Uitgelicht

De ‘Gouden Eeuw’

“De term Gouden Eeuw is op zichzelf gebouwd op geschiedvervalsing en op een achterhaald 19e eeuws beeld van het verleden.” Dit schrijft Lasse van Dikkenberg bij Joop naar aanleiding van het besluit van het Amsterdams Museum om de term ‘Gouden Eeuw’ in de ban te doen. “De term Gouden Eeuw is in de 19e eeuw ontstaan vanuit een nostalgische verering van het koloniale verleden. Het ging hier specifiek om de zaken die wij nu als negatief ervaren, zoals bijvoorbeeld de VOC en de WIC. De term kon alleen ontstaan doordat niet-elitaire perspectieven, zoals die van arbeiders of slaven, werden genegeerd.” 

De rode lijnen geven de grens van ‘t nieuwe koninkrijk België aan vóór de erkenning door Nederland in 1839.

Zou er iemand in de Gouden Eeuw op het idee zijn gekomen om die eeuw de Gouden Eeuw te noemen? Ik denk het niet. Het is niet uitzonderlijk dat tijdperken pas nadien worden geduid en benoemd. Sterker nog, het is regel. Een middeleeuwer zou zijn tijd zelf nooit middeleeuwen noemen. Hij leefde toen, net als wij nu, aan het ‘einde’ van de geschiedenis. Na hem was er niets. Om zijn tijd middeleeuwen te kunnen noemen, zou hij moeten weten waartussen ‘zijn eeuwen’ het midden waren. Zo noemen we nu het tijdperk tussen de twee wereldoorlogen het interbellum. Die naam konden ze er in 1929 nog niet aan geven. Er was immers pas één wereldoorlog geweest.

Als geschiedkundige heb ik het altijd al bijzonder gevonden dat na de middeleeuwen de nieuwe tijd en daarna de nieuwste tijd kwam. Immers wat zou er dan na de nieuwste tijd moeten komen? De allernieuwste tijd? Nee, historische tijdperken krijgen hun naam en betekenis altijd pas achteraf. Die naam en betekenis houden altijd verband met de tijd die erna kwam, met het heden dus. Het is daarom niet vreemd dat de negentiende-eeuwers de periode voor hen benoemden in het licht van hun heden. Voor iedereen die leeft is zijn tijd de ‘nieuwste tijd’. Een nog nieuwere is er immers niet. 

Inderdaad zal dit zijn gedaan als een ‘nostalgische verering van het verleden’, zoals Dikkenberg schrijft. In die negentiende eeuw ontstond er immers ineens een land: het koninkrijk der Nederlanden (het grondgebied omvattend van de huidige landen België, Luxemburg en Nederland). Een land dat door het ‘gesol’ der grootmachten ontstond, zoals ik in mijn vorige Prikker schreef. Een land waar delen iets met elkaar hadden en delen ook niets. Zo hadden de oude zeven provinciën iets samen, maar hadden ze ondertussen niets meer met het Zuidelijk deel en dat bleek nog geen twintig jaar later. Het Zuidelijke deel kwam in opstand en scheidde zich af. Een deel van de opstandige gebieden, het grootste deel van de huidige Nederlandse provincie Limburg dat de Belgische kant had gekozen, ging weer terug naar Nederland. Het Noordelijke deel en de koning hadden dit maar te slikken omdat de grootmachten de kant van de Belgen kozen.

Dat gebrek zeggenschap en het ‘verlies’ van het zuiden, moest worden gecompenseerd en die compensatie werd gezocht in het verleden. Laat dat nu de zeventiende eeuw zijn, een tijdperk dat de ‘Hollanders’ solden en een belangrijke macht waren. Door een beroep te doen op de ‘glorie van weleer’ en personen die daarin een rol hebben gespeeld tot held te verklaren, werd dat verleden nog wat verder opgepoetst.

