Befehl ist niet altijd Befehl

“Als de wethouder wil dat we de bomen op de kop planten, dan adviseren we dat.”  Aan die uitspraak van een collega-ambtenaar moest ik denken bij het lezen van de ingezonden brief van Peter Simon in de Volkskrant. Simon: “Zou Thomas Hogeling dit een goed idee vinden? Of vindt hij het alleen een goed idee als de ambtenaren linkser zijn dan de ministers?” Het idee waar Simon het over heeft zijn ambtenaren die niet uitvoeren wat er is besloten. Volgens Simon is het niet de bedoeling dat: “de ambtenaren (dan wel) kijken (…) of ze deze besluiten wel of niet uitvoeren.” Dat is inderdaad niet de bedoeling. Dus moeten die ambtenaren dan alles maar gewoon uitvoeren?

Cylons uit de tvserie Battlestar Galactica uit 1978-1979. Bron: Flickr

Even terug naar de uitspraak van de collega waaraan ik moest denken. Op dat moment werkte ik voor een kleine gemeente die ging fuseren met twee andere gemeenten. Onderdeel van het fusietraject was ook dat we nadachten over het adviseren van het college. Hoe doe je dat? Hoe geef je zo’n proces vorm? Daarover ontstond een gesprek en discussie tussen mij en die collega’-ambtenaar van een van de gemeenten waarmee werd gefuseerd. De gemeenten bleken daar namelijk een andere kijk op te hebben. Centraal daarbij stond de vraag: aan wie adviseer je als ambtenaar? In die andere gemeente adviseerde de ambtenaar de wethouder, in onze gemeente adviseerden we het college van burgemeester en wethouders. Dat lijkt een futiliteit maar is het niet. Adviseer je de bestuurder, dan bepaalt de bestuurder wat er ter besluitvorming aan het college wordt voorgelegd. Als die wil dat ‘de bomen op de kop worden geplant’ dan is dat wat je als ambtenaar in het voorstel aan het college schrijft. Daarbij kun je de kanttekening plaatsen dat ze dan wellicht niet gaan groeien. Adviseer je het college, dan beslis je dat als ambtenaar op basis van je professionaliteit. Onderdeel van die professionaliteit is dat je het voorstel bespreekt met de verantwoordelijke wethouder en diens opvatting verwerkt in het voorstel. Dus in het voorstel aangeeft dat de wethouder ‘de bomen op de kop wil planten’, waarom en dan geef je daarbij aan waarom het volgens jou geen goed idee is.

Mijn grote bezwaar tegen de eerste werkwijze was en is nog steeds dat je dan als ambtenaar een advies voorlegt waar je niet achter staat maar waar wel je naam op staat en aan verbonden is. Jij bent het die voorstelt om ‘de bomen op de kop te planten’ terwijl je weet dat ze niet gaan groeien. Want, zoals Hogeling in zijn column terecht schrijft: “dat politici democratisch gekozen zijn, wil niet meteen zeggen dat ze weten hoe ze het algemeen belang moeten dienen.” Uiteindelijk beslist in beide gevallen het college hoe de bomen worden geplant. Maar Simon terecht schrijft: “Wij burgers kiezen de Tweede kamer, de Kamerleden stellen een regering aan, de regering neemt besluiten.”  

Laten we de bomen vervangen door asielzoekers. We zien een bestuursorgaan, de regering, die van de vier partijen die haar vormen, de opdracht heeft gekregen om de ‘asielcrisis’ uit te roepen en daarmee een deel van de Vreemdelingenwet buiten spel te zetten. Die opdracht staat in het Hoofdlijnenakkoord: “Ten eerste wordt de uitzonderingsbepaling van de Vreemdelingenwet 2000 (op grond van de artikelen 110 en 111) zo spoedig mogelijk geactiveerd. In de daartoe benodigde algemene maatregel van bestuur, dragend gemotiveerd, worden die bepalingen van de Vreemdelingenwet 2000 buiten werking gesteld die in de weg staan om de acute noodsituatie, voor de asielinstroom in het algemeen en de asielopvang in Ter Apel en de overige asielcentra in het bijzonder, direct aan te pakken, dan wel die bepalingen te vervangen met het oog op het bereiken van dit doel.”

