Uitgelicht

Democratie

In mijn vorige Prikker vroeg ik me af of burgerberaden, zoals Jelmer Mommers en Eva Rovers in de Volkskrant voorstellen, een verrijking zijn voor onze democratie. Met betrekking tot het klimaatbeleid constateren zij dat: “de transitie (…) nog geen gedeeld project van alle Nederlanders (is). Lang niet iedereen voelt zich vertegenwoordigd door de ruim honderd partijen en organisaties die in juni 2019 het Klimaatakkoord sloten. Dus ontbreekt het vaak aan draagvlak, met name waar maatregelen mensen direct in hun straat en in hun woning treffen. Veel mensen voelen zich niet gehoord. Nu is er heel veel aan te merken op de manier waarop het klimaatakkoord tot stand is gekomen.

Verkiezingen: Nieuwe clowns in hetzelfde circus!" | Flickr
Bron: Flickr

Zoals ik in die vorige Prikker al betoogde, hebben we al ‘volksberaden’ die precies dat kunnen wat het door de beide auteurs beoogde burgerberaad kan én zelfs meer: ze kunnen ook nog besluiten. Die beraden zijn de door ons gekozen volksvertegenwoordigingen. Laten we eens wat dieper naar die gekozen volksberaden kijken. Die volksvertegenwoordigingen zijn namelijk niet uit de lucht komen vallen, die zijn langzaam gegroeid naar wat ze nu zijn. Staten Generaal, dat is nu de naam van de Eerste- en Tweede kamer samen. In de zestiende eeuw was het een gezamenlijk vergadering van de vertegenwoordigers van de zeventien provinciën. Die vertegenwoordigers waren geen ‘gewone mensen’. Het waren edelen uit de verschillende provinciën. Zij zagen zich als vertegenwoordigers en belangenbehartigers van het volk. De belangen van dat volk moesten immers behartigd worden bij de vorst. De belangen van dat volk leken erg veel op de belangen van de adel. Adel waarin rijke kooplui zich inkochten via huwelijken. De overgrote meerderheid van het volk had niets te zeggen en in te brengen.

In 1814 werden de Staten Generaal de volksvertegenwoordiging in het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden en vanaf 1815 bestond die volksvertegenwoordiging uit twee kamers. Nu moeten we ook hier het begrip ‘volk’ niet al te breed zien. Tot 1848 werden de leden van de Eerste Kamer door de koning benoemd en de leden van de Tweede Kamer gekozen door de Provinciale Staten waarvan de leden weer uit de ‘edelen en notabelen’ bestonden. In het geheel niet ‘volks’ dus. Vanaf 1848 worden de leden van de Eerste Kamer door Provinciale Staten gekozen en de leden van de Tweede Kamer rechtstreeks door het volk. Nou ja het volk, alleen als je voldoende belasting betaalde, behoorde je tot het volk en mocht je stemmen. Pas sinds 1917 kennen we algemeen kiesrecht voor mannen vanaf 25 jaar en vanaf 1919 ook voor vrouwen. In deze strijd voor meer democratie wijkt Nederland niet zo veel af van andere Europese landen. De eerste keer dat het gehele volk mocht stemmen was in 1923. Pas vanaf dat moment zouden we kunnen spreken van een ‘burgerberaad’. En ook daar zijn kanttekeningen bij te plaatsen.

In de inleiding van zijn boek La contre-démocratie schets de Fransman Pierre Rosanvallon het dubbele van democratie: “Historisch heeft de democratie zich namelijk altijd doen kennen als zowel een belofte als een probleem. De belofte van een stelsel dat afgestemd is op de behoeften van de samenleving die gebaseerd is op de verwerkelijking van de dubbele imperatief van gelijkheid en autonomie. En het probleem van een realiteit die deze nobele idealen verre van ingelost heeft.” Dit heeft er volgens Rosanvallon toe geleid dat: “Het democratisch project (…) zelfs daar waar het was geproclameerd steeds onvoltooid (is) gebleven, of het nu ruw geperverteerd, subtiel versmald of als vanzelf tegengewerkt is. In zekere zin hebben we, in de sterkste betekenis van het woord, nooit volledig ‘democratische’ regimes gekend.” Het stukje parlementaire geschiedenis in de vorige alinea geeft een mooie opsomming van die versmallingen en tegenwerkingen. In zijn pamflet Tegen verkiezingen geeft David Van Reybrouck een bijzondere tegenwerking. Volgens Van Reybrouck is het instrument ‘verkiezingen’ in de basis bedoeld als een ‘tegenwerking’. Volgens Van Reybrouck, en nu vat ik het heel kort samen, zijn verkiezingen bedoeld als een poging van de aristocraten om de macht te behouden. En als je kijkt naar het gros van de parlementariërs in verleden en heden, dan zie je dat de bovenkant van de samenleving er structureel is oververtegenwoordigd. Nu is dat geen bewijs van Van Reybroucks gelijk, wel laat het zien dat mensen met meer macht het makkelijker hebben in een democratie.

