Geschiedenisonderwijs

Als je over geschiedenis schrijft, dan heb je mijn belangstelling. Dus toen ik bij Trouw een artikel zag met als titel “Het vak geschiedenis is kreupel, dus meer geschiedenis helpt niet,” van lerarenopleider Bas van der Meijden moest ik verder lezen. “De roep om meer aandacht voor het schoolvak geschiedenis klinkt luid, zeker na de verschijning van het rapport-Bussemaker over de kennis ten aanzien van Nederlands-Indië.” Zo begint Van der Meijden zijn betoog. Maar het is maar de vraag of hiermee het probleem, het geconstateerde gebrek aan historische kennis en vaardigheden, wordt opgelost, zo betoogt hij. Want: “Het schoolvak kent namelijk twee hardnekkige problemen waaraan niet of nauwelijks wordt gewerkt.” Een artikel dat veel duidelijk maakt en dat vraagt om een andere benadering van het geschiedenisonderwijs en het doel wat je ermee wilt bereiken.

Het eerste probleem is dat: “ het ontbreken van wat ‘cumulatieve didactiek‘ heet. Bij een taal zorgt de taaldidactiek ervoor dat eenmaal verworven kennis en vaardigheden telkens terugkomen en nieuwe stof daarmee wordt verbonden, zodat het diep wordt verankerd in het langetermijngeheugen. Een vak als geschiedenis mist een dergelijke opbouw.” Je leert over Bonifatius die in 754 in Dokkum werd vermoord, krijgt er een vraag over op je proefwerk en daarna komt het nooit meer terug en dus vergeet je het.

Het tweede probleem: “ bij het geschiedenis­onderwijs (gaat het) uiteindelijk niet om historische kennis en vaardigheden, maar om hoe die ons kunnen helpen bij het beantwoorden van de vraag wie wij zijn en willen zijn, en in wat voor een wereld wij leven en willen leven.” Maar: “ Dat kan alleen als er in het onderwijs sprake is van een didactiek die daarop gericht is, en die leerlingen in toenemende mate leert om geschiedenis op zo’n bestaansverhelderende manier te gebruiken. Maar van een dergelijke didactiek is in het huidige geschiedenisonderwijs niet of nauwelijks sprake, ook niet aan de lerarenopleidingen.”

Twee bijzondere problemen die in mijn ogen samenhangen en wel zo dat er eigenlijk sprake is van maar één probleem en dat is het ontbreken van die cumulatieve didactiek. Probleem is de manier waarop het geschiedenisonderwijs wordt aangeboden in het basis- en voortgezet onderwijs. Het wordt, en dat lijkt logisch, chronologisch aangeboden. We beginnen bij de Egyptenaren en Babyloniërs en gaan dan via de Grieken en Romeinen naar Middeleeuwen tot we uiteindelijk in het heden belanden. Hoe dichter bij het heden, hoe meer aandacht. Van de tien tijdvakken handelen er 6 over de laatste 500 jaar. De 1.000 jaar daarvoor moeten het doen met twee tijdvakken en alles wat daarvoor kwam ook met twee. Aan hetzelfde euvel leidt ook de poster Tien keer meer geschiedenis van The Black Archives. “Over bepaalde cruciale onderdelen uit de geschiedenis leer je niet of nauwelijks op school. Terwijl ze onmisbaar zijn als je onze samenleving en de wereld van vandaag wil begrijpen. In onze geschiedenislessen gaat veel aandacht uit naar Nederlandse en Europese geschiedenis. Wat moeten we weten over ontwikkelingen in andere delen van de wereld?” Dus via die poster kun je daar wat meer over te weten komen. Helaas verwijst die wel erg veel naar Wikipedia.

Die chronologische behandeling van de geschiedenis lijkt logisch, maar dat betekent wel dat je maar één keer gedurende je middelbareschooltijd iets hoort over Karel de Grote of Julius Caesar. Namelijk als de tijd dat zij leefden wordt behandeld. Geen ‘cumulatieve didactiek’ dus terwijl die wel belangrijk is. Bovendien mis je daardoor ook het belangrijkste van de geschiedenis, namelijk het inzicht in het gedrag en handelen van mensen en dat is het tweede probleem van Van der Meijden het gebrek aan ‘bestaansverheldering’.

