Geschiedenis: historicisme

Vandaag ga verder met het denken over geschiedenis en vooral het bestuderen van de geschiedenis. In het vorige deel stond Leopold von Ranke centraal. In dit deel de Filosoof Karl Popper en het door hem gemunte begrip historicisme.

Ranke zocht naar objectiviteit in de geschiedenis. Anderen niet, die doen dat door dat te doen waar het menselijke brein sterk in is.  Die zoeken naar verklaringen, naar logica, naar verbanden en in extremis naar historische wetten. Zij zoeken naar patronen of beter nog naar wetmatigheden in de geschiedenis. Dit denken wordt historicisme genoemd. Een term die we te danken hebben aan de grootste criticaster ervan: Karl Popper (1902-1994). Het historicisme haakt aan bij het Verlichtingsdenken. Zijn The poverty of historicism is volledig gewijd aan dit denken. In de inleiding geeft hij een korte definitie: “historicism’ (is) an approach to social sciences which assumes that historical prediction is their principle, and which assumes that this aim is attainable by discovering the ‘rhytms’ or the ‘patterns, the ‘laws’ or the ‘trends’ that underlie the evolution of history.[1]

Karl Popper for PIFAL | Pencil HB, 2B and Graphite 9B on can… | Flickr
Karl Popper. Bron: Flickr

Een korte definitie die hij in dat boek uitwerkt. In het eerste hoofdstuk van zijn De open samenleving en haar vijanden legt hij het kort en duidelijk uit: “Er bestaat een wijdverspreid geloof dat een echt wetenschappelijke of filosofische houding tegenover de politiek of een beter begrip van het sociale leven in het algemeen gebaseerd moet zijn op een beschouwing en een interpretatie van de menselijke geschiedenis. Terwijl de gewone man zijn levensomstandigheden, het belang van zijn persoonlijke ervaringen en zijn strijd om het bestaan maar moet aanvaarden, wordt de sociale wetenschapper of filosoof geacht de dingen vanaf een hoger niveau te overzien. Hij ziet het individu als een marionet, als een min of meer onbeduidend instrument in de algemene ontwikkeling van de mensheid. En de werkelijk belangrijke acteurs op het toneel van de geschiedenis zijn voor hem grote naties en hun leiders of eventueel de grote klassen of de grote ideeën. Wat daar ook van zij, hij zal de betekenis van het toneelstuk dat op het toneel van de geschiedenis wordt gespeeld, proberen te begrijpen; hij zal wetten van historische ontwikkeling trachten te begrijpen. Als hij daarin slaagt, zal hij natuurlijk in staat zijn toekomstige ontwikkelingen trachten te voorspellen, en zo zou hij de politiek een solide basis verschaffen en ons praktische adviezen kunnen geven door ons te vertellen welke politieke ondernemingen waarschijnlijk succesvol zullen zijn en welke waarschijnlijk zullen mislukken.[2]”  

Om Poppers betoog en om zijn kritiek op het historicisme te kunnen begrijpen, eerst iets meer over Poppers denken over wetenschap. Daarvoor moeten we even terug naar de achttiende eeuw, de eeuw van de Verlichting. De stroming die zich verzette tegen het dogmatische geloof in autoriteit en die autoriteit was God. Niet aannemen wat de ‘autoriteit’ zegt, maar zelf nadenken, zelf redeneren (je rede gebruiken). Newton die onder de boom zit of ligt en de appel op zijn hoofd krijgt, zocht de verklaring van het vallen van die appel niet in Gods voorzienigheid. Nee, hij zocht naar een andere verklaring en formuleerde de drie wetten die ten grondslag liggen aan de klassieke mechanica[3]. In navolging van Newton gingen wetenschappers overal op zoek naar ‘wetten’ die verklaarden waarom zaken waren gebeurd en die daarmee ook gelijksoortige toekomstige gebeurtenissen konden verklaren. Zo probeerde Adam Smith (1723-1790) in zijn De Welvaart van Landen de economie te verklaren en die verklaring zocht hij in het eigenbelang van mensen: “We danken onze maaltijd niet aan de welwillendheid van de slager, de brouwer of de bakker, maar aan het feit dat ze hun eigen belang voor ogen hebben. We wenden ons niet tot hun medemenselijkheid maar tot hun eigenliefde; we vertellen nooit over onze eigen behoeften en spreken altijd met hen over hun profijt.[4]Op een dergelijke manier werd op alle terreinen van het leven naar algemeen geldende ‘wetten’ gezocht.

