De essentie van identiteit

“Wat een huis in essentie is, wordt niet bepaald door de bouwkundige termen van de onderdelen waarmee een huis valt te definiëren, maar in het gebruik van het gebouw als woning, in het wonen dus.[1] Een zin uit een van de essays in het boek  Filosofische bespiegelingen van de filosoof Mattie Peeters. Het essay waarin hij deze uitspraak doet is getiteld Zijn wij ons bewustzijn? Bij het lezen van deze zin moest ik denken aan intersectionaliteit. Ik schreef er al vaker over. En dan vooral het gebruik ervan om iemands identiteit te beschrijven.

Als ik mijn huis ga ontleden dan bestaat het uit stenen, dakpannen, beton, hout en wat metalen. Die stenen worden bijeengehouden door cement die is verdund met metselzand en waaraan water is toegevoegd om het tot een plakkend goedje te maken. Dat water is er echter al vrij snel uitgedroogd. Daarnaast bevat het kunststofleidingen en sinds kort liggen er zonnepanelen op het dak. De stenen en dakpannen zijn gemaakt van gebakken klei en klei bestaat dan weer uit hele fijne gronddeeltjes. En zo kun je alle genoemde zaken steeds verder ontleden via moleculen, naar atomen, elektronen, protonen en wellicht nog wel verder. Allemaal zaken die in mijn huis zitten maar die ik er niet mee associeer. Een huis is voor mij het gebruik van die materialen als woning. Het is de activiteit wonen: het comfort, de veiligheid en de rust die het mij biedt.

Terug naar intersectionaliteit. Intersectionaliteit gaat ervan uit, zo is te lezen op Wikipedia, dat: “maatschappelijke ongelijkheid zich voordoet langs verschillende assen, die elkaar snijden, de notie dat individuen in een samenleving discriminatie en onderdrukking ondervinden op grond van een veelvoud van factoren.” Om dat onderdrukken tegen te gaan, is het, aldus de aanhangers ervan, van belang te weten welke verschillende ‘assen’ er een rol spelen. Bij ‘assen’ moeten we denken aan man – vrouw; homo – hetero, de huidskleur, religie enzovoorts. Door een actie ter verbetering te richten op vrouwen, worden de specifieke problemen van lesbische of moslimvrouwen vergeten, zo redeneren de aanhangers van deze theorie. Daarom bekritiseren de ‘intersectionalisten’ bijvoorbeeld feministen omdat feminisme, zo betogen zij, vooral de positie van de blanke vrouw verbetert. Of zoals op het protestbord op de foto is geschreven: Feminism without intersectionality is just white supremacy. Homo-activisme heeft te weinig aandacht voor de specifieke problemen van islamitische homo’s.

Daarom moeten we ons, zo betogen de ‘intersectionalisten’, op de meest achtergestelde groep richten. Als je de positie van die groep verbetert, verbeter je de positie van iedereen die om een of andere reden is achtergesteld, zo luidt de theorie. Nu kun je daar de nodige vraagtekens bij zetten. Stel we vinden die meest achtergestelde persoon of groep en ik verbeter hun positie door iets meer inkomen te geven. Verbetert daarmee de positie van een even arme of wellicht nog armere persoon in een iets andere situatie? Dit even terzijde.

Om die meest achtergestelde te vinden, moeten alle ‘assen’ worden bekeken en het samenstel van die ‘assen’ bepalen iemands identiteit. De mens wordt ontleed in zijn samenstellend delen: vrouw, transgender, donkere huidskleur, laag opgeleid, moslim enzovoorts. Wat zeggen die samenstellende delen over de betreffende persoon? Over het karakter van de persoon en de manier waarop de persoon in het leven staat? Zeggen deze assen niet net zo veel en dus weinig over de essentie van iemand persoonlijkheid en dus iemands identiteit als de ‘stenen en hout’ iets over de essentie van een huis zeggen?

Zoeken de ‘intersectionalisten’ identiteit niet op een verkeerde plek? Of, zoals Peeters het formuleert: “Geest, zelf en identiteit zijn geen illusies, maar een daadwerkelijk verschijnend product van het geheel van ervaringen van een persoon door de tijd. Dus als je je afvraagt wat een zelf, bewustzijn of identiteit is, stel dan niet de vraag naar de onderdelen waaruit je bent opgebouwd of naar de werking van je organen. Het is de verschijning van dat zelf in het geheel van zijn levenstijd. Het zelf als geest, uitgestrekt over de historie van zijn leven waarin je je als handelend persoon presenteert en ervaart”


[1] Mattie Peeters,  Filosofische bespiegelingen. Bezinning, actualiteit, denken, pagina 110

Centraal Bureau voor Filosofie en Geschiedenis

Vandaag las ik een artikel van collega Mattie Peeters met als titel ‘Toeval en ons mensbeeld. Peeters concludeert: “Gedrag, handelen en de gevolgen ervan worden stevig beïnvloed door toevalsfactoren.” Waarom? “Ik word wie ik ben niet door ‘mijn’ uitzonderlijke capaciteiten en competenties maar door toeval en geluk die massief mijn levensloop bepalen. Mijn identiteit blijkt welbeschouwd een narratief. Bovendien heb ik die capaciteiten en competenties zoals talent, intellect, doorzettingsvermogen, emotionele stabiliteit, sociale wendbaarheid, slagkracht, machtsstreven enzovoort, niet ‘zelf’ verdiend maar zijn ze mij toevallig bij geboorte gegeven.”  De Ballonnendoorprikker kan dit alleen maar onderschrijven. Het ligt in de lijn van zijn recentelijke betoog met als titel De geschiedenis wordt vooruit geleefd en achteruit verklaard en een van zijn eerste Prikkers Toeval en geluk. Peeters eindigt met de zin: “De sociale en morele implicatie van dit mensbeeld lijkt mij verstrekkend.”  

Bron: Wikimedia Commons

Vervolgens moest ik denken aan het RTL-verkiezingsdebat. De titel boven de Volkskrant column van Bert Wagendorp vatte het goed samen: “Het RTL-verkiezingsdebat was een afzichtelijke vertoning die je alleen met ware doodsverachting en een teiltje kon uitzitten.” Hij vraagt zich af: “Wanneer (…) er een politicus op(staat) die weigert zich nog langer te laten vernederen voor de armzalige natte droompjes van tv-makers die alle kijkers aanzien voor randdebielen die alles mooi en prachtig vinden, zolang er maar lichtjes gaan branden en er een vrolijk muziekje klinkt?” Politiek en het besturen van een land als een verbaal kooigevecht met de diepgang van een platbodem. Zonder enig besef van de sociale en morele implicaties van het door Peeters geschetste mensbeeld.

Neem het debat over migratie. De stelling luidde: “het kabinet moet immigratie nog verder beperken.” Niemand die zich inleefde in de wereld van de migrant. Die zich afvroeg waarom een Afrikaan deze kant op komt? Wat er wellicht gedaan kan worden om ervoor te zorgen dat de noodzaak om weg te gaan kleiner wordt. Niemand die erop wijst dat migranten voor verreweg de grootste stroom aan ‘ontwikkelingshulp’ zorgen. Niemand die zich realiseert dat de migrant er niet voor heeft gekozen in Gabon te worden geboren. Net zoals Dijkhoff en zijn collega’s van geluk mogen spreken dat ze hier zijn geboren. Dat was niet hun eigen verdienste. 

Zou het helpen als de programma’s van politieke partijen niet alleen worden doorgerekend door het CPB en en Planbureau voor de Leefomgeving, maar ze ook worden doordacht door een ‘Centraal Bureau voor Filosofie en Geschiedenis?