Nu zijn de partijen die dit hebben opgeschreven, niet het bevoegde bestuursorgaan. Sterker, ze zijn in het geheel geen bestuursorgaan. Ze willen iets en dat moet de regering gaan uitvoeren. Of in dit geval de minister-president want op basis van artikel 110 eerste lid van de Vreemdelingenwet: “ ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, artikel 111,” in werking stellen. En dat artikel regelt dat: “Bij algemene maatregel van bestuur (…) regels voor het geval van buitengewone omstandigheden (kunnen) worden gesteld, die afwijken van de hoofdstukken 1 tot en met 7,” van de wet. En dat zijn de inhoudelijke hoofdstukken van de wet. Tegelijk met dat besluit moet er een wetsvoorstel naar de Kamer worden gestuurd over het voortduren van de afwijking van de wet. Dat voorstel dient door de regering te worden ingediend. Een beroep doen op buitengewone omstandigheden betekent het uitroepen van de algemene of gedeeltelijke noodtoestand. Daarvan kan alleen sprake zijn : “ter handhaving van de uitwendige of inwendige veiligheid,”  aldus artikel 1 eerste lid van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.

Het is gebruik dat besluiten gemotiveerd en dus met argumenten gebaseerd op feiten worden genomen. Dit om te voorkomen dat ‘bomen op de kop’ worden geplant’. Gebeurt dat niet dan worden ze door de rechter terecht nietig verklaard. Dit is het motiveringsbeginsel en dat is vastgelegd in Afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij dat motiveren ontstaan problemen. De ambtelijke organisatie wees op die problemen getuige de bij de Algemene Beschouwingen openbaar geworden ambtelijke notitie. Er moet worden gemotiveerd waarom de komst van asielzoekers de ‘inwendige veiligheid’ van Nederland aantast. En niet alleen dat, de aantasting moet dan ook alleen aan de instroom van asielzoekers te wijten zijn. Tot zover doen de ambtenaren hun werk. Als dit: zoals Hogeling schrijft: “In kringen die dit kabinet een warm hart toe dragen, is (tot)nogal wat chagrijn om kritische ambtenaren,” leidt en dat: “Ze (niet) moeten (…) dwarsliggen, maar gewoon uitvoeren wat ze wordt opgedragen.” Dan moeten ‘die kringen’ toch echt bij zichzelf te raden gaan. Die ambtenaren doen namelijk wat ze is opgedragen. Dat werk is namelijk de (on)mogelijkheden van ideeën en voorstellen aangeven en niet klakkeloos opschrijven wat een bestuurder hen opdraagt. Als de ambtenaren negatief adviseren over dit plan uit het Hoofdlijnenakkoord dan nog staat het de regering en de minister-president vrij om anders te besluiten. Dan moet de regering expliciet aangeven waarom zij van dat advies afwijken en die afwijking motiveren (artikel 3:50 van de Algemene wet bestuursrecht).

Dan naar de uitvoering. Besluiten moeten door de ambtenaren worden uitgevoerd. Want het zou wat zijn als: “de minister besluit tot het ­gedwongen uitkopen van boeren,” en: “De ambtenaren … doen (…)het gewoon niet.”   Moeten besluiten altijd door ambtenaren worden uitgevoerd? Ambtenaren moeten uitvoeren: Befehl ist Befehl. Moeten ambtenaren doen wat ze is opgedragen? Is Befehl altijd Befehl?

