Uitgelicht

Donkere kanten

“In 1217 ontving Ala ad-Din Mohammed II, de sjah van het uitgestrekte, machtige Chorasmische Rijk, een boodschap van de leider van een nieuwe grootmacht die was opgekomen in het oosten. ‘Ik ben de meester van de landen van de rijzende zon,’ luidde het bericht, ‘en u heerst over die van de ondergaande zon. Laat ons een krachtig vriendschaps- en vredesverdrag sluiten.’ Er werd een handelsovereenkomst tussen de twee machten voorgesteld die beide veel voordeel zou brengen.[1] Zo begint de paragraaf Hoe verlies je een wereldrijk (zonder daar echt je best voor te hoeven doen) in het boek De Mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups van Tom Phillips. Ik moest hieraan denken na het lezen van een artikel van historicus Matthias van Rossum in de Volkskrant.

Trebuchet, Katapult, Middeleeuwse Wapen
Een Trebuchet Bron: Pixabay

“Banda herinnert ons vooral eraan dat het Nederlandse slavernijverleden wereldwijd was. En dat deze slavernij deel was van een breder spectrum van koloniale wandaden – van deportaties en ontvolkingen, maar bijvoorbeeld ook het cultuurstelsel. Het is tijd om deze onderbelichte schaduwzijde van het Nederlandse koloniaal verleden in de meest brede zin bespreekbaar te maken en een plaats te geven.” Met die woorden eindigt Van Rossum zijn artikel. Voor de historisch wat minder onderlegden, met Banda doelt Van Rossum op de acties van Jan Pieterszoon Coen op de Banda-eilanden. Daar hield Coen huis door het grootste deel van de bewoners van de eilanden te vermoorden. Dit als een soort ‘straf’ voor de steun die zij aan de Engelse hadden gegeven. ‘Wandaden’ en ‘schaduwzijden’ zijn waardeoordelen waarbij de huidige eigen waarden als ‘hoogste op de waardenladder’ worden geplaatst. Doorredenerend zou dat kunnen betekenen dat een vijfentwintigste-eeuwer onze huidige daden bestempelt als ‘wandaden’ en ‘schaduwzijden’.

Maar wat als we de andere kant op redeneren? Als we vanuit de zeventiende-eeuw teruggaan in de tijd? En daarbij moest ik denken aan de passage waarmee ik begon. Het Chorasmische rijk lag in Centraal Azië begrensd door de Kaspische zee en de Perzische golf en omvat delen van het huidige Iran, Afghanistan, Turkmenistan, Oezbekistan en Kazachstan, het centraal Aziatisch laagland. Met binnen haar grenzen Samarkand, Merv en Bukhara, steden die een belangrijke rol speelden in de handel langs de Zijderoute. In 1217 ontving de sjah van het rijk dus dat bericht. Een bericht verzonden door Timudjin, beter bekend met zijn titel Djengis Khan, dat, geheel onbescheiden, ‘heerser van de wereld’ betekent.

Hoe het afliep is bekend. Sjah Mohammed, en dat is geen goed teken, wordt alleen maar herinnerd omdat hij de laatste heerser van het Chorasmische rijk was. Hij negerde het verzoek om een vredesverdrag te sluiten tot twee keer. Nou ja negeren, hij liet de Mongoolse gezanten en handelaren vermoorden en eigende zich de giften en handelswaar die ze hadden meegenomen toe. Met een leger van tussen 100.000 en 150.000 man trok Djengis op naar het Chorasmische rijk. Hoe dat in die tijd ging? “Armies on the move had always lived off the land, by robbery and pillage. They could do nothing much with their victems, except send the artisans back to their HQ, kill the men, rape the women, enslave the children. They had little interest in prisoners, for prisoners would undermine their flexibility that made conquest possible.[2]Zo beschrijft John Man het in zijn boek The Mongol empire. Genghis Kahn, his heirs and the founding of modern China.” Dit Mongoolse leger was anders dan de eerdere. In hun tochten in China hadden de Mongolen steden moeten belegeren en daarvoor waren grote werktuigen nodig zoals trebuchets, zeer grote katapulten waarmee grote stenen konden worden weggeslingerd en arcuballista’s, zeer grote kruisbogen. Die gingen mee en maakten dat het leger iets minder snel kon optrekken. Het betekende echter ook wat voor de gevangen. Gevangen handwerkslieden werden als slaven in hun specialisme aan het werk gezet. Verder konden de soldaten onder hen onder begeleiding als soldaten worden ingezet voor minder cruciale taken. Het gewone volk onder hen werd als een soort ‘kanonnenvoer’ ingezet en werd door de Mongolen vooruit gedreven in de richting van de in te nemen stad. Dit met twee doelen, als eerste om hen de ergste klappen te laten opvangen en als tweede omdat het de verdedigers kon ‘verlammen’ omdat ze zo op hun eigen mensen moesten schieten en inhakken.