In 2012 gaf de al genoemde Rosanvallon de Spinozalezing. In die lezing constateert hij ‘democratische onbepaaldheid’ een begrip dat hij als volgt definieert: “het subject van de democratie, haar doel en procedures (gaan samen) met spanningen ambiguïteiten, paradoxen, aporieën, asymmetrie en overlappingen die de definitie en het begrip ervan  problematisch maken en derhalve ook een bron zijn van de vele vormen van ontgoocheling.”  Rosanvallon onderscheidt er vijf die ik hieronder behandel.

Als eerste zijn er structurele spanningen. Die openbaren zich bij de keuze van de volksvertegenwoordigers. In een volksvertegenwoordiger zoeken we twee kwaliteiten. Als eerste ‘nabijheid’ kan ik me herkennen in de volksvertegenwoordiger of zoals Rosanvallon het beschrijft: “de vertegenwoordiger als valoriserende stand-in, getrouwe uitdrukking en stem van de vertegenwoordigde.” De partij GeenPeil zette tijdens de verkiezingen van 2017 extreem in op ‘nabijheid’. De partij beloofde alle stemmingen via digitale peiling aan het volk voor te leggen en in de Kamer vervolgens te stemmen naar de uitkomst van de peiling. De tweede kwaliteit die we zoeken in een volksvertegenwoordiger is ‘geschiktheid’: “de vertegenwoordiger als vertrouwensman, geïnformeerde afgevaardigde,” aldus Rosanvallon. Twee kwaliteiten die: “elkaar vaak uitsluiten en moeilijk in één vertegenwoordiger te verenigen zijn.”  En, zo vervolgt hij: “Bovendien verwijzen ze vaak naar de waardering van twee verschillende politieke momenten: dat van de verkiezingscampagne en dat van de regeringsdaad.” Als nabijheid het belangrijkste is, dan is loting de beste manier om een volksvertegenwoordiging te kiezen. Zo willen de beide auteurs ook het door hen voorgestelde burgerberaad vormgeven. Zoeken we ‘geschiktheid’ dan zijn verkiezingen beter. Probleem is echter dat we allebei zoeken. Daar komt een ander probleem bij en dat is dat een vertegenwoordiging nooit een afspiegeling van het gehele volk kan zijn. Het ‘burgerberaad’ van de auteurs zal ook tegen de problematiek van ‘nabijheid’ en ‘geschiktheid’ aanlopen. Want vindt iedereen dat de mensen in het beraad hen ‘nabij’ zijn? En zelfs als die nabijheid er is, dan is de kans reëel dat de ideeën waarmee het burgerberaad komt door een flink deel niet ‘geschikt’ wordt gevonden. Een gedragen oplossing is niet per definitie de meest geschikte oplossing.

De tweede ambiguïteit vloeit, volgens Rosanvallon: “voort uit het niet overlappen van twee constitutieve definities van hetzelfde object.” Dat object is ‘het volk’. “Het volk is zowel het korps van burgers, dat naar een idee van eenheid, een vorm van totaliteit verwijst, als een sociale vorm, die diversiteit, pluraliteit en zelfs verdeeldheid impliceert.” Tegenwoordig spelen politici als Wilders en Baudet met die ambiguïteit. Spelen door te spreken over ‘het volk’ als die eenheid terwijl ze slechts een klein deel van de diversiteit van de ‘sociale vorm’ bedoelen. Het volk in de sociale vorm spreekt nooit met één stem en bij onze besluitvorming moet een meerderheid worden gevonden door zoveel onderdelen van de ‘sociale vorm’ achter een voorstel te verzamelen dat er een meerderheid ontstaat. Deze ambiguïteit zal ook in het klimaat ‘burgerberaad’ van de auteurs sluipen. Zoals de auteurs terecht constateren: “bijna iedereen hecht belang aan een gezonde, fijne leefomgeving.” Wat ‘gezond en fijn’ is daar beginnen mensen te verschillen en vooral als het maatregelen betreft om daar te komen, dan verschillen mensen net zo van mening als: “over wat de beste voetbalclub is, wie The Voice moet winnen, en wie de verkiezingen.”

Als derde constateert Roasanvallon ‘functionele asymmetrieën: “Als we in aanmerking nemen dat de democratie het dubbele doel heeft de bestuurders te legitimeren en de bestuurden te beschermen, dan moeten we wel vaststellen dat die twee functies elkaar niet kunnen dekken. De legitimering berust op het vormen van een vertrouwensband tussen bestuurders en bestuurden, terwijl de bescherming van de bestuurden juist uitnodigt tot het organiseren van het wantrouwen” De coronapandemie brengt deze asymmetrie duidelijk naar voren. Maatregelen om de verspreiding van het virus tegen te gaan, roepen veel verzet en wantrouwen op en de legitimiteit van de maatregelen wordt ter discussie gesteld.