Beide problemen worden aangepakt als in het geschiedenisonderwijs niet de chronologie maar de thematiek centraal zou staan. Thema’s die een rol spelen in het leven van de mens van toen en nu. Thema’s zoals ‘de innovatieve mens’ waarin de hulpmiddelen die de mens heeft ontwikkeld en de plek en de rol die ze in het leven spelen centraal staan, van de vuistbijl tot de nanotechnologie. Of de ‘verhalenmens’ over de rol die verhalen, zoals onder andere religies, in het leven van de mens spelen. Of ‘de mens als rijkenbouwer’ waarbij wordt bekeken hoe een succesvol rijk ontstaat en ook weer onherroepelijk vervalt. De ‘mens als handelaar’ waarbij aandacht is voor de economie. De ‘mens als mensenbezitter, waarbij aan bod komt hoe de mens zijn medemens ge- en misbruikt voor eigen doelen waarbij slavernij, feodalisme en Marx’ klassenstrijd aan bod komt. De ‘mens als dierenmens’ waarbij de omgang van de mens met dieren wordt behandeld.

Zo zijn er nog wel meer thema’s te verzinnen. Thema’s die een rol spelen en speelden in iedere periode en door ze te benadrukken kun je laten zien welke ontwikkeling (of niet) we als mensheid doormaken. Dan zullen we zien dat kolonialisme iets van alle tijden, ook de onze, is. Want hoe moeten we de Chinese nieuwe zijderoute anders noemen? Of de Amerikaanse bemoeienissen in het Midden Oosten? Dan zullen we zien dat er er niet één periode van groei van imperia is, maar dat dit eigen is aan de mensheid sinds die zich vestigde in steden.

Dan worden Julius Caesar en Karel de Grote vaker behandeld en wordt er ‘cumulatieve didactiek’ aangebracht. Iedere keer dat ze voorbij komen, word je herinnerd aan wat je al eerder over die persoon en die tijd hebt gehoord. Ook het probleem van ‘bestaansverheldering’ wordt dan aangepakt omdat dan echt duidelijk wordt wie wij zijn en/of willen zijn.

Activistisch ontmenselijkt

“Gespreksleider Ou-Oumar maant de directeur om ook na deze avond in gesprek blijven met de kritische medewerkers. ‘Ben je bereid naar hen te luisteren, en niet in twijfel te trekken wat ze zeggen?’, vraagt ze Wertheimer. ‘En accepteer je dat het niet meer aan jou is, maar aan hen en hun gevoelens?’ Na een aarzeling stemt Wertheimer in. Een lauw applaus stijgt op uit de zaal.” Een wel heel bijzonder passage uit een artikel van Ashwant Nandram in de Volkskrant. Het artikel bespreek de problemen bij wat tot voor kort, als ik het artikel moet geloven ‘de vooruitstrevende en inclusieve club’ van Nederland was: De School.

person, holding, signage, protest, protest action, group of people ...
Bron: Piqsels

Eerst even in het kort wat het probleem is. De School bestaat uit: “een nachtclub, maar heeft het ook een café, restaurant, expositieruimte en sportschool,” en is het werk van twee ondernemers: Ernst Mertens en Jochem Wetheimer. De club heeft: “geen aparte mannen- of vrouwen-wc’s, iedereen gebruikt dezelfde genderneutrale ruimte. De club voert een exclusief deurbeleid. Te grote groepen bezoekers worden geweigerd; wie niet weet welke dj er die avond draait, maakt kans weer rechtsomkeert te moeten maken. Eenmaal binnen wordt de telefooncamera afgeplakt, zodat bezoekers vrijuit en soms met weinig kleren aan de dansvloer op kunnen, zonder het gevaar een dag later met foto op internet te staan.” Dan breekt corona uit en staat alles stil. Tot er na het pinksterweekend weer meer kan. Om de bezoekers erop attent te maken dat de zaak op 1 juni weer open gaat, wordt er voor het pinksterweekend een bericht gemaakt dat de eenendertigste mei automatisch wordt geplaatst op Instagram.