Popper hield er een heel andere manier van denken over wetenschap op na. Volgens Popper bestaan er geen absolute waarheden. Wetenschap is voor Popper geen zoektocht naar die absolute en algemene waarheden maar een tocht waarbij onzekerheden worden weggenomen. Al het weten en daarmee alle wetenschap is voorlopig en dus theorie. Nu leefde Popper in een tijd dat steeds meer oude ‘zekerheden’ niet zo zeker bleken. Met zijn algemene relativiteitstheorie wees Einstein Newton nog net niet naar de prullenbak maar zo algemeen geldend bleken die wetten van Newton niet. De op Smith gebaseerde klassieke economie bleek geen verklaring en dus geen oplossing te kunnen leveren voor de economische crisis van de jaren dertig. ‘Weten’ in de zin van het bieden van zekerheid en waarheid stond centraal in de wetenschap. Popper zag dit anders. Wetenschap is geen zoektocht naar zekerheid, maar een tocht naar het wegnemen van onzekerheid. Een goede wetenschapper zoekt daarbij steeds naar ontkenning van die theorie, omdat alleen ontkenning tot nieuwe kennis leidt. Hij maakt dit duidelijk met zijn ‘zwanen’. Als de theorie luidt dat alle zwanen wit zijn, wat doe je dan als wetenschapper? Dan kun je je hele leven zoeken naar witte zwanen en die zal je in overvloed vinden en die bevestigen je theorie. Als je je echter richt op het ontkennen van de theorie en je gaat op zoek naar zwarte zwanen, dan bewijs je de wetenschap een dienst. Theorieën moeten, zoals Popper het noemt, gefalsificeerd worden.

Terug naar het historicisme en vooral naar de tijd waarin Popper The Poverty of Historicism en De open samenleving en haar vijanden schreef. Popper werd in Wenen geboren en studeerde er in de jaren twintig filosofie. In 1937 emigreerde, of vluchtte, hij naar Nieuw Zeeland omdat hij zich zorgen maakte om het nazisme. En daarmee zijn we meteen aanbeland bij de tijd en vooral de ‘Zeitgeist’ waarin Popper de beide werken schreef. Vooral in de open samenleving en haar vijanden is dit een belangrijk gegeven. Het boek is Poppers bijdrage in de strijd voor de liberale democratie en richt zich tegen de geestelijke vaders van het totalitarisme. Popper onderscheidt twee vormen van historicisme en die geestelijke vaders zijn niet de minsten. Hij richt zijn pijlen aan de ene kant op Plato en aan de andere kant met name Karl Marx. En, zo zegt hij: “Als er in dit boek harde woorden vallen over sommige van de grootste geestelijke leiders van de mensheid, is dat niet om hen te kleineren. Ik doe dat omdat ik ervan overtuigd ben dat wij – wil onze samenleving overleven – moeten breken met de gewoonte om de groten der aarde te vereren. De groten der aarde kunnen ook fouten maken en zoals ik in dit boek heb willen aantonen, hebben sommige van de grootste leiders in het verleden de niet-aflatende aanval op vrijheid en rede gesteund.[5]Plato en Marx staan voor twee vormen van historicisme van heel verschillende soort.

In het eerste deel strijdt Popper tegen de oude filosoof Plato en zijn denken. Plato staat mede aan de basis van de westerse filosofie. Plato leefde juist in de tijd dat de tribale samenleving verloren ging en hij betreurde dat. Popper: “De ineenstorting van het tribalisme van de Griekse gesloten samenleving, kan worden teruggevoerd tot de tijd dat de bevolkingsgroei zich ging doen gevoelen onder de leden van de heersende klasse der landeigenaren. Dat betekende het einde van het ‘organische’ tribalisme, want er ontstonden sociale spanningen in de gesloten samenleving van de heersende klasse.” Die spanningen probeerden de Grieken op te lossen door het stichten van dochtersteden. Maar, zo schrijft Popper: “Het leidde zelfs tot nieuwe gevarenzones overal waar culturele contacten tot stand kwamen. Die contacten leidden op hun beurt tot wat wellicht het grootste gevaar voor de gesloten samenleving vormde – handel en de opkomst van een nieuwe klasse die zich aan handel en zeevaart wijdde.[6]