Als vierde moeten we democratie zien in haar tijd en ruimte. Volgens Rosanvallon: “is er een duidelijk verschil tussen een democratie op het moment van haar constitutie en een permanente democratie.” Wat democratisch is en welke instituties er nodig zijn verschilt in de tijd. Rosanvallon geeft een voorbeeld: “Op het moment van de Franse Revolutie leek het ondenkbaar om vertegenwoordigers te kiezen voor de duur van meer dan een jaar; bovendien werd er elke week een nieuwe voorzitter van het parlement gekozen!” Naast ‘tijd’ kan ook ‘ruimte’ variëren. Met ‘ruimte’ bedoelt hij dat wat de kern is van de democratie. Rosanvallon: “lange tijd heeft men gedacht dat het gezin de werkelijke school van de democratie was, omdat men in het gezin er het duidelijkst vorm aan geeft. Anderen zeiden dat het lokale niveau de school van de democratie is, omdat de vanzelfsprekendheid van de gemeenschap zich niet hoeft uit te drukken door middel van de oprichting van een institutie. De groep bestaat er direct als gemeenschap.” De recente decentralisatie van verantwoordelijkheden naar gemeenten werd onderbouwd met argumenten in deze lijn. Sinds het midden van de negentiende eeuw is de natie echter dé, om Rosanvallons woord te gebruiken, school van de democratie. Tegenwoordig ondervindt die school concurrentie van een nieuwe supranationale, namelijk de Europese Unie maar ook van het lokale. Bij het aanpakken van de klimaatproblematiek speelt ‘ruimte’ een belangrijke rol. Klimaat trekt zich immers niets aan van door de mens verzonnen ‘fictionele feitelijkheden’ als landsgrenzen.

Als laatste kent democratie, zoals Rosanvallon het noemt: “pluraliteit van vormen en domeinen.” Wat moeten we hieronder verstaan? “De democratie is natuurlijk een politiek stelsel. Maar ze omschrijft ook vormen van burgeractiviteit, die verder reiken dan alleen deelname aan verkiezingen: debat, het woord nemen, informatie, participatie, betrokkenheid. Ze is ten slotte een samenlevingsvorm die gebaseerd is op het project een wereld van gelijken op te bouwen.” Een wereld van gelijken waarbij iedereen betrokken is, iedereen het woord kan nemen, zich kan informeren. Daarvoor is geen apart ‘burgerberaad’ nodig.

Een andere aanpak, zoals het door de auteurs voorgestelde burgerberaad leidt wellicht tot andere resultaten, maar of het er ook voor zorgt dat iedereen zich gehoord voelt? Of het resultaat op draagvlak bij iedereen kan rekenen? Of er niet aan de legitimiteit van de oplossingen zal worden getwijfeld? Of er niet aan de ‘ruimtelijkheid’ zal worden getwijfeld? Het lijkt mij sterk dat een burgerberaad de vijf door Rosanvallon benoemde punten oplost.

Risicoslavernij

                “Na jarenlang debat in de Tweede Kamer en onder meer een pleidooi van Albrecht Frederik Insinger voor een zo gunstig mogelijke financiële compensatie voor het bedrijf, keerde de Nederlandse overheid in 1863 300 gulden uit per ‘vrijgemaakte slaaf’ aan alle slavenbezitters.” Schrijft Karin Lurvink bij OneWorld over een gebeurtenis zo’n 150 jaar geleden. En die slaven moesten ook nog zo’n tien jaar doorwerken voor hun oude ‘eigenaar’. In haar artikel geeft Lurvink aan dat Nederlandse banken en verzekeringsmaatschappijen flink hebben verdiend aan de slavernij en daar moet voor haar meer aandacht voor zijn. Want door die aandacht: wordt de reikwijdte van de betrokkenheid bij en impact van slavernij pas echt duidelijk.”  Een andere vraag is echter veel interessanter: hoe komt het dat de slavendrijvers werden gecompenseerd en de voormalige slaven daarvan de schade nog tien jaar moesten betalen?

