In het zweet des aanschijns

Tja, het leven van een belegger is zwaar, als ik tenminste Janneke Willemse bij RTLZ mag geloven. Willemse belegt haar spaargeld, dat is haar keuze en dat mag ze gelukkig zelf bepalen. Wel heeft ze daarbij soms last van paniek. Zo ook afgelopen week: “mijn jaarrendement naar beneden, van bijna 14 naar bijna 10 procent.” En dat viel haar zwaar. Ja ze realiseert zich dat de beurs ook kan dalen: “Maar die gedachten kalmeren je niet hoor, als je je eigen zuurverdiende geld voor je ogen ziet verdampen.” Natuurlijk is het niet leuk als je ziet dat de veertien cent die je op iedere Euro erbij kreeg, er maar tien blijken te zijn. Ik zeg bewust ‘erbij kreeg’ want daar gaat het mij om het om het woord ‘zuurverdiend’.

zweet

Foto: Flickr

Hoe ‘zuurverdiend’ zijn die veertien of tien cent op iedere Euro die Willemse belegt? Zijn die centen een verdienste van Willemse? Om even terug te gaan naar de bijbel (Genesis 3:19) waar, zo leert het geloof als je erin gelooft, god Adam en Eva uit het paradijs verjaagt vanwege het eten van de appel. God veroordeelt hen tot werken voor de kost met de woorden: “In het zweet des aanschijns zult gij uw brood eten.” Heeft Willemse moeten zweten voor de centen die ze erbij krijgt? Die initiële Euro die ze inlegde heeft ze wellicht ‘ in het zweet des aanschijns’ verdiend. Voor de centen die ze erbij krijgt, heeft ze geen zweet druppel hoeven laten. Ja, misschien druppels ‘angstzweet’ als gevolg zijn haar ‘beleggerspaniek’ maar geen ‘zweet’ waar deze bijbelpassage het over heeft.

Laten we de zaak eens van een andere kant bekijken. Als die extra centen werkelijk ‘verdiend’ zijn, zijn het dan niet gewoon inkomsten? Als dat zo is, moet er dan niet gewoon inkomstenbelasting over worden betaald? Die bedraagt al snel 41% van die tien of veertien cent en wellicht zelfs bijna 52%. Dan betaalt zij vier of vijf cent belasting over deze inkomsten. Nu betaalt Willemse belasting van 30% in Box 3 over het ‘gemiddelde rendement’ van haar vermogen. Dat gemiddelde is fors lager dan de veertien of tien procent rendement die Willemse maakt. Dat gemiddelde bedraagt maximaal 5,39% maar dan moet ze wel een vermogen van bijna één miljoen hebben anders is het nog lager. Ze betaalt nu maximaal 1,8 cent belasting over die tien cent.

Hoeveel medelijden moeten we nu werkelijk hebben met het ‘beleggerspaniek’ van Willemse en haar eventuele angstzweet?

Pensioen, economie en beleggingsproblemen

“Als bij een stijgende vraag het aantal aandelen krimpt, zal de koers van een willekeurig aandeel uiteindelijk ergens eindigen bij de prijs voor een Leonardo da Vinci.” Zo schrijft Peter de Waard in de Volkskrant. Als je zijn artikel leest zou je bijna medelijden krijgen met de beleggers. “Een pensioenfonds dat rendement wil halen, is aangewezen op aandelen.” veel andere mogelijkheden ziet hij niet: “Vastrentende waarden zoals obligaties leveren niets meer op. Vastgoed is te weinig liquide. En cryptovaluta zijn voor serieuze beleggers nog een no-goarea.”

Barcelona.jpg

Foto: Wikimedia Commons

Alleen kennen aandelen ook zo hun beperkingen. Het aantal beursgenoteerde bedrijven waarin kan worden belegd daalt wereldwijd. Alleen in opkomende markten stijgen de beleggingsmogelijkheden, maar: “Voor veel professionele instituten, zoals verzekeraars en pensioenfondsen, zijn die markten moeilijk te betreden. Als er voor buitenlandse beleggers al juridisch geen belemmeringen zijn, is het riskant geld te steken in totaal onbekende bedrijven waar nauwelijks analistenrapporten over bestaan.” Blijven de westerse aandelen markten over, maar ook daar is de keus beperkt: “Beleggen in wapen- of sigarettenfabrikanten, bedrijven die lak hebben aan het milieu of bedrijven die mogelijk ergens kinderhandjes misbruiken, kan niet meer. De bedrijven moeten voldoen aan het ESG-label, waarmee de milieu-, sociale- en governance-aspecten zeker zijn gesteld.” Die arme beleggers!

