Racisme

Op de site OneWorld een artikel over het al dan niet met een hoofdletter schrijven van zwart als daarmee de huidskleur van iemand wordt bedoeld. En dan meteen ook de vraag erbij of dat bij wit dan ook weer moet als het woord wordt gebruikt om iemand huidskleur te beschrijven. Een bijzondere discussie. De in Accra geboren mensenrechtenactivist W.E.B. Du Bois (1868-1963) schijnt ervoor te hebben gepleit om het nu verfoeide n-woord met een hoofdletter te schrijven, zo lees ik in het artikel. Nu schijnt er dus een roep te zijn om zwart als het om huidskleur gaat, met een hoofdletter te schrijven.

Waarom zwart met hoofdletter om de huidskleur van iemand aan te duiden? Volgens de auteur van het artikel, Olave Nduwanje, is dat al een heel oude discussie: “In 1878 gaf de Zwarte Amerikaanse advocaat, schrijver en oprichter van het weekblad Chicago Conservator Ferdinand Lee Barnett zijn redactioneel commentaar de titel: ‘Spell It With a Capital’. Hij schreef dat het woord ‘negro’ (destijds een gebruikelijke aanduiding voor Zwarte mensen) met een kleine letter Zwarte mensen stigmatiseert en vernedert. Immers: ‘De Fransen, Duitsers, Ieren, Nederlanders, Japanners en andere nationaliteiten worden geëerd met een hoofdletter, maar de arme zonen van Ham moeten de last dragen van een kleine n.” Een bijzondere redenering want als we die volgen dan zou er een Zwartland moeten zijn, net zoals er een Finland of Frankrijk is. Zo zie je maar weer dat woorden tijdsgevoelig zijn. Du Bois en Barnett waren als lid van de groep zo trots op het n-woord dat ze er een N-woord van wilden maken. Nu zit het woord, hoofdletter of niet, in de taboehoek

De roep om een hoofdletter is niet onomstreden: “De meest diverse etnische groep op aarde onder één geschiedenis, gevoel en gemeenschap scharen, stuitte Zwarte schrijvers als Vilna Bashi Treitler, Claudia Rankine, Richard J. Powell, Badia Ahad-Legardy, Ayanna Thompson tegen de borst. Zij werpen op dat de meeste Afrikanen en mensen in de diaspora zich juist identificeren aan de hand van hun specifieke etniciteit. Ze noemen zich bijvoorbeeld Yoruba, Igbo, Burundees, Masai, Peul, Wolof, Zulu of Banyamulenge.”

Bovendien leidt de discussie om zwart met een hoofdletter te schrijven als het een verwijzingen naar iemands huidskleur is, ook tot te vraag: ‘en hoe doen we dat dan met ‘wit’ als je iemands huidskleur wilt aanduiden?’ Ook daarover wordt weer van mening verschild. “Wit met een hoofdletter is beladen omdat Amerikaanse ‘white supremacy’-groeperingen zoals de Ku Klux Klan en het Stormfront wit al heel lang met een hoofdletter schrijven. Zij hebben het over White power, White supremacy, White race. Kun je wit met een hoofdletter schrijven zonder geassocieerd te worden met groepen en individuen die menen dat witte mensen behoren tot een ‘superieur ras’?” Zo betoogt de ene kant. De andere kant werpt tegen: “’Wit’ geen ras noemen is in feite een anti-Zwarte daad waarmee je Witheid neerzet als neutraal en als de standaard. Wij vinden het belangrijk om de aandacht te vestigen op Wit als ras om zo te begrijpen en ruchtbaarheid te geven aan hoe Witheid functioneert.”