De twee machtigste Griekse steden reageerden op een verschillende manier op de sociale spanningen die dit in hun samenleving veroorzaakte. In Athene leidde dit tot een interne strijd tussen het oude en het nieuwe. Een strijd waar meestentijds de aanhangers van het nieuwe, de openere samenleving, de boventoon voerden en kreeg de vorm van de democratie. Zij bood ruimte aan vrije denkers en stond zo aan de wieg van de filosofie en daarmee ook de wetenschap. Concurrent Sparta niet, Sparta hield vast aan het oude en probeerde zo de ontwikkeling stop te zetten. Plato’s voorkeur ging uit naar het Spartaanse model en het behouden van de gesloten tribale samenleving. Naar een strak geordende samenleving waar iedereen een vaste plek inneemt onder leiding van een filosoofkoning. Plato ziet de samenleving achteruitgaan. Plato wilde het liefst terug naar vroeger en dan toch in ieder geval verdere ‘achteruitgang’ voorkomen.

Nu is denken in verval en achteruitgang niet iets specifieks voor Plato. Zo deelde Hesiodus de geschiedenis van de mensheid in vijf tijdperken of beter degenererende geslachten. De geschiedenis van de mensheid begon met de schepping van het gouden geslacht door de Olympische goden. Dit geslacht hoefde niet te werken, was zuiver van geest en geliefd bij de goden. En eindigt met het ijzeren geslacht: de mens die moet werken, leeft in angst, sterft en waarvan de goden het leven zwaar maken. Het scheppingsverhaal met de zondeval waardoor Adam en Eva het paradijs moesten verlaten en de eschatologie[7], het ‘eindtijd-denken’ past in die traditie. ‘Eindtijd-denken’ komt in alle moderne religies voor en niet alleen in de moderne. Zo eindigde de wereld volgens de Maya-kalender op 21 december 2012. Dat ik dit nu schrijf en dat je nog steeds naar 2012, de rampenfilm die Roland Emmerich in 2009 hierover maakte, kunt kijken, laat zien dat ook die voorspelling niet is uitgekomen. Om hun religie acceptabeler te maken volgt er na die eindtijd ‘de hemel op Aard’, tenminste voor de ‘echte gelovigen‘. Het ‘niet uitkomen’ is voor de aanhangers van de betreffende religie echter geen reden om hun geloof in de ‘eindtijd’ op te geven. Dan is er ‘fout gerekend’ of, dan was dat: “een teken dat er nog teveel zondaars in de stad waren. Die smetten moesten worden weggepoetst om zijn uitgestelde wederkomst te verzekeren[8]”. Dit was de conclusie van de wederdopers die in 1534-1535 onder leiding van Hans Bockholt, beter bekend als Jan van Leiden, de stad Münster terroriseerden. De wederkomst zou plaatsvinden op paasdag 1534 en toen er ‘niemand kwam’ werd de bovenstaande conclusie getrokken waarna de ‘ongelovigen’ of de iets minder of anders gelovigen in de stad werden opgespoord en over de kling gejaagd.