Als Phillips gelijk heeft dan had dit allemaal voorkomen kunnen worden. Volgens Phillips was de hele strijd het gevolg van spraakverwarring. “’Ik ben meester van de landen van de rijzende zon en u heerst over de ondergaande zon’ was waarschijnlijk bedoeld als een simpele geografische oost-westaanduiding en vermoedelijk wilde Djengis hun status als gelijken benadrukken, maar je kunt de boodschap ook anders vertalen: ‘Ik ben de koning van de zonsopgang en u bent de koning van de zonsondergang. Als je het zo ziet, lijkt het ineens of Djengis een enorme schaduw over de ander werpt.[3] Dit even terzijde.

Nu is dit maar één voorbeeld in een lange reeks die laat zien dat de geschiedenis van de mens wreed en bloedig is. Volgens Van Rossum is “Het vraagstuk (…) eerder hoe we deze donkere kanten van het Nederlandse verleden beter kunnen begrijpen en verwerken.” Dat begrijpen begint met het realiseren dat dergelijk gedrag eerder regel is dan uitzondering. Dat de geschiedenis vol zit met ‘wandaden’ en ‘schaduwzijden’ als we haar afzetten tegen onze huidige normen en waarden. Sterker, dat onze huidige normen en waarden eerder een nog niet algemeen aanvaarde uitzondering vormen. Daar moeten we blij mee zijn. We moeten eraan werken dat ze nu overal aanvaard worden en ervoor waken dat we niet terugvallen van onze uitzondering naar de historische regel. Dat is het brede historische spectrum waarin we alle, ook het koloniale, verleden een plek moeten geven.


[1] Tom Phillips, De mens. Een kleine geschiedenis van onze allergrootste fuck-ups, pagina 219

[2] John Man, The Mongol Empire. Genghis Kahn, his heirs and the founding of modern China, pagina75

[3] Phillips, pagina 222

Ik doe niet mee!

Identiteit, door de Van Dale omschreven als “eigen karakter.”  Identiteit, het staat tegenwoordig centraal in zo ongeveer elk politiek debat, want dan wordt identiteit van het individuele naar het collectieve niveau getild, naar het niveau van de ‘Nederlandse identiteit’ bijvoorbeeld. De regeringspartijen besteedden er al aandacht aan in hun regeerakkoord en daar heb ik me al eerder over uitgelaten omdat het woord wordt gebruikt om mensen buiten te sluiten. Nu las ik iets bijzonders op de site Opiniez, de site die lastig omgaat met een weerwoord.

holle-bolle-gijs-339478_960_720

Foto: pixabay.com

Op deze site een artikel van Robert Bor. “De beroepsdrammers beitelen zeer succesvol aan het fundament van de Nederlandse identiteit. Telkens weten ze er een stuk af te houwen. Langzaamaan verdwijnen eeuwenoude tradities en wordt de geschiedenis net zo lang herschreven totdat zij past in het utopische streven.” Wat is dan die Nederlandse identiteit? volgens Bor wordt die gevormd door zwarte piet, monsieur Cannibale in de Efteling, cowboys en indianen, Jan Pieterszoon Coen en een film over Michiel de Ruyter. Nu valt er veel te zeggen over de criticasters van al deze zaken. Dat enkelen er bijzondere theorieën op na houden, dat er zijn die in fabeltjes geloven en dat er zijn die de geschiedenis plooien naar het heden.

Nu ben ik Nederlander en vier ik sinterklaas, heb ooit wel eens de Efteling bezocht, cowboy en indiaantje gespeeld, geschiedenis gestudeerd en tijdens die studie kwamen De Ruyter en Coen voor. Dat de Nederlandse identiteit daarmee bestaat uit zwarte piet, en Monsieur Cannibale, de cowboys en indianen, Coen en De Ruyter tot de ‘fundamenten van de Nederlandse identiteit’ behoren, gaat dat niet wat ver?

Volgens Bor verdienen die beroepsdrammers: “een krachtig antwoord van trotse, Nederlandse burgers, verenigd in hun afkeer van de ondermijning van onze gekoesterde identiteit.” Beste meneer Bor, als Nederlander kan ik u zeggen: ik doe niet mee!

Voor mij wordt het fundament van de Nederlandse identiteit niet gevormd door voorgeschreven ‘belangrijke tradities’ of historische figuren’. Voor mij wordt die gevormd door de ruimte die onze rechtstaat biedt om jezelf te zijn en je eigen inspiratiebronnen te kiezen. Door de vrijheid om af te wijken van de ander. De vrijheid om je eigen ‘identiteit’ te bepalen en evenzoveel ruimte voor een ander om zijn ‘identiteit’ te bepalen.