Die goeie ouwe tijd

Vroeger was Nederland een geweldig land waar iedereen goed met elkaar kon opschieten. Tenminste als ik Juliaan van Acker mag geloven. Dat vroeger is van voor de tijd van de massa-immigratie. In die goede ouwe tijd werden: “Mensen (…) beoordeeld op basis van hun karakter, hun talenten en hun moraal. Nederlanders voelden zich Nederlander,” aldus Van Acker in een artikel bij TPO. Een wel erg rooskleurig beeld van het verleden. Nu is Van Acker al in de tachtig en geboren in Vlaanderen dus wellicht kent hij de Nederlandse geschiedenis onvoldoende.

The Good Old Days / Dystopia | Brewery Green, Leeds | Tim Green | Flickr
Bron: Flickr

Nu is hij niet de enige met een rooskleurig beeld van het verleden. Zo verlangt ook Baudet terug naar een mythisch verleden van de deugdzame bourgeoisie waarnaar hij terug wil, dit even terzijde. Terug naar Van Acker. Wellicht is dit gebrek aan kennis van het Nederlandse verleden terug te voeren op zijn eigen verleden. Hij werd in 1940 geboren in Vlaanderen. Toch kan dit niet echt als excuus gelden want behoort Vlaanderen niet tot België? Een land waar mensen al sinds de oprichting in 1830 worden beoordeeld op de taal die ze spreken en niet op de ‘hun karakter, talenten en moraal’?

Nu is Van Acker niet de eerste en zeker niet de enige Vlaming die naar het ‘noorden’ trok. In de zestiende en zeventiende eeuw gingen veel Vlamingen hem voor in een golf van massamigratie vanuit Vlaanderen naar Zeeland en Holland. Ik denk echter niet dat Van Acker die periode van massa-immigratie bedoeld. Ik denk dat hij het heeft over de periode vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw. De komst van arbeiders, eerst vanuit Italië en Spanje en later vanuit Marokko en Turkije. Dat ‘gelukkige Nederland’ waar ‘karakter, talent en moraal’ centraal stonden, moeten we dus zoeken voor de jaren zeventig van de vorige eeuw. Laten we die tijd eens wat nader beschouwen.

Het eerste wat opvalt aan die periode is dat ‘karakter, talent en moraal’ van de vrouwelijke helft van de bevolking er helemaal niet toe deed. Daar werd niet naar gekeken. Sterker nog, tot en met 1956 werden ze niet handelingsbekwaam geacht. Hun vader of man hadden die macht. Als ze trouwden, dan was dat een wettelijke reden voor ontslag. Iets wat een jaar later werd afgeschaft. En die afschaffing veranderde de mores maar geleidelijk.

Het was ook de periode waarin wat we, in navolging van de politicoloog Arend Lijphart, de ‘pacificatie-politiek noemen, hoogtij vierde. “De pacificatie-politiek was het proces, waarin de problemen die in de onderlinge betrekkingen tussen de zuilen grote spanningen opleverden, toch op vreedzame manier werden opgelost. Het was een proces van vredestichting en de schepping van een zekere mate van consensus tussen de zuilen, waar oorspronkelijk weinig consensus bestond.” De tijd waarin: “Het nationaal saamhorigheidsgevoel in Nederland (niet) sterk (was), maar sterk genoeg om aan de centrifugale neigingen van de zuilen weerstand te bieden.[1] Nu zet Lijphart het scherp weg. Nederland dreigde nooit echt uit elkaar te vallen. Veel met elkaar hadden de verschillende bevolkingsgroepen niet. Als katholiek ging je naar een katholieke school. Lag je in een katholiek ziekenhuis. Voetbalde je katholiek. Was je bij een katholieke vakbond of werkgeversvereniging. Vlogen je duiven katholiek. En stemde je katholiek. Dat in 1954 zelf bij mandement van de Nederlandse bisschoppen. Voor protestanten gold, afgezien van dat mandement, hetzelfde. Je ‘karakter, talent en moraal’ deden er hooguit binnen ‘je eigen zuil’ toe. Als protestant kreeg je geen werk bij een katholieke werkgever. Huwelijken met andersgelovigen waren zeer zeldzaam. Immers: twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen.

We zijn er echter nog niet. Zelfs als man binnen je eigen zuil draaide het niet om je ‘karakter, talent en moraal’. Als arbeiderskind was je gedoemd om na je leerplichtige periode als arbeider in de fabriek te belanden alwaar je vader ook werkte. Alleen als je op exceptionele kwaliteiten werd ‘betrapt’, de schoolmeester je gunstig gezind was en je ouders als niet als lastig bekend stonden, maakte je kans op een vervolg van je schoolloopbaan en dus op een andere carrière dan arbeider in de fabriek waar pa ook werkte. Bij het opbouwen van die carrière zat je verleden als arbeiderskind je wel dwars. Je ouders misten immers het netwerk dat het kind van de fabrieksdirecteur of notaris wel had. Iets waar veel nieuwkomers nu ook last van hebben.

Nee, die goeie ouwe tijd waarnaar Van Acker terugverlangt is vooral oud.


[1] A. Lijphart, Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek, pagina 99

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.