Afhankelijk onafhankelijk of onafhankelijk afhankelijk

Een van mijn laatste Prikkers schreef ik naar aanleiding van het boek De Tweede Slaap van Robert Harris. Een geromantiseerde thriller met de risico’s van een hoog technologische samenleving als achtergrond. Ik eindigde die Prikker met de verwachting dat de huidige ‘primitieve mens’ waarschijnlijk een grotere kans heeft om te overleven na een instorting van onze hoog technologische samenleving. Een paar dagen na het schrijven van die Prikker moest ik denken aan een ander opvallend kenmerk van onze huidige Westerse samenleving. Of eigenlijk twee opvallende kenmerken. 

Als eerste de zeer ver gaande specialisatie. Arbeidsdeling is van alle tijden. Onze voorvaderen de jager-verzamelaars kenden al een, zij het beperkte, arbeidsdeling: de mannen joegen, de vrouwen verzamelden. Dat deden ze in kleine groepen. In die groep konden ze overleven. Alleen zouden ze het lastig hebben. Tegenwoordig gaat die deling veel verder. Die deling maakt ons veel productiever en vergroot de welvaart. Adam Smith beschreef dit goed in zijn boek De Welvaart van Landen. Laat ik mezelf als voorbeeld nemen. Het beleidsadvies dat ik produceer is niet te eten, het beschermt me niet tegen de kou en ik kan er niet in wonen. De jager-verzamelaars zouden mij met wantrouwen aankijken en waarschijnlijk wegjagen. Aan dat ‘beleidsadvies’ daar hadden ze niets aan. Voor hen zou ik geen meerwaarde hebben. Ik zou worden gezien als een profiteur. In onze moderne samenleving is het gevraagd en zijn er mensen die mij ervoor betalen. Met dat geld kan ik eten en kleren kopen en voor onderdak zorgen. Met die steeds groeiende arbeidsdeling groeit ook het aantal mensen waarvan je afhankelijk bent. Alleen zou ik met mijn ‘beleidskennis’ niet overleven.

De tweede ontwikkeling is de nog steeds groeiende individualisering. Opgroeien is ‘jezelf ontdekken’ en erachter komen ‘wie je bent’ en ‘onafhankelijk’ worden. Zelfs als volwassene ben je er nog niet. Het aantal trainingen en workshops om jezelf te ‘vinden’ is overweldigend. Nog overweldigender is het aantal ‘coaches’ dat je helpt. Je hebt lifestyle coaches, loopbaan coaches, kleding coaches, personal coaches, talent coaches. Het lijkt wel alsof er meer coaches zijn dan mensen om te coachen. Allemaal helpen ze je bij het worden van dat ‘unieke individu’, die ‘krachtige onafhankelijke persoon’.

Twee ontwikkelingen die in een tegengestelde richting wijzen. De een in de richting van afhankelijkheid en de andere in de richting van onafhankelijkheid. Hoe verklaren we dit? Als we ze combineren zijn er twee mogelijkheden. Als eerste hoe afhankelijker we van elkaar worden, hoe onafhankelijker we willen zijn. Of het omgekeerd, hoe onafhankelijker we willen zijn hoe afhankelijker we van elkaar worden. Welke van de twee zou het zijn?

Verleden, heden en toekomst

In 1940 ontdekten enkele Franse jongelui per toeval een grot. Op de muren van die grot zagen zij schilderingen van dieren. Die schilderingen bleken tussen de 10.000 en 15.000 jaar oud te zijn. Sindsdien is Lascaux een bekende naam. De schilderingen vertellen ons iets over het leven van onze voorouders. Iets, maar niet veel. Hoe die voorouders precies leefden, waarom ze deze schilderingen maakten? We kunnen er alleen maar naar gissen. Het ontbreekt ons aan gegevens, aan data. Wat we ervan weten zijn interpretaties. Interpretaties gebaseerd op dergelijke  schilderingen, op botten, op resten van ander gebruiksvoorwerpen en op het bestuderen ‘primitieve’ volkeren. 

Dit staat in schril contrast met onze huidige werkelijkheid. Onze (digitale) datastroom groeit fors. Al die data worden opgeslagen in enorme data centra. Data centra die enorm veel stroom verbruiken. In die ‘digitale omgeving’ worden enorm veel teksten, geluid en beelden opgeslagen. Voor een historicus in het jaar 2800 zou het daarmee erg makkelijk moeten zijn om een beeld te schetsen van het leven in de eerste twee decennia van de eenentwintigste eeuw. Duik in ‘de cloud’ en je ziet het huidige leven voorbij trekken.  Alhoewel. Op Facebook en soortgelijke sites leukt eenieder zijn leven op. Bekijk je de journaals dan zie je de uitzonderingen, de afwijkingen. Nieuws is immers dat wat afwijkt van het gebruikelijke. 