Tot zover niets bijzonders. Al zijn er mensen die daar anders over denken. De eenendertigste mei was namelijk de dag voor de Black Lives matter demonstratie in Amsterdam. Jullie weten wel die demonstratie waar meer mensen bleken te komen en waardoor burgemeester Halsema problemen kreeg. De mensen die er anders over denken, vinden dat De School zich had: “moeten uitspreken tegen racisme.” De directie biedt hiervoor haar excuses aan. Iets waarvan je je kunt afvragen of dat nodig is. Maar dat is niet genoeg: “Activistische bezoekers roepen De School ter verantwoording: de nachtclub laat zich voorstaan op een inclusief imago, maar in de programmering zijn te weinig gekleurde dj’s te zien. Ook wordt de organisatie ‘te wit’ bevonden.” Een van de activisten legt uit: “Bij De School voelt het als een vertrouwensbreuk. Juist omdat de club zich zo lang liet voorstaan op de inclusiviteit, waren de verwachtingen hooggespannen en was de teleurstelling groot. Veel van ons zagen De School als vrijhaven en plotseling dondert dat beeld in elkaar. Het wordt duidelijk: die inclusieve organisatie is ook maar een illusie.” Een kunstenares, Emma Levie, beëindigt haar expositie met als onderbouwing: “Ik had kritischer moeten zijn op De School: ze hebben twee witte heteromannen als eigenaar en nul gekleurde medewerkers op kantoor. De club (heeft) de afgelopen periode onvoldoende steun gegeven aan zwarte mensen.” Dit leidt uiteindelijk tot een bijeenkomst met die activistische bezoekers, personeelsleden en het management van de club. Waar de directeur de vragen waarmee ik deze Prikker begon, krijgt voorgelegd.

Toch bijzonder om twee mensen die een initiatief beginnen, hun huidskleur te verwijten. Want dat is wat er gebeurt. Als dit een argument is om een club als ‘niet inclusief’ te bestempelen, dan kan kun je ook The Black Archives verwijten dat ze ‘niet inclusief genoeg’ zijn.  Dit even terzijde. Maar wel bewust deze organisatie genoemd omdat die; “niet langer (wil) worden geassocieerd met de nachtclub. De School zou niet adequaat genoeg hebben gereageerd op de Black Lives Matter-beweging. The Black Archives wil geen geld van een inzamelingsactie die wordt gebruikt om ‘het imago van een problematische organisatie wit te wassen’.

Terug naar de vragen die directeur Wetheimer krijg voorgelegd. “Ben je bereid naar hen te luisteren, en niet in twijfel te trekken wat ze zeggen?” Een bijzondere vraag. Op het eerste deel van de vraag, zal ieder weldenkend mens met JA antwoorden. Natuurlijk ben ik bereid naar iedereen te luisteren. Dat wil echter niet zeggen dat ik iets doe of moet doen met wat iedereen zegt. En daarmee kom ik bij het tweede deel van de vraag. Instemmen met dat tweede deel betekent dat je iemands inbreng niet mag bevragen, niet kritisch mag beschouwen en dus eigenlijk gewoon als ‘waarheid’ moet accepteren. Met die eis of voorwaarde zou ik nooit en te nimmer instemmen.

Dan de tweede vraag: “accepteer je dat het niet meer aan jou is, maar aan hen en hun gevoelens?” Zouden de ‘activisten’ door hebben waar ze mee bezig zijn? Zouden ze zich realiseren dat ze een heel gevaarlijk pad bewandelen? Nee, niet zo zeer omdat de kans groot is dat de tot voor kort ‘fantastische’ en door: “de queer-gemeenschap (…) geroemd als ‘safe space’: een plek waar niemand wordt gediscrimineerd,” club de deuren sluit en ze dus op zoek moeten naar een andere plek. Alleen wie wil hen nog binnen hebben als dit het gevolg is? Nee, veel meer omdat met die vraag de ander, in dit geval de directeur en oprichter van De School, als mens terzijde wordt geschoven. Die doet er als mens niet meer toe. Zijn werk, wat hij zegt, wat hij doet en hoe hij zich voelt doet allemaal niet meer ter zake. Het is ‘aan hen en hun gevoelens’. Zouden de ‘activisten’ in het algemeen en Ou-Oumar in het bijzonder, door hebben waar ze mee bezig zijn? Namelijk met het ‘ontmenselijken’ van mensen? Als de geschiedenis iets leert, dan is het dat dit een zeer gevaarlijk pad is om te bewandelen.

