Cliteurs kletskoek

“Vervolgen is een politieke daad en voor de vervolging van het Kamerlid is uiteindelijk de minister van justitie verantwoordelijk. Dat maakt het al vreemd: de regering moet worden gecontroleerd door de Tweede Kamer (art. 42, lid 2 Gw). Wanneer de leden van de regering dan de bewoordingen die Kamerleden gebruiken bij de rechter kunnen laten beoordelen, ontstaat een onwenselijke situatie: een democratisch gelegitimeerd Kamerlid wordt belemmerd in zijn werk. Belemmerd door de instantie die hij moet controleren (de regering). Bovendien wordt de rechter gedwongen in een rol die de rechter niet past. De rechter moet zich gaan mengen in de politiek.” Aldus Paul Cliteur in een artikel bij De Dagelijkse Standaard. Dat is nogal een beschuldiging. Wat is er aan de hand? Waar gaat het fout?

De Sustainable Development Goals . Bron: devpolicy.org

Even voor de context. Cliteur doet deze uitspraak omdat het Openbaar Ministerie (OM) heeft besloten FvD-Kamerlid Pepijn van Houwelingen te vervolgen voor smaad en laster. De voormalige ministers Kuipers en Van Gennip hadden aangifte gedaan omdat Van Houwelingen in gemanipuleerde beelden beide ministers nazivlaggen liet hijsen. Volgens Cliteur is het: “zeer kinderachtig dat de ministers Kuipers en Van Gennip hebben lopen jeremiëren over de behandeling die hen (…) ten deel (is) gevallen door het Kamerlid. Waarom? Omdat zij zelf het initiatief hebben genomen tot het hijsen van een vlag met daarop de zogenaamde SDG doelen (Sustainable Development Goals) van de Verenigde Naties. Dit hoort een minister natuurlijk helemaal niet te doen. Voor het ministerie een vlag gaan hijsen met omstreden politieke doelstellingen en daarvan een filmpje laten maken om dat op social media te openbaren, is een ontduiking van het proces van politieke verantwoording tegenover de Tweede Kamer, zoals de Grondwet dat in art. 42, lid 2 voorschrijft. Verantwoording geschiedt tegenover de Tweede Kamer. Bijvoorbeeld in een debat.”

Nu even de feiten. Met het hijsen van die vlag vroegen de ministers aandacht voor Sustainable Development Goals, zoals Cliteur constateert. Omstreden zijn die doelen niet. Ze worden onderschreven door 193 landen van de Verenigde Naties. Nederland is een van die 193 landen die met deze, volgens Cliteur, omstreden doelen heeft ingestemd. Het proces van ‘politieke verantwoording tegenover de Tweede Kamer wordt hiermee in het geheel niet ontdoken. Als Van Houwelingen daarover met de minister in debat wil of er vragen over wil stellen, dan staat niets hem in de weg dat te doen. Sterker nog. Ieder jaar wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang met betrekking tot de doelen. Dat deze ministers “kennelijk  …  te zwak, te hooghartig, te weinig ingevoerd in de materie (zijn) om zich in een kamerdebat staande te kunnen houden.”  En daarom kiezen voor: “de gemakkelijke weg: een filmpje,” zoals Cliteur beweert, raakt kant nog wal.

Het staat iedere Nederlander, ook een minister, vrij om aangifte te doen tegen iemand als die zich, in de ogen van de aangever schuldig maakt aan smaad en laster. Het staat je vrij, je hoeft het niet te doen. Als er aangifte is gedaan dan moet het OM de aangifte onderzoeken en als dat onderzoek oplevert dat er een mogelijk strafbaar feit is gepleegd, dan moet het OM tot vervolging overgaan. En ja, de minister van Justitie is politiek verantwoordelijk voor politie en justitie en dus ook voor het OM. Dat het OM overgaat tot vervolging gebeurt daarmee onder politieke verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. Dat is het enige politieke aan het besluit en dat is voor de zaak tegen Van Houwelingen niet anders dan bij een vervolging van de eerste de beste crimineel of voetbal hooligan. Dat wordt anders als de minister van Justitie zich hier actief mee bemoeit.