De Amerikaanse president George W. Bush gebruikte dit denken, of beter gezegd geloof, in 2003 om de Franse president Chirac te overtuigen mee te doen aan de inval in Irak: “Ondanks onze verschillende roomse en methodische achtergrond delen wij één gemeenschappelijke heer (…) Gog en Magog zijn aan het werk in het Midden-Oosten. Bijbelse voorspellingen komen uit. Deze confrontatie is de wens van God, die dit conflict wil gebruiken om de vijanden van Zijn volk te vernietigen voordat een nieuwe tijd aanbreekt.” Voor degenen die Gog en Magog niet kennen, Gog is in de Hebreeuwse bijbel de leider van het land Magog en Gog zal uiteindelijk de strijd voeren tegen het volk van God en aan de kant van Satan. Als je dit niet weet, hoef je je niet te schamen, Chirac wist ook niet wat hem overkwam toen Bush hem op deze manier probeerde te overtuigen: “Chirac keek nietbegrijpend naar zijn adviseurs die moesten uitzoeken wie Gog en Magog waren die plotseling in het Midden-Oosten opdoken. Toen de Openbaring van Johannes ter tafel kwam was voor Chirac de kous af. De politieke beweegredenen voor de invasie vond hij al niet overtuigend, maar een beroep op Bijbelse voorspellingen leek hem ronduit belachelijk. [9] Aldus beschrijft Hans Achterhuis het gebeurde in zijn boek Geloof in geweld. Met het ‘koninkrijk op Aarde’ dat duizend jaar zou duren komen we terug bij waar het historicisme van Plato volgens Popper toe leidt. Het leidt tot nazistisch totalitarisme, tot het streven naar het ‘Dritte Reich’. Een rijk dat weer is gebaseerd op de oude natuurlijke orde die Plato langzaam ziet vervallen en waarin de ware ‘gelovige’, in dit geval de ‘pure Ariër, zijn ‘rechtmatige plaats’ inneemt bovenaan de wereldorde.

In het tweede deel van De opensamenleving en haar vijanden bindt Popper de strijd aan met de belangrijkste vertolker van de tweede vorm van historicisme, Karl Marx. Daar waar het ‘Plato historicisme’ verval en achteruitgang ziet en terug wil naar vroeger, ziet het ‘Marx-historicisme’ een wetmatige ontwikkeling naar een ideale samenleving. Marx was een van de (zo niet de) belangrijkste denkers van de arbeidersbeweging en het socialisme. Het economische denken van Marx komt voort uit de klassieke economie van Smith en zijn navolgers. Maar daar waar de klassieke economen de samenleving vooral bekeken met de ogen van de kapitalist, stelde Marx de arbeider centraal. En dan niet de arbeider als individu maar de arbeidersklasse (het proletariaat). In zijn boek Das Kapital geeft Marx een beschrijving van de werking van de economie. Voor Marx is het kapitalisme een strijd tussen de arbeider en de kapitalist (de fabriekseigenaar). Volgens Marx wordt de waarde van een product bepaald door de erin verwerkte grondstoffen en de arbeid die erin wordt gestoken. De waarde die de arbeider erin stopt, zou hem in zeer belangrijke mate moeten toebehoren en niet aan de ‘kapitalist’. In het kapitalistische systeem zoals Marx dat in zijn tijd zag, eigende de fabriekseigenaar zich die waarde voor het grootste deel toe. Zo zou het kapitaal zich verzamelen in steeds minder handen. Marx’ denken was sterk beïnvloed en doordrongen van de dialectiek dat wil zeggen een strijd tussen twee tegengestelden die uiteindelijk zou leiden tot een synthese (een betere of hogere staat van zijn). De strijd in Marx’ zijn tijd was er een tussen de industriële ondernemers (de kapitalisten) en de loonarbeiders (het proletariaat).

Marx’ denken combineert historisme en dus de Romantiek met de algemene wetmatigheden van de Verlichting. Volgens het historisme heeft iedere tijd zijn eigen ‘Geist’. Die ‘tijd’ deelde hij op in afgebakende historische periodes lopend van het oercommunisme, via de slavenmaatschappij, het feodalisme en de bourgeoisie naar het kapitalisme. Iedere periode kende eigen, binnen die periode geldende ‘wetmatigheden’ en had op die manier een eigen ‘Zeitgeist’. Marx kende geen algemeen geldende economische wetten, wel economische wetten van het feodalisme of de slavenmaatschappij. Een manier van denken die aansluit bij het denken van de Romantiek. De enige algemene wet die Marx zag, is de opvolging van de verschillende perioden en dit is typisch Verlicht denken. Net zoals het feodalisme uiteindelijk het loodje moest leggen tegen het kapitalisme, zou het kapitalisme het loodje leggen tegen de kracht van de arbeiders. Dan zou de socialistische samenleving zijn bereikt die uiteindelijk zou overgaan in de communistische. De vrije concurrentie moest immers onherroepelijk tot monopolievorming leiden en omdat dit onrechtvaardig was, zouden de arbeiders hiertegen in verzet komen, de ‘Zeitgeistwet’ van de kapitalistische periode. In die volledig geïndustrialiseerde socialistische samenleving zou de staat, en daarmee iedereen, eigenaar zijn van grond en kapitaal. Daarmee zou de geschiedenis eindigen. Marx verzette zich niet tegen het kapitalisme, in tegendeel, het was volgens hem een noodzakelijke fase in de ontwikkeling naar de eindtijd. En daar waar Plato bij Popper leidt tot totalitair nazi-Duitsland, leidt Marx tot de totalitair communistische Sovjet Unie.