Veelkleurige geschiedenis

                In de Volkskrant stoort historicus Arie Wilschut zich aan de manier waarop er met de geschiedenis wordt omgegaan. Zoals hij terecht schrijft, zijn er twee dingen belangrijk in de omgang met het verleden: “ten eerste dat ‘één waarheid’ niet bestaat en dat er altijd meerdere kanten aan een zaak zitten. Ten tweede dat iedere tijd zijn eigen waarden- en normenpatroon heeft en dat het niet aangaat het normen- en waardenpatroon van onze tijd zonder meer als algemeen geldig aan alle tijden op te leggen.” Want zo schrijft hij: “Waar de nuance wordt bedreigd door één ideologische manier van denken, lopen vrijheid en democratie gevaar. Waar geen begrip bestaat voor het fundamentele verschil tussen verleden en heden, kunnen geen lessen meer worden geleerd uit de ervaringen van de mensheid, omdat men denkt alles al a priori te weten.”  Dat leidt tot: “de huidige zwart-witdiscussie waar niemand mee is gediend.” In een reactie op dit artikel adviseert Heleen Ronner, docent NT2, om de poster 10 keer meer geschiedenis te raadplegen. De poster is het antwoord van The Black Archives op de 10 tijdvakken die momenteel in het onderwijs worden gebruikt.

Slavenhandel tussen Russen (oorspronkelijk Noormannen) en de khazaren. Schilderij van Sergei Ivanov. Bron: Wikipedia

Nu is iedere indeling van de geschiedenis in tijdvakken arbitrair. Tijdens mijn studie geschiedenis waren er veel minder ‘tijdvakken’. We hadden de oudheid, die liep van 3500 BCE tot de afzetting van de laatste West-Romeinse keizer in 467 CE. Daarna begonnen de Middeleeuwen die eindigden midden vijftiende eeuw. Daarna begon de Nieuwe tijd en die liep zo rond 1860 over in de Nieuwste tijd. Welke indeling er wordt gekozen en welke ‘titel’ men een tijdvak geeft, zegt meestal meer over de tijd en vooral de persoon die de indeling maakt, dan over het betreffende tijdvak. Zo zou een Romein zijn tijd nooit de ‘oudheid ’noemen. ‘Hoezo oud, is er dan ook een nieuwheid’, zou hij vragen. Een middeleeuwer zou vragen: ‘midden waar tussen?’ Met het benoemen van tijdvakken, zij we al bezig met het opleggen van een ‘normen- en waardenpatroon’ om Wilschut te parafraseren.

Op de poster wordt ieder tijdvak gesymboliseerd door een plaatje met daaronder een korte uitleg en vervolgens links naar minder bekende zaken uit andere delen van de wereld. Jammer alleen dat verschillende links doodlopen. Zoals de Wikipedia -link naar Teotihuacan. Gelukkig is er ook een link naar School tv over hetzelfde onderwerp. Maar wacht eens. Als er een link naar School tv is, is er dan sprake van ‘Verzwegen geschiedenis op school’, van ‘verzwegen perspectieven’ waarmee de poster wordt aangekondigd?

Dat brengt mij bij een punt van kritiek op de makers. De makers suggereren dat er iets wordt verzwegen, dat er iets ‘geheim’ wordt gehouden. Iets wat we niet mogen weten. Dat is nogal een beschuldiging. Dat iets niet in het curriculum zit, wil dat meteen zeggen dat het geheim wordt gehouden? Bij het opstellen van een curriculum moeten keuzes worden gemaakt. Het onderwijskundige probleem van ‘tien keer meer geschiedenis’ is dat het ‘in de hoofden krijgen’ ook tien keer meer tijd kost.

