Uitgelicht

Zijn ze er nog?

Er zijn mensen die niet geloven dat Neil Armstrong op de maan heeft gelopen. Dat zou een hoax zijn, een complot. Dat kan, ik geloof het echter niet. Want de kans dat geen van al die betrokkenen bij NASA zich ooit een keer verspreekt, is erg klein. De natuurkundige David Robert Grimes maakte er een berekening van en kwam tot de conclusie dat dit complot maar 3,7 jaar geheim zou zijn gebleven. Dat zou betekenen dat al in februari 1973 bekend zou moeten zijn dat Armstrong niet op de maan heeft gelopen. En waarschijnlijk al eerder omdat dan ook al eerder bekend zou zijn dat de raket die  juli 1969 opsteeg, niet naar de maan zou gaan. Toch zijn er geheimen die het veel langer uithouden. Eén geheim zelfs al een jaar of 40.000. Als de debuutroman Ze zijn er nog van Venlonaar Fons Wijers op waarheid berust.

Eigen foto

“In een bos bij München ligt een corpulente man wiens schedel met een scherpe steen is gespleten. Vijftien maanden eerder raken twee Nederlandse toeristen verzeild in een afgelegen dorp in de Karpaten. De mensen daar zien er wat vreemd uit. Een jaar later keren zij terug naar het dorp met een Duitse amateurarcheoloog. Ze vinden aanwijzingen dat de inwoners nazaten zijn van neanderthalers, die zich gelijkwaardig aan de Homo sapiens hebben ontwikkeld. Door list en bedrog loopt het uit de hand.” Aldus de tekst op de achterkant van Wijers’ roman. Zou het echt zo kunnen zijn?

 Ik ben onvoldoende onderlegd in de wiskunde om de formule die Grimes hanteert, goed uit te kunnen leggen. Daarom maar de simpele verklarende versie van de formule die Sanne Blauw bij De Correspondent geeft. Blauw noemt het een ‘vrij simpel statistisch model’ en beschrijft de drie belangrijkste ingrediënten voor de formule. “Allereerst, de jaarlijkse kans dat een persoon het geheim onthult, ofwel per ongeluk.”  Volgens Grimes is de kans dat er iemand uit de school klapt 4 op één miljoen.

En daarmee wordt het tweede element belangrijk: “het aantal mensen dat van de samenzwering weet.” Nu wordt uit Wijers’ roman niet duidelijk hoeveel Neanderthalers er nog rondlopen. In de roman wordt gesproken over nog twee groepen, een in Roemenië en één in de Kaukasus. Daarnaast worden twee andere groepen genoemd die inmiddels niet meer bestaan. Eentje bij Gibraltar en een andere in de Ardennen. In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid slaat Yuval Noah Harari er een onderbouwde slag naar. Hij haakt aan bij het onderzoek naar groepsgrootte bij chimpansees en komt uit op een groepsgrootte van tussen de twintig en vijftig. Als het er meer worden dan “raakt de sociale orde uit balans, wat uiteindelijk leidt tot een breuk en de vorming van een nieuwe troep door een deel van de dieren. Het is maar een paar keer voorgekomen dat zoölogen groepen van meer dan honderd chimps hebben kunnen observeren.[1] Als we rekenen met vijftig per groep, vier groepen en vier generaties per eeuw, dan zijn dat 80.000 individuen per groep. Voor vier groepen komt dat neer op 320.000 neanderthalers.

Met Grimes 4 op de miljoen, betekent dat er in die 40.000 jaar ongeveer 1,3 individuen zijn die uit de school klappen. Dat is niet veel. Zeker niet als je je realiseert dat die kletskous de eerste pakweg 35.000 jaar weinig kans had om te kletsen. De kans om een homo sapiens tegen het lijf te lopen was klein want zoveel waren er niet. In enig jaar is de kans 0,0008 dat het geheim uitkomt en in het heden nog maar 0,0004 omdat er nog maar twee groepen zijn. Een kans wordt uitgedrukt in een getal tussen de 0 en 1. Daarbij is 0 kansloos en bij 1 dan gebeurt het zeker. Die 0,0008 valt in de categorie behoorlijk kansloos en 0,0004 eveneens. En daarmee hebben we het laatste element uit Grimes kansberekening: “de groei dan wel krimp van die betrokken groep mensen.” In het geval van de neanderthalers is het dus krimp. Het aantal groepen is gekrompen van vier naar twee en het verhaal lezend moet je concluderen dat het die twee groepen zeer veel moeite kost om zich in stand te houden. Dus als er ‘er nog zijn’ en ze willen dat geheim houden, dan wordt dat steeds makkelijker. Maar met het makkelijker worden, wordt de kans ook groter dat ze er opeens niet meer zijn.

Echter onwaarschijnlijke dingen gebeuren. In Wijers’ roman zijn ‘ze’ er dus nog en worden ze per ongeluk ‘ontdekt’. In die ontdekking spelen twee Nederlanders en dus die Duitse amateurarcheoloog een belangrijke rol. Op meeslepende wijze neemt Wijers de lezer mee door het verhaal van de ontdekking of toch niet? Een verhaal waarin het liep zoals beschreven maar het had net zo goed anders kunnen lopen. Had het niet zo hard geregend of was het plaatsnaambord wat groter, dan was er geen verhaal geweest. Was de vriend van de Duitser meegegaan, dan was het een heel ander verhaal. Was die onbekende jonge vrouw niet verkracht en vermoord, dan ….