Historicisme leidt, zo betoogt Popper, tot vormen van totalitarisme omdat het de mens niet als individu draait. Het individu is een marionet op het wereldtoneel die gebruikt, of beter gezegd misbruikt, wordt om de voorspelling te versnellen. Zie het voorbeeld van de wederdopers onder leiding van Jan van Leiden in Münster die concludeerde dat er nog verder gezuiverd moest worden. Het ‘verwijderen’ van onzuivere elementen in de samenleving en in eigen gelederen was ook iets waar Hitler en Stalin bijna continue mee bezig waren. Van vriend kon je overnacht vijand worden, iets waar Ernst Röhm, de leider van de Sturm Abteilung over mee kan praten, als hij nog kon praten want in de ‘nacht van de lange messen’ liet hij het leven. Je kan het, als ze het nog na konden vertellen, ook vragen aan Jagoda of Jezjov die door Stalin werden ‘weggezuiverd’ en in showprocessen zich ook nog schuldig verklaarden aan hetgeen hen ten laste werd gelegd. Voor wie inzicht wil krijgen in de Grote Zuivering onder Stalin kan ik het boek Stalin. Het hof van de rode tsaar van Simon Sebag Montefiore aanbevelen. Historicisme ontmenselijkt de mens en dat maakt het een gevaarlijke manier van denken. Die ontmenselijking maakt dat totalitarisme op de loer ligt.

Tot zover het historicisme. In een volgend deel nog een andere belangrijke stroming in de geschiedenis van het bestuderen van de geschiedenis.


[1] Karl Popper, The poverty of historicism, pagina 8

[2] Karl Popper, De open samenleving en haar vijanden, pagina 35

[3] De eerste wet van Newton: Als er geen resulterende kracht op een voorwerp inwerkt, kan er geen snelheidsverandering van dat voorwerp optreden. De snelheid zal dus onveranderd blijven: zowel grootte als richting van de snelheid blijven constant. Het voorwerp staat stil of beweegt zich met constante snelheid in een bepaalde richting.

De tweede wet van Newton: een voorwerp in rust zal in beweging gebracht worden als er een kracht op werkt en een voorwerp in beweging zal versnellen, vertragen of van richting veranderen als er een resulterende kracht op werkt.

De derde wet van Newton: Deze wet stelt dat krachten nooit alleen voorkomen, maar steeds in paren (actie en reactie). Hoewel {\displaystyle {\vec {F}}_{\text{actie}}} de actiekracht en  de reactiekracht{\displaystyle {\vec {F}}_{\text{reactie}}} tegengesteld gericht en even groot zijn, heffen zij elkaar niet op, omdat zij op verschillende voorwerpen werken.

Even naar Newtons appel: geen God maar de zwaartekracht veroorzaakte het vallen van de appel: die valt omdat de zwaartekracht sterker is dan de kracht waarmee het steeltje aan de tak vast zit. Daardoor breekt het steeltje en valt de appel naar beneden (actie). Tegelijkertijd zwiept het takje naar boven (de reactie).

[4] Adam Smith, De welvaart van landen, pagina 67

[5] Karl Popper, De open samenleving en haar vijanden pagina 17 (voorwoord bij de eerste druk)

[6] Idem, pagina 208

[7] Letterlijk de leer van de laatste dingen. Dergelijk denken komt in alle moderne maar ook pre-moderne religies voor. Hans Achterhuis besteed er in zijn Geloof in Geweld een heel hoofdstuk aan.

[8] Hans Achterhuis, Geloof in Geweld, pagina 287

[9] Idem, pagina 311

Een gedachte over “Geschiedenis: historicisme

  1. Pingback: Geschiedenis: her-denken – Ballonnendoorprikker

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.