“Iedereen lijkt vooral iets te willen worden, maar niemand nog iets te willen zijn,” aldus de titel van een interessante column van Mark van Ostaijen in de Volkskrant. Aanleiding voor de column waren proeflessen die Van Ostaijen gaf in het kader van een open dag. Ostaijen beschrijft zijn belevenissen. Bij een terloopse zin tussen haakjes in de column bleef ik hangen: “u weet wel, die Geneefse burger en dus Zwitser die recentelijk in deze krant feitenvrij werd opgevoerd als ‘die ouwe Fransoos’.” De ‘ouwe Fransoos die volgens Van Ostaijen een Zwitser was, waar het over ging, was Jean Jacques Rousseau.
Een interessant omdat er een goede schets wordt gegeven van onze huidige maatschappij: “als iedereen constant in beweging en onderweg is, en niemand ergens meer aan wil komen, creëert dat een volatiele cultuur van rusteloosheid. Het creëert een samenleving waarin overgave, berusting en acceptatie lastig gedijen. Niet voor niets lopen jaar in jaar uit de cijfers van overmatige stress, burn-out en depressie op. Er zijn te veel mensen die heel druk zijn met druk zijn.” Van Ostaijen kwam tot deze column omdat bezoekers van de open dag hem, nadat hij iets had verteld over bestuurkunde, sociologie en politieke filosofie vroegen: “’wat kan ik ermee worden.” Een interessante filosofische discussie maar wellicht voor een andere keer. Nu terug naar die ‘ouwe Fransoos’ of Zwitser.

Want was Rousseau nu een Fransoos of een Zwitser? Hij sprak Frans, dus een Fransoos? Nee, dat gaat te snel want er wordt ook Frans gesproken in gebieden die niet bij Frankrijk horen. In België bijvoorbeeld en ook in Zwitserland. Rousseau werd geboren in Genève en dat ligt in Zwitserland, dus een Zwitser? Ook dat gaat te snel. Rousseau kwam in 1712 ter wereld en stierf in 1778 in Ermenonville terwijl Genève pas vanaf 1815 onderdeel uitmaakt van wat Zwitserland is geworden. Tijdens het Congres van Wenen van 1815 voegden de overwinnaars van Napoleon de stad samen met de Franse gebieden van het hertogdom Savoie samen tot het kanton Genève en deelden het toe aan de Zwitserse statenbond. Ten tijden van Rousseau was het een zichzelf besturende stad, stadstaat zoals er vroeger wel meer waren. Dus het Rousseau Zwitser noemen is net zo feitenvrij als hem Fransoos noemen. Het is net zo feitenvrij als het bestempelen van de filosoof Immanuel Kant tot Rus. Kant heeft zijn hele leven gewoond in Königsberg. Een stad in Oost-Pruissen die sinds 1870 deel uitmaakte van het Duitse rijk en die sinds 1945 Kaliningrad heet en in Rusland ligt. Van Ostaijen volgend, is Kant geboren in 1724, een Rus. We kunnen Rousseau en Kant niet meer vragen hoe zij zich, om dat moderne woord te gebruiken, identificeren.
Met dat moderne woord identiteit, komen we wel bij de oorzaak van die twee feitenvrije opvoeringen van Rousseau. Een onderdeel van iemands moderne identiteit is de nationaliteit van de persoon. En met nationaliteit komen we bij de nationalistische valkuil waar Van Ostaijen in valt. In tegenstelling van wat tegenwoordig wordt gedacht, zijn landen en natiestaten van zeer recente datum. Je Fransoos, Zwitser, Duitser of Nederlander noemen, voelen en daar trots op zijn, is iets wat de laatste 150 jaar is gegroeid. In zijn boek Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek vertelt Francis Fukuyama aan de hand van de persoon Hans, het ontstaan van nationalisme. “Neem de situatie van de jonge boer, Hans, die opgroeit in een klein Saksisch dorpje. Hans’ leven in het dorpje ligt vast: hij woont in hetzelfde huis als zijn ouders en grootouders; hij is verloofd met een meisje dat zijn ouders aanvaardbaar vonden; hij werd gedoopt door de plaatselijke priester; en hij is van plan om hetzelfde stukje land te bewerken als zijn vader. De vraag ‘wie ben ik?’ komt bij Hans niet op, omdat die al door de mensen in zijn omgeving is beantwoord.[1]” Hans was boer in het begin van de negentiende eeuw en sprak de taal ‘van hier’.