Tegen het probleem van ‘keuzes maken’ lopen de makers ook. De poster heeft 11 tijdvakken. Ze begint met ‘De tijd van de eerste mensen’. Een tijdvak dat loopt van 300.000 tot 10.000 BCE en dat duidelijk moet maken hoe de homo sapiens zich over de aarde heeft verspreid. Goed dat deze periode aandacht krijgt. Alleen één maar: zoals ik al eerder schreef, liepen er al veel eerder mensen over de aardbol, bijvoorbeeld de Neanderthaler, de homo denisovans en de homo floresiensis. De overige tien tijdvakken op de poster lopen qua periodisering één op één met de 10 tijdvakken die in het huidige geschiedenisonderwijs worden gehanteerd.

Nu is er nog iets bijzonders met de poster en dat brengt mij bij de Brief van de Dag in de Volkskrant van vrijdag 19 juni. In die Brief van de Dag reageert Henna Goudzand Nahar ook op het artikel van Wilschut. Een bijzondere brief omdat Nahar Wilschut zaken lijkt te verwijten die hij niet heeft betoogd. Volgens Nahar verdedigt Wilschut slavernij terwijl daarvan geen sprake is. Nahar: “Het is triest dat zelfs historici met dit argument komen aandragen om de slavernij te verdedigen. Zo schrijft ook historicus Arie Wilschut in zijn stuk ‘Hoog tijd dat historici zich mengen in debat over ‘foute’ helden’: ‘De handel op slavenkoloniën als Suriname was helemaal verwaarloosbaar, omdat die nog geen 2 procent heeft bijgedragen.’ Mocht dat al kloppen, dit doet niets af aan wat er is gebeurd. Het getuigt dan eerder van domheid om daarvoor zoveel mensen te vermoorden, te ontvoeren en er eeuwen mee door te gaan.” Wilschut voert dit niet aan als ‘verdediging’ van de slavernij, maar als perspectief bij het beeld dat is ontstaan dat de Nederlandse rijkdom afkomstig is van slavernij.  

Voor mijn betoog is het tweede verwijt dat Nahar Wilschut maakt belangrijker. Nahar: “Daarnaast noemt Wilschut als argument dat in de wereld voor 1800 slavernij een doodgewoon verschijnsel was. Dat was waar, maar de transatlantische slavernij ging gepaard met kolonialisme en is van een zodanige orde geweest dat dit tot vandaag enorme gevolgen heeft voor de relatie tussen wit en zwart. Het verdrijven of uitmoorden van de inheemse bevolking om vreemd land in bezit te nemen, gevolgd door de ontwikkeling van een wereldbeeld waarin de witte de zwarte de weg zal wijzen naar ‘verlichting’, maken de dimensies hiervan totaal anders.”  Het zal Nahar wellicht verbazen, maar ook kolonialisme en ermee gepaard gaande slavernij is geen ‘westerse’ uitvinding. En dat brengt mij bij de poster en tijdvak 6 (1600-1700 CE), de Tijd van Kolonialisme & handelskapitalisme met als ondertitel “Roof, handel en uitbuiting op wereldschaal.”  De eerste poster waar over slavernij, koloniën en imperialisme wordt gesproken en waarbij de Europese landen koloniseerden.

Dat laatste klopt. In die tijd waren het de Europese landen die anderen koloniseerden. Maar was dit zo bijzonder? Waren die ‘Grote rijken in Azië, Afrika en Amerika in periode 4 (1000-1500 CE) niet ook ontstaan doordat de ene groep de andere ging overheersen, domineren en koloniseren? Kwam in die grote rijken geen slavernij voor? Zou het Mongoolse rijk, terecht door de makers van de poster omschreven als een van de grootste rijken ooit, vreedzaam zijn ontstaan? Kijkers van de film Mongol weten wel beter. Dat ging gepaard met flink veel geweld waarbij de verslagene kans had om in slavernij te geraken. Nee, die rijken kwamen op precies dezelfde manier tot stand als de Europese landen hun imperia opbouwden. Dit met als enige verschil dat de Europeanen het als eerste echt op wereldschaal deden.