Jein, of beter gezegd ja en nee. Als het college, op advies van of tegen het advies in, heeft besloten de ‘bomen op de kop te planten’, dan worden ze op de kop geplant. Dan wordt dat dwaze besluit door de ambtenaren uitgevoerd. Als de minister besluit om boeren uit te kopen, dan moeten ambtenaren dat uitvoeren. Tenminste, als de minister bevoegd is dat besluit te nemen. Is de minister dat niet, dan hoeft het besluit niet te worden uitgevoerd. Want er is dan geen sprake van een besluit. Als een bevoegd bestuursorgaan een besluit neemt, dan voeren ambtenaren dat in de regel uit. Wellicht is er een ambtenaar die dit weigert te doen vanwege gewetensbezwaren. Voorbeeld hiervan waren ambtenaren van burgerlijke stand die weigerden een homohuwelijk te sluiten. De werkgever dient zorgvuldig om te gaan met die bezwaren en moet een afweging maken of de betreffende ambtenaar zonder teveel bezwaren kan vrijstellen van dit werk. Dat wordt lastig als het de kern van het werk van de ambtenaar is. In dat geval moet de ambtenaar zijn bezwaar inslikken of kiezen voor ontslag.

Het wordt nog anders als het bestuursorgaan een besluit neemt dat indruist tegen wet- en regelgeving. Een besluit om bijvoorbeeld alle mannen uit de asielopvang te zetten omdat er plaatsgebrek is en er alleen plaats is voor vrouwen en kinderen onder de 18 mag een ambtenaar weigeren uit te voeren. In zo’n geval is er sprake van discriminatie op oneigenlijke gronden. Een bestuursorgaan kan en mag niet van ambtenaren vragen om tegen de wet te handelen. Ook al is het besluit hiertoe volgens de juiste procedure, door het juiste bestuursorgaan genomen en gemotiveerd. Een ambtenaar die tegen de wet handelt en zich daarbij beroept op een bestuurlijke opdracht, kan persoonlijk worden vervolgd. Befehl ist Befehl.

Sterker nog, een ambtenaar zou zo’n opdracht moeten weigeren. Een ambtenaar zweert of beloofd immers: “de Koning en de Grondwet trouw te zijn en Nederland als goed ambtenaar te dienen,” zo is te lezen in de ambtseed. En dat betekent onder andere je gedragen: “volgens onze wetten, het recht en de gedragsregels die verder voor mij gelden.” Als het bestuursorgaan een loopje met de Grondwet en de wetgeving neemt, dan moet een ambtenaar weigeren uitvoering aan te geven de betreffende besluiten. Befehl ist dus niet altijd Befehl.

Don Quichot

Als ik Wilders mag geloven dan ‘gaat de zon weer schijnen’ in Nederland. Dit vertelde hij tijdens de presentatie van het hoofdlijnenakkoord HOOP, LEF EN TROTS . Ja, de titel is net als bijna alles wat Wilders twittert, of heet dat tegenwoordig xt, geschreven in kapitalen. Hij lijkt zich niet te realiseren dat als je overal de nadruk oplegt, en dat doe je door woorden met kapitalen te schrijven, je niets benadrukt. Nu heeft het de afgelopen jaren niet ontbroken aan zonneschijn, maar echt zonlicht zal Wilders niet hebben bedoeld. Hij zal hebben bedoeld dat we na eerst tien jaar Paars en de, om Fortuyn aan te halen, puinhopen die dat meebracht, vervolgens acht jaar een bak ellende met Balkenende, gevolg door veertien jaar rommel van Rutte er eindelijk een goed plan voor het land ligt. Ik moest denken aan Don Quichot bij de presentatie van het akkoord en de woorden die de vier leiders van de partijen erover spraken.

Don Quixote and Sancho Pansa, door Jacques Lagniet. Bron: wikigallery.org

Don Quichot, de hoofdpersoon uit de roman van Miguel de Cervantes geschreven in het begin van de zeventiende eeuw. Don Quichot is eigenlijk geen Don (hoge adel) maar een hidalgo, iemand van de laagste adel. Hij heet ook geen Quichot maar Alonso Quijano en is zijn verstand kwijt geraakt en beeldt zich in een dolende ridder te zijn: Don Quichot. Een dolende ridder die op zijn strijdpaard Rocinant door Spanje dwaalt en strijd tegen allerlei vormen van onrechtvaardigheid en onrecht. Hierdoor hoopt hij in de gunst te komen bij zijn geliefde de prinses Dulcinea  Nu is dat strijdpaard een afgesleten boerenknol en Dulcinea een eenvoudige boerendochter. Ook bestrijdt hij geen onrecht maar vecht hij tegen windmolens die hij aanziet voor reuzen en tegen kuddes schapen die hij voor legers houdt. Tijdens zijn tocht wordt hij begeleid door Sancho Panza, zijn buurman en dienaar, een eenvoudige boer. Sancho is niet dom en weet dat zijn meester meer dan een steekje los heeft zitten maar vergezelt hem toch omdat hij hoopt dat de grote beloning die hem in het vooruitzicht is gesteld, werkelijkheid wordt.