[1] Yuval Noah Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid,  pagina 35

Zeep en zelfredzaamheid

“Cijfers zijn als zeepjes, schrijft Sanne in haar boek: knijp er te hard in en ze glippen uit je handen. We zijn soms zo obsessief bezig met meten dat de cijfers hun doel voorbijschieten.” Een citaat uit de aankondiging van een podcast bij de Correspondent. Een podcast met Sanne Blauw, een econometrist die het als haar doel ziet om: “cijfers weer op hun plek (te) zetten. Niet op een voetstuk. Niet bij het vuilnis. Maar waar ze horen: naast de woorden.” Aan dit citaat moest ik deze week denken. Ik moest eraan denken toen ik met enkele collega’s sprak over het boek De verhuizing van de verzorgingsstaat. Een boek waar ik vorige week ook al over schreef.

Bron: Wikipedia

“Beleid wordt niet gemaakt door beleidsmakers maar door uitvoerders. Politici noch ambtenaren op ministeries en in gemeentehuizen bepalen het beleid, maar de zorgverleners aan het bed en de politieagenten op straat.” Met die zin begint het laatste hoofdstuk. Het boek doet verslag van een onderzoek onder de uitvoerders van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet en de de Jeugdwet. Hoe vullen zij hun werk in en hoe verhoudt zich dat tot het beleid en daarin geformuleerde doelen? De onderzoekers concluderen dat er drie verschillende werelden zijn. De eerste wereld van de beleidsnota’s, de echte wereld van de uitvoerders en de derde wereld van de ‘verantwoording van de resultaten’.

Ik moest aan het citaat denken omdat de auteurs van het boek het fenomeen zelfredzaamheid-matrix onder de loep nemen. Een instrument waarmee je kunt “bijhouden hoe de zelfredzaamheid van cliënten zich ontwikkelt.” Een instrument om te kunnen meten of het beleidsdoel: een toename van de zelfredzaamheid kan worden bereikt. Nu is er met dat begrip zelfredzaamheid iets bijzonders aan de hand, aldus de auteurs. In de beleidsdocumenten zien zij twee betekenissen die haaks op elkaar staan. Een de ene kant: “Individuele zelfstandigheid – ook wel ‘eigen kracht’ en ‘zelfzorg’ genoemd,” en aan de andere kant: “het vermogen om informele hulp te vragen aan en te ontvangen van naasten, in ‘eigen netwerken’.” De auteurs vragen zich af: “hoe ze beide onder de term ‘zelfredzaamheid’ kunnen vallen.” Gelukkig geven ze ook het antwoord: “Het antwoord schuilt in wat beide betekenissen in negatieve zin verbindt: ze staan tegenover een beroep doen op professionele hulp. Zelfredzaamheid wordt dus niet positief gedefinieerd maar vooral in termen van wat het niet is, namelijk geen beroep op professionele hulp.” Dit even als redelijk relevant terzijde. Redelijk relevant omdat je de vraag kunt stellen welke ‘zelfredzaamheid’ er wordt gemeten? De resultaten lijken daarmee al op de ‘zeepjes’.

Het wordt echter nog glibberiger. Uit hun veldonderzoek onder de uitvoerders blijkt dat: “Verslaglegging (…) het werk van professionals zwaarder (heeft) gemaakt en meer bureaucratische rompslomp met zich meegebracht. Dat hoeft hun speelruimte echter niet in te perken: ze kunnen hun verslaglegging toeschrijven naar wat het beleid wil horen.” Met hun voeten ‘onder de keukentafel’ hebben de uitvoerders nog een, redelijk logische betekenis toegevoegd aan zelfredzaamheid: “professionele hulp zoeken (teneinde in een later stadium alsnog het zelf te kunnen doen of het netwerk te kunnen vragen).” Deze extra categorie maakt dat: “Bijna alles wat een wijkteamlid of een Wmo- consulent doet, (…) als toename van zelfredzaamheid gescoord (kan) worden. En dus kan beleid op papier succesvol zijn, bijna ongeacht wat er in de praktijk gebeurt.”

De auteurs concluderen hieruit dat: “Als we accepteren dat beleidsplan en verantwoording enerzijds en praktijk anderzijds verschillende werelden zijn, dan kunnen we constateren dat het met beide werelden best goed gaat.” Alleen leidt dat tot drie problemen. Als eerste wordt het zelfredzaamheidsideaal: “niet serieus ter discussie (…) gesteld noch nader (…) gepreciseerd; wat in de praktijk geleerd wordt, leidt niet tot reflectie in beleid en politiek.” Als tweede vraagt dit: “veel rituele handelingen (…) van professionals die het al heel druk hebben en weinig baat hebben bij de eindeloze verantwoordingsformulieren.” En als laatste: “kan beleid wél emotionele schade veroorzaken bij cliënten, juist wanneer de professionals beleidsopdrachten heel getrouw uitvoeren en zich dus niet als straatbureaucraten gedragen.” 

De ‘cijfers en woorden’, om het doel van Blauw te parafraseren, komen niet naast elkaar te staan. Niet alleen wordt zo het ‘zelfredzaamheidsideaal’ niet ter discussie gesteld, ook de ideologie waarop de drie genoemde wetten zijn gebaseerd, wordt niet getoetst en ter discussie gesteld. En, zoals ik al eerder schreef, is die ideologie een ‘kaartenhuis’ gebaseerd op aannames.