Dat een minister aangifte doet tegen Van Houwelingen, wil niet zeggen dat de regering een Kamerlid belemmert te werken en dus belemmert om de regering te controleren. Sterker. Het gemaakte filmpje heeft niets te maken met het werk van een Kamerlid. Van Houwelingen had zijn werk gedaan als hij Kamervragen had gesteld of een debat had aangevraagd. Dat is zijn werk. Bij het stellen van die vragen en in dat debat had hij, als hij daar werkelijk de behoefte toe voelde, straffeloos zijn nazi-vergelijking kunnen maken. In de Kamer is hij onschendbaar voor rechtsvervolging. In de Kamer wel. In een filmpje dat vervolgens op het web wordt geplaatst niet. Dan heeft hij even veel rechten en plichten als een gewone burger.

De rechter hoeft zich niet in ‘te mengen in de politiek’. Hij hoeft zich niet uit te spreken over het al dan niet omstreden zijn van de Sustainable Development Goals en of die, zoals Cliteur beweert: “alleen te verwerkelijken zijn in een totalitaire (communistische of nazistische) samenleving.” De rechter moet een uitspraak doen in de voorliggende zaak en daarmee antwoord geven op de vraag of Van Houwelingen zich schuldig heeft gemaakt aan smaad en laster. Smaad en laster aan het adres van de twee aangevers.

“Nu kan het zijn dat de ministers Kuipers en Van Gennip niet Hannah Arendt’s The Origins of Totalitarianism (1951) onder hun hoofdkussen hebben liggen. Zij zullen ook niet bekend zijn met Friedrich Hayek’s The Road to Serfdom (1944). Naar alle waarschijnlijkheid ontgaat hun de intelligentie achter Van Houwelingen’s vergelijking helemaal. En wat doe je dan? Dan doe je wat alle domme mensen doen, dan ben je beledigd.” Nu heb ik beide boeken gelezen en ook mij ontgaat de ‘intelligentie’ die er kennelijk in Van Houwelingens actie zit. Wellicht ben ik dan ook wel dom. Als ‘dom’ mens moet me dan wel van het hart dat een jurist, zeker iemand die hoogleraar encyclopedie van het recht is geweest, zo’n rammelend betoog houdt. Zo’n kletskoek.

Hellend vlak

Mijn mond viel open van verbazing na het lezen van een bericht in de Volkskrant dat Mona Keijzer niet wordt vervolgd voor haar uitspraken die ze deed in een uitzending van Sophie & Jeroen Keijer in de uitzending: “Wat je ziet is dat veel asielmigranten komen uit landen met een islamitisch geloof. We weten dat daar jodenhaat onderdeel is bijna van de cultuur.” Niet het bericht dat het Openbaar Ministerie afziet van vervolging van Keijzer deed mijn mond openvallen, maar de onderbouwing van het besluit.

Bron: Flickr

Even voor de achtergrond. In de genoemde uitzending hield Keijzer een pleidooi voor het opnemen van kennis over de Holocaust in de inburgering. Ik schreef er eerder over en eindigde met de suggestie dat: “Als er dan toch ergens ‘nadrukkelijk kennis van de Holocaust’ bijgebracht moet worden, dan zijn de onderhandelaars van het coalitieakkoord een goede plek om te beginnen.” Dit even terzijde. Terug naar de onderbouwing van het Openbaar Ministerie.

In het bericht lees ik het volgende: “Het OM concludeert nu dat Keijzer inderdaad over de schreef is gegaan en ‘in beginsel’ strafbaar is vanwege groepsbelediging. Het toenmalig Kamerlid nam in de talkshow ‘onvoldoende verantwoordelijkheid om te voorkomen dat zij uitingen verspreidt die aanzetten tot onverdraagzaamheid’, oordeelt het OM. ‘Een politicus heeft een bijzondere verantwoordelijkheid om uitingen te vermijden die een voedingsbodem kunnen vormen voor intolerantie.’ Keijzer is hierin ‘onvoldoende zorgvuldig’ geweest, vindt het OM, ook omdat zij haar uitspraken bij Sophie & Jeroen niet onderbouwde.” Een bijzondere verantwoordelijkheid dus. Maar: “Tegelijkertijd stelt het OM vast dat het Europees mensenrechtenverdrag de lat bijzonder hoog legt voor de vervolging van politieke ambtsdragers die uitspraken doen in de context van het maatschappelijke debat. Als politici vervolgd kunnen worden voor hun politieke uitspraken, kan dat anderen afschrikken om publiekelijk hun mening te geven. Zulke afgedwongen zelfcensuur ondermijnt de vrijheid van meningsuiting die essentieel is voor een gezonde democratie, schrijft het OM. ‘Keijzer deed de uitingen in de hoedanigheid van volksvertegenwoordiger. Zij moet voldoende ruimte krijgen de plannen voor de integratie van asielmigranten uit te leggen, zonder strafrechtelijke gevolgen te vrezen.’”