Ik moest aan Don Quichot denken omdat het een allegorie en een parodie is. Een allegorie is een, zoals de Van Dale het omschrijft: “symbolische voorstelling, samenhangende reeks beelden uit één gebied die dient om een samenhangende reeks gedachten op een ander gebied uit te drukken.” Een parodie is, volgens dezelfde Van Dale een: “grappige nabootsing om iets bespottelijk te maken.”  Cervantes gebruikt de hoofse ridderroman juist om het ridderlijke leven te bekritiseren en te bespotten. De vier partijen gebruiken de ‘samenhangende reeks beelden’ van een coalitieakkoord en drukken er iets heel anders mee uit. Ze bespotten de werkelijkheid ermee. In tegenstelling tot de Don Quichot van Cervantes kent dit verhaal twee dolende ridders.

Als eerste vecht ridder Wilders tegen een ‘leger van vijandige asielzoekers’. Cijfers aandragen dat Nederland een beneden gemiddeld land is in Europa voor wat betreft de opvang van asielzoekers, worden genegeerd. In dit gevecht worden de beginselen van de rechtsstaat geweld aangedaan met plannen om de bewijslast om te draaien waardoor de asielzoeker moet aantonen recht te hebben op asiel en de staat niet hoeft aan te tonen dat iemand geen recht heeft op asiel. Een gevaarlijke omkering. Ons rechtsstelsel piept en kraakt immers ook en door het omkeren van de bewijslast kan die worden vlotgetrokken. Het zou heel wat tijd en geld hebben gescheeld als Ridouan T. zijn onschuld had moeten aantonen en niet het Openbaar Ministerie zijn schuld. Bij dat aantonen van zijn recht hoeft de asielzoeker niet te rekenen op rechtsbijstand, want die wordt zoveel mogelijk beperkt en je kunt nog maar één keer naar de rechter, hoger beroep is niet mogelijk. Ook wordt de termijn waarbinnen je beroep kunt aantekenen verkort. Daar komt nog bij dat het begrip veilig land wordt verruimd en zelfs zo dat ook delen van landen veilig kunnen worden verklaard. De partijen begeven zich op een hellend vlak om een niet bestaand ‘leger van vijandige asielzoekers’ te bestrijden[1]. Hiermee is niet gezegd dat er geen problemen zijn in de asielketen. Die zijn er zeker. Alleen liggen ze veeleer bij de door- en uitstroom. Door dertig jaar jojobeleid is er een chronisch tekort aan beslisambtenaren bij de IND waardoor mensen veel langer dan nodig in de opvang zitten. Ook is er door meer dan tien jaar geen volkshuisvestingsbeleid te voeren een gebrek aan woonruimte waardoor statushouders in de opvang moeten blijven omdat er nog geen woonruimte is.

