Marktwerking en solidariteit

Verzekeren is solidariteit en kansberekenen. We lopen allemaal een risico. Meestal en bij de meeste mensen, treedt dat niet op. Soms is er wel iemand de klos. Om de kosten hiervan te dragen, berekent een verzekeraar hoe groot de kans is en wat de schade dan is. De verzekeraar berekent de premie die de schade en zijn onkosten dekt én nog wat winst voor hem oplevert. De kans op schade is afhankelijk van je omstandigheden.

Marktwerking en solidariteit

(Illustratie: http://www.visionair.nl/wp-content/uploads/2012/07/cartoon_2006_june.jpg)

Oudere mensen of mensen met een chronische aandoening lopen een grotere kans op schade en soms weet je de schade al. Bij jongere gezonde mensen is die kans weer kleiner. Door hier geen rekening mee te houden en te doen alsof ieder mens dezelfde kans heeft op schade, kan de premie voor een zorgverzekering voor iedereen even hoog zijn, het oude ziekenfonds.

Op een vrije markt zullen verzekeraars producten maken voor specifieke groepen. Lagere premies voor mensen die weinig risico lopen (en meer winst voor de verzekeraar). Dit betekent wel dat die mensen die een hogere kans op schade lopen, meer premie moeten betalen. Hoe nu de verzekering voor de laatste groep betaalbaar te houden?

Door verevening. En aan die vervening gaat wat veranderen: “De verzekeraar draagt volgend jaar een groter deel van de premie van een jonge, gezonde klant af aan de verzekeraar die chronisch zieken verzekert en dus hoge kosten maakt”, dit valt te lezen in de Volkskrant. Dit is een manier om solidariteit vorm te geven en de markt te beteugelen.

Zou er geen betere manier zijn om solidariteit vorm te geven nu de markt blijkbaar niet het gewenste resultaat oplevert? Een manier met minder bureaucratie? Een manier waarbij winst niet nodig is? Een manier die mensen als mens ziet en niet als een mogelijke winstbron? Een die lijkt op het oude …?

Talent

talent 2(Illustratie: thelinncountyfair.wordpress.com)

In een eerder schrijven Talentontwikkeling heb ik ook al eens geschreven over talent en eindigde ik met de vraag of talentontwikkeling een manier is om mensen hun falen in de eigen schoenen te schuiven. Nu schrijft Hans Wansink in het commentaar in de Volkskrant: “Laat geen talent verloren gaan. Dat is al tientallen jaren het adagium van de Nederlandse onderwijspolitiek.” In dit commentaar bespreekt hij de toenemende tweedeling in het onderwijs. Het gaat mij niet om die tweedeling en wat daaraan gedaan kan en moet worden. Niet dat dit niet belangrijk is en geen aandacht vraagt. Het gaat mij om de eerste zin: Laat geen talent verloren gaan.

Talent is een natuurlijke begaafdheid of aanleg. Bij talent denken we al snel aan bijvoorbeeld sporters en muzikanten die zeer goed zijn. Of aan iemand met een wiskunde- of talenknobbel. Alleen blijkt dat talent meestal niet voldoende is voor bijvoorbeeld een voetballer. Een voetbaltalent zonder doorzettingsvermogen, inzet en geluk komt er niet. Hetzelfde geldt ook voor een muzikant of wiskundige. Talent wordt vaak afgemeten aan succes en succes aan geld verdienen. Een muzikaal talent dat zich ontwikkelt in een muzieksoort die niemand mooi vindt heeft pech. Daarvan wordt al snel gezegd dat hij zijn talent verspilt.

Wat maakt dat we geen talent verloren mogen laten gaan? En belangrijker, wat maakt dat ik mijn talent niet verloren mag laten gaan? Wat maakt het zo belangrijk dat al het talent wordt benut? Is het wel een taak van het onderwijs om talenten te ontdekken en ontwikkelen? Is de taak van het onderwijs niet kinderen kennis bijbrengen om zich in onze samenleving te kunnen redden? Is het ontwikkelen van een eventueel talent niet aan de bezitter van dat talent?

Lastige vragen, maar wel vragen waar we het over moeten hebben.