Je beroepen op een ‘glorieus verleden’ om meer te lijken dan je bent is een vrij normaal mechanisme om dat tegenwoordig ook nog zijn werk doet. Zo zie je in Rusland een toenemende trots op het Sovjet verleden en de ‘Grote Vaderlandse oorlog’ waarbij de ‘grootsheid van de Sovjet Unie op de huidige Russen en vooral hun leider moet stralen. Bij de Engelsen zie je ook nostalgie naar de tijd dat ‘Britania’ over ‘the waves’ regeerde en Europa verdeelde zodat het kon heersen, zoals ik in die vorige Prikker schreef. Veel Brexeteers willen dat dit verleden weer heden wordt.  


Slavernij-museum

“De realisatie van een slavernijmuseum kan alleen door de ervaringen en perspectieven van zwarte mensen nu echt voor het eerst dominant te maken.”

Een van de laatste zinnen uit een artikel van Aicha Hamdi bij Trouw. Volgens Hamdi wordt het tijd dat er ook in Nederland een slavernij-museum komt, een pleidooi dat ik alleen maar kan onderschrijven. De rol die slavernij heeft gespeeld in de wereld is een eigen museum waard.

Romeinse slaven

Foto: Wikimedia Commons 

Toch maak ik me wat zorgen over het slavernij-museum. Zorgen om de geciteerde zin uit het artikel van Hamdi. Zorgen ook om zinnen als: “Want ook vandaag de dag zijn de effecten van kolonialisme en slavernij merkbaar. Denk maar aan raciale ongelijkheid, racisme en stereotiepe, schadelijke beelden die er bestaan over de ander.” En: “Als er in het dominante discours wordt gesproken over de vaderlandse geschiedenis en de Gouden Eeuw wordt niet de gepaste aandacht besteed aan de duistere zijde van die tijd. Dat dit tijdperk voorheen als positief werd ervaren is evident, maar in een multiculturele samenleving, in 2017, is dit onacceptabel.”

Ja, een slavenij-museum moet aandacht besteden aan de transatlantische slavenhandel. Aan de rol van alle handelaren, welke ‘kleur’ ze ook hadden, dus ook de donker gekleurde en Arabische slavenhandelaren. Aan de rol van de plantage eigenaren en vooral ook aan het leed dat de slaven werd aangedaan. Aan het dagelijkse leven van slaven. Aan het proces dat leidde tot de afschaffing van de slavernij en wie daarin welke rol speelde.

Slavernij kent echter een veel langere en bredere historie en die mag in een goed slavernij-museum niet ontbreken. Neem de slavernij bij de oude Egyptenaren, de Grieken en het Romeinse rijk. De rol die slavenij (horigheid en lijfeigenschap) speelde in de middeleeuwen. De rol die slavernij speelde bij de Inca’s, de Maya’s, in het Chinese rijk, in de Indiase geschiedenis en zeker ook in Afrika. En, zeker zo belangrijk, de rol die slavernij speelt in onze huidige samenleving. Er wordt immers nog steeds in mensen gehandeld en mensen (en kinderen) worden nog steeds onder erbarmelijke omstandigheden tewerkgesteld.

Ik maak me zorgen omdat ik dit pleidooi voor perspectief mis bij de meest fervente pleitbezorgers van een slavernij-museum. De drie genoemde passages uit Hamdi’s artikel wakkeren mijn vrees aan. Ik vrees omdat ik denk dat vele ‘activisten pas tevreden zullen zijn als er een museum staat waarin hun echte en vermeende ‘dominante ervaringen en perspectieven van zwarte mensen’ van nu, centraal zullen staan. Een geschiedenis die volledig in dienst staat van de huidige opvattingen van de activisten. Opvattingen die een lineair en causaal verband leggen tussen de huidige achterstand op de arbeidsmarkt en de eerste tocht van Columbus. Die de geschiedenis van de Gouden Eeuw volledig herschrijven tot een variant die wordt gedomineerd door hun huidige ‘duistere zijde’ die al het andere zo overschaduwt dat het niet meer kan groeien.