Als tweede  ridder, Donña Van der Plas. “De Nederlandse natuur en ons, door boeren gecreëerde en onderhouden cultuurlandschap is prachtig ,” aldus Van der Plas. Menig planten en dierensoort te land, te lucht en te water denkt daar anders over en ook menig mens kan de  pracht van de eindeloze velden met monotoon Engels raaigras en mais niet waarderen en maakt zich zorgen over de verslechterende natuur en de afnemende waterkwaliteit. Volgens jonkvrouwe moeten we vooral op de landbouwers vertrouwen: “Boeren en tuinders (…) al eeuwen met de bodem, dieren, omgeving en natuur” werken. Iets wat niet kan worden ontkend. Dat wil echter niet zeggen dat de boeren ook weten wat het beste is voor bodem, dier, omgeving en natuur. Zo wil Van der Plas het areaal door nutriënten verontreinigde gebieden terugbrengen. Dat klinkt positief. Hoe de partijen dat willen doen is niet door minder nutriënten aan de bodem toe te voegen maar door: “In plaats van de aanwijzing van heel Nederland als kwetsbaar gebied (komen tot) een aanwijzing per gebied.”  Want: “Dit is belangrijk omdat de norm van 170 kilogram stikstof per hectare uit dierlijke mest alleen geldt in kwetsbare gebieden.” En als je een gebied als niet kwetsbaar aanmerkt dan: “resulteert (dit) in meer plaatsingsruimte voor mest.” Het werken met de omgeving en de natuur door de boeren betekent voor Van der Plas de bodem volgooien met mest. Ook op het land van akkerbouwers want de samenwerking tussen de akkerbouw en veeteelt moet worden gestimuleerd door, zo valt te lezen: “het uitrijden van mest op bouwland met een staand gewas zoals wintertarwe in het voorjaar (toe te staan) zonder inwerkplicht (dat de mest niet gelijk in de grond gewerkt hoeft te worden). Grasland heeft deze inwerkplicht niet.”  Maar waar het eigenlijk om draait: “gelijk beleid zou ook meer mesttoepassingsruimte betekenen.”   Mest heeft de problemen met de natuur en waterkwaliteit veroorzaakt en mest is ook de oplossing voor de jonkvrouwe Van der Plas.[2]

Sancho Panza Omtzigt staat erbij, kijkt ernaar en denkt het zijne van die vreemde ideeën. Hij spreekt de ridders echter niet aan op hun dwaze gedrag. Hem is een ‘goed bestuur’ beloofd een kijkt verlekkerd uit naar die beloning. Dat ‘fatsoenlijk bestuur’ bestaat onder ander uit een soort districtenstelsel, een grondwettelijk hof  en nog wat meer van dat lekkers[3]. Als kenner van de Nederlandse grondwet en het staatsbestel zal hij toch weten dat die beloning zeer onzeker is. Die vraagt om wijziging van de Grondwet. Wellicht lukt hem dat in eerste lezing in de Tweede Kamer. Daarna is echter de Eerste Kamer aan zet. Daar hebben de regeringspartijen 30 zetels en als ze de SGP en Baudet zo ver krijgen, komen ze tot 34. Maar mochten ze dat toch halen, dan moet het voorstel na verkiezingen nogmaals, en nu met tweederde meerderheid door de Tweede Kamer worden vastgesteld. Dat gaat niet lukken. Zeker niet omdat er maar één partij is die hierop zit te wachten en die partij zou na die verkiezingen wel eens buiten de boot kunnen vallen. Dat de plannen van ridder Wilders en jonkvrouwe Van der Plas knellen met fatsoenlijk bestuur waar hij zo’n belang aan hecht, ziet hij, met het oog op dat voorgespiegelde lekkers,  door de vingers

Blijft over de laatste speler in de klucht: Yeşilgöz. Zij vervult met verve de rol van Rocinant. Als ze in de spiegel kijkt ziet ze een prachtige rijzige strijdros die staat voor degelijke overheidsfinanciën en een goed vestigingsklimaat voor bedrijven. Onder het mom van ‘solide overheidsfinanciën accepteert ze dat er wordt gerekend met een fors verlaagde Nederlandse bijdrage aan de Europese Unie zonder dat daar ook maar enig zicht op is. Iets soortgelijks gaat ook op voor de ingeboekte revenuen van de verminderde instroom van asielzoekers waar ridder Wilders op rekent. Ze verheugt zich op de ‘koop’ van vier kerncentrales voor maar 10 miljard in totaal. Dit terwijl de Britten er nu eentje bouwen bij Hinkley Point waarvan de verwachte kosten volgens de bouwer tussen de 31 en 35 miljard Britse ponden bedragen en volgens de BBC zouden de kosten zelfs op kunnen lopen naar 46 miljard pond (bijna € 54 miljard). De prachtige strijdros Rocinant Yeşilgöz blijkt een oude bijna kreupele boerenknol.


[1] HOOP,LEF en TROTS, pagina 3 – 6

[2] Idem, pagina 9 – 12

[3] Idem pagina 176-18