Maar wacht eens even. Ik ben een van die beleggers. Niet direct, maar via een pensioenfonds waaraan ik verplicht jaren heb bijgedragen. Een pensioenfonds dat ooit aan mij gaat uitkeren zodat ik van mijn oude dag kan genieten. Een, liefst onbezorgde, oude dag waarbij ik voldoende te eten heb een dak boven mijn hoofd en af en toe wat leuks kan doen. Daarvoor is pensioen bedoeld. Zou er een andere mogelijkheid zijn om dit te bereiken?

Eten kan ik nu nog niet gaan sparen. De bloemkool, paprika of het stukje vlees houden niet zolang. Nu al boeken en betalen voor dat reisje naar Barcelona over twintig jaar? Nee, liever niet, wie weet haal ik dat niet meer of kan ik tegen die tijd niet meer reizen.

Blijft over, het wonen. Voor een fonds is vastgoed wellicht niet liquide genoeg, voor mij als individu is dat geen probleem. Wat als ik mijn pensioeninleg kan gebruiken om mijn huis af te betalen? Dan breng ik nu mijn woonlasten omlaag en woon ik als pensionado gratis. Het bedrag wat ik nu bespaar, spaar ik zodat ik over twintig jaar, als ik het in goede gezondheid haal, om dat reisje naar Barcelona te betalen. En als ik zou huren, zou me dit wellicht de mogelijkheid bieden om een huisje te kopen dat dan bij mijn pensionering is afbetaald.

Snijdt het mes zo niet aan twee kanten. Aan de ene kant die van het individu dat zich voorbereidt op zijn oude dag. En aan de ander kant de economie als geheel. Laten we zo niet op een gecontroleerde manier overtollige lucht (geld) uit de economie lopen? Overtollige lucht die tot luchtbellen (bubbels) en tot crises leiden?

Pensioenpotje

De Sociaal Economische Raad broeit op een nieuw pensioenstelsel, zo valt te lezen in de Volkskrant. De kern ervan: “Iedereen een eigen pensioenspaarpot. En pas zekerheid over de hoogte van de oudedagsuitkering als de pensioendatum in zicht is, afhankelijk van een positief of negatief beleggingsresultaat.” Dit zou blijken uit een vertrouwelijk conceptadvies van de Raad. Hoe vertrouwelijk is zo’n advies als het de voorpagina van een krant haalt? Een vraag ter verdieping hierbij: hoe ‘te vertrouwen’ zijn de SER-mensen dan? Dat even terzijde.

pensioenIllustratie: TRABVV

Mijn pensioenpremie wordt, als deze plannen werkelijkheid worden, gestort op een individuele pensioenrekening vergelijkbaar met een ‘gewone beleggingsrekening’. Als het goed gaat groeit die rekening omdat ik iedere maand bijstort en door de mogelijke rendementen die mijn centen opleveren. Het geld op al die individuele rekeningen, wordt door pensioenfondsen belegd. Zo’n tien jaar voor mijn pensionering krijg ik ‘duidelijkheid’ over de hoogte van mijn pensioen.

Waarin verschilt dit eigenlijk van het huidige stelsel? Wat maakt die ‘individuele’ rekening waarop het wordt gestort uit, als aan de achterkant het geld op één hoop wordt gegooid en belegd? Of kan ik zelf kiezen hoeveel risico er met mijn geld wordt genomen en waarin het wordt belegd? Wordt ook in het huidige stelsel niet pas korte tijd voor de pensionering duidelijk hoe hoog het pensioen werkelijk zal zijn?

Zou u dertig tot vijfendertig jaar geld in een zwarte doos gooien, zonder tussendoor enig zicht te willen hebben op wat het oplevert? Want daar lijkt het op als je pas tien jaar vóór je pensionering enig inzicht krijgt. Wat als het dan tegenvalt en je ingelegde geld voor een belangrijk deel is verdampt? Als het fonds er een potje van maakt? Welke mogelijkheid heb je dan om de schade te herstellen? Nu dragen mijn werkgever en ik ruim twintig procent van mijn bruto salaris af als pensioenpremie. Het fonds belegt en ieder jaar krijg ik de stand van zaken. Ik kan ieder jaar kijken of ik iets aanvullends moet doen.

Waarom wordt mij, als het pensioen dan toch ‘geïndividualiseerd’ moet worden, niet de mogelijkheid geboden om de premie te gebruiken om bijvoorbeeld een huis te kopen of een gekocht huis af te betalen? Daarmee beperk ik mijn uitgaven nu en in de toekomst. Nu betaal ik minder rente en in de toekomst woon ik ‘gratis’. Zou de SER daar niet eens naar moeten kijken?