In de negentiende eeuw maakte de Europese samenleving ingrijpende wijzigingen door. Fukuyama: Toen markten groeiden als gevolg van technologische veranderingen, ontstonden er nieuwe beroepen en kwamen er andere sociale klassen op. Steden werden machtiger en onafhankelijker en ze dienden als toevluchtsoorden voor boeren die aan de tirannie van hun heer probeerden te ontkomen.” Die veranderingen betekenden dat : “de mensen opeens meer keuzen en kansen hadden in hun leven. In de oude samenleving bepaalden hun beperkte sociale keuzemogelijkheden wie zij voor zichzelf waren; nu de bestaande grenzen werden doorbroken werd de vraag ‘Wie ben ik?’ opeens relevanter, evenals het gevoel dat er een enorme kloof bestond tussen de innerlijke mens en de uitwendige realiteit. Ideeën vormden de materiële wereld, en de materiële wereld creëerde omstandigheden voor de verspreiding van bepaalde ideeën.[2]” In het midden van de negentiende eeuw komt Hans in het Ruhrgebied in deze nieuwe wereld terecht en komt daar mensen tegen uit heel Noordwest-Duitsland en zelfs uit Nederland en Frankrijk. Die nieuwe omgeving brengt hem vrijheid, los van de dorpspriester, zijn ouders en dorpsgenoten. Met die vrijheid komt ook onzekerheid: op wie kan ik terugvallen als ik ziek ben of geen werk heb? Hans ziet mensen van verschillende politieke partijen en vraagt zich af of ze hem echt vertegenwoordigen of dat ze alleen maar aan hun eigen belang denken. “Voor het eerst in zijn leven kan Hans kiezen hoe hij zijn leven wil leiden, maar hij vraagt zich af wie hij werkelijk is en wat hij graag zou willen zijn. De vraag naar zijn identiteit, die in zijn dorp nooit een probleem zou zijn geweest, wordt nu heel belangrijk.[3]” uiteindelijk krijgt Hans een antwoord op de vraag wie hij is: “jij bent een trotse Duitser, erfgenaam van een oude cultuur, door je gemeenschappelijke taal verbonden met al die miljoenen andere Duitsers her en der in Midden- en Oost Europa.[4]” Duits kan hierbij afhankelijk van de plek worden vervangen door Frans, Nederlands enzovoorts.