Het denken in kleuren en rassen blijft actueel. Amma Asante schrijft in een column bij De Kanttekening: “Racisme is geen mening en heeft met vrijheid al helemaal niets te maken.” Zij schrijft dit naar aanleiding van walgelijke uitspraken van FvD Kamerlid Freek Jansen die beweerde dat ‘Nederlanders een minderheid worden in hun eigen land’ en dat mensen die hiernaartoe zijn gemigreerd, terug moeten naar hun eigen land: “Ze moeten gewoon weg.” Terecht ergert Asante zich aan de manier waarop deze politici met fluwelen handschoenen worden aangepakt: “Wanneer xenofobe, islamofobe en racistische politici, die de stem van ‘de hardwerkende Nederlander’ vertolkten, te gast waren in televisieprogramma’s, dan werden hun abjecte ideeën niet getoetst langs kritische vragen. Nee, uit angst dat hun kiezers boos werden en zouden wegzappen, werd alles uit de kast gehaald om hen zo normaal en menselijk mogelijk neer te zetten. Er werd gezellig op los gekeuveld over koetjes en kalfjes en hun huisdieren, zoals de poes van Wilders door Eva Jinek.”  Dit heeft ervoor gezorgd dat: “Racisme (…) normaal (is) geworden. Racisme (…)een podium (heeft) gekregen. Racisme (…) politieke macht” heeft, zoals Asante schrijft. We hebben: “racisme onvoldoende een halt durven toe te roepen. De geest is uit de fles en moet er weer in terug. Door vanaf nu keihard de norm te stellen.”

In de strijd tegen discriminatie moet inderdaad een harde norm worden gesteld en gehandhaafd. Daar vindt Asante mij aan haar zijde. Toch wringt er iets in haar betoog. ‘Racisme is geen mening’, schrijft Asante. Als racisme iets is, dan is het een mening. Een mening gebaseerd op compleet verkeerde informatie en een mening die geuit mag worden. Maar, en daar kom ik bij de ‘fluwelen handschoenen’ en de angst voor ‘wegzappen’, niet iedere mening hoeft gehoord te worden. Er is niets mis met het weren van meningen van de kijkbuis ook al voelen mensen zich dan gepasseerd. Compleet verkeerde informatie omdat alle mensen op deze Aarde behoren tot één en hetzelfde ras, namelijk de Homo sapiens. Of de roman Ze zijn er nog  van de Venlose auteur Fons Wijers moet op waarheid berusten, dan loopt er nog een tweede mensenras, de Neanderthaler, op aarde en die vrezen de Sapiens vanwege juist hun onderlinge haat en wreedheid.

En daarmee kom ik bij de Duitse filosoof Marcus Gabriel. In zijn boek Morele vooruitgang in duistere tijden besteedt hij ook aandacht aan de illusionaire identiteitspolitiek van zowel links als rechts. Gabriel: “Het doel van morele voortuitgang op het gebied van racisme is het volledig overwinnen van de indruk dat er moreel relevante verschillen tussen mensen bestaan die in termen van ras zouden kunnen worden gemeten …. Er bestaat alleen racisme, rassen bestaan niet, net zoals er een heksenjacht bestond, maar geen heksen.[1] Zouden we racisme werkelijk overwinnen door te blijven hameren op ras, zoals met de ‘letterdiscussie’ gebeurt? Zorgt dat er niet voor dat racisme normaliseert, een podium en politieke macht blijft krijgen?


[1] Marcus Gabriel, Morele vooruitgang in duistere tijden, pagina 224

Zijn ze er nog?

Er zijn mensen die niet geloven dat Neil Armstrong op de maan heeft gelopen. Dat zou een hoax zijn, een complot. Dat kan, ik geloof het echter niet. Want de kans dat geen van al die betrokkenen bij NASA zich ooit een keer verspreekt, is erg klein. De natuurkundige David Robert Grimes maakte er een berekening van en kwam tot de conclusie dat dit complot maar 3,7 jaar geheim zou zijn gebleven. Dat zou betekenen dat al in februari 1973 bekend zou moeten zijn dat Armstrong niet op de maan heeft gelopen. En waarschijnlijk al eerder omdat dan ook al eerder bekend zou zijn dat de raket die  juli 1969 opsteeg, niet naar de maan zou gaan. Toch zijn er geheimen die het veel langer uithouden. Eén geheim zelfs al een jaar of 40.000. Als de debuutroman Ze zijn er nog van Venlonaar Fons Wijers op waarheid berust.

Eigen foto

“In een bos bij München ligt een corpulente man wiens schedel met een scherpe steen is gespleten. Vijftien maanden eerder raken twee Nederlandse toeristen verzeild in een afgelegen dorp in de Karpaten. De mensen daar zien er wat vreemd uit. Een jaar later keren zij terug naar het dorp met een Duitse amateurarcheoloog. Ze vinden aanwijzingen dat de inwoners nazaten zijn van neanderthalers, die zich gelijkwaardig aan de Homo sapiens hebben ontwikkeld. Door list en bedrog loopt het uit de hand.” Aldus de tekst op de achterkant van Wijers’ roman. Zou het echt zo kunnen zijn?

