Vertegenwoordigd of afgespiegeld?

Het blijft lastig. Wat? Nou het verschil tussen vertegenwoordiging en afspiegeling. “Direct na de verkiezingen van 2017 maakten 54 vrouwen deel uit van de Tweede Kamer (36 procent). Ruim een derde van de volksvertegenwoordiging representeerde ruim de helft van het volk,” schrijven onderzoeker Rozemarijn van Dijk en hoogleraar politiek gedrag Joop van Holsteyn in een artikel in de Volkskrant. En daarmee blijkt maar weer dat zelfs hoogleraren het verschil tussen de twee begrippen niet kennen. Wat is er aan de hand?

File:Narcissus verliefd op zijn eigen spiegelbeeld Metamorfosen van Ovidius (serietitel), RP-P-OB-16.005.jpg
De op zijn eigen spiegelbeeld verliefde Narcissus. Bron: Rijksmuseum via WikimediaCommons

In hun artikel kaarten de beide auteurs aan dat de Tweede Kamer veel minder vrouwen dan mannen bevat en dat zal na de komende verkiezingen, niet zo veel veranderen. Natuurlijk kun je daar als kiezer iets in veranderen door op een vrouw te stemmen. Alleen: “Niet door met z’n allen op de hoogst geplaatste vrouw van de lijst te stemmen, maar door te stemmen op een vrouw die gezien de stand van de peilingen (net) niet in de Kamer komt.” Een goed advies want die hoogste vrouw op de lijst heeft toch al grote kans om in de Kamer te komen en door op een vrouw ‘op de wip’ te stemmen, vergroot je de kans dat die vrouw in de Kamer komt. Bovendien: “De kiezer kan daarmee tevens aan partijen laten zien dat ze de volgende keer een diversere, inclusieve lijst dienen op te stellen.”  Niets mis met dit betoog om meer vrouwen in de Kamer te willen en de tip om er ook voor te zorgen. Ik stem al jaren op een vrouw, dus aan mij zal het niet liggen.

Toch gaan de beide auteurs de fout in. Want al zaten er na de verkiezingen van 2017 maar 54 vrouwen (36 procent) in de Kamer, toch werden alle vrouwen vertegenwoordigd. Ze werden vertegenwoordigd door die 54 vrouwen én de 96 mannen in de Kamer. Niet alleen die ene kandidaat waarop ik stem, vertegenwoordigt mij. Ook als de kandidaat waarop ik stem, niet wordt verkozen, dan nog word ik vertegenwoordigd. Ik word vertegenwoordigd door alle 150 Kamerleden. Wie het ook zijn. Namens mij en alle andere Nederlanders controleren ze de regering, besluiten ze over wetten die ons allemaal binden en bepalen ze waaraan het belastinggeld wordt besteed.

Wie die volksvertegenwoordigers ook zijn, als ze volgens de regels van het spel zijn verkozen, dan vertegenwoordigen ze alle Nederlanders. Dan moeten ze namens ons en in ons gezamenlijke belang en na erover met elkaar in gesprek te zijn gegaan, het beste besluit nemen. Een gesprek dat vooral gaat over wat het ‘beste’ is en daarover kun je flink van mening verschillen. In dat gesprek, tenminste zo is het bedoeld, doen argumenten ertoe en niet de persoon die ze inbrengt.

Met dat ‘er niet toe doen wie de persoon is’, kom ik bij de wens dat de Kamer de bevolking afspiegelt. Die wens is van een heel andere orde. Afspiegeling is geen vereiste voor de Volksvertegenwoordiging. Het is een wens of verlangen en Van Dijk en Holsteyn hebben dat verlangen en spreken het ook uit. Zij zijn niet de enige die verlangen naar afspiegeling, die vinden dat eenieder zich moet ‘herkennen’ in een Volksvertegenwoordiger. Dat wordt echter een heel lastige kwestie. Behalve enkele eeneiige twee- en meerlingen, zullen er weinig mensen zijn die zich in een andere persoon ‘afgespiegeld’ zien. En zelfs bij die een- en meerlingen zal de afspiegeling niet volledig zijn. Alle bijna 17,5 miljoen inwoners van Nederland kunnen zich nooit afgespiegeld zien in slechts 150 Kamerleden. Als we het rechtlijnig en rekenkundig bekijken, dan moeten zich zo’n 115.000 mensen gespiegeld zien in één kamerlid. Dat wordt een lastig verhaal.

Laat ik mezelf eens als voorbeeld nemen. Een heteroseksuele blanke man midden vijftig. Daarvan zijn er meer, ook in de Kamer. Maar hoeveel daarvan zijn historicus? Vervolgens fan en seizoenkaarthouder van VVV en fervent vierder van Vastelaovend? Ik denk dat de spoeling dan al heel dun’ en waarschijnlijk is beperkt tot ondergetekende. Zeker als we het hebben van een blog waar een paar keer per week ‘ballonnen worden doorgeprikt’, eraan toevoegen en mijn liefde voor een band als Dead Kennedys, dan zijn we nog niet eens aanbeland bij het terrein van de Kamer, de maatschappijvisie en politieke voorkeuren. Ik word dus niet ‘afgespiegeld’.  

En nu draai ik het om. Er is iemand met precies mijn maatschappijvisie en politieke voorkeuren. Die persoon heeft alleen geen blog waar ‘ballonnen worden doorgeprikt’ en heeft niets met punk laat staan Dead Kennedys. Die persoon heeft een hekel aan Vastelaovend en heeft niets met voetbal en zeker niet met VVV. Die persoon is ook geen heteroseksuele blanke man van midden vijftig. Zijn al deze zaken behalve maatschappijvisie en politieke voorkeuren van belang voor een Kamerlid?