Zo kwamen trouwens ook het Romeinse rijk en het Chinese rijk onder de Han dynastie in periode 2 (3000 BCE en 500 CE) tot stand. Twee rijken die via wat wij nu de zijderoutes noemen, handel met elkaar dreven. Zijderoutes die volgens de posters pas in periode 3 (500-1000 CE) ten tonele verschijnen. Die routes ontstonden echter al zo’n 1500 jaar eerder. Via die routes werd van alles verhandeld waaronder ook slaven. Wie hierover meer wil weten, lees het boek De Zijderoutes van Peter Frankonpan. Slaven waarvan het Romeinse rijk er, volgens Frankonpan op haar hoogtepunt zo’n 250.000 tot 400.000 per jaar nodig had. Slaven die van heinde en verre kwamen. Uit Afrika, Azië en Europa. Dit terwijl slavernij pas op de poster pas een rol krijgt in periode 6 (1600-1700 CE). En dan ook nog alleen maar in de vorm van twee rode pijlen, één naar de Amerika’s en één naar Nederlands Indië, zoals het wordt genoemd. Een pijl naar het noorden, naar de Arabisch, Perzische en de Ottomaanse wereld ontbreekt. Bijzonder is de naam Nederlands Indië op een kaartje dat handelt over deze periode. Die benaming werd pas vanaf het begin van de negentiende eeuw (1816) voor dat gebied gebruikt.

Zo kunnen bij iedere tijdsperiode zowel van de poster als bij de standaard beschrijvingen van de tijdvakken kanttekeningen worden geplaatst. Ja, de poster 10x meer geschiedenis geeft een breder totaaloverzicht van wat er in de wereld allemaal is gebeurd. Dat was ook de bedoeling van de makers. Ze wilden: “de focus op geschiedenis buiten de bekende Europese kaders.” De makers van de 10 tijdvakken, hebben een ander doel. De tijdvakken zijn bedoeld om jonge inwoners van Nederland te laten zien hoe ons deel van de wereld zich heeft ontwikkeld. Die beperking is te begrijpen omdat het gros van die jonge inwoners hier zal blijven wonen en leven. Dan is het wel handig dat je een beetje weet waar zaken in de samenleving hier vandaan komen. Hierbij is de invloed van de Grieken, Romeinen, Kelten en Germanen op onze samenleving ‘need to know’. De beschaving van de Bantoe-volken of de Nazca’s is ’nice to know’. Zonder, zoals gezegd, meer tijd voor het vak geschiedenis, betekent een breder palet minder diepgang. Immers met het noemen van de Zapoteken en de Ban Chiang moet je er ook meer informatie over geven. Dan moet je hun cultuur beschrijven en dat gaat ten kosten van iets anders. Een keuze die ook weer leidt tot zaken die niet worden behandeld en wellicht tot een nieuwe groep die aandacht vraagt voor die ‘verzwegen geschiedenis’.

Volgens Heleen Ronner, die hem  aanbeveelt, maakt de poster: “de geschiedenis niet zwart-wit, maar juist veelkleurig.” De poster is niet zozeer kleurrijker als wel anders en dat andere heeft vooral te maken met het doel achter de poster. De makers van de poster lijken vooral ‘westers  exceptionalisme’, het uitzonderlijke van de westerse dominantie van de afgelopen paar honderd jaar aan te willen tonen. Zo exceptioneel was en is de manier waarop het westen opereerde en opereert echter niet. Het westerse optreden wijkt niet af van het optreden van eerdere dominante rijken. Een dominant rijk dat zich superieur voelt, de oude Romeinen en Chinezen weten er alles van. Gebieden veroveren overheersen en koloniseren, de Olmeken, Maya’s en Inca’s wisten ook wel hoe dat moest. Slavernij en slavenhandel? Wijd verbreid zowel geografisch als in tijd, zelfs tegenwoordig nog. Nee de geschiedenis kent meer constanten dan dat er wordt afgewisseld. Om een oud versje voor de poëziealbum te verhaspelen: ‘culturen verwelken, rijken vergaan, machtswellust blijft altijd bestaan.’