veranderen? Hebben volksvertegenwoordigers niet de taak om namens de inwoners van een land of gemeente te handelen? Te handelen zonder ‘last en ruggespraak’?  Te handelen door naar eigen eer en geweten dat te doen wat het algemeen belang het beste dient? Door te handelen en vervolgens dit handelen te verantwoorden?

Moet je hiervoor DUS goede contacten hebben met de inwoners?  Moet een raadslid werkelijk voor de ‘keukentafel’ kiezen? Of zou enige afstand van die ‘keukentafel niet gepast of gewenst zijn om te voorkomen dat: “je betaalt wat (…) de straat bepaalt”? Bovendien loop je grote kans te ‘betalen’ wat het ontevreden, schreeuwende deel van de straat bepaalt.

…langs elkaar heen lopen

“Kortom, hoe groter de gemeente, hoe slechter de herkenbaarheid van de gemeenteraad en hoe zwaarder haar taak om democratische controle uit te oefenen.”

Dit schrijft Geerten Waling over gemeentelijke herindelingen bij Elsevier. Waling ziet twee bezwaren tegen herindeling.

Landgraaf

Illustratie: Wikimedia Commons

Zijn eerste bezwaar verwoordt hij als volgt: “De gemeenteraden worden weliswaar groter, maar staan ook verder op afstand van de burger. De herkenbaarheid die zo belangrijk is voor de lokale politiek valt daarmee deels weg.” Een bekend argument: de afstand tussen politiek en burger. Nu heb ik me eerder al eens afgevraagd of de afstand tussen kiezer en gekozene niet inherent is aan onze democratie. Afgevraagd of het vertegenwoordigen van het volk niet iets anders is dan het ‘verkondigen van de mening’ van het volk. Dat het vertegenwoordigen van het volk betekent handelen namens het gehele volk en dat daarvoor afstand tot de burger van belang is.

“Ook zijn de dossiers in grote gemeenten ingewikkelder en neemt de omvang van het ambtelijk apparaat toe.” Aldus het tweede bezwaar van Waling. Een wat vreemd bezwaar omdat gemeenten in de basis allemaal dezelfde opdracht hebben. Als het rijk taken, zoals de zorg voor de jeugd of de ondersteuning van hulpbehoevenden aan de gemeente toebedeelt, dan bedeelt zij dit aan alle gemeenten toe. Laat nu het rijk steeds meer zaken bij de gemeente neerleggen omdat de gemeente de ‘meest nabije overheid’ is. Betekent dit niet dat dossiers in kleine gemeenten net zo complex zijn als in grote gemeenten? Een kleine gemeente moet, net als een grote voorbereid zijn op rampen, moet er rekening mee houden dat een jeugdige zeer dure zorg nodig heeft en die dus beschikbaar hebben voor als dit zich voordoet. Het enige verschil, is het verschil in aantal, in grotere gemeenten betreft het meer gevallen, en dus geld.

Dat verschil in aantal en geld maakt ook dat een grotere gemeente meer specialisme in huis heeft. Iets wat de kwaliteit van het bestuur ten goede komt. Dat verschil maakt dat kleinere gemeenten samen moeten werken. Als mijn ervaring bij de gemeentelijke overheid me iets heeft geleerd, dan is het dat samenwerking zeer veel energie, tijd en geld kost. Iedere gemeente wil haar eigenheid of zoals ze dat dan noemen ‘couleur locale’ behouden. Dit houdt meestal in dat iedere gemeente overal over mee wil denken, praten en besluiten. Dit is te begrijpen want iedere gemeente is ook verantwoordelijk. Tot efficiënte samenwerking leidt het zelden. Het leidt meestal tot ‘zo dicht mogelijk langs elkaar heen lopen’. Zo proberen ze de opgave aan te passen aan de gemeente, de bestuurseenheid.

Waling pleit voor beter luisteren naar de bevolking, die meestal geen herindeling wil. Hij haalt het voorbeeld van Landgraaf aan, daar: “is inmiddels per referendum tegen de fusie gestemd.” Nu is Landgraaf zelf een fusiegemeente, zouden we hier niet uit kunnen concluderen dat mensen na verloop van tijd wennen aan het nieuwe en zich eraan hechten? Als dat zo is, zouden we in dit land dan in een keer de bestuurseenheid aanpassen aan de opgave?

Een pleidooi voor chaos?

Publicist Diederik Mallien geeft onze gekozen volksvertegenwoordigers een bijzondere rol en positie:

“namens het volk discussiëren en debatteren,”

want dat is wat representatief volgens hem betekent, aldus zijn artikel bij Joop. Eigenlijk doen ze niets meer en niets minder dan dat ik dadelijk in het café ga doen met mijn softbal-vrienden. Gewoon wat kletsen, maar dan wel goed betaald en met koffie van de zaak, terwijl ik mijn drankjes zelf moet betalen.

chaos

Illustratie: Pixabay

Mallien windt zich op over de manier waarop de Nederlandse kabinetten omgaan met het raadgevend correctief referendum en heeft heel bijzondere opvattingen over democratie waarvan ik hierboven al een voorbeeld optekende. In zijn artikel concludeert hij: “In een echte democratie moet het volk de mogelijkheid hebben voor of tegen te stemmen bij elke beslissing (die) wordt genomen door de regering.” Een prachtige conclusie en kunnen we op basis van die conclusie dan ook maar meteen concluderen dat er geen enkele ‘echte democratie’ is in deze wereld? Er zijn landen met referenda, er is echter geen enkel land waar ‘het volk’ bij elke beslissing van de regering de mogelijkheid heeft om voor of tegen te stemmen.

Er is van alles aan te merken op onze parlementaire democratie. Het duurt soms heel lang voordat er op belangrijke punten voortgang wordt geboekt. Maar, het werkt wel. Zou een samenleving met ‘Mallien-democratie’ kunnen functioneren? Het parlement kan in ieder geval worden afgeschaft. Het is immers een betaalde discussie en debat-club die verder niets toevoegt.

Wat zou de positie van de regering in zo’n democratie zijn? In onze democratie bestuurt de regering het land, ze neemt besluiten en die worden vervolgens uitgevoerd. Hoe zit dat in een ‘Mallien-democratie’? Wat is dan de rol van de regering? Besluiten nemen ze niet, dat doet immers ‘het volk’. Is de regering dan niet een adviesraad die ‘het volk’ adviseert hoe te kiezen? Een soort ‘Raad van State’, maar die hebben we toch al? Kunnen we dan een van de twee afschaffen?

Als we alle besluiten van gemeenten, provincies, het rijk en de EU bij elkaar optellen, dan is dat een flink aantal. Dan zouden we zo ongeveer iedere dag naar de stembus moeten om over een of meer onderwerpen te stemmen. En om goed gemotiveerd te kunnen stemmen, is inlezen en in even in de materie nodig. Dat zou een flinke dagtaak zijn, wanneer moet ik dan werken voor mijn geld? En als dat voor mij geldt, wie voert dan die besluiten uit?

Een mooi betoog op papier, maar chaos in de werkelijkheid? Toch maar even de goede kanten van onze parlementaire democratie koesteren? Voor de minder goede kanten zijn andere oplossingen mogelijk.