Mijn verre nazaat-historicus kon echter nog wel eens ander probleem hebben. Daar waar over onze verre voorvaderen heel weinig informatie hebben, zou het kunnen dat wij onze nazaten wel eens teveel informatie nalaten. Te weinig informatie is een probleem. Echter wel een probleem dat we kunnen aanpakken met verbeeldingskracht.  Maar hoe pak je het probleem van ‘teveel’ informatie aan? Welke informatie is relevant en welke niet? Hoe bepaalt de toekomstige historicus welke versie van de huidige werkelijkheid, werkelijk is?

Maar wellicht heeft die toekomstige historicus wel een heel ander probleem. Een probleem dat goed wordt beschreven in de thriller De Tweede Slaap van Robert Harris. Een boek dat ik op aanraden van een goede vriend las. Het boek speelt zich af in het jaar 1468. Dat lijkt het verleden maar al lezend blijkt het de toekomst te zijn en wel zo ongeveer het jaar 2800. Een toekomst die verdacht veel lijkt op het verleden. De toekomstige historicus in het boek is Nicholas Shadwell.

Shadwell staat voor heel andere problemen dan ik hierboven heb geschetst. Het jaar 1468 in het boek is een combinatie van de achttiende eeuw en de Middeleeuwen. Shadwell heeft te maken met de kerk die het vergaren van kennis als ketters bestempeld. De persoon Shadwell laat zien dat niet iedereen zich hieraan houdt. Maar vooral heeft hij te kampen met een gebrek aan informatie over onze tijd. Wat er is gebeurd in het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw is niet duidelijk. In een brief uit 2022 die Shadwell heeft gevonden, bij zijn (letterlijke) graafwerk, worden zes mogelijke scenario’s genoemd. Wat er uiteindelijk is gebeurd wordt niet duidelijk. Wel is duidelijk dat zeer veel verloren is gegaan.

De brief maakt duidelijk hoe een van die gebeurtenissen tot het terugvallen naar de Middeleeuwen heeft kunnen leiden. “We zijn van mening dat onze samenleving een dermate geavanceerde technologie heeft ontwikkeld dat ze kwetsbaarder is voor totale instorting dan ooit te voren. … Zo zou een langdurige algehele verstoring van het functioneren van computernetwerken – vooral in steden – al binnen 24 uur tot voedsel- en brandstoftekorten leiden. Deze tekorten zouden gepaard gaan van een dramatische inkrimping van de beschikbare geldhoeveelheid (als gevolg van het uitvallen van alle geldautomaten en alle creditcardtransacties en online bankieren), het instorten van diverse communicatiemiddelen en IT-netwerken, het bezwijken van alle transportsystemen, hamstergedrag, een massale uittocht uit de steden en grootschalige onlusten. … Wij vrezen dat een aanvankelijk instorting zich exponentieel zou kunnen verbreiden, en wel met zo’n snelheid dat geen enkele officiële respons ertegen opgewassen zou kunnen zijn.”

Of Harris een realistische scenario schetst? Dat kennis verloren kan gaan, staat buiten kijf en laat de geschiedenis ons zien. Neem de schilderingen in de grotten van Lascaux waarmee ik begon en waarvan we niet weten waarom ze werden gemaakt. Maar ook de piramides in Egypte waarvan we nog steeds niet precies weten hoe ze werden gebouwd. Dat we in onze huidige samenleving in hoge mate afhankelijk zijn van technologie en van elkaar, staat buiten kijf. Nederland mag dan bijna ‘wereldkampioen’ voedselexport zijn, hoeveel mensen weten hoe ze aardappels moeten telen? Wie kan er nog navigeren op de sterren? Waar vind je de kennis behalve op het internet? In boeken. Alleen wie heeft er de juiste boeken en waar vind je die? Boeken branden trouwen ook goed en vuur is best lekker als je het koud hebt. De regering Den Haag? Die zit, nadat de benzine tank leeg is, ineens weer een dag of vijf gaans van Venlo. Bovendien hebben al die ambtenaren het veel te druk om zelf te overleven. De politie en het leger? Hoe communiceer je ermee na die eerste tank benzine? En dan vergeten we maar even de mogelijkheid dat de regeringsleden zich ook elders dan in Den Haag kunnen bevinden.

Nee, dan geef ik de ‘primitieve volkeren’ een veel betere kans om te overleven. Die mogen dan, zoals de Van Dale primitief definieert: “behoren tot het vroegste stadium van een ontwikkeling,” en: “technisch weinig ontwikkeld zijn.” Ze zijn zeker niet: “gebrekkig, onbeholpen,” de tweede betekenis van primitief. Sterker, ze hebben waarschijnlijk precies die kennis die nodig is om in een dergelijke situatie te overleven.  

Even terzijde. Ik denk dat ik mijn Prikkers toch ook maar eens uitprint op lang houdbaar papier en ze luchtdicht in plastic verpakt in een glazen kist ergens begraaf. Dan heeft die historicus in 2800 toch nog iets.