Een wel heel bijzondere redenering. Aan de ene kant hebben politici een ‘bijzondere verantwoordelijkheid om uitingen te vermijden die een voedingsbodem kunnen vormen voor intolerantie. En aan de andere kant moeten ze meer ruimte hebben om uitspraken te doen omdat ‘zelfcensuur de vrijheid van meningsuiting ondermijnt die essentieel is voor een democratie’. En vervolging vanwege uitspraken kan leiden tot zelfcensuur. Want als ‘politici kunnen worden vervolgd voor hun uitspraken, dan kan dat anderen afschrikken om hun mening te uiten’.

Als ik het goed begrijp houdt die bijzondere verantwoordelijkheid van politici en ambtsdragers in de context van het maatschappelijk debat om intolerantie te voorkomen in dat ze intolerantie mogen verspreiden. Dat ze zich intoleranter mogen gedragen dan een ambteloos burger. Dat ze zich mogen bedienen van bijvoorbeeld antisemitische uitingen. Dat ze zich racistisch mogen uitlaten. Hiermee wordt een vrijkaart gegeven aan iedereen om maar te roepen wat in de persoon op komt. Om naar hartenlust te discrimineren en te stereotyperen. Om de meest ranzige drek te uiten. Het OM geeft politici een vrijbrief en geeft daarmee iedereen een vrijbrief. Iedereen is namelijk een politicus. Iedereen doet ‘aan politiek’ zoals Van Dale politicus definieert. Iedereen probeert namelijk op een of andere manier zijn doel te bereiken, een van de betekenissen politiek. Een burger die roept dat ‘alle … smerig zijn en het land uitgezet moeten worden’ doet aan politiek. Met zijn uitspraak probeert deze burger een doel te bereiken, Een doel dat te maken heeft met ‘het besturen van een land.’ Ook een van de betekenissen van politiek. Een wel heel bijzondere invulling van een voorbeeldfunctie. Een invulling die de vrijheid van meningsuiting absoluut maakt.

Ik hoop dat het Openbaar Ministerie zich nog eens bezint op deze argumentatie, want dit is een hellend vlak waar we niet op moeten willen gaan.  

Verleiden of verleid worden

“Of hij geeft een standaard antwoord, een antwoord dat niet aansluit bij de gestelde vraag of hij lokt een discussie uit die de aandacht afleidt van de vragen.” Dit is de onderbouwing van het verzoek van het Openbaar Ministerie (OM) om Volkert van der G. weer achter de tralies te krijgen. Tenminste, als we de Volkskrant mogen geloven.

afleidingIllustratie: Doordebenen

Nu weet ik niet welke vragen de reclasseringsambtenaren stellen en daarom is het moeilijk te beoordelen op welke vragen een standaard antwoord wordt gegeven of dat het antwoord niet aansluit bij de gestelde vraag. Dus of Van der G. zich daaraan schuldig maakt is niet te beoordelen als je er niet bij bent. Het laatste argument, discussies uitlokken die de aandacht afleiden van de vraag, roept bij mij vragen op.

Van der G. lijkt mij een pientere persoon die weet wat hij doet en die bewust uit is op het zaaien van verwarring. Zijn verleden als jurist zal hem daarbij goed van pas komen omdat het bij juridische procedures ook draait om handig woordgebruik en een creatieve interpretatie van (wets)teksten. Daardoor kun je immers de aandacht afleiden van je eigen ‘zwakte’ en tegelijk het zoeklicht richten op de zwakte van de ander. Zou het kunnen dat Van der G. dat nu ook doet?

Als je de onderbouwing van het OM mag geloven, heeft hij succes en lukt het hem om de aandacht af te leiden van hemzelf en die te richten op de reclasseringsambtenaren. Is dat een reden om Van der G. weer in het gevang te stoppen?

Wie is het te verwijten dat er een discussie ontstaat die de aandacht afleidt van de gestelde vragen? Behalve voor iemand met een gespleten persoonlijkheid, die kan ook met zichzelf in discussie gaan, heb je voor een discussie tenminste twee personen nodig. De ‘uitlokker’ kan uitlokken, als de ‘uitgelokte’ zich niet laat verleiden, ontstaat er geen discussie. Als de uitgelokte zich wel laat verleiden, wie kun je dan verwijten dat er een discussie ontstaat? Is dat degene die ‘uitlokt’, of degene die zich ‘laat uitlokken’? Die zich laat afleiden van zijn doel?