Word je liever vertegenwoordigd of afgespiegeld?

Historische context

Zoals ieder medium, besteedt ook de Volkskrant aandacht aan de komende Kamerverkiezingen. Dat gebeurt onder andere door het interviewen van de lijsttrekkers van de verschillende partijen. Bij zo’n interview neemt de krant ook vijf punten uit het verkiezingsprogramma op. Zo ook bij het interview met PvdA-lijsttrekker Lilian Ploumen. Daar lees ik: “Cultureel erfgoed, zoals standbeelden, wordt voorzien van de goede historische context.” Een bijzonder punt.

Nolensplein
Het beeld van MGR Nolens te venlo. Bron: eigen foto

Laat ik een voorbeeld nemen. Als ik vanuit mijn woning naar Bakkerij Rutten, de beste bakker van de wereld, op de Parade in Venlo loop, dan passeer ik een standbeeld van Monseigneur Willem Hubert Nolens. Een standbeeld dat staat op het ook naar hem genoemde Nolensplein. Een plein dat in de volksmond ook wel het Gaasplein wordt genoemd, omdat er vroeger een gasfabriek lag. Nolens leefde van 1860 tot 1931 en zat van 1896 tot aan zijn dood in de Tweede Kamer. Hij was priester en rechtsgeleerde en van 1910 tot aan zijn dood politiek leider van de Rooms Katholieke Staats Partij. Een partij die hij in 1904 mee had opgericht. Nolens werd in 1923, nog tijdens zijn actieve carrière, benoemd tot Minister van Staat. Allemaal feiten die we bij het beeld en het plein kunnen vermelden, maar is dat de ‘goede historische context’?

Of horen de acht Heilige Oorlogen tegen de islam, met een eufemisme ook wel kruistochten genoemd, waartoe het ‘hoogste gezag’ van die kerk opriep, ook tot die context? Die begonnen in 1095 met een anti-islamitisch betoog van Paus Urbanus II waar Wilders nog een puntje aan kan zuigen: “De islamieten hebben altaren besmeurd met bloed dat ze in doopvonten lieten vloeien. Ze hebben christenen besneden en hen gegeseld en gemarteld, voordat ze hen doodden.” Dat behoort immers allemaal tot de geschiedenis van de kerk van Rome en in die kerk was Nolens priester en voor een partij van die religie zat hij jarenlang in de Tweede Kamer.

Dan mogen we ook de ‘binnen Europese kruistochten’ niet vergeten. De strijd tegen joden en vermeende ketters waarvan die tegen de Katharen de bekendste is. De Katharen werden eerst ‘gedemoniseerd’ maar dan in de letterlijke zin van het woord. Tenminste volgens vooraanstaande geestelijken zoals de abt Bernardus van Clairveaux. Anderen zoals de abdis Hildegard van Bingen riepen op de Katharen te verwijderen uit de kerk. En dat betekende vroeger wat anders dan nu. Tegenwoordig kun je als je uit de kerk bent verwijderd heel goed leven. Vroeger betekende dat echter iets heel anders. ‘Uit de kerk verwijderen’ betekende je dood. En wat dichter bij onze eigen tijd. Behoort bij die context ook het misbruiken van kinderen?  

Nu heeft de kerk niet alleen maar ellende gebracht. Wij zijn het gewend dat er regels en wetten zijn waaraan iedereen zich houdt. Bij die iedereen hoort ook de overheid. Dat een heerser en nu een overheid zich aan de wet houdt, is niet vanzelfsprekend. Een blik naar het Oosten, naar Rusland en China, en we zien landen waar respectievelijk de president en de communistische partij boven de wet staan. Als we het betoog van Francis Fukuyama in zijn boek De oorsprong van onze politiek mogen geloven, dan danken we onze rechtstaat aan de katholieke kerk. De Investituurstrijd in de elfde eeuw speelde hierin, zo betoogt Fukuyama, een belangrijke rol. Een strijd tussen de paus en de Keizer van het Heilig Roomse rijk. Een strijd die ging over het recht om bisschoppen te benoemen die ook wereldlijke macht uitoefenden omdat ze in een gebied zowel het kerkelijk als het wereldlijk gezag bezaten. Een strijd die uiteindelijk door de paus werd gewonnen na de ‘gang naar Canossa’ van Hendrik IV. Daar in Canossa werd aan de geëxcommuniceerde Hendrik IV vergiffenis geschonken waardoor hij zijn wereldlijke heerschappij behield. Het benoemen van bisschoppen door koning of keizer behoorde echter tot het verleden. Volgens Fukuyama legde deze erkenning van Hendrik IV, dat hij in zijn rijk niet alle macht had, de basis voor een rechtstaat waar zelf de heerser zich aan de wet moet houden.

Terug naar de ‘goede historische context’ bij het beeld van Nolens. Wat is in dit voorbeeld de ‘Goede historische context’ en wie bepaalt dit? Dat kunnen omvangrijke ‘bijsluiters’ bij ieder beeld worden. Het komt er met enige overdrijving op neer dat ieder beeld vergezeld dient te gaan van een bibliotheek. Maar belangrijker, ‘goede historische context’ suggereert dat ons denken met betrekking tot het verleden superieur is aan dat van vroeger. Het denken van vroeger is immers minder goed omdat we nu de ‘goede historische context’ moeten bijvoegen. Een dergelijke manier van denken betekent dat automatisch ook dat we de ‘goede historische context’ van vandaag ook over tien of twintig jaar nog de ‘goede historische context’ vinden? Of denken we werkelijk dat wij nu de ‘goede historische context’, in pacht hebben?