Het bijzondere aan nationalisme is dat het zichzelf bevestigd. Bij dat zichzelf bevestigen wordt het verleden herschreven, en het heden aangepast aan het gewenste ideaalbeeld zodat er in de toekomst geen twijfel meer is over het bestaan van de natie. Die is er immers altijd geweest. Het verleden wordt herschreven door bijzondere gebeurtenissen, personen, volkeren en culturele uitingen worden met de eigen natie te verbinden. De Bataven als proto-Nederlanders. Het Romeinse Rijk als voorloper van en voorbeeld voor Italië. De slag op het Merelveld voor de Serviërs. De verovering van de Zilvervloot door Piet Heijn. Is Caesar een van de grootste Italianen en keizer Frederik I van het Heilige Roomse Rijk, beter bekend als Barbarossa een van de grote Duitse helden en in die hoedanigheid naamgever van de grootste veldslag ooit geleverd. De aanval van nazi-Duitsland op de Sovjet Unie. Wordt Rembrandt een ‘Hollandse meester’, Rousseau een Fransoos en Kant een Duitser. Alles wordt gedaan om de grootsheid en de eeuwigheid van de natie aan te tonen. De natie, het nationalisme, wordt de mal waarmee naar verleden, heden en toekomst wordt gekeken. Voorbeelden van de cultuur worden ‘heilig’ verklaard en moeten worden behouden. Gebouwen, alleen of in een groep worden monument en beschermd stadsgezicht en bij herstel of renovatie worden in het verleden verdwenen zaken weer toegevoegd waardoor dit typische voorbeeld van de eigen cultuur typischer wordt dan het ooit is geweest. Zo is tussen de Venlose binnenstad en de Maas een prachtige nieuwe wijk gebouwd: Aan de stadsmuur. Huizen vormgegeven pakhuizen die de stad authentieker maken dan ze ooit is geweest. Dit om ervoor te zorgen dat onze nazaten zich nooit hoeven af te vragen wie zij zijn. De grootsheid van het verleden komt ook terug in bijvoorbeeld standbeelden. Standbeelden waarover jaren later weer gesteggeld kan worden omdat ze ineens minder stroken met dat waar ‘we’ trots op moeten zijn. En standbeelden kun je naar gelieven vervangen door schrijvers, componisten, beelden kunstenaars, architecten en hun werken. De natie is en wordt zo vanzelfsprekend dat een wereld zonder niet is voor te stellen.
Maar, we dienen: “de natie, de natiestaat en het nationalisme niet als vanzelfsprekend (…) te beschouwen,” zo schrijft Eric Storm in zijn boek Nationalisme. Een wereldgeschiedenis. Niet vanzelfsprekend want: “termen als ‘het volk’ of ‘de natie’ zijn – behalve misschien in bepaalde juridische contexten – al even grove versimpelingen, los van het veelvoorkomende maar incorrecte gebruik van ‘natie’ als synoniem voor staat of land. Door de inwoners van een land te omschrijven als ‘het volk’, ‘de Fransen’ of ‘de Mexicanen, impliceren we dat ze een homogene gemeenschap vormen, met één cultuur en één taal. Daarmee wissen we echter de complexe lappendeken van inheemse bevolkingen, etnische minderheden, immigrantengroepen en nakomelingen uit ‘gemengde huwelijken’ , terwijl we er vaak onterecht van uit lijken te gaan dat er fundamentele verschillen zijn met naburige gebieden over de grens.[5]” Er is binnen een natie net zoveel verdeeldheid als tussen naties. Alleen blijft die verborgen als we niet voorbij de versimpeling kijken
Zeg tegen Hans dat hij een trotste Duitser is met een ‘groots verleden’ die houdt van Bier und Bratwurst en hij wordt een trotste Duitser en gaat die Bratwurst liefst met Sauerkraut met trots eten en ontleend grootheid en trots aan mensen met eenzelfde paspoort die iets groots doen. Premier Schoof die Sifan Hassan aanhaalt. En wat waren ‘we’ deze week graag trotst geweest op ‘onze jongens’ van het Nederlands elftal. Helaas bakten ‘ze’ er niets van. Gelukkig is ‘hun’ falen ‘ons’ dan weer niet aan te rekenen is. En kon Hans stoltz zijn op die Mannschaft want zo zou hij kunnen zeggen: ‘dat hebben ‘wij’ toch maar mooi geschafft’. Maar als Hans om zich heen had gekeken in de Alianz Arena in München, dan had hij onder die ‘eenheid uitstralende shirtjes van de Mannschaft die de mensen aan hadden, de lappendeken gezien waarover Storm spreekt. En als hij in het vak met die mensen in oranje had gekeken, dan zag hij onder dat oranje naast een lappendeken waarschijnlijk ook een hele groep mensen waarin hij zich zou herkennen.
[1] Francis Fukuyama, Identiteit. Waardigheid, ressentiment en identiteitspolitiek, pagina 89.
[2] Idem, pagina 57
[3] Idem, pagina 89
[4] Idem , pagina 92
[5] Eric Storm, Nationalisme. Een wereldgeschiedenis, pagina 520