Bron: Pixabay

                Nu hebben die slaven nog geluk als je het vergelijkt met de Russische lijfeigenen. Lijf, leden en leven van een lijfeigenen stonden, net als dat van een slaaf, geheel ter beschikking van de eigenaar van het land. De lijfeigene was gebonden aan de grond. Werd de grond verkocht, dan werden de lijfeigenen mee verkocht. Aan dat lijfeigenschap kwam in 1861 een einde, twee jaar voordat Nederland de slavernij afschafte. Daarmee was de ellende van de lijfeigene echter nog niet voorbij. Zoals de historicus Michael Lynch het schrijft: “Impressive though these freedoms first looked, it soon became apparent that they had come at a heavy price for the peasants. It was not they, but the landlords, who were the beneficiaries. …  The compensation that the landowners received was far in advance of the market value of their property. They were also entitled to decide which part of their holdings they would give up. Unsurprisingly, they kept the best land for themselves. The serfs got the leftovers. The data shows that the landlords retained two-thirds of the land while the peasants received only one-third. So limited was the supply of affordable quality land to the peasants that they were reduced to buying narrow strips that proved difficult to maintain and which yielded little food or profit. Moreover, while the landowners were granted financial compensation for what they gave up, the peasants had to pay for their new property. Since they had no savings, they were advanced 100 per cent mortgages, 80 per cent provided by the State bank and the remaining 20 by the landlords. This appeared a generous offer, but as in any loan transaction the catch was in the repayments. The peasants found themselves saddled with redemption payments that became a lifelong burden that then had to be handed on to their children.”  Van overerfbaar lijfeigenschap naar overerfbaar schuldenaarschap.

                Terug naar de vraag. Hoe komt het dat de veroorzakers van schade een vergoeding krijgen? Een vergoeding betaald door degenen die er de meeste schade van ondervonden? Dat is een interessante vraag. Een vraag die we ons ook tegenwoordig nog steeds kunnen stellen. Zo werden na 2008 de banken en financiële instellingen die de crisis hadden veroorzaakt, gered. De rekening ervan werd afgewenteld op de burgers in de vorm van belastingen en bezuinigingen.

Een vraag die je ook kunt stellen bij het beperken van de maatschappelijke schade door de coronacrisis. Zo schrijft Jelmer Mommers bij De Correspondent over de eerste maanden na de uitbraak van de corona-pandemie: “De regering was ondertussen de oude, oneerlijke economie in zijn geheel aan het redden. Belastingontwijkers, grote vervuilers, luchtvaartmaatschappijen – iedereen kreeg steun.”  Niet dat het coronavirus een gevolg is van acties van die ‘belastingontwijker en vervuilers’. Nee, dat niet. Het zijn echter wel die ‘belastingontwijkers en vervuilers’ die de maatschappij grote schade toebrengen, die nu worden gecompenseerd.

                Het antwoord op de vraag waarom de schadeveroorzakers worden beloond en degenen die de schade ondergaan worden bestraft, is even logisch als simpel: ‘omdat ze het kunnen!’ En waarom kunnen ze het? ‘Omdat ze de macht hebben.’ De macht om zaken in een voor hen gunstige richting te sturen. De oude slavenhouders bevolkten de parlementen die de slavernij moesten afschaffen. De vervuilende en belastingontwijkende bedrijven van tegenwoordig zitten niet in de parlementen. Alhoewel niet? Hoeveel parlements- en kabinetsleden hebben niet een verleden bij grote bedrijven. En vooral, hoeveel van hen hopen niet op een toekomst bij een van die bedrijven? De huidige premier van Nederland heeft een verleden bij Unilever, oud-ministers zitten nu in de top bij banken. Een voormalig staatssecretaris is topman bij Schiphol. Bouwend Nederland wordt al decennia geleid door voormalig ministers. Om een paar voorbeelden te noemen.

                “Veel rechtsvoorgangers van oude Nederlandse bedrijven zijn betrokken geweest bij slavernij; het was onderdeel van business as usual. Als deze bedrijven hun lange geschiedenis belichten, zouden zij zich niet alleen moeten richten op het ‘glorieuze’ deel. Door hun slavernijgeschiedenis te benoemen kan in Nederland het besef toenemen dat verschillende bedrijfstakken bij slavernij betrokken waren en dat dit een grotere impact heeft gehad op de samenleving en economie dan tot nu toe wordt verondersteld.” Zo concludeert Lurvink. Als historicus juich ik het toe dat het verleden tegenwoordig veel aandacht krijgt. Alleen lijkt er hierbij geen aandacht te worden besteed aan het belangrijkste dat de bestudering van het verleden laat zien. Dat is dat het altijd om macht draaide en draait. Dat zij die de macht hebben, de zaken naar hun hand zetten. Daarbij heeft het weinig toegevoegde waarde om ‘de strijd tegen de vroegere slavenhouders’ nogmaals over te doen. Dan heeft het meer effect om te strijden tegen huidige ‘slavenhouders’. Echte slavenhouders maar ook ‘vervuilende en belastingontwijkende’ bedrijven die ons als hun ‘slaven’ gebruiken voor de risico’s die zij nemen.