 Ik ben onvoldoende onderlegd in de wiskunde om de formule die Grimes hanteert, goed uit te kunnen leggen. Daarom maar de simpele verklarende versie van de formule die Sanne Blauw bij De Correspondent geeft. Blauw noemt het een ‘vrij simpel statistisch model’ en beschrijft de drie belangrijkste ingrediënten voor de formule. “Allereerst, de jaarlijkse kans dat een persoon het geheim onthult, ofwel per ongeluk.”  Volgens Grimes is de kans dat er iemand uit de school klapt 4 op één miljoen.

En daarmee wordt het tweede element belangrijk: “het aantal mensen dat van de samenzwering weet.” Nu wordt uit Wijers’ roman niet duidelijk hoeveel Neanderthalers er nog rondlopen. In de roman wordt gesproken over nog twee groepen, een in Roemenië en één in de Kaukasus. Daarnaast worden twee andere groepen genoemd die inmiddels niet meer bestaan. Eentje bij Gibraltar en een andere in de Ardennen. In zijn boek Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid slaat Yuval Noah Harari er een onderbouwde slag naar. Hij haakt aan bij het onderzoek naar groepsgrootte bij chimpansees en komt uit op een groepsgrootte van tussen de twintig en vijftig. Als het er meer worden dan “raakt de sociale orde uit balans, wat uiteindelijk leidt tot een breuk en de vorming van een nieuwe troep door een deel van de dieren. Het is maar een paar keer voorgekomen dat zoölogen groepen van meer dan honderd chimps hebben kunnen observeren.[1] Als we rekenen met vijftig per groep, vier groepen en vier generaties per eeuw, dan zijn dat 80.000 individuen per groep. Voor vier groepen komt dat neer op 320.000 neanderthalers.

Met Grimes 4 op de miljoen, betekent dat er in die 40.000 jaar ongeveer 1,3 individuen zijn die uit de school klappen. Dat is niet veel. Zeker niet als je je realiseert dat die kletskous de eerste pakweg 35.000 jaar weinig kans had om te kletsen. De kans om een homo sapiens tegen het lijf te lopen was klein want zoveel waren er niet. In enig jaar is de kans 0,0008 dat het geheim uitkomt en in het heden nog maar 0,0004 omdat er nog maar twee groepen zijn. Een kans wordt uitgedrukt in een getal tussen de 0 en 1. Daarbij is 0 kansloos en bij 1 dan gebeurt het zeker. Die 0,0008 valt in de categorie behoorlijk kansloos en 0,0004 eveneens. En daarmee hebben we het laatste element uit Grimes kansberekening: “de groei dan wel krimp van die betrokken groep mensen.” In het geval van de neanderthalers is het dus krimp. Het aantal groepen is gekrompen van vier naar twee en het verhaal lezend moet je concluderen dat het die twee groepen zeer veel moeite kost om zich in stand te houden. Dus als er ‘er nog zijn’ en ze willen dat geheim houden, dan wordt dat steeds makkelijker. Maar met het makkelijker worden, wordt de kans ook groter dat ze er opeens niet meer zijn.

Echter onwaarschijnlijke dingen gebeuren. In Wijers’ roman zijn ‘ze’ er dus nog en worden ze per ongeluk ‘ontdekt’. In die ontdekking spelen twee Nederlanders en dus die Duitse amateurarcheoloog een belangrijke rol. Op meeslepende wijze neemt Wijers de lezer mee door het verhaal van de ontdekking of toch niet? Een verhaal waarin het liep zoals beschreven maar het had net zo goed anders kunnen lopen. Had het niet zo hard geregend of was het plaatsnaambord wat groter, dan was er geen verhaal geweest. Was de vriend van de Duitser meegegaan, dan was het een heel ander verhaal. Was die onbekende jonge vrouw niet verkracht en vermoord, dan ….


[1] Yuval Noah Harari, Sapiens. Een kleine geschiedenis van de mensheid,  pagina 35